VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels              Reageer via het Forum         E-mail     

 


 Het nut en vermaak van een kaasschaaf

 
Averechtse overwegingen rond cultuursubsidies en kunstenbeleid

 Johan Sanctorum
 31/01/11
 

 

Het protest tegen de besparingsplannen van cultuurminister Joke Schauvliege is lang nog niet geluwd. Nu pas drong het tot me door hoeveel organisaties, verenigingen, elke mogelijke kaartersclub, jeugdafdelingen van politieke partijen, maar ook tijdschriften, weblogs, enz. uit de ruif van overheidssubisides eten. Naast uiteraard de artistieke projecten, kunstencentra, de gezelschappen en… zowaar ook kunstenaars. De beslissing om het Ballet van Vlaanderen te laten samenwerken met de Vlaamse Opera leidde alvast tot de banbliksems en het ontslag vanwege directrice Kathryn Bennetts die (uitsluitend in het Engels overigens, ze spreekt nog altijd geen woord Nederlands) haar gram uitte over de Vlaamse boerenmentaliteit.
Het woord kaasschaaf is een sleutelrol gaan spelen in de discussie: het is overal bezuinigen geblazen, en dus kan cultuur het ook wel met wat minder stellen. Lichtjes schaven dus, of, ook in de keukentaal: het vet afromen. Maar dat is buiten “de sector” gerekend: “de sector” vraagt net méér geld, want onze beschaving staat op het spel, beste mensen! “De sector” ziet de kaasschaaf als een middeleeuws gruweltuig dat onze contreien terug in diepe barbarij dompelt,- en de Vlaming is al zo’n cultuurloze Menapiër. Daarom zijn de meeste “cultuurdragers” oprechte Belgen, ook al aanvaarden ze met dank al het manna dat uit de Vlaamse hemel valt: de rasVlaming is in se politiek-fout, ethisch-geborneerd, en cultureel onderontwikkeld.
Plastisch kunstenaar Wim Delvoye en schrijver Dimitri Verhulst zijn daarom in Wallonië gaan wonen: hoezeer deze intellectuelen de lagere regionen van de menselijke natuur ook willen exploreren, en hoezeer het Vlaamse slijk ook aan hun schoenen plakt,- de stank van de Vlaming zelf is hen ondraaglijk.
Soit, het (eveneens gesubsidieerde) tijdschrift Recto-Verso (januari-februari 2011) besteedde een speciaalnummer aan het zelfbeklag van de cultuursector, met bijdragen, deels in het typische jargon (genre:
“…een prioriteitenbeleid begint bij een open communicatie met het veld, zodat de sociaal-culturele organisaties maatschappelijk geresponsabiliseerd worden”), naast hier en daar Narcistisch babygekrijt van de artiesten zelf. Tot slot laten een stuk of wat politici hun licht schijnen over de vraag hoe ze de artiest, in ruil voor dat geïnvesteerde belastinggeld, maatschappelijk kunnen laten renderen (als entertainer, volkspedagoog, morele baken, ambassadeur, etc.). Nergens echter zie ik een poging vanwege de artiesten om out of the box te denken, om nu maar eens een modeterm te gebruiken. Nergens bespeur ik bij het kunstengild een rebels geluid, in de zin van “Fuck-off, we hoeven jullie geld niet”, behalve misschien in de marginale bijdrage “Hang opnieuw de aap uit!” (van Stef Lernous en Nikc Kaldunski, namens Abattoir Fermé).
Tja, we zullen hier dan maar weer eens ons slecht karakter tonen en de advocaat van de duivel spelen. Moet de overheid zich echt met cultuur, inclusief heel het sociocultureel universum, bezig houden? Is kunst iets dat zich met staatstoelagen in leven moet houden? En… welke gehalte aan subversiviteit kan een kunstenaar nog hebben, in zijn status van steuntrekker of, erger nog, ambtenaar?

 

 

Artists-in-residence: het verhaal van een inkapseling

In het essay “De engel, de maagd en de koorddanser”, over de macht van de performer, sluit ik af met het voorbeeld van de actiekunstenaar Benjamin Verdonck, die elke machtspositie probeert te vermijden, door gewoon het podium af te schaffen. Het verhoog, de scenische architectuur, de charismatische cirkel rond de kunstenaar en het kunstwerk,- hij probeert ze als valstrikken te buiten te gaan, via statements in de publieke ruimte die er zelfs niet als “kunst” uitzien, maar eerder als onduidbare, verwondering opwekkende of zelfs hinderlijke fysieke obstakels (zoals bedelaars, daklozen, dronkaards, straatkunstenaars, of gewone wereldvreemden dat zijn). De scène van Benjamin Verdonck is de straat; hij komt en verdwijnt waar het hem past. Maar in 2010 las ik plots dat deze artistieke alien onderdak had gevonden in de KVS en het Toneelhuis, niet toevallig twee schrokkoppen als het om overheidstoelagen gaat.

Ik weet niet of Verdonck nu in het Toneelhuis een prikklok moet passeren, maar zo’n cultuurfabriek heeft allicht wel een huisreglement, een boekhouding, en moet op het einde van de rit een balans aan de broodheer voorleggen. Deze verambtelijking van de kunst en de kunstenaar toont aan dat het rationele systeemdenken, zoals de filosoof Jürgen Habermas dat in navolging van Martin Heidegger bestudeerde ( zie o.m. “Technik und Wissenschaft als Ideologie”, 1968), veel agressiever is dan we aannemen. Het rekenend denken is alomtegenwoordig, cultuur ontsnapt er niet aan. Alleen al het indienen van een subsidiedossier is een ambtelijk meesterwerk, waarvoor alleen een speciaal gecreëerde kaste van cultuurmanagers bevoegd is. Met hen valt te praten. Op voorwaarde natuurlijk dat ook de minister hun taal spreekt.

Het is dan ook logisch dat de overheid het liefst met een deftig institutioneel kader werkt, eerder dan met een gewemel van éénmanszaken. Van het totale Vlaamse kunstenbudget gaat 99 % naar de instellingen. Elke kunstenaar wordt op zijn manier dus artist-in-residence, een ambtenaar, en daar wil het systeem hem ook hebben, als loontrekker of steuntrekker, of iets ertussen. De actiecyclus “Kalender” van Verdonck, oorspronkelijk een geheel dat zich, letterlijk, als straatkunst afspeelt, werd naar een museaal interieur getransponeerd en in een theaterruimte ondergebracht, letterlijk een “doos”. Daarmee komt de verbureaucratisering van de kunst in een nieuwe fase: de architectuur wordt de dominante uitdrukkingsvorm van de institutionele cultuur. Het museum is niet alleen een “huis”, een onderdak dat schilderijen en toeschouwers tegen de weersomstandigheden moet beschermen, maar een profane tempel, een symbool van de staatsmacht, waarvan het Parijse Centre Pompidou het absolute model blijft.

Van het totale Vlaamse kunstenbudget gaat 99 % naar de instellingen. Elke kunstenaar wordt op zijn manier dus artist-in-residence, een ambtenaar, en daar wil het systeem hem ook hebben: als loontrekker of steuntrekker, of iets ertussen...

In deze betoncultuur vinden notoire lintjesknippers als de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens helemaal hun gading. Het museum of de bibliotheek of de theaterzaal, of een megalomane combinatie van dit alles,- het zijn schier onbetaalbare projecten, die toch gelegitimeerd worden omwille van het “etalage-affect”: men moet een stad nu eenmaal “op de wereldkaart” zetten, volgens de regels van de city-marketing. En eens dat museum er staat, krijgen we het ook nog wel vol met artistiek behang. Cultuur is hier opnieuw decoratie, zoals in de periode van Lodewijk XIV, alleen beseffen de kunstenaars dat vandaag niet, bezig als ze zijn met hun grote Zelf.

New-York en Bilbao zijn de referenties, ook voor echte provincienesten. Ze rollen de rode loper uit voor Gehry, Calatrava, Libeskind, Meier en Koolhaas, en andere vedetten van de wereldarchitectuur, die het zich allemaal laten welgevallen. En, zoals Heidegger zei, bij wijze van paradox: hoe talrijker de rekenaars, des te matelozer wordt de samenleving. Hier komen ook de kunstpausen in beeld, als intermediaire promotoren van het Grote Gebaar: enkele jaren geleden kreeg ons aller Jan Hoet de vroede vaderen van het Noord-Duitse industriestadje Herford zo ver om te investeren in een reusachtig kunstencentrum annex congresruimte. De stad is zo goed als failliet gegaan aan dit Marta-museum, maar springerige Jan is ondertussen al lang op pensioen.

Het meest recente voorbeeld is vandaag La Ciudad de la Cultura in de Noord-Spaanse provincie Galicië: een megalomaan bouwproject, getekend Peter Eisenman, met een prijskaartje van 400 miljoen Euro. Eisenman blijft zijn meesterwerk vergelijken met het Getty Centre in Los Angeles, zonder zich iets van schaalverschillen aan te trekken. De Galicische kas is evenwel leeg, het cultuur- en kunstencentrum/concertgebouw zal nu tot kantorencomplex gerecycleerd worden. Ondertussen zijn ook de subsidies geschrapt van het Galicische Symfonie-orkest: alles zit in bakstenen. Dat is toch van een opmerkelijke ironie: de doos is zo ruim bemeten, dat niemand er nog in kan, tenzij de poetsvrouw en de suppoosten.

Wat ik hiermee wil zeggen? Dat de inbedding van cultuur in het systeem op het einde letterlijk tot een verstening leidt. Kunst wordt op het einde een zaak van gebouwen, diensten, afdelingen, een administratie: het middel is doel geworden. Deze bureaucratisering is een universele tendens: overal worden functies en structuren verabsoluteerd tot zelflegitimerende protocollen. Maar eens deze logica ook cultuur treft, valt de voornaamste bestaansreden van cultuur weg, namelijk het outsiderschap, het vermogen om dingen van buitenuit te bekijken, out-of-the-box. Cultuur als sectoriële bedrijvigheid, als industrie, is volstrekt oninteressant.

 

Joke aan het fornuis: voor een keukenvisie op cultuur

 Ik heb het dus wel voor die kaasschaaf en alle andere keukengerei: de economie en de spaarzaamheid stellen de Grote Gebaren in vraag. Wellicht ook vanuit het “rekenend denken”, maar toch van een andere soort, namelijk gericht op maat, beperking, het kleinschalig downsizen. Het systeem zet hier eigenlijk zelf een stap terug in de betutteling, en stelt de kunstenaar voor de uitdaging om eindelijk volwassen te worden en door de doos heen te breken, als een kuiken uit een ei. Maar het veld heeft geen zin in die herbronning of zelfbevraging, en vertoont een aan hysterie grenzende verlatingsangst die, zoals elke psycholoog weet, overgaat in agressie. Men beperkt zich dan ook tot een hautaine, elitaristische scheldpartij op Joke Schauvliege (door schrijver Erwin Mortier nogal kinderachtig-denigrerend “het schouwvliegje” genoemd). Ze snapt niets van cultuur, ze heeft geen voeling met de sector, ze blinkt uit in onwetendheid en desinteresse, zo lees ik op de blog van menig rechtgeaard cultuur- en kunstenliefhebber.

De twijfels omtrent haar competentie verbergen een regelrechte cultuurschok. Begrijpt Joke wel het gewicht van die “cultuurdragende” elite voor onze maatschappij, de samenleving, de internationale uitstraling? Kan ze zo’n ronkende artistieke projectomschrijving wel lezen zonder moederlijk te glimlachen, of zonder een geeuw van verveling te kunnen onderdrukken, door het instinctief gevoel dat dit nergens over gaat? Neen dus: mevrouw de minister heeft hooguit Leentje van ’t Hemelrijk gespeeld in het parochiehuis, en is wel degelijk een culturele barbara, waardoor ze ook immuun is voor heel de postmoderne vaagtaal van het kunstenwereldje. Ze ziet de gesubsideerde kunstensector als een kleutertuin vol schrokkerige schreeuwlelijken, zeurende dreumessen die in hun eigen stront spelen en daarvoor ook nog een aai op de krullebol willen. Ze behandelt hen als kinderen, en gelijk heeft ze. Ik ga hier niet nóg eens de fantastische kakmachine van Wim Delvoye als prototype nemen,- of ja, ik doe het toch nog een keer, omdat het contrast tussen deze goedverpakte nonsens van een edelBelg en de down-to-earth mentaliteit van een Vlaamse huisvrouw niet groter kan zijn, zelfs al is ze door het lot op een ministerstoel beland. Want zeg nu zelf: kan een luierverversende huismoeder zich iets onnozeler inbeelden dan een machine die enkel kak produceert? Waarbij overigens moet gezegd dat Delvoye het best zonder subsidies kan stellen: hij is een succesrijk zakenman die zijn Cloaca’s tot in Tasmanië slijt.

Ik heb haar dus al een paar keer bejubeld, laatst nog in mijn huldespeech voor cartoonist Erwin Vanmol, maar ze hoort het niet, of doet alsof. De aanstelling van Joke Schauvliege was hoe-dan-ook, behalve het resultaat van de normale politieke koehandel en het reguliere postjesgeschuif, een weldoende mentale douche.  Het klinkt misschien ontnuchterend maar misschien hebben we echt wel eens nood aan zo’n “incompetente” cultuurminister, iemand die geen last heeft van teveel sectoriëel geroezemoes, en de heren en dames cultuurdragers op hun plaats durft te zetten. Meer nog: haar onkennis is misschien wel haar grootste troef. De rondborstige, blozende boerin uit Ertvelde heeft zo weinig boodschap aan de artistieke sterrenwichelarij, dat ze onschuld uitstraalt, naïviteit, een open blik,-… en laat dat nu een eigenschap zijn die alle kunstenaars moeten koesteren.

 

Het klinkt misschien ontnuchterend maar misschien hebben we echt wel eens nood aan zo’n “incompetente” cultuurminister, iemand die geen last heeft van teveel sectoriëel geroezemoes, en de heren en dames cultuurdragers op hun plaats durft te zetten.

 

Joke’s huismoederallures brengen ons overigens terug tot de essentie van het woord “economie”: de leer van de oikos, namelijk de verhouding tussen olie, eieren (en hoe ze mengen), om goede mayonaise te maken. Alles draait rond verhoudingen en timing, voorraad en distributie. Iedereen iets op zijn bord, less is more. Deze vrouwelijk-intuïtieve logica staat haaks op de oorlogszuchtige sfeer van de kinderachtige mannen, die publieke mega-ruimtes inrichten, tempels bouwen, vlammende discussies organiseren over het hoe, wat en waarom, maar altijd vanuit een intrinsieke beheersingsstrategie, en vooral disproportioneel, om zich aan te stellen.

Joke wil eigenlijk helemaal niets beheersen, in een mannelijke zin: ze bereddert het huishouden, de haard en de keuken, een vrouwelijke oerlogica waarvan kunstenaars noch cultuurmanagers iets snappen. Sommige filosofen echter wel. Vanuit een lectuur van Aristoteles, J.J. Rousseau en Michel Foucault zou ik stellen dat Joke gewoon kijkt hoeveel eieren er in de frigo nog zijn, en dat vind ik, met permissie, een daad van diepe waarheid. Verder, Gerard Reve lezend (die mij hier zeker zou volgen), denk ik dat de Mariale moederfiguur die Joke uitstraalt, als een Onze-Lieve-Vrouw-van-Vlaanderen haast een sacraal ontzag verdient,- ontzag voor wat wezenlijk, natuurlijk, en on-gekunsteld is. Dat laatste woord is, kan ik me voorstellen, problematisch in een gezelschap van artiesten.

Ik pleit dus voor een huis-, tuin-, en keukenvisie op cultuur: zinnig, concreet, redelijk, vooral niet politiek of metafysisch. De beste cultuurminister is helemaal geen cultuurminister. Maar als men dan toch in de doos wil blijven, onder de overheidsparaplu, en aan het infuus, dan is een landelijke no-nonsense- domina veruit te verkiezen: een huismoeder die, als men haar over “het veld” spreekt, naar buiten kijkt om te zien hoe hoog de patatten al staan. Vergeten we niet dat het woord “cultuur” oorspronkelijk een landbouwterm is, die dan via een raar taalkundig parcours iets helemaal anders is gaan betekenen. Als cultuur van bovenuit moet gesponsord worden, laat het dan iets zijn als een tepelgebeuren, een mammostase.

En om deze bio-anekedote af te ronden: mijn moeder gebruikte de kaasschaaf als een middel om gedurende heel de week iedereen een dagelijks plakje te geven, in een gezin waar rondkomen niet evident was. Vader hanteerde de hakbijl en gaf ons warmte, was het niet met stoofhout, dan toch met een pak rammel. Moeder evenwel controleerde de zaak écht, via de kaasschaaf. Pas veel later heb ik de ethische én esthetische én zelfs de gastronomische dimensie daarvan ingezien. Toen, toen zagen we niets, we waren gewoon schrokkoppen.

 

“Kan kunst de wereld redden?”,- en andere onzinnige vragen

Ondertussen krijgt “de sector” het volk niet warm voor haar protest. Wat kan het ons schelen, dat mevrouw Bennetts nu in de opera moet dansen. De rechtse “populist” Geert Wilders daarentegen vindt wel gehoor met zijn gefulmineer tegen “het zelfgenoegzame paternalisme van een linkse kliek die haar hobby’s laat financieren met zuurverdiende belastingcenten”.

Hiermee mist Wilders evenwel net de pointe: het gaat de gewone man of vrouw niet eens in hoofdzaak om de centen, maar wel om de flagrante disproportie tussen kwaliteit en (door de markt getaxeerde) waarde. Er heerst een constante sfeer van zwendel. Sinds Marcel Duchamps bij wijze van grap een fietswiel tot kunst verklaarde, is de perplexiteit bij het publiek niet meer weggeweest. En het gaat wel degelijk om een esthetisch affront, het gevoel van bij de neus genomen te worden door geinige onzin. Ook de aankoop indertijd door de Vlaamse cultuurminister Bert Anciaux van de "Grande Casserole de Moules” (Marcel Broodthaers, 1966) wekte vooral publieke consternatie door de manifeste onnozelheid van een ordinaire pot mosselen die men niet eens kan opeten. Zeker het vrouwelijk publiek, de huismoeders, konden er alleen maar om glimlachen: “geef mij dan maar een echte pot mosselen”, hoor je hen denken. Men kan dat standpunt laag-bij-de-gronds vinden (ook Arcimboldo en de Fluwelen Brueghel schilderden oneetbaar fruit), maar dieren, vrouwen en kinderen staan nu eenmaal dichter bij de werkelijkheid en zijn minder gevoelig voor fata morgana’s. Of denken we aan de roemruchte hespententoonstelling van Jan Fabre (Gent, Over the Edge, 2006), waar kinderen aan begonnen te pulken zodat men er een afrastering moest rond zetten. (Fabre : “Ge zijt voor of ge zijt tegen, aan zij die gaan zien : alvast smakelijk, ruiken mag, aankomen niet”). Ook zij snapten blijkbaar de boodschap van de kunstenaar niet. Of net wel?

Geen linkse hobby dus, maar gebakken lucht die niet meer gesmaakt wordt. Het publiek heeft allang afgehaakt, het is de recensenten ver voor. In een tijd van achterkamerpolitiek, façadedemocratie en gemanipuleerde media, hunkeren mensen naar waarheid en transparantie, niet naar nieuwe artistieke mystificaties,- en zeker niet als die van bovenuit financieel ondersteund worden. En jazeker, de intellectuelen pleiten schuldig. Schrijvers ontdekken opeens “het populisme” (zie o.m.  David Van Reybrouck: “Pleidooi voor populisme” ), maar het is zoals de Tunesische dictator Ben Ali die de broodprijs verlaagt, in de hoop om zijn vel te redden. Verloren moeite dus.

Af en toe vallen dan stoffige, clichématige zingevingsvragen uit de lucht, dikwijls op die plekken waar de “cultuurdragers” samentroepen om ons te waarschuwen voor het einde der tijden. Vragen zoals: “Heeft kunst nog een toekomst?” Of erger nog: “Kan kunst de wereld redden?” Of Vlaams en actueel: “Is er nog cultuur na Joke?” Jongens toch. Begrijp nou toch eens dat 99% van de aardbevolking geen boodschap heeft aan jullie grote volksverheffingsprogramma’s waarachter toch weer een Narcistische cultus van het eigen Ego schuilgaat. Kunst is niets, behalve iets dat zichzelf probeert een zin te geven. “Dé kunst” heeft trouwens nooit bestaan, het gaat altijd om tijd- en ruimtegebonden manufacturen met een specifieke sociologische onbedding, die pas nadien encyclopedisch aan elkaar worden geregen tot zoiets als een “cultuurgeschiedenis”. Dé kunstenaar is een groteske mythe, het gaat om niets meer dan individuen die om uiteenlopende redenen naar de verfpot grijpen.

 Het publiek heeft allang afgehaakt, het is de recensenten ver voor. In een tijd van achterkamertjespolitiek, façadedemocratie en gemanipuleerde media, hunkeren mensen naar waarheid en transparantie, niet naar nieuwe artistieke mystificaties,- en zeker niet als die van bovenuit gesponsord worden.

Vermits dé kunstenaar, als absoluut archetype, niet bestaat en nooit bestaan heeft, moeten we ons om de overleving van dé kunst ook geen zorgen maken. En er is ook geen wereld om te redden, de wereld redt zichzelf wel. Ik zie hier een analogie met de mythe rond het behoud van de bio-diversiteit: terwijl goedmenende natuurliefhebbers de paddentrek in goede banen proberen te leiden en voor elke kikkerdril een petitie organiseren, komen biologen steeds meer tot de vaststelling dat het planetaire ecosysteem zichzelf reguleert, achter onze rug. Er verdwijnen soorten, maar andere zijn in opmars. De mens zal verdwijnen, omdat hij te gulzig is. De natuur is veel dynamischer en flexibeler dan wij ons kunnen voorstellen. In feite is dan heel het gekissebis rond kunstensubsidies een achterhoedegevecht, een kikkerdrildiscussie. Laten we in plaats daarvan eens in de toekomst kijken, macrobiologisch en Darwiniaans. Hoe zal het kunstenbedrijf zich sociologisch ontwikkelen in de 21ste eeuw? Ik zie nog vier grote takken.

 

1. De reguliere, officiële representatiekunst

Elk regime of staatsmacht heeft een representatieve cultuur nodig, prominent aanwezig in het straatbeeld, in de media, in de grote publieke ruimtes. Er is dus een behoefte aan officiële, geaccrediteerde schilders, schrijvers, beeldhouwers, componisten, om het decorum te stofferen van een bestaande maatschappelijk-politieke orde. Daar is niets mis mee. Ik zou ze  “Egyptisch” noemen: monumentale en dikwijls ook figuratieve piramidenkunst, die gerust elitair mag zijn, om vooral te benadrukken dat artistieke vrijheid niet hoeft model te staan voor teveel burgerlijke vrijheden. Het is het soort trendcultuur waar de kranten wekelijks van vol staan: grote metalen schildpadden, kevers op het plafond in Laken. Regimekunstenaars zoals Jan Fabre en Luc Tuymans (niet toevallig zijn beiden ook hofleverancier) zijn iconen en uithangborden van een Vlaams-Belgisch modernisme dat zijn weg vindt naar het buitenland via allerlei uitwisselingsprogramma’s. Aix-en-Provence, Venetië, het Louvre: overal komt men deze representatiekunst tegen, dikwijls omringd door horden meereizende ambtenaren.

Het spreekt vanzelf dat, wie zich in het circuit van de betoelaagde lakeiencultuur begeeft, niet flauw moet doen en zich dient te schikken naar de normen van de voogdij-administratie. Er zal altijd geld zijn voor een Académie de Peinture et de Sculpture, zoals Lodewijk XIV die heeft gesticht, maar binnen dit salon moet men wel de pruikenwet accepteren. Zoniet, over naar een van de volgende takken:

 

2. De commerciële, marktconforme cultuurindustrie

Hier gaat het om zelfbedruipende of zelfs winstgevende activiteiten die, in de brede zin, als “cultuur” kunnen beschouwd worden. Deels gaat het dan om laagdrempelige popcultuur en dito massa-manifestaties, zoals deze van Rock Werchter-organisator Herman Schueremans, die zijn festival overigens voor een mooie som van de hand deed. Voor Open-VLD-er Schueremans mag heel het subsidiesysteem rustig afgeschaft worden: sponsoring en inkomgeld moeten volstaan.

Anderzijds zijn er ook excentrieke cultartiesten zoals de genaamde Wim Delvoye die uitstekend boeren. Ook zij hebben het subsidiesysteem niet nodig. Via een uitgekiende marketing, die onvermijdelijk ook het wezen van hun artistieke productie en concepten zelf determineert, voldoen zij aan een vraag en creëren zij zelf een behoefte, op een kunstmarkt waar toch altijd mensen met teveel geld rondlopen, hetzij als mecenas, als sponsor, of gewoon als belegger. Naar het schijnt is zowat heel het surrealistische oeuvre van Magritte, vanaf pakweg 1920, door de Amerikaanse kunstmarkt gedicteerd: de kunstenaar copieerde zichzelf omdat die pijpen en snorren nu eenmaal succes hadden.

Deze marktconforme kunstindustrie gaat een grote toekomst tegemoet. Ze is excessief, expansionistisch, en tegelijk zoekend naar populariteit. Het postmoderne globalistische denken en de veralgemeende laatkapitalistische economie zullen dit type van kunstenaar-marketeer koesteren. Het spreekt vanzelf dat besparende overheden deze tendens ook zullen aanmoedigen, eventueel zelfs via opleidingsmodules voor artiesten: “Hoe verkoop ik mezelf?”.

 

3. De semi-ondergrondse, graffiteske straatkunst

Wie niet kan leven in een gesubsidieerd pruikenregime en evenmin met de geplogenheden van de geliberaliseerde cultuurmarkt, dient zich naar de marge van het systeem begeven. Hier is nog ruimte voor afwijking en heterodoxie.  Ook deze tak heeft een grote toekomst voor zich: een bonte verzameling van situationistische projecten, éénmansinitiatieven en anarchistische groupuscules, kiest de straat als het hoofdterrein van een libertaire tegencultuur. Niets wordt aangekondigd, het onvoorzienbare is bepalend. De genaamde Benjamin Verdonck is gangmaker in Vlaanderen van dit semi-ondergronds stadsnomadisme. Soms hecht men zich simpelweg parasitair aan de publieke ruimte, als een ironiserende zuignap, soms is het fenomeen ook gelinkt aan politiek activisme, zoals bij Anja Hermans die het monument van Boudewijn bekladt of een McDonald-restaurant in de fik steekt. Kunst als verzet, de systeemverstoring (sabotage) als expressievorm.

De vermomming en de charade kunnen meegenomen worden in het artistiek project, wanneer men bv. als undercover infiltreert in gebied (1) of (2), of wanneer men een Banana Split-effect beoogt, een ludieke farce. Publiek kan het soms op veel instemming rekenen en zelfs tot een echte hype uitgroeien, als de anti-establishmentstroom, die wij in Vlaanderen van oudsher kennen, voldoende aangesproken wordt. Gevaar van recuperatie en vermarkting dreigt dan.

 

4. De Huis-, tuin- en keukenkunst

Dit domein van de 21ste eeuwse actieve cultuurbeleving houd ik voor het laatst, omdat het terugkeert naar de meest archaische grondbetekenis van “cultuur”, namelijk datgene wat zich in en rond het huis afspeelt, in de driehoek haard –oikos (keuken) – tuin (de periferie, de drempel, maar ook de akkers). Het huis is het universum van de kunstenaar, die door geen enkele externe norm of wet wil beïnvloed worden. Buiten bestaat dus eigenlijk niet, alles is binnen in deze cocon of “schelp”. Dit kan gaan van het gewone hobbyisme, het tuinieren en het collectioneren allerhande, over gepassioneerd bezig-zijn met privé-artefacten, tot en met echt levenswerken, zoals een fantasmagorische droomburcht (die nooit af geraakt), een hoogstindividueel labyrinth waar alleen maar een paar intimi toegang toe hebben. Bekend in dat opzicht is de Wittgenstein-villa in Wenen, die ik in het essay “Epifanie” uitgebreid behandelde. Een icoon van dat amateurisme werd ook het Palais Idéal van de Franse postbode Ferdinand Cheval, die in de jaren ’20 van vorige eeuw tijdens zijn ronde steentjes verzamelde voor een privé-kasteel in zijn tuin waaraan hij dertig jaar werkte (z. foto). André Breton en Picasso waren er als de kippen bij om het autarkische geknutsel van Cheval op te hemelen en zo te recupereren (wat ze ook met Le Douanier Rousseau deden, een andere “bricoleur”).

Ook in Vlaanderen zijn honderden, misschien wel duizenden huis-, tuin- en keukenartiesten bezig met de meest fantastische projecten die ze meestal voor zich proberen te houden. Het Woestijnvisprogramma “Man bijt hond” probeert ze op te sporen en te herleiden tot een onschuldige, soms prettig-gestoorde bezigheidsterapie. In de boeken krijgt het fenomeen soms een plaats als “naieve kunst”, of als volkskunst, een enkele keer zelfs als uitlaatklep van schizofrenen zoals bij Adolf Wölfli (1864 – 1930). Toch functioneert dit amateurisme volstrekt autonoom, a-cultureel, en op een zelfsturende koers. Er is geen externe esthetische standaard, geen productiedwang, geen overheid die in ruil voor betaling normen oplegt, er is geen markt, zelfs geen straat. Het pure interieur maakt elk museum overbodig, zelfs absurd. Media hebben nauwelijks vat op dit subcultureel gebeuren, tenzij het als curiosum toch in de krant geraakt. Soms komt deze amateuristische kunst in conflict met de bestaande orde, wordt dan ongewild subversief, en zo verwant met (3), wanneer ze bv. de regelgeving overtreedt (bouwvoorschriften, ruimtelijke ordening, allerlei sociale en huishoudelijke reglementen…). Vandaag zou Ferdinand Cheval beslist botsen met de administratie van Stedenbouw, die zich soms als een echte fascistische brigade aanstelt (berucht gebleven zijn de slopingsacties van “illegale” gebouwen begin de jaren ’90).

Persoonlijk voel ik me het best, als niet-geregistreerd kunstenaar, in het vierde domein. Ik componeer muziek, zonder de behoefte te hebben om ze ten gehore te brengen aan iemand buitenshuis. Reguliere beroepsartiesten kunnen dat wellicht niet vatten: kunst die alleen bestaat omdat ze onzichtbaar is en blijft, zoals deeltjes in de kwantummechanica. Een interessante hybride is ook de musicus die de concertzaal voor bekeken houdt, en zich voor huisconcerten laat engageren (zie bv. Eric Vandermeulen, rent-a-pianist): hier zit iets van het commerciële (2), het nomadische (3), en het huiselijk-intieme (4).

Heel deze vertakking maakt de term “Cultuur” an sich ondefiniëerbaar en zelfs onbruikbaar, als een betekenisloze hypostase die het scheermes van Ockham niet kan overleven,- om nu maar eens de mannelijke tegenhanger van de kaasschaaf aan te halen. Het onderscheid tussen “grote Cultuur” en “populaire cultuur” bleek al een voluntaristische fictie, waar sociologen zoals Gust De Meyere zich terecht tegen verzetten. Maar nu blijkt het fenomeen verder te gaan oplossen in sociaal vrijwel onafhankelijke universa met eigen regels en “natuurwetten”.

Ik wil deze vier domeinen dan ook niet als “categorieën” of deelgebieden bijeen harken, die dan weer door één voogdij-apparaat zouden kunnen gecontroleerd worden (zo zijn de amateurkunsten vandaag inderdaad een onderafdeling van het gesubsideerd cultuurcircuit, en de inkapseling van straatkunstenaar Verdonck hebben we als case aangehaald). Integendeel gaat het om vier werelden die elk, hoewel er soms toevallige osmoses of zelfs wisselwerkingen kunnen bestaan, hun eigen weg gaan en zichzelf (her)-definiëren.  Het grappige is, dat Joke Schauvliege, wellicht onbewust, inspeelt op dit nieuwe kwartet waarin de overheid sowieso maar een beperkt aandeel meer zal hebben, hoofdzakelijk uiteraard in (1).  We hebben dus met een visionair cultuurbeleid te maken, neen, ik zeg het zonder ironie.

De kaasschaaf eindigt zo in een suspensie, een veelheid van “velden” die nooit nog één sector kunnen vormen. De semantische collaps die daarmee gepaard gaat (“Wat is kunst?”, “Wat is cultuur?”) maakt deel uit van een nog veel breder ontbindingsproces waardoor we eigenlijk niets meer in categorieën kunnen vatten, tenzij om onszelf voor de gek te houden.

Hoe globaal en globalistisch onze planetaire ruimte zich dan ook voordoet, ze valt uiteen in fracties, velden en subculturen. Alles is bijzonder en particulier, niets is nog veralgemeenbaar. Misschien is dat de ultieme kracht van het internet: de veelheid als veelheid vatten, en zo voortdurend nieuwe vrijheidsgraden creëren.

In een volgend essay (dat ook weer totaal onvergelijkbaar zal zijn met alle vorige) wil ik graag op deze particularisering verder ingaan.

 

Terug naar boven