Cultureel tijdschrift “Ons Erfdeel”, Februari 2005         

 

Reageren         Terug naar archief         Terug naar startpagina

 

 

 

 

Het is alweer een tijdje stil rond het geplande Gentse “Forum voor Muziek, Dans en Beeldcultuur”, waarvoor het Rotterdamse architectenbureau Neutelings Riedijk in de zomer van 2004 de architectuurwedstrijd won. De voorziene plek van dat Forum situeert zich in de laaggelegen Zuidelijke volkswijk aan de Schelde-arm, meerbepaald de Waalse Krook. Een terugblik op de historiek van dit dossier is nuttig, temeer omdat ze aanleiding geeft tot enkele algemene reflecties rond Vlaamse cultuurpolitiek, stedelijke identiteit en publieke architectuur.

Als het van bezieler Gerard Mortier afhangt, moet het Forum een grootschalig polyvalent complex met Europese allures worden voor muziek, film, theater, opera en zelfs technofuiven. Andere hoofdrolspelers in dit verhaal zijn de Gentse burgemeester Frank Beke die er zijn prestige als bestuurder aan verbindt, cultuurschepen  Sas Van Rouveroij, en Bob van Reeth, nog eventjes Vlaams Bouwmeester en voorzitter van de jury. Pineut van het verhaal: Rem Koolhaas, wiens ontwerp door de files op de E17-autoweg één kwartier te laat arriveerde en gediskwalificeerd werd.

Het bekroonde ontwerp verraste de jury door zijn “hoekig-piramidale, massieve vorm” en moet door een ingenieuze techniek transformeerbaar zijn van gesloten zaal tot open galerij. “Doorwaadbaar”, zeggen de ontwerpers. Democratisering van de cultuur alom dus: iets tussen een operazaal, een mega-fuifhal en een locatie voor een rommelmarkt, wie kan daar nu tegen zijn? Kleine bijzonderheid: van de nodige 50 miljoen euro hebben de Stad Gent en de Provincie Oost-Vlaanderen elk één vierde toegezegd. De andere helft moet van de Vlaamse Gemeenschap komen, in casu Minister Anciaux.  “Moet”, jawel, maar die Vlaamse Gemeenschap weet quasi nergens van en heeft zich ook tot niets geëngageerd. Gerard Mortier: “We hebben al contacten gehad met verschillende partijen in de Vlaamse Regering en het ziet er goed uit. Als ze het alsnog afblazen, zullen ze het toch moeilijk hebben om uit te leggen waarom.”

Dat is toch een vreemde logica: een architectuurwedstrijd organiseren voor een project waar (nog) geen geld voor is, om met toeters en bellen het “bekroonde ontwerp” voor te stellen en zo de gemeenschap voor een voldongen feit te plaatsen. Men zal immers toch niet zo onbeleefd zijn om Neutelings terug naar huis te sturen? De Vlaamse Bouwmeester Bob van Reeth speelt in dit verhaal een onduidelijke rol. Kan het dat een Vlaams topambtenaar, die moet waken over goede smaak en die ook ongeschreven regels (deontologische principes) in acht moet nemen, in een PR-stunt meegaat die de Vlaamse Gemeenschap onder druk moet zetten? Overigens is Neutelings zelf zo eerlijk –of zo cynisch- om te beamen dat zijn maquette een “lobbymiddel was” (Interview in De Standaard van 29/12/04). De postmoderne architect als vormgever van een gerucht in de politieke mallemolen?

Maar de vragen waarop volgens mij eerst een antwoord gezocht moet worden, zijn nog principiëler. Zit Gent eigenlijk wel op dit Forum te wachten? Past het project in de socio-culturele identiteit van deze stad? Is de Vlaamse Gemeenschap wel bereid om in de beurs te tasten? Is het onbehoorlijk om naar het publieke draagvlak en de financiële haalbaarheid van het project te vragen? Of wordt democratie hier opeens vervangen door subtiele mediatieke machinaties, uitgedokterd en petit comité?

Ik wil hier niet muggenziften over het ontwerp van Neutelings. Misschien is het wel de best mogelijke vertaling van de opdracht. Alleen die opdracht zelf, daar schort wat aan. Er zijn namelijk nogal wat argumenten die de zin van deze grootse cultuurcentrale in de Gentse context ter discussie stellen. Maar eerst een kleine situering van het verhaal en zijn protagonisten.

Historisch gezien is het departement Cultuur, naast Onderwijs, in het verzuilde België een belangrijke ideologische hefboom. Wie Cultuur beheerde, kon het gestructureerde verenigingsleven betoelagen en sturen. Vanaf de jaren 1970, begin van de culturele autonomie van de taalgemeenschappen, werd in Vlaanderen het startschot gegeven voor een enorme bouwcampagne: elk gehucht moest en zou zijn “cultureel centrum” hebben. Achteraf blijken dat vooral veredelde parochiehuizen te zijn geworden, het ene al lelijker dan het andere, met nauwelijks een programmatiebudget — en dus werden ze vooral gebruikt voor kooklessen van de plaatselijke vrouwengilde. Het gebouw moest openstaan voor alle zogenaamde “socio-culturele activiteiten” en zo het sociale weefsel versterken. In deze context werd de term “polyvalente ruimte” gecreëerd: meestal een bakstenen evenementenzaal met cafetaria — akoestisch dikwijls verre van briljant — die ook als danszaal kon dienen voor het bal van de gepensioneerden of voor mosselkermissen. Op die manier werd regionale cultuurwerking gaandeweg versmald tot de calendaria van het verenigingsleven, ook al omdat de aangestelde “cultuurfunctionaris” meestal de moed niet had om iets eigenzinnigs te doen. Door de bouwkoorts werd een enorme hoeveelheid geld uit het cultuurbudget gehaald waarmee bestaande stedelijke cultuurinfrastructuur uitgebreid had kunnen worden en waarmee men een kwalitatieve programmatie had kunnen ontwikkelen.

Vreemd genoeg valt deze wildgroei van de buitenstedelijke “polyvalente culturele centra” in de jaren ’70 ook samen met de leegloop van de steden en de aangroei van een nieuwe plattelandsburgerij, het opkomen van de villawijken, mini-suburbs, lintbebouwing, de fermettes. Is er een verband? Men zou het eens kunnen onderzoeken. Feit is dat de culturele bouwkoorts wel wat politiek benoemde bureaucraten opleverde, maar geen “cultuur” als dusdanig.

Cultuur is namelijk verbonden met stedelijkheid, een redelijk grote woon- en leefgemeenschap waarin publiek, opiniemakers, kritische massa en media elkaar kunnen treffen of ontlopen en waar de ruimte voldoende groot is om reactie op te wekken en controverse te creëren. Cultuur heeft ook te maken — en dat is belangrijk voor het Gentse verhaal — met diversiteit en het ontstaan van “niches”: voldoende grote groepen die bepaalde gelegenheden frequenteren, zich rond een bepaalde smaak en levensstijl scharen, zich met artistieke uitdrukkingsvormen identificeren en daarvoor specifieke ruimtes opzoeken — in één woord: subculturen. Ook dat is alleen mogelijk in een stedelijke context. Een dorp of een gemeente van twintigduizend inwoners kent geen subculturen. Ze worden er sociaal niet getolereerd of komen gewoon niet van de grond.

Ondertussen is de stadsvlucht grotendeels tot stilstand gekomen en rijst nu de grote uitdaging om, in het kader van globale stedelijke herwaardering, ook de culturele uitstraling van een middelgrote stad nieuwe impulsen te geven, zonder aan betutteling te doen en zonder het provincialisme te importeren. Want het grootste gevaar schuilt erin dat men het concept van de kleinsteedse “polyvalente centra” zonder meer zou gaan overplanten naar een stedelijke context. Intelligente bestuurders als Frank Beke beseffen dat wellicht en zoeken naar pistes om een subtiel evenwicht te bewandelen tussen “kansen geven” en de culturele diversiteit zijn gang laten gaan via daartoe geëigende ruimtes. Het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK) is een geslaagd voorbeeld. Maar ongelukkig genoeg liggen de kaarten voor het Muziekforum anders en hebben de ambities van burgemeester Beke het pad gekruist van die van intendant Gerard Mortier.

De indrukwekkende carrière van Gerard Mortier als opera-intendant wordt gekenmerkt door een aantal eigenschappen die eigen zijn aan zijn status van “cultuurpaus”.

Vooreerst is Mortier een man van het grote geld. Hij is iemand die graag superbudgetten beheert en daarvoor, als gedreven pleitbezorger van de moderniteit, ook toegevingen moet doen aan het (conservatieve) establishment dat bijvoorbeeld opera niet alleen consumeert als een kunstvorm maar ook als een society-ritueel.

Ten tweede grijpt hij op een zeker moment in op het vlak van infrastructuur en architectuur, wat natuurlijk ook enorme happen uit de cultuurbudgetten wegneemt. Dat was zo in zijn periode van de Koninklijke Muntschouwburg (tussen 1981 en 1992 vonden daar grootse verbouwingen plaats; de huidige ontslagnemende crisismanager Bernard Foccroulle is nog altijd de financiële put aan het wegwerken en dat merk je aan de povere programmatie), de Salzburger Festspiele (1992-2001; de absolute topper onder de snobistisch-dure operafestivals), en ook voor zijn nieuwste opdracht in de Opera van Parijs heeft hij al laten weten dat hij naast het Palais Garnier en de Opéra de la Bastille graag nog een derde operatempel had gewild.

Ten derde is hij iemand die artistieke krachten steevast wil bundelen binnen één groot totaalplatform dat alle middelen naar zich toezuigt. Mortier is behept met het neo-Wagneriaanse fantoom-idee dat het volk zich massaal naar die ene cultuurtempel zal begeven waar alle uitverkoren kunstenmakers zich verenigen in het door hem gecelebreerde “feestspel”. Mortier pleit dus voor “cultuurcentralisme”. En hier rijst een groot probleem voor wie Gent en zijn cultuurscène een beetje kent.

Het Gentse socio-culturele universum is immers volstrekt middelpuntvliedend georiënteerd, en dat komt voort uit het sinds de middeleeuwen aangekweekte autonomistische poortersbewustzijn met anarchistische trekjes. Het opstandige Gent was de belangrijkste gereformeerde enclave in de 16de eeuw. In de 19de eeuw was ze dé stad van de Vlaamse arbeidersbeweging. Ik ken weinig steden waar cultuur zo verspreid is in de stedelijke ruimte, en waar de lijnen van hoge en lage cultuur zo door elkaar lopen, als de Arteveldestad. Het Gentse cultuurlandschap is bij uitstek een open, horizontale netwerkstructuur van verspreide grote en kleine initiatieven, instituten, vzw’s, ateliers, gebouwen, ruimtes, officiëel of privé, gesubsidieerd of niet.  Ik denk aan de Vlaamse Opera, vzw Lyrica, de Rode Pomp, het Nieuwpoorttheater, Victoria, Theater Taptoe, Het Muziek Lod, de Kopergietery, het Festival van Vlaanderen, Ex Tempore, de Bijloke, de Handelsbeurs, het IPEM, het Spectra Ensemble, Publiekstheater, Stichting Logos,… en ik vergeet er vast nog een pak Er zijn ook veel “populaire” en animatie-gerichte initiatieven zoals de Gentse Feesten, de musicalzaal in de Capitole, Kunstencentrum Vooruit, KraaK, Minard, de Vieze Gasten, Teater Exces enz.

Dit kleurrijke lappendeken van semi-autonome organismen is volstrekt uniek in Vlaanderen: het is een vorm van culturele rijkdom, misschien is het wel een soort “erfgoed” op zich. Het niveau is heel ongelijk en varieert van hoogstaand-elitair tot amateuristische folklore. Maar globaal vertoont Gent een bruisend, door een brede publieke belangstelling gedragen cultureel universum. Onderbouw en bovenbouw (volkscultuur en “Cultuur met grote C”) zijn op een merkwaardige wijze met elkaar verbonden en zwermen uit over de stedelijke ruimte: het evenement is de stad, en de stad is het evenement. Zelfs de tv-serie “Flikken” speelt erop in door elk jaar een heuse Flikkendag te organiseren in het centrum van Gent.

Kan één grootschalige cultuurcentrale die alle energie en middelen naar zich toetrekt, op deze traditie inspelen? Uiteraard niet. De paradox is zelfs dat Mortiers uitdrukkelijke keuze voor centralisering binnen één polyvalent complex (“Inhoudelijk kun je er alle kanten mee uit, en dat was de bedoeling. Geen besloten ruimte, maar een plek die voor alle mogelijke cultuuruitingen kan dienen”, zei Mortier bij de presentatie van het bekroonde ontwerp) verschralend zou kunnen werken. De indruk bestaat dan ook dat men vooral een behuizing zocht die groot genoeg was om de integristische obsessie van Gerard Mortier te bevatten. Maar de man dekt zich grondig in,- de architectuurwedstrijd rook al naar cultuurmacchiavellisme. En inderdaad: door zich tegen het Vlaams Belang (en dan ineens ook maar tegen Antwerpen, als 'verdorven stad') te profileren, stigmatiseert Mortier meteen elke tegenstander of criticus tot fascist. Wat ik in dit artikel wil rechtzetten.

Dit is geen pleidooi voor een ‘liberale’ laissez-faire-cultuurpolitiek. Ook in het postmoderne culturele uitspansel kan de overheid zinvolle accenten plaatsen qua architectuur en programmatorische invulling. Maar meer nog dan elders is het “centrale tempel”-concept in Gent misplaatst, en moet er omzichtig met nieuwe monumentaliteit worden omgesprongen. Dat het Stedelijk Museum voor Actuele Kunst (SMAK), gevestigd in het voormalige casino, wél past in het Gentse netwerk, heeft juist te maken met zijn marginale inplanting (niet dominant in de binnenstad), zijn intrinsieke architecturale “bescheidenheid” (ondanks de constante over-acting stijl van ex-conservator Jan Hoet en de daaraan verbonden huidige tribulaties rond zijn opvolger), een duidelijke artistieke missie, en anderzijds zin voor osmose met de stad (tentoonstellingen in de stad zoals “Over the Edges” (2000) en “Chambres d’Amis” (1986)). Juist omdat het SMAK niet polyvalent is maar zeer specifiek en eigenzinnig, vormt het een echte, netwerkversterkende baken.

Analoog aan de metamorfose van casino tot SMAK, is het wellicht dan ook veel meer aangewezen, en veel meer conform de anarchische netwerktraditie, om iets creatief te doen met het bestaande, bouwvallige stenen Cirkus Mahy aan de Krook, een Gentse urban legend van formaat die naadloos terug in te passen valt in dat cultuurstedelijk netwerk. Geen modernistische tabula rasa dus, ook geen muffe restauratie van een ruïne, maar actieve recyclage en toeëigening van het verleden; oude vormen die nieuwe inhoud krijgen: ecologisch, budgettair en filosofisch een belangrijk statement in de nieuwe, transmoderne architectuur van de 21ste eeuw.

Architectuur gaat niet alleen over baksteen en beton. Overeenkomstig het devies van architect-filosoof Aldo Rossi, dat men, juist vanuit bekommernissen rond globale stadsherwaardering en culturele specificiteit, af en toe ook moet durven constateren dat een gebouw gewoonweg niet hoeft, zouden Stad en Provincie de maquette misschien beter nog even opbergen om na te denken over wat Gent onderscheidt van alle andere steden. Temeer omdat nu ook het Brugse Concertgebouw, amper 40 km verderop, een groteske lege doos blijkt die nauwelijks ingevuld raakt.

Leuk is overigens ook dat laureaat Willem-Jan Neutelings zelf niet onaardig filosofeert over het belang van chaos en diversiteit, waarbij het allesregulerende en centralistische “poldermodel” uit zijn eigen Nederland het regelmatig moet ontgelden. “Een stad heeft een proces van permanente verandering nodig, niet een geïnstitutionaliseerd geschuifel met papieren vooraf”, schrijft hij in het gezaghebbende tijdschrift Archis. Zouden Beke, Van Rouveroij, Mortier en Van Reeth deze teksten gelezen hebben?

 

 

Kroniek20-9-05: De plannen voor het Muziekforum worden door Minister Anciaux opgeborgen

 

 

Terug naar boven