VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar startpagina Alle artikels Reageer via het Forum E-mail
Kreeft
op zijn Japanees
Over cultuur,
menselijke wreedheid en "goede smaak"
Johan Sanctorum
1 mei 2010

Ze haalden een kreeft uit de bak en sneden haar levend in twee. Nu weet ik niet hoe zo’n beest in elkaar zit, maar de twee helften begonnen verwoed te spartelen, niet om zich te herenigen,-dat zat er niet meer in-, maar om van die schotel af te geraken, elk naar een kant. Die kans kregen ze niet: de kok nam het stel aan en gooide ze op de gloeiend hete bakplaat in het midden van het restaurant. De gasten keken geamuseerd toe hoe de twee halve kreeften kronkelend over de plaat geoliede plaat gleden en met peper en zout werden bewerkt. Tussen het sissen kon je een soort gepiep horen, waarbij de poten en scharen trager en trager bewogen als in een ballet. Ik dacht: nu is het voorbij, maar toen de kok er onder bewonderende waw-zuchtjes van de omzittenden een kannetje brandende cognac overheen goot begon het stuiptrekken opnieuw. Na een minuut of vijf werd ons het geroosterde schaaldier opgediend met saus en groentjes, smakelijk. Naast ons werd er in de kreeftenbak vredig rondgescharreld, in afwachting van de volgende sessie. Restaurant Tokyo in Overijse. “Lasciate ogne speranza voi ch'intrate” had er boven de ingang moeten staan. Thuis alles uitgekotst en wat muziek opgezet. Hoe kan men muizenissen beter verdrijven dan met zoetgevooisde klanken die de betere mens in ons oproepen. Zoals:
1. W.A. Mozart: Strijkkwartet KV 458, “De jacht”
Onlangs
onthulde de Gazzetta dello Sport hoe het lunchpakket van de Italiaanse
topwielrenner Alessandro Petacchi eruit zag. Datgene dus wat de man
achterover slaat tussen start en aankomst van een wedstrijd. Tot mijn verbazing
bevatte het pakket heel wat koolhydraten (brood, pasta) en groenten, suikers,
een paar eitjes, maar geen gram vlees. Ik ben geen diëtist, maar het lijkt me
toch weinig waarschijnlijk dat iemand die een zittend leven leidt, zoals de
meesten van ons, niet zou kunnen zonder de dagelijkse biefstuk of kotelet.
Toch piekt de vleesindustrie als nooit te voren. Tegen het jaar 2020 zal, vooral dankzij de economische groei van China en India, de vleesconsumptie verdubbeld zijn. Er moet dus iets zijn, buiten de biologische noodzaak, dat ons dwingt om levende wezens om te brengen en te consumeren,- een proces dat we planmatig uitvoeren en zelfs ritueel verrijken. Ik probeer hier een antropologisch spoor te bewandelen dat tamelijk vervelend is voor het filantrope humanisme: de mens is verstandig geworden als doder, en heeft er zelfs een kick, een lustgevoel voor ontwikkeld, waardoor de herhaling zich opdringt. Zoals de sexuele lust door de natuur is ontwikkeld als motor van de voortplanting, is het plezier om te jagen, te doden en te consumeren de impuls van onze verstandelijke ontwikkeling. Geen honger dus, wel lust, eetlust, vreetlust, culinair cirkus.
De dood van de prooi, en liefst een gewelddadige, pijnlijke, vernederende dood, is altijd de bekroning van het jachttafereel. Het is de libidinale drijfveer achter de prehistorische rotstekeningen van Altamira en Lascaux,- de Spaanse stierengevechten herinneren nog aan die bloeddorstigheid. Ik denk trouwens dat toen al, 10.000 jaar geleden, honger niet meer dé impuls tot de jacht was. Ik zie in die rotstekeningen iets anders: een goed onderbouwd actieplan, een plot, vanwege de jager-met-tekentalent, een killer met voorbedachten rade, als absoluut prototype van de homo sapiens. Eerst denken, dan uitbeelden, dan doen. Kunst… als proloog tot de slachting?
Cultuur is de feestelijke celebratie van het menselijk intellect, maar dat intellect blijkt verbonden met moordzucht en dodersinstinct van de archaische jager...
De tekeningen, die ondertussen tot het UNESCO-werelderfgoed behoren, wijzen zonder meer op een beslissende stap in de menselijke evolutie van roofdier naar jager, en zo verder naar seriemoordenaar, zelfs beul. De fysische antropologie heeft exact gelokaliseerd waar de homo sapiens zijn plannetjes leerde uitbroeden: in de neocortex, het jongste deel van onze hersenen, verantwoordelijk voor geheugen, concentratie, bewustzijn, ik-besef, rationaliteit, strategisch denken. Maar dat is slechts de helft van het verhaal: er moet ook een drift zijn, een vooruitzicht op genot, anders beginnen we er niet aan. En die link tussen ratio en libido, dat wat Friedrich Nietzsche “Der Wille zur Macht” noemde, is exact wat de seriemoordenaar drijft: niet de pure koelbloedigheid, ook niet de pure begeerte, maar die twee samen. De jacht is een leerschool, de moord het examen, de consumptie de rituele prijsuitreiking. De hersenen van de jager groeien, letterlijk, met elke gevangen prooi. Hij heeft het dier, als slacht-offer en lustobject, nodig om zich te bekwamen.
Folklore in Denemarken: het afslachten van dolfijnen, puur voor de kick
Dat ons verstand scherper wordt, naarmate we sneller en efficiënter doden, stelt ons in staat om de geweldakte te sublimeren tot een cultureel topmoment. Cultuur is de feestelijke celebratie van het menselijk intellect, maar dat intellect blijkt archaisch verbonden met moordzucht en dodersinstinct. Meteen krijgt dat jachtkwartet van Mozart, dat mij de Japanse kreeft moest doen vergeten, zelf een makabere naklank. Hoort men hier, in de inleidende triomfantelijke drietonen, niet de lustmoordenaar die sinds zowat 10000 jaar onze geschiedenis bepaalt? En, straffer nog, is het zoetgevooisde Adagio, zogezegd als contrast tegenover het hitsige getoeter, niet het lied van de verleider, de slimme jager die zijn prooi weet te verschalken? Dit contrapunt van geweld en vernunft behoort tot hetzelfde register als de aria “La ci darem la mano” uit Don Giovanni: sluwe, ingehouden begeerte,- genotzucht getemperd door geduldig, strategisch bekokstoven,- het lustprincipe dat zich geassocieerd heeft met het rekenend denken.
Ook Don Juan valt in herhaling, eindeloos, door het verslavingseffect van het machtsgevoel, waardoor hij steeds geraffineerder te werk gaat en zich overtreft. Hij consumeert nauwelijks nog, zo sterk is zijn fascinatie voor methodiek. De vooruitgangsgedachte wenkt hier: alles is een brug naar beter. De jager moet blijven jagen om zijn techniek te perfectioneren. De verleider moet blijven verleiden om zijn kunst te sofistikeren. De seriemoordenaar moet blijven doden om zijn methodes te verfijnen. Van daaruit tekent zich ook een voetafdruk af, een spoor, een dadersprofiel waardoor hij zelf opgejaagd wild kan worden.
Levenslang krijgen, of als genie vereerd worden,- het hangt ervan af hoe geslaagd de vermomming is. Het is zeer waarschijnlijk dat W.A. Mozart het brein van een crimineel en sexuele pervert bezat, dat hij, gelukkig voor hem, wist te transformeren tot een talent om muzikaal te verleiden...
Seriemoordenaars en pedofielen,- ze zijn het prototype van de homo sapiens, niet zijn ontaarde vorm. Integendeel, het is net de moreel bewuste mens die een gedegenereerde vorm is van de slimme oerjager. De actuele hysterie rond pedofilie is dus tamelijk hypocriet: de pedofiel wordt zelf opgejaagd wild, een soort zondebok en bliksemafleider voor de geweldstructuren die het mannelijk-menselijk universum dooraderen. Dutroux werd als een perverte crimineel geklasseerd en zelfs tot staatsvijand nr. 1 uitgeroepen (herinner u de nationale paniek toen de man even het hazenpad had gekozen), terwijl hij toch maar gewoon de aloude jager, dé basis van heel onze antropologische evolutie, herspeelde (het is misschien ook geen toeval dat uitgerekend een boswachter hem opnieuw bij de lurven vatte).
De brave mens is dom en fantasieloos, hij leest misdaadverhalen, terwijl zijn meerbegaafde soortgenoot ze uitvindt en in daden omzet. De in januari van dit jaar gearresteerde Ronald Janssens, die ondertussen, vier moorden en vijf verkrachtingen bekende, is een typevoorbeeld van de hoogintelligente lustcrimineel. Moeiteloos kon hij switchen tussen verschillende maskers, personages, zelfs complete levens: geef toe, il faut le faire. Idem voor Jack the Ripper, Marc Dutroux en Michel Fourniret: roofdieren van topklasse. Het heeft geen zin om ze als marginale psychopaten te klasseren: het gaat gewoonweg om jagersinstinct dat begeerte en techniciteit perfect in evenwicht houdt. Mozartiaans, zou ik bijna zeggen.

Marcinelle:
de meisjeskamer van Marc Dutroux
Pedofielen hebben meer dan een gemiddelde intelligentie en gaan buitengewoon
listig te werk: ze zijn de jagers van vandaag, meer dan flikken of detectives.
Hun zoektocht naar genot verloopt langs indrukwekkende algoritmes en
kronkelpaden, waarbij het internet een nieuw oerwoud voorstelt. Vermommingen,
persoonsverwisselingen in de chatroom (dikwijls begint hij als “leeftijdsgenote”,
inclusief het pubertaaltje), doorverwijzen naar alter-ego’s van zichzelf (de
rijpere vriend, fotograaf, directeur van een modellenbureau), geleidelijke
verschuivingen naar het sexuele register,- het zijn allemaal heel uitgekiende
strategieën die Roodkapje bij de wolf moeten brengen.
En dan spreek ik nog niet van de opslagtechnieken en de architectuur rond de
gevangen prooi: complete huizen, kelders, kastelen, ingericht als bewaardepot
voor het vlees. Soms makaber, soms gezellig en comfortabel, zoals de
meisjeskamer van Marc Dutroux in Marcinelle. Af en toe ontstaat er door die
gesofistikeerde behandeling zelfs een echte band tussen de jager en zijn vangst,
een soort psychische gijzeling, beter bekend als het Stockholmsyndroom. Van zo’n
relatie was er wellicht sprake tussen Wolfgang Priklopil en Natascha Kampusch,
hetgeen ze in bedekte termen ook heeft toegegeven.
De goede smaak van pedofielen staat buiten kijf: verkiezen we niet allemaal een mals hennetje boven een taaie soepkip? Ook Peter Goossens van het Hof van Cleve heeft het voor zeer jong vlees. “Melklam uit de Pyreneeën”, en Roulade “van een kalf dat nooit buitengelopen heeft” behoren tot zijn favoriete gerechten. Piet Huysentruyt serveert dan weer met graagte “Piepkuiken op grootmoeders wijze”. Pasgeboren baby’s, voorwaar, gesmoord in hun eigen bloed. TV-kok en chemieprofessor Herwig Van Hove zag ik ooit eens met een sardonische grijns levende paling villen en in hete olie gooien. Pure lustcriminelen zijn het, die een koksmuts over zich hebben getrokken om aan het gerecht te ontsnappen.
Men kan die travestie probleemloos veralgemenen: het verschil tussen levenslang krijgen en bewonderd worden als cultuuricoon: het is een kwestie van zich te kunnen vermommen en de “plot” te sublimeren. Het is zeer waarschijnlijk dat W.A. Mozart het brein van een crimineel en sexuele pervert bezat, dat hij, gelukkig voor hem, wist te transformeren tot een talent om verleidingsmuziek te schrijven. Zo wordt het moordplan, het recept, de vernunftig uitgesponnen strategie, een kunstwerk op zich, los van de uitvoering. Het is de enige manier voor zo’n lustcrimineel brein om aan de strop te ontsnappen: Altamira, maar dan zonder de daad, de pure esthetiek van het structurele geweld: een strijkkwartet, een misdaadroman, een wiskundige formule, een nieuwe schaakvariant, een gedicht. De wetenschapper, de kunstenaar, de TV-kok,- allen hebben ze alibi’s ontwikkeld waarmee de seriemoordenaar zich sociaal legitimeert en zelfs een vedette wordt. Geleidelijk aan wordt het vleeseten zelf iets clean en gedenatureerd. De Hamburgers in de Quick, de gebraden kippen aan het spit, ze zien er in de verste verte niet meer uit als dode prooien, het geweld is discreet geworden, industrieel, back stage. Sporadisch haalt het doodknuppelen van zeehondjes of het afslachten van dolfijnen nog eens het nieuws. Heel af en toe is er nog een Japanner die voor onze neus een dier doodmartelt. Maar doorgaans haben wir nichts gewusst en wordt lekker eten met bijpassende muziek zowaar als “smaakvol” omschreven.
2. “O Lamm Gottes, unschuldig, am Stamm des Kreuzes geschlachtet…” (J.S. Bach: Matthäus-passion).
Overal is de man prominent aanwezig in dit sadistisch-intellectueel Vergnügen. Maar wat doen de vrouwen ondertussen? Zij gaan niet op jacht, doden niet voor de fun (wel passiemoord, maar vrijwel nooit lustmoord), lokken geen kindjes in hun kelder, gloreren haast nooit als TV-kok, schrijven geen strijkkwartetten, en hebben kleinere hersenen. Zijn ze dommer? Neen, het begrip “intelligentie” zelf is een mannelijk concept, zoals ook Cultuur (met grote C) een mannelijke logica van de dood celebreert. Vrouwen spelen in ons beschavingsproject gewoon niet mee, hoezeer sommigen ook hun best doen om erbij te horen. Wat doen vrouwen dan wel? Net het omgekeerde: leven creëren en in stand houden, zo simpel is het. Daarmee komen ze echter in tegenspraak met de ideologie van het roofdier, inbegrepen heel de morbide esthetica erachter. Vrouwen snappen dus niets van cultuur, ze behoren er niet toe. In een volgende fase wordt de vrouw gelijk gesteld met het dier, het lam, het kalf, waarop dezelfde machtslogica van toepassing is. De uitzichtloze, ongelijke oorlog der sexen is daarmee begonnen.
In december oordeelde de vrederechter d
at
Alexandra Vercammen de genaamde Flurk uit haar Mechels appartement
moest verwijderen. Het ging om een hangbuikzwijn dat ze als jong beestje
geadopteerd had, en dat nu zogezegd “overlast” veroorzaakte. Klachten van de
buren, dezelfde mensen wellicht die processen inspannen tegen spelende kinderen.
Uiteindelijk kon Alexandra niets anders dan Flurk een spuitje laten geven,
waarna ze in een toestand van zware depressie verzeild geraakte.
Het verhaal roept uitgebreide associaties op met de middeleeuwse heksenjacht, allerlei uitdrijvingsrituelen, zondebokmechanismen, opgekropte agressie die zich ontlaadt tegen marginalen. Dat het ging om een alleenstaande moeder aan het OCMW, is niet toevallig. Dat de lelijkheid van dat dier voor de goegemeente de duivel en het kwaad opriep, al evenmin. Maar in essentie zie ik dit vooral als een neurotische reflex van flatbewoners die zo afgestompt, gesocialiseerd, gemassificeerd, en van de natuur vervreemd zijn, dat ze die natuur in al haar vormen ook haten, maar ook de medemens en zichzelf.
De dood van Flurk en de aanslag op Alexandra’s psychische gezondheid is een uiting van geciviliseerde gewelddadigheid die door Siegmund Freud al uitvoerig werd beschreven in o.m. “Totem und Tabu” (1913) en “Der Mann Moses und die monotheistische Religion” (1939)
Kort komt het hier op neer, dat de sedentaire samenleving, zoals die zowat 10.000 jaar geleden ontstond, en waaruit de stad zou groeien, tot nieuwe machtsstructuren leidde die ook religieuze innovaties zouden opleveren, zoals het monotheïsme. In essentie is de unieke Godheid, die het veelgodendom en het animisme verdreef, een spiegelbeeld van de wereldlijke patriarch en machthebber. Het monotheïsme is totalitair, repressief, absolutistisch, én door-en-door fallokratisch; het is zonder meer een duurzaam archetype voor politieke macht, tot op vandaag. In het zog van die nieuwe één-godsdienst werden er, volgens Freud, al van meetaf aan ondersteunende psychologische mechanismen ingebouwd die de gehoorzaamheid van de massa moesten afdwingen. Een daarvan is de belangrijke notie schuld, eventueel verpakt als erfzonde: onze voorouders hebben iets misdaan, waarvoor wij moeten boeten door loyauteit t.o.v. het actuele gezag te betonen. Het hedendaagse politieke-correcte denken is en gemoderniseerde versie van die schuldbeleving.
Het wordt moeilijk luisteren naar Bach. De passiemuziek is pervers, ze sacraliseert de zondebok, geeft het zinloze lijden een plaats, een redelijkheid, zoals ook dierproeven worden uitgelegd als "noodzakelijk voor de medische vooruitgang"...
Complementair daaraan, en nu komt het, is het mechanisme van de zondebok: iemand die het onbehagen en de verzuring aantrekt, met alle schulden wordt beladen en de woestijn wordt ingestuurd. Zonder twijfel symboliseert dit beest de oude (verboden) natuurreligie. De culpabilisering is links en politiek-correct, het zondebokmechanisme is rechts-populistisch. Want het ontlast de autoriteit zelf van alle schuld en leidt de complotgedachte af naar individuen en groepen waarop we onze geciviliseerde agressiviteit kunnen botvieren: joden, negers, homo’s, vrouwen, …kreeften, hangbuikzwijnen,- telkens heeft hun stigmatisering en uitdrijving een therapeutisch effect op de groep,- zodanig zelfs dat het offer een Musikalisches Opfer wordt, een constructief cultuurelement dat de maatschappij stabiliseert.
Hoort
u de bok alreeds stinken? Heel het christelijke lijdensverhaal is in al zijn
bedrieglijke vroomheid een rechtvaardiging van het sociaal geweld. Iemand moet
de pineut zijn, we nagelen hem aan het kruis en zijn hem vervolgens eeuwig
dankbaar. We kunnen niet overleven in deze maatschappij zonder uit te sluiten
(In deurwaarderstaal spreekt men nog steeds van een “uitdrijving” als iemand op
straat wordt gezet). Daarna komt het in de krant of op TV, en voelen we ons weer
slecht. Onze schuld neemt nooit af, we moeten braaf zijn en blijven dus vals,
schijn-heilig, betalen belastingen en zingen de Mattheüspassie in de Goede Week.
De media zijn inderdaad de moderne doorgeefluiken van het passieverhaal, ze hebben de religie vervangen,- het journaal is Christelijk. Het journaal verontrust én stelt gerust, het geneest én introduceert nieuwe schuld. Bach voert het koor op als de publieke opinie en de evangelist als journalist. Heel de liturgie is bedoeld als een ultiem bewijs dat de zondebok daadwerkelijk geofferd is, maar ook als een hernieuwing van onze eigen schuld, waarna het spel kan herbeginnen en er weer een zondebok kan gezocht worden.
Onnodig te zeggen dat Alexandra en haar hangbuikzwijn een ander wereldbeeld voorstellen,- vrouwelijk, zinnelijk, horizontaal,- en juist daardoor in dat flatgebouw zeer kwetsbaar worden. In zijn Da Vinci Code heeft Dan Brown perfect geschetst hoe het christendom in elkaar steekt: een ideologie, gericht tegen vrouw, dier, natuur, die via een lijdensverhaal altijd opnieuw zichzelf ontlast en recycleert. Het wordt moeilijk luisteren naar Bach. De passiemuziek is pervers, ze sacraliseert de zondebok, geeft het zinloze lijden een plaats, een redelijkheid, zoals ook dierproeven worden uitgelegd als "noodzakelijk voor de medische vooruitgang", ja zelfs een zegen voor de mensheid. Terwijl het dierlabo, zoals de keuken, gewoon een van die plekken is waar het geculturaliseerd sadisme wordt beoefend.
Het roofdier zingt de passie, de schapen blaten mee, zo veel is zeker, terwijl ze een soortgenoot naar de slachtbank leiden. Jezus is Flurk, Maria is Alexandra, zo luidt mijn passie. Het “lam Gods” is menselijk, vrouwelijk, dierlijk,- maar door zijn vergoddelijking valt elke mogelijkheid weg om het offer te contesteren en een cultuur van het legitieme geweld te ontmaskeren.
3. Kindertotenlieder
„Ik snap niet, hoe iemand de dood van zijn kinderen kan bezingen, wanneer hij hen nog geen half uur daarvoor geknuffeld en gekust heeft“, zo schreef Alma Mahler-Schindler, vrouw van Gustav Mahler, anno 1904 geërgerd in haar dagboek. De componist werkte toen inderdaad aan zijn Kindertotenlieder, een tamelijk morbide fantasie rond het ergste wat iemand kan overkomen, gedrenkt in een dubbelzinnige sfeer van verdriet, aanvaarding en tenslotte zelfs religieuze euforie. Niemand zal het accepteren als ik deze liedcyclus een koelbloedig gepland geval van kindermoord noem. Toch was Alma’s intuïtie juist: Mahler fantaseerde zijn eigen kinderen de dood in om mooie muziek te schrijven, waarna het ongelooflijke gebeurde: drie jaar later stierf hun dochtertje Maria Anna. Toeval? Noodlot? Of was er echt een levensbedreigende kracht die uitging van dit soort hyperromantische necrofilie, waar Alma van walgde, en die hun samenzijn vergiftigde?
Gustav en Alma Mahler met kinderen - Let
vooral op Gustavs blik,
op oneindig… of op zijn dochtertje Maria Anna?
Oorlog
was het
zeker tussen Alma en Gustav.
In deze groteske tegenstelling van moederlijk levensinstinct versus vaderlijk
kannibalisme gedroeg
Gustav Mahler zich als een tirannieke patriarch. Alma, zelf een begaafd
kunstschilderes en componiste, moest schriftelijk beloven, al haar artistieke
ambities te begraven en uitsluitend het genie van haar echtgenoot toegewijd te
zijn. Voor meer details rond dit artistieke Kronos-complex, en het statuut
van de vrouw-van-de-kunstenaar als muze/verpleegster/voetveeg/hoer, zie „Zut,
on a encore oublié Madame Freud... „ van Françoise Xenakis, een
ervaringsdeskundige want ook getrouwd met een bekend componist.
Modern kannibalisme, zei u? Voor mij vormen de „Kindertotenlieder“ het sluitstuk van een antropologische evolutie, waarin de homo sapiens eerst doodt om zijn vernunft te ontwikkelen, vervolgens een maatschappelijk systeem grondvest waarin dat vernunft religieus en ideologisch wordt geregisseerd ten nadele van de natuur en het leven, om te eindigen in een apocalyps waar vaders hun kinderen opeten. Iets wat men met Fuckyouyama „het einde van de geschiedenis“ zou kunnen noemen. Al is dat een understatement.
Niemand zal het accepteren als ik deze liedcyclus een koelbloedig gepland geval van kindermoord noem. Toch was Alma’s intuïtie juist: Mahler fantaseerde zijn eigen kinderen de dood in om "onsterfelijk-mooie" muziek te schrijven...
Deze verschuiving kan men niet zomaar historisch noemen, als een lineair proces, want ook Rembrandt klutste al eieren om gele verf te maken terwijl zijn kinderen van honger crepeerden. Ook J.J. Rousseau, eminent pedagoog en schrijver van „Emile, ou de l’éducation“, stopte zijn eigen kinderen in een weeshuis. Wat voor een cancre was die Mahler, wat voor een zeikers zijn dat toch, die kunstenaars en intellectuelen. Waar houden ze zich mee bezig, wat is hun agenda? Status en aanzien verwerven? Geld, roem, vrouwen? Onvergankelijkheid? Wellicht alles van dat, maar het laatste zeer zeker: de God, die de dichter van de Kindertotenlieder zeer geniepig introduceert aan het slot, is de huisbewaarder van het pantheon, de hoeder van de genieën, de finaliteit van de geschiedenis, waarin de mannen zich terugtrekken als alles voorbij is. Terwijl de moeders kinderen baren en proberen groot te brengen schrijven de vaders zich de onsterfelijkheid in, en usurperen alles, maar dan ook alles wat zich in hun omgeving bevindt. Het kinderoffer is daarvan de triomfantelijke bezegeling, hoe walgelijk Alma en andere milde voedsters dat ook mogen vinden.
Passchendaele,
1917
Het tragikomische van dit perspectief is, dat heel de ontwikkeling van het menselijk intellect, achteraf bekeken, alleen maar gericht bleek te zijn op de (zelf-)vernietiging. De jacht, het patriarchaat, en het kannibalisme zijn drie trappen van dezelfde fatale evolutie. Achtereenvolgens vergrijpen ze zich aan de dierlijke prooi, de vrouwelijke zondebok, en het kind-van-de-rekening. Drie keer ook domineert de herhaling: eerst als leerproces, vervolgens als rite, en tenslotte als manische tic, obsessie.
Denk vooral niet dat we hier „de dood“ metaforisch bedoelen. De vereenzaming van het mannelijk roofdier, opgesloten in zijn eigen waandenkbeelden, leidt tot échte slachtpartijen. De moderne 20ste eeuw, door Mahler en nog een hele rist genieën (waaronder Freud) met verve ingeluid, zou de bloedigste van alle blijken, tot dan toe wel te verstaan. Tien jaar na de première van de Kindertotenlieder, in 1914, is het al prijs. In deze Totalkrieg laten vaders hun zonen afslachten, jagen generaals het kanonnenvlees doorheen een regen van mitrailleurvuur, als in een hedendaags videogame. Op 31 juli 1917 besluit de Britse veldmaarschalk sir Douglas Haig dat het tijd is voor een standbeeld op Trafalgar Square. In de slag bij Passchendale, nabij Ieper, sterven uiteindelijk zo’n 100.000 man, haast allemaal jongentjes van een jaar of 18, voor een paar meter terreinwinst. Een maand later besluit een ander strategisch genie, generaal Herbert Plumer, het exploot nog eens over te doen. Balans: nog eens 100.000 lijken, winst idem dito. De herhaling is de vader van de kunst, inderdaad.
Het zou ongepast zijn om hier ten teken van rouw de Kindertotenlieder te spelen: ik verklaar Gustav Mahler minstens medeplichtig, en alleszins moreel schuldig aan dit jeu de massacre. De idee om zijn kind muzikaal te laten sterven, teneinde zelf onsterfelijk te worden, is in wezen niet verschillend van Passchendale,- integendeel, ze vormt er haast een protocol toe.
Het veralgemeend kannibalisme maakt de genocide haast banaal. Maar nog erger dan deze banalisering is de poging om ze opnieuw te verabsoluteren vanuit een semi-sacrale slachtofferstatus, zoals de joden het met de holocaust doen. Elke duiding, elke poging om dit een zin te geven is pervers, elke esthetiek is obsceen, elke muziek klinkt hol. Hier past alleen stilte, en zelfs die is verschrikkelijk, een echo van het slachttumult, the silence of the lambs.
Schoonheid is maar een vernis, een alibi, een vermomming. Wat daaronder zit, dat is boeiend, bizar en huiveringwekkend tegelijk. Dus wordt luisteren ook steeds meer ont-dekken, ont-luisteren, de lelijkheid ervaren, als de gaping van de menselijke afgrond zelf.
Wat is nu de conclusie? Dat het roofdier veel dieper in de menselijke natuur zit, dan we denken of wellicht hopen. En dat “cultuur” tout-court niet veel meer is dan gesublimeerd sadisme. En,- het ergste nog, althans voor de weldenkende melomanen onder u: dat zelfs de Mattheuspassie het lijden esthetiseert en de dood ritualiseert, voor herhaling vatbaar maakt . Deze meta-rationaliteit van de bewuste, denkende, wikkende en wegende seriemoordenaar blijft, doorheen alle culturele metamorfoses en mutaties, de geschiedenis bepalen.
Zopas verscheen de Nederlandse vertaling van “Beauty” van Roger Scruton, filosoof van de goede smaak en schoonheid als absoluut begrip, verbonden met de menselijke rede. Nooit zo hard gegeeuwd bij een boek. Natuurlijk is de muziek van Bach, Mozart, en Mahler universeel. Maar niet omdat ze de ultieme menselijke waardigheid (en superioriteit) evoceert, wel integendeel: elk van deze genieën opent een stinkende beerput die met even geniale middelen is geparfumeerd. Schoonheid is maar een vernis, een alibi, een vermomming. Wat daaronder zit, dat is boeiend, bizar en huiveringwekkend tegelijk. Dus wordt luisteren steeds meer ont-luisteren, ont-dekken, de lelijkheid ervaren, als de gaping van de menselijke afgrond zelf. En zo krijgt "schone" cultuur, kunst, muziek, voor ons, barbaren, steeds meer het aspect van een verdoving die een ander lawaai moet wegdrukken: het geluid van de overkill die er altijd is geweest, en die doorgaat.
Aan een indrukwekkend tempo stuikt de biosfeer ineen en verdwijnen de diersoorten, elke dag een kleine honderd naar het schijnt. De lont loopt af in de richting van een radeloze monocultuur waarin wij elkaar consumeren tot er nog één ontaard exemplaar overblijft, dat zichzelf van kant maakt uit walg en verveling. Al de rest is franje, voorwendsel, verbloeming. Geen enkele ecologische doctrine kan dit oplossen. Daarna kan het op deze gereinigde planeet van vooraf aan beginnen, met een propere lei. Maar misschien met minieme verschillen die grote gevolgen kunnen hebben. Misschien krijgen de Neanderthalers eens een kans, ze verdienen het. Of het plantenetend matriarchaat van de bonobo’s zou het, in de remake, bijvoorbeeld eens kunnen halen van de vleesetende chimpansees, de agressief-psychotische apensoort waaruit de actuele homo sapiens zich ontwikkelde.
Ja, laat dit onze hoop zijn: dat de Ewige Wiederkehr des Gleichen toch ergens afwijkt, door toeval, waardoor in een volgende wereld de Kindertotenlieder niét geschreven worden en we Mahler gewoon in de moestuin vinden. Sorry, geen diner-bij-laarslicht, geen muziek. Gustav, kom uit uw piano en ga bloemkolen planten. Te gek? Alleen een gespleten kreeft kan op zo’n idee komen.
Johan Sanctorum