VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar startpagina Alle artikels Reageer via het Forum Contacteer de auteur Printversie (PDF)

Cum
mortuis in lingua mortua
Fluisterstemmen in
het Darwinjaar
Johan Sanctorum
25 december '09
Ter gedachtenis aan Leopold Flam (1912-1995), mijn leermeester filosofie aan de VUB
Doorgaans
bulkt het eerbetoon aan een oud-leermeester van de citaten. Onder het motto
de mortuis nil nisi bene is ook een apologetisch discours verplicht, waarmee
de overledene als een mummie wordt ingekapseld in een galerij van cultuurhelden.
Bij Leopold Flam stelt zich daarbij een probleem. Hij is eigenlijk een vergeten
filosoof, een schim, eenvoudigweg omdat Vlaanderen geen filosofische traditie
heeft en alles versmald wordt tot een academisch-bureaucratisch discours, naast
uiteraard het gezwam van locale letterkundigen.
Het probleem rond Flam is dus dat van de herinnering, die geen reconstructie van
feiten is of het post mortem opwarmen van teksten, maar een haast fysieke
invocatie van de dode. Als atheïst geloofde hij niet in het hiernamaals. Toch
was zijn denken doordrenkt van een geloof in verbondenheid,
geestesverwantschappen en zelfs ‘paranormale’ intuïties die maken dat mensen op
een bepaald tijdstip en in een bepaalde ruimte niet toevallig aanwezig zijn. Een
zinnige relatie tussen Leopold Flam en zijn nabestaanden definieer ik dus als
esoterisch. Een relatie die niet tot het gangbare cultureel-literaire circuit
kan gerekend worden. De her-innering moet de dode een stem geven, waardoor hij
uit zijn schim-zijn, al was het maar voor even, ontzet wordt en incarneert.
We spreken over stemmen,- deze ervaring is zonder meer muzikaal. In 1881 voltooide de Russische componist Modest Moessorgski de bekende ‘Schilderijententoonstelling’, opgedragen aan zijn dode vriend-schilder Viktor Hartman. Onder deze platgespeelde muziek zit een onbemerkte metafysische boodschap die men paragnostisch zou kunnen interpreteren: het opschrift ‘Cum mortuis in lingua mortua’ boven nr. 8 (‘Catacombae’) introduceert een dialoog met de schim, zijnde de overleden schilder.
Maar wat hebben de doden ons te vertellen? De muziek van Moessorgski introduceert een Freudiaans verband tussen rouw en schuld: de doden zijn altijd gedood door de overlevenden. In het concentratiekamp is het elk voor zich, en betekent elke executie van een medegevangene respijt voor de overblijvers. Solidariteit is niet mogelijk, in de dood is men alleen. Afgezien van de opgelopen trauma’s bij de slachtoffers en de schuld van de beulen, stel ik me ook de vraag hoe de survivors omgaan met hun eigen schuldvraag. Als overlevende van Buchenwald moet dit het bewustzijn van Flam voor een deel bepaald hebben. Maar als nabestaanden hebben wij op onze beurt te antwoorden op een schuldvraag: de dood is de uitkomst van alle krachten die op een levend wezen inwerken,- het tegenwoordig maken van de schim houdt dus een proces in.
Op 27 ja
nuari 2009 werd Iris Vanden Berghe,
samen met haar nieuwe partner, tot 30 jaar cel veroordeeld wegens verwaarlozing
en mishandeling van haar mentaal-labiele zoon Davey die op
17-jarige leeftijd daaraan bezweken was. De feiten zijn buitengewoon gruwelijk,
ik ga voorbij aan de details. Op de duur had ik de moed niet meer om het
krantenrelaas nog te lezen. Op de dag van de uitspraak verscheen de volksjury
–hoogst ongewoon- in rouwkledij. Iris Vanden Berghe kreeg de maximumstraf: 30
jaar. "Sorry Davey, het spijt me, het spijt
me!" schreeuwde ze doorheen de
assisenzaal. Ik denk niet dat het gespeeld was. Maar wat betekent hier “sorry”?
Haar echte straf is het schuldgevoel waarmee haast niet te leven valt.
De vraag is, waar dat knagend gevoel vandaan komt. Ik vermoed dat we er met de psychologie alleen niet uit komen. In de Griekse tragedie is wraak – een taboe in de moderne rechtstaat- de ultieme vorm van gerechtigheid. Veelal wordt ze echter postuum voltrokken, door het slachtoffer zelf, dat de dader opzoekt en teistert: de doden oproepen is hen het oordeelsrecht geven. Concreet betekent dit, dat de doodgemartelde Davey zich in de rechtzaal manifesteerde: hij is zelf de oorzaak van de wroeging van zijn moeder, en meteen de bezorger van haar ultieme straf. Zo werd dit proces zinnig theater en zelfs een spiritistisch psychodrama, al heeft geen enkele krantenverslaggever het opgemerkt.
Animistische oerreligie en totemisme: de dode als levensgids
Wat is onze r
elatie
vandaag met het ‘dodenrijk’? Op 1 november zetten we een bloempot met chrysanten
op het graf van een nabestaande, om te beletten dat we er heel het jaar door mee
zouden bezig zijn. De rouw is een vervelende kwaal die we moeten uitzieken, want
“het leven gaat door”. De doden hinderen ons, we formoliseren ze in een
statistiek, de spoken van het verleden moeten in quarantaine. En wie toch nog
last heeft van “innerlijke stemmen” moet dringend naar de psychiater.
Wat is onze relatie vandaag met het ‘dodenrijk’? Op 1 november zetten we een bloempot met chrysanten op het graf van een nabestaande, om te beletten dat we er heel het jaar door mee zouden bezig zijn. De rouw is een vervelende kwaal die we moeten uitzieken, want “het leven gaat door”. De doden hinderen ons, we formoliseren ze in een statistiek, de spoken van het verleden moeten in quarantaine. En wie toch nog last heeft van “innerlijke stemmen” moet dringend naar de psychiater.
Ooit beheerste deze relatie tussen levenden en afgestorvenen nochtans het doen en laten van een samenleving. In de animistische natuurreligiën van de niet-gechristianiseerde wereld (de zgn. “volksislam” inbegrepen) vormt de communicatie met de voorouders de zenuwknoop van heel de individuele en sociale existentie. Meer nog, ze ligt ten grondslag aan de ontwikkeling van de taal, een complexe code van verbale en non-verbale tekens die essentieel gebaseerd is op het geloof in de “verschijning” van een afgestorvene onder de vorm van een voorwerp, een plant, een levend wezen. De natuur is zwanger van het bovennatuurlijke. De taal is dan slechts in tweede lijn een functioneel-contractueel vehikel om de maatschappelijke en intermenselijke verhoudingen te regelen. Primair is ze een lingua mortua, een ritueel protocol, nodig om een dialoog aan te gaan met onze voorgangers die zich offerden voor ons bestaan. Ook al hebben de nabestaanden hen meestal in strikte, “juridische” zin niet omgebracht, toch heerst er een collectief besef dat de tegenwoordigheid bestaat bij gratie van de verleden tijd, en dat de doden onze existentie hebben mogelijk gemaakt.
Deze morele schuld tegenover de voorgangers is niet afbetaalbaar of kwijt te schelden. Hij is kwalitatief en duurzaam. Meer nog: hij vormt de bodem van een zingevingsproces. Want net daardoor is er een cultuur van de collectieve bezinning mogelijk, een gesacraliseerde democratie zelfs, waarin de solidaire groep het contact met de overledenen onderhoudt om hen verantwoording te geven en te bevragen. Dat is rationeler dan het lijkt: de doden waarschuwen ons voor vergissingen die in het verleden werden gemaakt en die hen fataal werden: slechte therapie, foute overlevingsstrategieën, geweld, machtsmisbruik. Ze staan in de positie van Plato’s goede demon. Hun tussenkomst is als het ware prospectief en beschermend, op voorwaarde dat er ook echt gecommuniceerd wordt tussen diesseits en jenseits. Vandaag noemen we dat ‘externe kritiek’: waarschuwende signalen die van buitenaf, van de ‘andere kant’ komen.
Het animisme is géén beeldcultuur. De monumentale sculpturen bv. op de Polynesische Paaseilanden zijn geen iconen of representaties, maar echte landingsplaatsen voor ancestrale geesten (moai) die kunnen worden geconsulteerd. De totempaal (het woord “totem” is zelf van inheemse-Amerikaanse oorsprong) kristalliseert al het goede dat de overledenen ons kunnen brengen, gesteld dat we hun boodschap respecteren en het verleden in ons opnemen als een leidraad. De doden zijn dus onder ons, ze leven als goede demonen in een wereld waarin het kwaad, de negativiteit, het geweld, de dood zelf voortbrengt en de schuldvraag steeds hernieuwt, onder de vorm van een ‘geweten’.
Samen met Verlichtingsdenker J.J. Rousseau en antropoloog Claude Levi-Strauss kunnen we ons dan afvragen wat er is misgelopen. Wat voor een beschaving legt de doden het zwijgen op? En welke gevolgen heeft dit voor ons normbesef, ons bewustzijn, onze omgang met de anderen, de dingen, het leven, de natuur?
De neopositivistische cultuur van het beschaafde westen heeft het venster tussen de levenden en de doden geblindeerd. De moderne wetenschap houdt zich voor een flink deel met exorcisme bezig,- het falsifiëren van “bijgeloof”. Zelf gelooft ze in niets behalve in haar eigen superioriteit.
Kinderen, primitieven en psychopaten lijken de enigen die nog een metafysisch verband ervaren tussen leven en dood. Alle drie behoren ze eigenlijk tot de marge van het geïnstitutionaliseerde, legitieme cultuuruniversum. Soms exposeert men hun tekeningen, als spasmodische symptomen van een defecte of onderontwikkelde bewustzijnsstructuur, tegengesteld en ondergeschikt aan het rationele denken dat ons in de school wordt aangeleerd. Ontwikkelingspsychologen hebben doorgaans geen zin om een kindertekening als een totembeeld of een voorouderlijke verschijning op te vatten. Figuren met een aura tekenen, het praten tegen dingen, het spelen met poppen,- het wordt allemaal als uitingen van fantasie gecatalogeerd. Af en toe lezen we ook een vermakelijk krantenartikel over primitief ‘bijgeloof’ in niet-geciviliseerde negorijen. In het Maleisische dorpje Kampung Paya werd op 9 september 2006 een betelpalm ontdekt die de vorm van een menselijk gelaat had aangenomen. Voor de dorpelingen is het een geestenboom, waarin de voorouders zich kenbaar maken, om bv. op een nakend gevaar te wijzen. Voor professor Vermeersch gaat het zonder twijfel om niets meer dan een fantasme, een geval van collectieve hysterie bij onnozele wilden. Terwijl tot op vandaag geen enkele wetenschapper een aardbeving kan voorspellen die de Tsunami van twee jaar eerder in dat gebied veroorzaakte. Het is dus misschien niet eens zo dom om de doden hun mening te vragen, of de natuur op een alternatieve manier te “lezen”, als een bezield geheel. Temeer omdat allerlei diersoorten, veel lager in rang, wél schijnen aan te voelen wanneer Moeder Aarde een reusachtige wind gaat laten.
De neopositivistische cultuur van het beschaafde westen heeft het venster tussen de levenden en de doden geblindeerd, heel af en toe klepperen de gesloten luiken nog. De moderne wetenschap houdt zich voor een flink deel met exorcisme bezig,- het falsifiëren van ‘bijgeloof’. Zelf gelooft ze in niets behalve in haar eigen superioriteit. Het occultisme van theosofen zoals Helena Petrovna Blavatsky (1831-1891), vormde zonder twijfel een interessant dissident geluid tegenover de positivistische dogma’s (naar het schijnt had zelfs Einstein een exemplaar van Blavatsky’s “Geheime Leer” op zijn nachtkastje), maar heel het geëxalteerd gedoe in loges en geheime genootschappen, inbegrepen de al dan niet getrukeerde ‘geestverschijningen’ op de séances, maakte de theosofische beweging tot een tegenkerk, doordrongen van een sectarisme dat men vandaag ook nog in allerlei filosofische kringen ontwaart.
Inderdaad, wat is er mis gelopen?
Oog-in-oog met de Neanderthaler: leven als kunst om over lijken te gaan
Dit jaar
wordt met
veel
getoeter de tweehonderdjarige geboorte van Charles Darwin (1809-1882) gevierd. Het
bleek de gelegenheid om niet alleen het groot gelijk van de evolutieleer, maar
ook de suprematie van het westerse rationalisme dik in de verf te zetten.
Peetvaders van het moderne en postmoderne atheïsme, zoals Richard Dawkins
en Daniel Dennett, laten zich in deze parade van de zelfgenoegzaamheid
niet onbetuigd. Niet alleen moest de creationistische folklore (de Hollandse
dominee die de Ark van Noach reconstrueerde) het ontgelden, maar ook alles wat
zich in de buurt bevindt van spiritisme, theosofie, telepatie en paragnosis, en
waarom niet, ook heel de ouderwetse metafysica (“allemaal prietpraat en
kwakzalverij”), en uiteraard Christelijk-conservatieve sceptici zoals Gerard
Bodifée
("Darwin, na het feest", De
Standaard van11/12/2009). Zelfkritiek lijkt in deze jubileumfanfare geheel te ontbreken.
Terwijl het toch gesneden koek lijkt voor cultuurfilosofen: “On the Origin of
Species” (1859) is zélf een bijbel die bol staat van ideologische en
metafysische premissen.
Om te beginnen is de paradigmatische verwantschap tussen de leer van de natuurlijke selectie en het 19de eeuwse laissez-faire liberalisme onloochenbaar: de link tussen beide werd op muziek gezet door Darwin’s tijdgenoot Herbert Spencer, overigens uitvinder van de term "survival of the fittest". Vanuit die mantra is ook de legitimatie van het kolonialisme evident: sterke groepen/volkeren/rassen zijn voorbestemd om de zwakkeren te verdringen en zo het succes van de menselijke soort genetisch te waarborgen. Al is het biologische ontwikkelingsschema van de evolutieleer overtuigend, toch is het ook de exponent van een imperialistische en blank-suprematistische tijdsgeest die al in de humanistische renaissance opdook (“de mens als middelpunt van het heelal”). Dat het begin van het Europese kolonialisme, rond 1500, samenvalt met de publicatie van de geschriften van ene Niccolò Machiavelli, is misschien ook niet helemaal toevallig.
Voluit heet het revolutionaire werk van Charles Darwin overigens: “On the origin of species by means of natural selection, or the preservation of favoured races in the struggle for life”. Ik veronderstel dat de titel alleen al onze huidige anti-racismewet niet zou doorstaan: het Darwinisme is in zijn originele vorm een apologie aan de menselijke soort in het algemeen, en aan het blanke ras in het bijzonder.
In “The Descent of Man”(1871) lezen we onder meer:
“At some future period, not very distant as measured by centuries, the civilized races of man will almost certainly exterminate, and replace the savage races throughout the world. At the same time, the anthropomorphous apes will no doubt be exterminated. The break between man and his nearest allies will then be wider, for it will intervene between man in a more civilized state, as we may hope, even than the Caucasian, and some ape as low as a baboon, instead of as now between the negro or Australian and the gorilla.”
Interessant: het recordtempo waarmee diersoorten vandaag verdwijnen, bijvoorbeeld de gorilla, is geen gevolg van menselijke mismeestering in de natuur maar gewoonweg een kwestie van “natuurlijke selectie”. En er staat nog nét niet dat de Australische aboriginal in naam van diezelfde evolutie “mocht” uitgeroeid (exterminated) worden door de Euro-Amerikaanse kolonisator, maar het scheelt geen haar, want hij behoort tot een savage race, een lagere, wilde soort. Deze ideologische infiltratie van de wetenschappelijke theorievorming is van alle tijden, zoals de Kerk in de middeleeuwen ook de zon rond de aarde wou laten draaien. Alleen: in het geval van het neo-Darwinisme wordt dat voorbehoud door de zgn. “kritische geesten” niet gemaakt, en verheft de theorie zichzelf tot een soort atheïstische religie, waarin alle ideologische premissen klakkeloos worden meegesmokkeld.
Wat maakte de door de homo sapiens geëlimineerde Neanderthaler on-fit? Was hij te zwak, te dom? Niet sluw genoeg? Niet voldoende veroverzuchtig? Zouden Auschwitz en Hiroshima in zijn versie van de geschiedenis hebben plaats gegrepen?
In een vroeger essay, In mijn boekenkast staat Darwin naast de bijbel" (Oktober 2007), schreef ik o.m.: "De geschiedenis van de menselijke kennis is een aaneenrijging van misverstanden, intellectuele luiheid, Macchiavellistisch gekonkel, wishfull thinking en ook wel echte stommiteiten. Slechts heel af en toe van echte geniale flitsen. Men zal zich in de toekomst kapot lachen over wat wij in 2007 geloofden. Het Darwinisme en de evolutietheorie inbegrepen." Maar het Darwinjaar bleef verplichten tot apologetisch getoeter vanwege allerlei postmoderne dogmatici, zoals Johan Braeckman (die na 20 jaar verblijf in de kruipruimtes van de UGent de fakkel van Prof. Etienne Vermeersch mag overnemen).
De eigenlijke waan van die moderne dogmatiek gaat echter nog verder dan het crypto-racistische of antropocentrische denkbeeld. Ze heeft namelijk tot een metafysische breuk met het verleden geleid, simpelweg omdat de evolutieleer ons van alle historische schuld verlost. In het neoliberale vooruitgangsdenken kan er geen sprake zijn van een soort morele of metafysische schuld t.a.v. de doden, omdat hun bestaansreden in onze actuele existentie vervat zit. Een gedachte die katholieker is dan ze lijkt. Zoals het doopsel en de biecht ons register witwassen, zo maakt het survival-principe ons tot succesrijke producten van een alles-overkoepelende natuurwet. Het dodenrijk anderzijds bevat alle verliezers, alle “onfitte” individuen die we achter ons lieten als inferieure trappen naar de perfectie. Het verleden is wat het is, de doden zijn dood, en daarmee uit. Leven, als kunst om over lijken te gaan. Ooit, op de jongste dag, zullen ze uit het graf klauteren en het dies irae zingen, maar dat zijn zorgen voor later. Hun status is die van puur afval, residu, fossiel. Alles is middel, een traptrede naar boven en verder, we gaan over lijken, letterlijk. In dit instrumentaliserend optimisme wordt de mens wel aan de aap als voorouder gelinkt, maar wordt tegelijk het verleden als een imperfectere vorm van het heden gezien.
Vandaag lijkt de tijd rijp om de metafysische lacune van het Darwinisme, als discours van het vleesetend roofdier en ideologie van een wegwerpcultuur, écht, in het openbaar, te onderkennen. De filosofie van het vegetarisme heeft vooral met dat schuldinzicht te maken. Ons lichaam zit vol met dode wezens die tot puur middel werden herleid. Als er iets is, waarvoor een groot excuus gepast zou zijn, dan is het misschien wel voor de evolutieleer zelf, die ons elke vorm van retrograde-bezinnend denken ontnomen heeft. De dierentuinen bakenen de soorten af en markeren de triomftocht van het menselijk specimen. In het Gallo-Romeins museum te Tongeren staart een groepje opgezette Neanderthalers voor zich uit. Hun ogen kijken nergens naar, ze verontrusten de bezoeker op geen enkel moment. Sommigen houden hun eigen schedel vast. Zoals bekend betreft het een “dode zijtak” van onze stamboom, uitgemoord door de soort die zich achteraf “homo sapiens” zou noemen..
In een retrograde denkbeweging kan men de geschiedenis nochtans heel anders lezen, en wordt het hier-en-nu uitermate problematisch. Wat maakte die Neanderthalers on-fit? Waren zij te zwak, te dom? Niet sluw genoeg? Niet voldoende veroverzuchtig? Zouden Auschwitz en Hiroshima in hun versie van de geschiedenis hebben plaats gegrepen? Of zijn ook die catastrofes "noodzakelijke" etappes in onze evolutie? Had in Auschwitz de evolutie een afspraak met de geschiedenis, en “moest” dit gebeuren? Volgens dezelfde logica zal hopelijk –al past deze gedachte niet in het Darwinjaar- een buitenaardse beschaving komaf maken met de humanoide barbaren, het kosmische misbaksel dat “mens” heet. Waarna heel zeker de excuses zullen volgen én de bijzetting van de homo sapiens in een interplanetair museum.
Van exterminatie tot sorry-cultuur: het einde van de geschiedenis
Dat brengt ons op het slotakkoord van de neokolonialistische parademars: het
groot excuus. Op 13 februari 2008 “verontschuldigde” de Australische regering
zich plechtig
tegenover
de aboriginals omwille van de begane moordpartijen door Britse kolonisten in de
18de en de 19de eeuw. De toon in de media was vrij
unaniem, dat hiermee “een tijdperk was afgesloten” en “Australië met zijn
verleden in het reine was gekomen”. Wat er van veraf uitziet als een nobel
gebaar, blijkt van dichterbij bekeken een straf staaltje van zynisches
Vernunft, om Peter Sloterdijk te parafraseren: het emancipatorische
verlichtingsdenken brengt zijn eigen karikatuur voort, via een retorisch cynisme
dat uitmondt in een banaal “sorry”. Het recupereert de donkere vlekken van de
geschiedenis op zo’n manier, dat de historische kritiek voorgoed verleden tijd
is. Het theatraliseert de schaamte op een schaamteloos niveau. En vooral: het
exorciseert de dood en de doden, die in de animistische religie van de
aboriginals zelf tot de levende cultuur behoorden. Het idee alleen al dat de
massamoorden van Pinjarra (1834), Myall Creek (1838), Battle Mountain (1884) en
Coniston (1928), uitgewist worden met een beleefdheidsformule is voor een
primitieve geest onbegrijpelijk. Het past echter wonderwel als een apotheotisch
naspel van “On the origin of species”: de overwinnaars gunnen zichzelf
een genereus pardon en annuleren de afrekening. Het staat ook in het verlengde
van de christelijke witwassingsrituelen die de conquistadores op tijd en stond
ondergingen. Het is een humanistische geste met een
onverdraaglijk-paternalistische ondertoon. Het kadert tenslotte perfect in de
realisatie van het globalistische wereldmarkt-project en het afsluiten van de
geschiedenis à la Fukuyama (“The end of history and the last man”
- 1992).
Inderdaad, het einde van de geschiedenis: hoe goedkoop kan men wegkomen. De psychologie van het excuus draait rond een inkapseling van de waarheid in een neutraliserende capsule, die de waarheid niet ontkent (dat zou alleen maar tegenspraak en dualiteit veroorzaken) maar irrelevant maakt. Het excuus is een perfectere vorm van de leugen: het is dé postmoderne stijlfiguur bij uitstek. Door het retrograde, reconstructieve denken af te schaffen (“Hoe kon dit in godsnaam gebeuren”?), inclusief het debat rond de schuldvraag, wordt de dualiteit tussen leven en dood, beaming en negatie, zelf geannuleerd. Er zijn geen muren meer, geen grenzen, geen buiten of binnen, geen kant en geen overkant. Het sorry-gebaar creëert een monothetisch universum van uitspraken die zichzelf versterken. Het bezweert het verleden, bagatelliseert de geschiedenis, ontlast het geweten, en virtualiseert de schuld tot iets fluïde, vormeloos, dat overal en nergens is. Vanaf dat moment is het heden aan een compleet repetitief mechanisme onderworpen. Alles herbegint, niets krijgt een einde, of een “proces” waarin de slachtoffers spreekrecht zouden krijgen, en de onomkeerbaarheid van de tijd een kwellende gedachte wordt.
Het is typerend voor een laatkapitalistische tijdsgeest waarin iedereen boven zijn stand leeft, er uitermate oppervlakkig met schuld wordt omgesprongen, en failliete bankiers de “rommelkredieten” in een bad bank stoppen om gewoon te herbeginnen. Een tijdperk ook waarin uitgekookte Rieders en Vermassens elke moordenaar van schuld kunnen vrij pleiten via procedurekwesties, argumenten van “onweerstaanbare drang” of verwijzingen naar een ongelukkige jeugd, de maatschappij of het systeem. Het excuus is overal, de schuld nergens. We leven in een tijdperk van de schuldherschikking, de rommel wordt enkel verplaatst naar een hoekje waar we hem niet zien. De economie is een door speculanten beheerste mondiale carrousel (het opvullen van een gat door er een ander te maken), doch ook onze gestoorde relatie met de natuur zelf uit zich in een doorverkoop van “emissierechten”, vervuiling die verhandelbaar is, liefst in de richting van het leeggeplunderde Zuiden.
Het excuus is overal, de schuld nergens. Het ene excuus lokt het andere uit, maar de carrousel schijnt niet te willen stoppen. Sterker nog, het discrete cynisme van de verontschuldiging verspreidt zich tot in alle facetten van het dagelijkse leven...
De overeenstemming tussen postkoloniaal excuusgebaar, de verdwijntruc van de bad banking, en industriële afvaldumping is overigens frappant. Tot 1993 werd radioactief afval van de kerncentrales gewoon in zee gestort. Toen dat, onder druk van de milieubeweging, niet meer kon, lanceerde een kransje van wetenschappers, politici en de nucleaire lobby het plan om in een aantal Belgische gemeentes zgn. “afvalbunkers” te bouwen. Toen ook dat op bewonersprotest werd onthaald, besliste de federale regering eenzijdig om het toxische spul gewoon onder de grond te stoppen in de Kempische gemeente Dessel. Halveringstijd van Radium-226: 1600 jaar, maar vermits de geschiedenis is opgehouden kan dat geen probleem zijn.
In deze repetitieve kredietmaatschappij worden de eindafrekeningen zo lang mogelijk uitgesteld. The American way of life, die iedereen haast sociaal verplicht om te leven en te consumeren met geleend geld, klapte in elkaar in het najaar van 2008, waarop de bankiers “sorry” zegden en de staat (dus eigenlijk: iedereen) de schulden overnam. Het ene excuus lokt het andere uit, maar de carrousel schijnt niet te willen stoppen. Sterker nog, het discrete cynisme van de verontschuldiging prolifereert zich tot in alle facetten van het dagelijkse leven. Ik hoor voortdurend iedereen “sorry” mompelen, ik krijg er kippevel van. Iemand die je omver loopt in de metro, de deurwaarder die mijn spullen op de vrachtwagen laadt, de automobilist die een fietser omver rijdt, de jongeman die een vrouw en een kind neerkogelt (Hans Van Themsche in de rechtszaal: “Sorry, sorry, sorry…”). Allen zijn ze even beleefd en drukken ze hun spijt uit, alsof de woorden tegen de feiten opwegen. Waar is het mea culpa naar toe?
Het kan dan ook niet anders of dit leeg ritueel wordt zelf een instrument, een alibi, een pose, een retorische truc. In oktober 2007 vond de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens plots de tijd rijp om zich te “verontschuldigen”, tegenover het Forum van Joodse Organisaties, voor de deportaties van Antwerpse Joden tijdens de 2de wereldoorlog. Bart De Wever had helemaal gelijk toen hij stelde dat dit soort excuusgebaren lachwekkend en betekenisloos was, maar verontschuldigde zich vervolgens zelf voor die opwelling van politiek-incorrecte eerlijkheid, nadat de “Joodse Gemeenschap” hem op de vingers had getikt. Heel de holocaustcultus is overigens een uit de hand gelopen exploitatie van de westerse excuuscultuur, waarin echte, metafysische en onreduceerbare schuld, wordt vervangen door gebaren, transacties en compensaties (Norman Finkelstein: ‘The Holocaust Industry: Reflections on the Exploitation of Jewish Suffering’).
Voortdurend wordt hier de gruwel van het verleden gebruikt om de gruwel van het heden te verontschuldigen. Het holocaustmuseum reduceert de herinnering tot de afmetingen van een griezeltent, en maakt van de schuld een verhandelbaar product, net zoals de bankiers doen. Beeldmatig zie ik geen enkel verschil met de horrorformats die ons vanuit Hollywood tegemoet waaien. De dood wordt getheatraliseerd én vermarkt in een frenetieke beeldcultuur, maar de doden zwijgen. Dankzij de film- en game-industrie kan onze relatie met het jenseits helemaal herleid worden tot een spook- en griezelervaring, het karikaturale universum van zombies, vampiers, bezeten meisjes die erwtensoep spugen, en ander telekinetisch spektakel. We zijn verslaafd aan beelden waarachter niets zit, behalve een scherm. De gelijkenis tussen het cinematografische horror-scenario en de échte landschappen van de exterminatie (Darfour en Gaza zijn de meest recente), leidt helemaal niet tot bezinning of wroeging, doch fundeert integendeel het automatisme van de herhaling in de posthistorische soap.
Israël heeft trouwens zijn excuses aangeboden voor de beschieting van het VN-ziekenhuis in Gaza-stad. Dankuwel, case closed, op naar de volgende.
Her-innering: de stilte van het ongeschreven boek - epiloog
Steeds meer stel ik me de vraag, of er onder dé geschiedenis niet nog een tweede
of een derde laag onder zit, waarin zij sluimeren die het niet haalden. De doden
waarover niemand spreekt. Ook de kunstgeschiedenis is een pleiade van winners,
referenties, namen met een encyclopedische weerklank. De vraag is echter, hoe en
waarom al die anderen mislukten. De amateurs, zogenaamd talentloze losers die
het snel opgaven, of zelfs mensen die er nooit aan begonnen. Er gaapt een enorme
geschiedenis van het onbestaande. Boeken die nooit geschreven zijn, doeken die
nooit beschilderd werden, muziek die nooit werd gecomponeerd. Zwarte gaten en
witte vlekken, waar zijn ze? In welk schaduwrijk sluimeren ze voorgoed? Het
beste zal nooit komen. Het beste wordt, zo lijkt me, permanent verdrukt door de
stringente bloeisappen van "the fittest".
Wat is talent, gave, oorspronkelijkheid, genialiteit? Het vermogen om anderen in
de anonimiteit te drukken? De kunst om de rest van zijn onkunde te overtuigen?
De assertiviteit, het voluntarisme en het zelfbewustzijn van de kunstenaar maken
deel uit van een neo-Darwiniaanse strategie om te domineren en te manipuleren,
de omgeving te objectiveren. Idem dito natuurlijk de concurrentie tussen
collega’s op de werkvloer, het solliciteren, de prestatiecultus op school, de
rivaliteit in de sport, het geduw en getrek in de politiek. Is hij, die wint,
niet de grote verliezer?
Nu de Darwin-fanfare is gepasseerd, blijft de vraag hoe onze cultuur van het suïcidaal optimisme, gekenmerkt door een totale objectivering van alles en iedereen, een korte-termijn-geheugen gericht op de snelle vervulling van behoeften, en de onmogelijkheid om met de schuldvraag om te gaan, toch zichzelf zou kunnen overstijgen. De crisis van de Westerse cultuur, die via het vooruitgangsdenken naar de afgrond danst, zoals een hele reeks 20ste eeuwse denkers van Adorno tot Sloterdijk én Leopold Flam hebben vastgesteld, is in se onoplosbaar. Maar net daardoor wordt het uitdagend om naar een praxis te zoeken die buiten die vooruitgangsideologie en de concurrentiecultuur valt. Niet om in een messianistische bevlieging ‘de wereld te redden’ of zich op een eiland terug te trekken, maar gewoon om binnen deze samenleving van de competitie een ironische afstand te houden van het neo-Darwiniaans paradigma, ontploft in het vrijemarktdenken.
Voor mij is dat de essentie van kunst: het on-strategische handelen en het niet-evolutionaire denken. Het teruggaan naar het verleden, à la recherche du temps perdu, niet als nostalgie, maar als metarationele communicatie met de wezens die we achter ons lieten. Het kunstwerk verschijnt daarbij als een medium, een totem die de fluisterstemmen van gene zijde hoorbaar maakt. Niet de kunstenaar is daarin essentieel, zelfs niet het kunstwerk, maar wel de duizend stemmen die erdoor zinderen, de Neanderthaler in ons die we gedood hebben. Men zou de intro van de 9de van Beethoven kunnen herbeluisteren als een ruiseffect waarin onze voorouders, maar ook alles wat we van ons afgeworpen en weggeworpen en verworpen hebben, terugkeren en ons manen. Quo vadis? Waarheen? Waartoe?
Niet de kunstenaar is essentieel, zelfs niet het kunstwerk, maar wel de duizend stemmen die erdoor zinderen, het ongeschreven verhaal, de Neanderthaler in ons die we gedood hebben.
Echte kunst gaat niet vooruit, integendeel, ze werkt retrospectief, er is altijd het voorbije dat terugkeert en ons aanspreekt. Ze ontrukt ons aan de waan van de horizon en de dwang om steeds verder te moeten. Ze kijkt achteruit om te totaliseren en de gebrachte offers te gedenken, waardoor het actuele bestaan als permanente geweld- en overlevingssituatie niet meer aanvaard wordt.
Heel weinig kunstenaars geraken echter op dat niveau, omdat ook zij existentieel gevangen zitten in het carrièrisme, de drang naar status en succes, het ôte-toi-que-je-m’y-mette, het elkaar vertrappelen rond de subsidiepotten. De cultuurvedette dooft uiteindelijk zelf de potentie van zijn werk uit, door de stemmen te smoren en het ding als een product te etaleren dat zich inschakelt in een markt, een verbruiksketen, een wegwerpcultuur. Het artefact wordt utilitair, kadert in een persoonlijke overlevingsstrategie en verdringt andere, minder succesrijke exemplaren: de cultuur herhaalt de biologische struggle. Wie niet op TV komt, bestaat niet, bevindt zich zelfs als levende al in het schimmenrijk.
In de limiet zou men zich zelfs kunnen afvragen, of het gerealiseerde kunstwerk op zich geen pervertering is van de niet-gerealiseerde, ongemaakte, ongeschreven schriftuur. In elk van ons zit een roman, een schilderij, een symfonie, maar ze blijven stom, omdat het rumoer van de cultuurfabrieken hen overstemt. De 4’33 of silence, die John Cage ons als symfonisch werk presenteert, is dan misschien toch nog iets meer dan gebakken lucht: pas als we zwijgen horen we de geluiden die we anders niet horen. De stilte is niet leeg, ze is vervuld van wat anders wordt weggedrukt. De tiende van Beethoven of de eerste van Marc Verheyden –de ene een genie, de andere een postbode- hebben dit met elkaar gemeen: ergens zijn ze in de kiem gesmoord, overstemd, en vallen ze enkel als… stilte te beluisteren. Zo is de limiet van het boek het ongeschreven boek dat elke schrijver vergeefs najaagt. Is die paradox de achterkant van het perfectionisme, de herhalingsdwang, zelfs van heel de cultuurindustrie? Maken we kunstwerken, schrijven we literatuur, componeren we muziek, als een spasmodische grijpreflex naar het opus dat in ons zit maar er nooit zal uitkomen? Maakt dit ‘gewone mensen’, niet-kunstenaars, dan niet juist fascinerend, als dragers van het ultieme, ongeschreven boek?
“Iedereen kunstenaar”, zo luidt het gelijke-kansen-decreet van de slechtbegrepen democratie. Terwijl het er juist om gaat, op zoek te gaan naar het verzwegene en het onuitspreekbare. De schilder die niet schildert, de niet-componist en niet-beeldhouwer die niet creëren en tot de achtergrondruis behoren van de prestatiecultuur. Het koor in de Griekse tragedie, de spreekkoren op het voetbalveld,- ruis van de massa in de marge van het moderne heldendom. Of de schrijver die zijn roman na twee pagina’s in de onderste lade opbergt, ontmoedigd door het gedaas op TV van Dimitri Verhulst en Erwin Mortier. Ik omhels hem, die naamloze postbode, als mens en Neanderthaler, als niet-genie en figurant, het nevenproduct van de evolutie met wie ik kan spreken in de dodentaal zonder franjes of retoriek.
Het ultieme kunstwerk valt samen met de biologische existentie, het pure zijn van het lichaam zonder machtswil, zonder behoefte aan articulatie. Zo komen de doden niet alleen tot leven, maar overstijgt ook het leven zelf de logica van de dood. Her-innering, zo luidt de uitkomst van het proces.
Johan Sanctorum
Deze tekst was oorspronkelijk bedoeld voor het Huldeboek Leopold Flam, maar werd door de redactie niet aanvaard. (Zie reflecties hierover)
Uiteindelijk verscheen hij in het cultuurtijdschrift Streven (Jaargang 76, nr 7)