De Standaard, 17 Juli 2004                               

 

Reageren         Terug naar archief         Terug naar startpagina

 

 

 

Nu er in Antwerpen grootse infrastructuurwerken aan de orde zijn, en de Scheldestad aan een stedenbouwkundige face-lift toe is, mogen ook de projecten inzake nieuwe publieke architectuur eens tegen het licht gehouden worden. Het Gerechtsgebouw op het Zuid dat momenteel in de steigers staat, ontworpen door de Engelse architect Richard Rogers, is beslist een sleutelproject in het geheel van nieuwe monumenten dat het Antwerpse stadsbeeld de komende eeuwen zal bepalen. Alvorens in te gaan op de impact van Rogers’ architecturaal gebaar op het stedelijk weefsel, willen we even stilstaan bij het verhaal over de toewijzing van de opdracht en de daaropvolgende financiële spitstechnologie. Het is hier overigens niet onze bedoeling om Rogers of zijn gebouw op zich te contesteren –het komt er toch-, maar veeleer om een ernstig maatschappelijk debat los te weken rond publieke architectuur, cultuur, samenleving en… de zin en onzin van architectuurwedstrijden.

Uit de wedstrijd voor dit project, georganiseerd door de Regie der gebouwen,  kwam als winnaar Richard Rogers uit de bus, een van ’s werelds toparchitecten en ontwerper van grote publieke ruimtes als het Parijse Centre Pompidou en de Londense Millenium Dôme. Zijn visie op het nieuwe Justitiepaleis wordt beheerst door een reeks kegelvormige koepels die vanop het dak dreigend in de lucht priemen en nu niet direct dat menselijk-warm moment uitstralen waar de Belgische justitie zo ijverig naar op zoek is, maar hierover straks meer. Het initieel bouwbudget bedroeg toen zo’n 4 miljard BEF (100 miljoen euro). Maar Sir Rogers krijgt door zijn branie gedaan dat de Regie der Gebouwen het normale ereloon van 5% verhoogt tot 7%. En bij de selectie van de bouwpromotor werd deze verplicht om daar nog eens 7% bovenop te doen; met als kers op de taart: ruim bemeten reis- en verblijfskosten. Het Rekenhof becijferde in zijn laatste ‘blunderboek’ dat op die manier Rogers’ werkelijk ereloon zo’n 17% bedraagt. Ondertussen is het oorspronkelijk budget van 4 miljard BEF al gestegen naar 6,5 miljard (162 miljoen euro). Het honorarium volgt uiteraard mee. En daar zal het wellicht niet bij blijven. Op naar de 10 miljard?

Bij deze oefening in hogere wiskunde dringt zich de vraag op, waarom de overheid als bouwheer zo kwistig is met belastinggeld, al gaat het om een architect uit de eredivisie. Want uiteindelijk zal het Justitiepaleis per bruto-vierkante meter zo’n drie keer duurder zijn dan de normale door de Regie gehanteerde maximum-prijzen. Met andere woorden, Sir Rogers krijgt een ereloon toebedeeld dat in verhouding 10 maal hoger is (17% x3= 51%) dan wat de eigen Belgische architecten normaliter van de Regie ontvangen (zo’n 5%, op een strikt vastgelegd budget per vierkante meter). Toenmalig Minister van Openbare Werken, Rik Daems, lachte de conclusies van het Rekenhof weg: aan een schone vrouw zijn nu eenmaal kosten.

Ondertussen schieten de werken aan de Bolivarplaats aardig op. Alleen worden de op de Rogers-website beschreven ‘dramatic hyperbolic paraboloid roof forms’  nu al door de Sinjoren herkend als ‘omgekeerde frietzakken’, en zou een nietsvermoedende Hollandse toerist op de nabijgelegen Ring wel eens de eerste afslag durven nemen, in de veronderstelling dat hier de autentieke Belgische Patat te krijgen is… Er gaapt dus meteen een kloof tussen het flou artistique van Richard Rogers en datgene wat men echt ‘ziet’. Wat loopt hier mis?

Naar ons gevoel is heel het wedstrijdgebeuren rond het Antwerpse Justitiepaleis, en de financiële perikelen die daarmee gepaard gaan, karakteristiek voor de cult-architectuur van de laatste periode van de 20ste eeuw, iets wat dus eigenlijk al achter ons ligt.

Reeds in 1966  waarschuwde de inmiddels overleden Aldo Rossi, nochtans ook een goed-in-de-markt liggende toparchitect, voor een tomeloze, puur op het effect gerichte beeld-architectuur, die er mooier uitziet op het glanzend papier van architectuurtijdschriften dan dat ze ook echt ‘werkt’ en inhoudelijk doordacht is. Dikwijls gaat het om visueel sterke wedstrijd-projecten die een jury met flamboyante maquettes weten te imponeren, ook al door het via de media opgeklopte imago van de ‘Meester-Architect’ zelf. Op die manier creëerde het mondiale modernisme in de gouden tijd een planetair park van riante cultobjecten waaruit presidenten en ministers dan weer konden kiezen voor nieuwe prestigeprojecten. In deze context van etalage-architectuur waren wedstrijden vooral politiek-institutionele rituelen, waarin het huwelijk tussen macht en intellect werd gecelebreerd, ook iets typisch voor de tweede helft van de 20ste eeuw.

Opinion ChannelAchteraf echter bleken de bekroonde creaties dikwijls zware fouten te vertonen (in Antwerpen kunnen, naar het schijnt, de bestelwagens van Justitie de parkeergarage van het Rogers-gebouw niet eens in…..) en, erger nog, kwamen enorme discrepanties aan het licht tussen het gebouw en zijn omgeving, de ‘plek’, waardoor zware lidtekens in de stad ontstonden. In het zog van Le Corbusier werden zo echte niemandslanden gecreëerd, waarvan het Antwerpse linkeroever-ghetto (een probeersel van Le Corbusier uit de jaren ’20 om het Parijse Plan Voisin naar de Scheldestad te transponeren) een van de meest hallucinante voorbeelden is.

Natuurlijk is er niks mis met architecturale estethiek op zich. Maar op een zeker punt worden publieke functies en gewone eisen rond werkbaarheid overschaduwd door het personalistisch merk van de ontwerper. In het museum kan een kunstwerk dat charisma doen gelden- het behoort wezenlijk zelfs tot de periferie van dat kunstwerk-, maar in de openbare sfeer wordt dit Narcisme gauw hinderlijk: de publieke ruimte is geen museum, zelfs geen ‘modern’. Of om het op zijn Italiaans te zeggen: “L’architettura non si fotografa, si viva”,- ‘Architectuur laat zich niet fotograferen, ze laat zich (be)leven’…. Of ‘Architectuur moet men niet afbeelden, men moet er in leven’.

De architectuur uit de voorbije eeuw schitterde inderdaad door haar globalistische wereldvreemdheid. Ze reisde triomfantelijk de wereld rond maar schoot nooit wortel. Ontwerpen van ster-architecten enten zich meestal niet op een plek, maar zijn in se zwevende sculpturen met de pure signatuur van de maker die er een sterke huisstijl op nahoudt. Men zou ze overal kunnen tegenkomen, in Moskou en in Tokio, van New-York tot Mombassa. Het merk is permanent, de omgeving ‘toevallig’. In dat opzicht staan ze helemaal op dezelfde lijn als, jawel, dat andere 20ste eeuws icoon, de McDonalds-hamburgertenten met overal precies dezelfde gecloonde look. Men consumeert hier niet alleen hamburgers, maar ook het design, het logo, een way of life, een ideologie, kortom, een ‘brand’.

 

 

De 21ste eeuw opent nochtans andere perspectieven. Tegenover het theater van de universele travestie en de verwisselbaarheid pleiten wij resoluut voor een receptieve, analyserende architectuur die het locale collectief geheugen exploreert, de geschreven en ongeschreven verhalen van de stad uitpluist, waaruit als het ware ‘de juiste vorm’ groeit, die voor de stedeling herkenbaar is en die op lange termijn terugvloeit in de stedelijke identiteit. Architectuur creëert, representeert en hercreëert zo het stedelijk anima. De stad is immers niet alleen fysiek en tastbaar, ze bevat ook mentale netwerken, clusters van attitudes, verborgen zenuwbanen, onderbuikkriebels, trauma’s en wensdromen, ze heeft een ziel met een lichte en een donkere kant. Monumenten –niet in de enge zin van ‘historisch erfgoed’, maar in de brede zin van ‘architectuur met een publiek-representatieve functie’: gebouwen, straten, pleinen, markante situaties…-  vormen de materiële bakens in deze identiteitsvorming. Ze kunnen dus niet zomaar ‘uit het niets’, uit de pure verbeelding ontworpen worden, hun vorm is het resultaat van denkwerk, analyse, inleving, emotionele intelligentie, aandacht voor het menselijke en het tijdelijke. Het werk van de architect begint voor ons niet aan de tekentafel maar in de bibliotheek en zelfs op de tram en in de kroeg.

Zonder het beladen woord ‘traditie’ te gebruiken, gaat dit essentieel over empathie en invoeling: het verankeren en doorgeven van betekenissen, archetypes, gevoelsinhouden, waarden, tussen generaties en tijdperken, via de specifieke vormentaal van een stad, wijk of regio.

 

Nu is Antwerpen toch wel een enorme kans voor een architect die zich in dat ‘stedelijk verhaal’ wil verdiepen. Niet alleen boogt de stad van Rubens en Jordaens over een rijk cultuurhistorisch verleden, maar de actuele Antwerpse ‘mentaliteit’ wordt door buitenstaanders ook als iets heel specifiek, eigenzinnig en complex ervaren: onze 3de wereldhaven wordt door duistere demonen bewoond.

We gaan hier niet heel ons onderzoek naar de wortels van het Antwerps verdriet uit de doeken doen. Een psychoanalyse van deze stad heeft ons naar een historisch knikpunt rond 1585 gevoerd, de ‘Val van Antwerpen’, de Spaanse Furie, de installatie van een Spaansgezind bestuur en de ontvolking van de stad richting Amsterdam.

Dit verhaal gaat over nostalgie, verloren eer en welstand, door huursoldaten verkrachte maagden, Vlaams-Spaanse bastaardkinderen (‘Sinjoren’, oorspronkelijk een spotnaam!), een cultus van de Heilige Moeder-Maagd als patrones, vondelingenschuiven, Utopia-motieven, een zoektocht naar de ideale moeder-stad, wanhopige Boerentoren-kreten van ‘Ziet mij staan’, en zo verder. 

Ondanks het economische suksesverhaal van de wereldhaven is dit Freudiaans onderbuikgevoel van de achtergestelde vondeling blijven spelen in het collectief geheugen: de Antwerpenaar koestert zijn stad maar keert de rug naar het (mannelijk-patriarchaal) bestuur, zetelend op het Schoon Verdiep. De Antwerpenaar is sinds het exploot van Allessandro Farnèse in de 16de eeuw - het strategisch genie achter de Spaanse Scheldeblokkade en de pontonbrug vanuit de linkeroever- in hart en nieren ook behoudsgezind, en tracht de Stad af te schermen tegen destructieve tendenzen die vanuit de bovenbouw (politiek, administratie, cultuur…) komen. Dit anti-establishment-gevoel uit zich nu eens in semi-subversieve folklore (het Poesjenellen-theater), dan weer in politieke dwarsliggerij (de Meetingpartij uit de jaren 1860, een eeuw later rebel Camiel Huysmans, uiteraard ook het huidige Blok), soms zelfs in artistieke subcultuurmanifestaties met grote uitstraling (Bordello, het protestproject tegen de ‘sanering’ van het Schipperskwartier).

Het anti-modern wantrouwen zit de Antwerpenaar dus in de genen: telkens er iets afgebroken en/of opgebouwd wordt in zijn stad, gaan de Poesjenellenpoppen aan het dansen. Architecten zijn per definitie ‘corrupte smeerlappen’ en collaborateurs met het establishment, die voortdurend de stad willen hertekenen, en daar desnoods de bulldozers voor laten aanrukken.

Uitgerekend het nieuwe ‘Justitiepaleis’ bevindt zich op een plaats waar ooit een Spaanse fort, als Zuidelijk eindpunt van de 16de eeuwse vestinggordel heeft gestaan. Deze plek is doordesemd van geschiedenis, maar een architect als Sir Richard Rogers, mist blijkbaar de bescheidenheid om een echt ‘gebaar naar de stad’ te maken. Hij bevestigt zo alle Antwerpse vooroordelen tegen architecten, strategen en volksvijandige slippendragers. De op zijn website geformuleerde stelling dat dit gebouw ‘Antwerpen-Zuid nieuw leven zou inblazen’ (‘The court house will form a catalyst for the regeneration of the area at the  south-west end of the main boulevard leading into the city from the south’) is dan ook tamelijk gratuit: dit construct verwijst naar niets, behalve naar zichzelf en zijn auteur, en natuurlijk ook wel wat naar de jury die het selecteerde. De zoektocht –als die er al was- naar stedelijke identeit is blijven hangen in visueel-pittoreske stereotypen. Zijn bewering dat de paraboloid roof forms verwijzen naar de nabijgelegen zeilboten (welke?) en de Vlaamse populieren in de omgeving (waar?), lijkt veeleer geïnspireerd door een of andere toeristische folder dan het resultaat van een plek-analyse.

Rogers heeft inmiddels ook de opdracht gekregen om de omgeving van het Justitiepaleis aan te pakken…

 

Conclusie: het ontwerp voor het Antwerpse Justitiepaleis –voorziene oplevering in 2005- is nu al door de tijdsgeest achterhaald, en wel om minstens drie redenen.

Ten eerste baadt heel de voorgeschiedenis en de toewijzing in een sfeer van de Golden Sixties, waar de politieke machthebber als big spender zijn prestige verbond aan pronkerige, oogverblindende fetisj-architectuur van ‘het grote gebaar’. George Pompidou is het absolute model daarvan.

p4Maar welke Grote Staatsman wil of kan dit institutionele mega-construct aan het Antwerpse Zuid nog claimen? Wie voelt zich nog sterk genoeg om zijn naam aan dit project te verbinden? De wedstrijdrituelen zijn gebleven,- het draagvlak is weg, de wind is gedraaid. Meer dan lintjesknippen zit er niet meer in. Het enige dat overblijft uit ‘de tijd dat het niet opkon’ is een personalistisch architectuurmerk dat de belastingbetaler jammer genoeg een smak geld gaat kosten.

Wellicht is zelfs heel het gedoe van architectuurwedstrijden en jury’s achterhaald, en moeten inhoudelijk-sterke briefings vanwege de opdrachtgever tot nieuwe, minder beeldgerichte selectiecriteria leiden, waardoor ook het vedettisme en de daaraan verbonden financiële aberraties minder gaan woekeren.

 

Tweede vaststelling: de maatschappelijk symboolwaarde van het gebouw is zo goed als nul, het mankeert elke relatie met de Antwerpse stedelijke identiteit,- ook in dat opzicht is het achterhaald. Deze stad heeft wel degelijk behoefte aan monumentaliteit en nieuwe fierheid, maar dan gebaseerd op samenhang, gecreëerd door intense, plekbetrokken cultural engineering.

Terwijl hedendaagse kunstenaars volop begaan zijn met de omgeving waarin hun objecten zich voorstellen –de context wordt zo belangrijk als het ding zelf-, is uitgerekend dit ‘Justitiepaleis’ een monomaan eiland in de stad, schreeuwend om aandacht maar zonder de minste affiniteit met wat er leeft en broeit. Alleszins had men met het anderhalf miljard oude Belgische franken voor de ‘hyperbolic paraboloid roof forms’ veel beter een Panamarenko of een Fabre aan het werk kunnen zetten, om een echt monumentaal icoon te creëren–misschien zelfs een hele reeks, op de vernieuwde Leien, ik zeg maar wat- dat de Antwerpenaar een gevoel van trots en collectief eigendom zou kunnen geven.

 

Ten derde is, juist met dit project, een enorme kans gemist om architecturaal in te spelen op een maatschappelijke onderstroom die bij ons sinds midden de jaren ’90 het collectief bewustzijn beheerst: een verloren vertrouwen in de instellingen, vooral in het gerecht.  Zou Sir Richard Rogers er bij stil gestaan hebben dat wij ons in een latente regime-crisis bevinden met Justitie als een van de grote pijnpunten? Weet hij iets van de Witte Mars of het post-Dutroux-tijdperk? Zou hij, gebogen over de cleane maquettes die door zijn assistenten zijn uitgewerkt, op het idee gekomen zijn dat wij misschien meer behoefte hebben aan een Huis van Gerechtigheid’ dan aan een ‘Justitiepaleis’ zoals Poelaert er in het 19de eeuwse Brussel al een neerzette?

Een sobere ruimte bijvoorbeeld waar vooral de rechtzoekende burger thuis is, en niet alleen in toga uitgedoste vakjuristen; een ‘wetswinkel’ met een hoog ombudsgehalte, laagdrempelig en zelfs bescheiden, waardoor maatschappelijke orde misschien opnieuw een draagvlak krijgt, en een gevoel van rechtvaardigheid ontstaat, toch het eigenlijke doel van justitie, of niet soms?

Ach, wij weten ook wel dat Sir Rogers een bureau te runnen heeft en dus wedstrijden moet winnen. En om wedstrijden te winnen in onze perceptie-maatschappij moet men blijkbaar ‘opvallen’. Maar is het ook niet een beetje de taak van de architect om aan die verleiding te weerstaan en na te denken over wat een gemeenschap echt nodig heeft? En geldt dat ook niet, en zelfs in meerdere mate, voor de jury van dienst?

Nu zult U hier niet lezen dat dit project moest toegewezen worden aan een Vlaamse of –godbetert- een Antwerpse architect. Wel getuigt het van omgekeerd chauvinisme en een typisch Vlaams-Belgische boertjesmentaliteit om zich door een buitenlandse Deus ex Machina te laten overdonderen, terwijl de architecten uit onze contreien met het bestaansminimum worden wandelen gestuurd.

Fundamenteel is hier echter, door voorbijgestreefde uitgangspunten en een aftandse selectieprocedure, een enorme kans gemist om via een doordacht architecturaal concept aan stadsherwaardering én aan maatschappelijke heropbouw te doen.

Voor een doorsnee-stad zou het hooguit een hilarische miskleun betekenen, voor een stad als Antwerpen is het een drama, en vormen de frietzakken, samen met hun prijskaartje, een nieuw symbool van institutionele megalomanie en een vers lidteken in een boeiende, maar gecompliceerde stad die het al zo moeilijk heeft met zichzelf.

 

Hopelijk kan dit voorbeeld een discussie losweken rond architectuurwedstrijden, de impact van het directe beeld ten nadele van het concept, en, algemener nog, het belang van degelijk denkwerk rond stedelijke identiteit. Zijn we niet dringend aan een maatschappelijk forum toe, waarin de ‘vormgever’ dan moderator zou kunnen worden, zelfs een diplomatiek genius in de polyfonie van maatschappelijke geluiden en hun onderstromen? Dit maatschappelijk geruis kan dan misschien gekanaliseerd worden naar een vormconcept dat groot genoeg is om cultuurhistorische determinanten te vatten en socio-culturele tegenstellingen te overstijgen. Politiek denkwerk dus, in de breedste zin van het woord. Want justitie is van iedereen, het is de meest distributieve factor van ons democratisch bestel. Het is dan zeer de vraag of een architectuurwedstrijd (het woord alleen al…) aan deze eisen kan tegemoet komen.

Verdelen, distribueren, bemiddelen en… vooral luisteren,- een nieuwe roeping voor de architect? Terug naar boven