Overgenomen door Menzo-magazine, Mei 2006
VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar archief Terug naar startpagina Reageer via het Webforum
Pense-bête in
't museum
en mosselen voor iedereen!
Over cultuur, rebellie en postmodern Macchiavellisme
Johan Sanctorum
21/4/2006
Een van de
boeiendste kunstmanifestaties van de laatste jaren is de dubbeltentoonstelling
Rembrandt-Caravaggio in het Amsterdamse Rijksmuseum. De Zuiders-exuberante
schilder van de barokke sensualiteit versus de ingetogen Noorderse kunstenaar
van het clair-obscur, zo willen de clichés het.
Van Michelangelo Merisi da
Caravaggio is de liederlijke levenswandel algemeen bekend,- hij werd zelfs
terdood veroordeeld wegens moord en nadien terug opgevist omdat hij nu eenmaal
goed met een penseel overweg kon.
Caravaggio heeft heel zijn leven gespot met zijn opdrachtgevers en hun
onderwerpen. Hij deinsde er niet voor terug om religieus-stichtelijke taferelen
zoals ‘De Bekering van de H. Paulus’ door een enorme paardenkont te laten
domineren, met, ergens in een hoekje op de grond, de van zijn paard gevallen
toekomstige kerkvorst, blerend als een zuigeling. De parodie wenkt overal,
hoeren en bedelaars waren zijn favoriete modellen.
Maar nu blijkt ook die doodserieuze Rembrandt Van Rijn, die overal als een
depressieve neuroot en Calvinistische azijnpisser geboekstaafd staat, een
deugniet geweest te zijn. Volgens een recente hypothese is de fameuze
‘Nachtwacht’ een spotprent, waarop een groepje rijke kooplieden heldhaftig
poseert, maar dan op zo’n manier dat het karikaturaal en ridikuul wordt: de
schilder portretteerde een stelletje arrogante parvenus en zette zo de
Amsterdamse beau monde van die tijd te kakken. Een aantal van hen begrepen de
grap en lieten zich, zwaar beledigd, van het doek verwijderen. Aldus de
scenograaf Peter Greenaway die er in de marge van de tentoonstelling een
installatie aan wijdt. Het bestelde tafereel blijkt maar een voorgrond, een
alibi; het doek vertelt vanbinnen een heel ander verhaal. Is kunst van nature
subversief? Drijft cultuur op onderstromen die tegen het establishment gericht
zijn? Waarom heeft datzelfde establishment er dan zoveel geld voor over, en
probeert het kunst op een sokkel te plaatsen, binnen de veilige muren van het
museum?
“Wanneer ik het woord cultuur nog maar hoor, trek ik al mijn
revolver”, placht Hermann Göring te zeggen. En of
hij gelijk had. Volgens een algemeen aanvaarde antropologische theorie ruilde de
homo habilis zo’n 3 miljoen jaar geleden de jungle voor de
Oostafrikaanse savanne, niet alleen om rechtop te leren lopen, maar ook om een
iets bredere kijk op de realiteit te kunnen ontwikkelen. De apen bleven in het
oerwoud, de hominiden trokken het grasland in en werden echte tweevoeters: er
ontstond zoiets als overzicht, een horizon, en speculaties over wat er achter
die einder zat.
In de verdere evolutie tot homo sapiens zou deze stap
cruciaal blijken: de groei van de hersenen, vooral van de buitenste hersenschors
of cortex, is er het gevolg van. Deze nieuwe hersenen gedragen zich
ambivalent ten opzichte van de oude hersenstam, waarin de emoties en instincten
van het voormalige zoogdier blijven sluimeren. Ze zijn namelijk verantwoordelijk
voor het kritisch bewustzijn, het wikken en wegen, over zichzelf kunnen
nadenken, het in vraag stellen van groepsnormen en hiërarchie,- dit alles
ondersteund door iets wat ons wezenlijk onderscheidt van de mensaap: humor, zin
voor ironie, en relativeringsvermogen.
Het savannelandschap bevorderde die dubbelzinnige attitude: in de grasvlakte ziet iedereen iedereen, maar de bosjes en struiken nodigen uit tot allerlei mogelijkheden om zich af te zonderen, tête-è-têtes, privé-onderonsjes, complotten, gelach en gezever, uiteraard ook sexuele intimiteiten (apen copuleren ‘en plein public’), kortom: subculturen. Onze behoefte om in een tuin te vertoeven zou daarop kunnen teruggaan: een goede mix van gazon en struikgewas opent allerlei perspectieven om ‘zijn ding te doen’, niet gehinderd door teveel overzicht en sociale controle. Binnen deze anarchische schaduwcellen zouden ook de eerste vormen van artistieke expressie ontstaan zijn: een soort graffiti, kerven en kentekens van een groupuscule die een communicatiesysteem en eigen codes ontwikkelde, waaraan altijd een aspect van inwijding verbonden is. Kunst vergt dus enige inspanning, kwestie van het geheim te bewaren en niet direct door de mand te vallen.
Door het oerwoud te verlaten en de savanne op te zoeken, ging de mens rechtoplopen en ontwikkelden zich de 'nieuwe hersenen', verantwoordelijk voor bewustzijn, kritiek, humor. Sindsdien is 'cultuur' altijd verbonden geweest met identiteit, subversie en ironische afstand...
Niettemin zal het savanne-fenomeen met veel spanningen en trammelant gepaard gegaan zijn, want uiteraard dienden diezelfde ‘nieuwe hersenen’ om vanuit de groep en zijn leiders strategieën te ontwikkelen tegen de spijbelaars en de schuinmarcheerders. Maar cultuur gaat dus wezenlijk om rebellie, het creëren van onderscheid, het essentiële besef dat men niét samenvalt met zijn omgeving en de groep. Wat ons weer bij Rembrandt en Caravaggio brengt: is hun clair-obscur geen kat-en-muis-spel met de openbare orde en de heersende normen? Is kunst ooit iets anders geweest dan gecodeerde graffiti, een subtiel geheel van ordebevestigende en ordeverstorende elementen? In 1879 maakt Edgar Degas een sculptuur van een jonge danseres. Geen 'schoon schilderij', wel een pop-art-achtige collage van gekleurde was, metaal en lompen. Om aan te geven dat het 14-jarig model, een arbeiderskind, waarschijnlijk al in de prostitutie stond en, wie weet, al op de schoot had gezeten van Degas' rijke opdrachtgevers, die zich geschoffeerd voelden. Het werk veroorzaakte een schandaal. De karikatuur of de parodie behoren niet tot de marge van het kunstgebeuren, ze vormen er de essentie van. En dat maakt de kunstenaar onvermijdelijk tot een danser op de slappe koord. Het systeem kan hem likwideren (zoals het Rembrandt is vergaan, na het schilderen van de Nachtwacht), maar het kan hem ook doodknuffelen. Hiertoe is het mecenaat uitgevonden: het establishment koopt de struikrovers uit en recupereert de kunstenaar tot decorateur van het regime.
Staatssubsidies voor cultuur zijn altijd een vorm van officiële chantage en institutionele omkoperij geweest: voor wie niet braaf is, gaat de kraan dicht. Een sublieme vondst van de nieuwe hersenen, gericht tegen stoorzenders en allerlei gepruttel in de marge. De villadief Jan Fabre was goed begonnen, ik heb hem in de jaren ’80 en ’90 een hele tijd gevolgd met zijn parodisch theater in kleine zaaltjes. Tot hij aan de grote vetpotten geraakte, men zijn opgekocht werk aan de muren van ministeries begon te hangen, en hij uiteindelijk het plafond van het Koninklijk Paleis mocht decoreren. Hoe diep kan een artiest vallen.
Van 'Je ’t adore' tot de Mosselpot: de schouwgarnituren van Bert en Damienne
De spanning tussen kunst en maatschappij is zo oud als onze
uittocht uit het oerwoud. Vanaf pakweg 1950 doet zich in de Westerse samenleving
echter een ontwikkeling voor die de cultuur, als min of meer versluierde
dissidentie, in een lastig parket brengt: alles is namelijk toegelaten, en via
de massamedia krijgt iedereen toegang tot alle boodschappen. Weg met de
geheimhouding, de toegangsrituelen en de drempels. Met de ‘democratisering’ van cultuur en het
verabsoluteren van de ‘vrijemeningsuiting’ wordt elk conflict tussen individu en
maatschappij onmogelijk. Iedereen mag zijn ding doen, open en bloot, de
struikjes zijn overbodig. Het is tot dusver de meest suksesrijke strategie van
de politieke macht gebleken tegen middelpuntvliedende krachten.
Cultuur verliest
daarmee alle buskruit, en wordt meer een soort sociaal behang, vergelijkbaar met
de warenhuismuziek die je eigenlijk niet hoort maar die er toch is, de zgn. ‘muzak’. De filosoof
Jacques Attali heeft het in ‘Bruits’ (1977) al
voorspeld: naarmate de ‘elitaire kunst’ wordt afgeschermd en met subsidies wordt
verwend, krijgt het systeem steeds meer publiek draagvlak om cultuur te
‘populariseren’, tot op een niveau dat iedereen, zelfs de lompste boer,
onmiddellijk het refrein kan meezingen. Het
format van het Vlaams Nationaal Zangfeest en het obligate kampvuur blijken de
ideale schablonen voor een ‘democratisch’ cultuurbeleid dat geen enkele
distantie meer tolereert. Minister Bert Anciaux is in dat opzicht zonder meer
een trendsetter,- hij heeft de ‘cultuurparticipatie’ gelanceerd: iedereen
moet meedoen, unisono, willen of niet. Een consortium van vijf
universiteiten, onder leiding van ene Prof. Hans Waege, werd aan het werk gezet
om deze terugkeer van de apenplaneet met een wetenschappelijk sausje te
overgieten.
Met het tijdperk Anciaux wordt cultuur een politiek-strategisch wapen om consensus te creëren en individuele reflexen af te bouwen. Misschien is het wel door die nieuwe kuddegeest dat een jongeman van 16 in een station door twee schoelies kan gekeeld worden, zonder dat één omstaander een kik geeft...
De ‘studie’ toont aan wat Bert Anciaux wou bewijzen: dat mensen naar het theater gaan om achteraf een pint te gaan pakken, en niét zozeer om het ding zelf te ervaren, of er zich in te verdiepen, het te willen doorgronden en ontraadselen. Op die manier worden twee vliegen tegelijk doodgemept: de kunstenaar is zijn punt kwijt, en de toog wordt de plaats van de grote massaverbroedering. De uitersten lijken ook hier elkaar te raken: de mythe van de ‘gelijke kansen’ is totalitair. Cultuurpopulisme behoort tot de retoriek van het sociaalfascisme. In nazi-Duitsland werd een bepaald soort ‘volkscultuur’ sterk aangemoedigd, net om individuele identiteitsvorming te beletten. Volksdansen, huismuziek, blonde meisjes met vlechtjes die blokfluit spelen, stoere jongen in lederhosen die dijenkletsend een houthakkersdans uitvoeren…. het lijkt allemaal verafgelegen folklore, maar het komt terug, in een postmoderne vorm van de gezelligheidscultuur die door volksmenners als Robert ‘Steve’ Stevaert tot een kunst op zich is verheven. Misschien is het wel door die nieuwe kuddegeest dat een jongeman van 17 in een station door twee schoelies kan gekeeld worden, zonder dat één omstaander een kik geeft. Leve de sociale cohesie,- dissidentie en individuatie verdampen aan een snel tempo: cultuur wordt pure participatie aan allerlei socialiserende rituelen, van de toneelavond, over de bloemschikcursussen en de mosselfeesten, tot het songfestival. En zo zijn we weer

bij de kus van 30.000 Euro beland: is de omhelzing van Kate Ryan door de Vlaamse cultuurminister het eindpunt van een likwidatieproject t.o.v. het kritisch individu, en de bezegeling van de socio-politieke consensus?
Op 21 Maart j.l. organiseerde de 'Muziekraad voor Vlaanderen',
een onafhankelijke koepel van musici, organisatoren en cultuurmakers, in Brussel
een debat rond het cultuurpopulisme van de huidige minister. Uitgangspunt was
het artikel op deze website, verschenen in verschillende kranten en
tijdschriften: 'Wanneer cultuur
bezigheidsterapie wordt'. Maar noch de auteurs van
de fameuze participatienota -het ‘Consortium van vijf Vlaamse universiteiten’-,
noch het kabinet Anciaux zelf, durfden het aan om in de discussie te participeren, ze stuurden namelijk hun kat. Waarmee bevestigd wordt wat we
al wisten: conflicten zijn niet meer aan de orde, wanneer cultuur tot glijmiddel
van de actieve welvaartstaat wordt gedegradeerd.
Kritiek, schisma, conflict en breuk worden beschouwd als anomalieën.
Ooit werd het toneelstuk van Hugo Claus, 'Leopold II', verboden wegens
beledigend voor de monarchie. Nu, zo'n 40 jaar later, en precies een maand na
ons 'debat' in Brussel, gaat in NTG een melige apologie voor Wilfried Martens
in première: de man van zo'n tien regeringen, volmachten, leugens over de
kernraketten, en een voor Vlaanderen onverteerbaar Egmontpact dat het Vlaams
Blok opleverde. Het stuk is goed getimed: na Pasen komen zijn memoires uit. Wat
is er misgelopen? Waarom voelt een toneelgezelschap zich geroepen om een nog
levende Machiavellist pur sang in de bloemetjes te zetten? Is het toeval
dat zoiets onder het Anciaux-regime gebeurt?
De markt is de nieuwe grasvlakte,- het is onmogelijk om hem
nog te ontwijken. Wie zich niet in de etalage legt met een prijskaartje eraan,
bestaat gewoonweg niet. De staat koopt geen kunstenaars meer om, maar wordt
aandeelhouder in een ‘cultuurindustrie’ (sic) die inspeelt op de vraag van de
vrijetijdssector. Wat gaan we vandaag doen? Mandenvlechten? Kantklossen?
Bloemschikken? Ik weet het, we doen ons zondags kostuum aan en gaan naar het
SMAK, want naar het schijnt kan je daar Pense-bête bewonderen, het door
Bert Anciaux voor 400.000 Euro aangekochte pop-art-werk van Marcel Broodthaers,
dat nu naast de fameuze Mosselpot prijkt. Ooit schreef Broodthaers over
deze geverniste drollen: ‘Ik ben veertig jaar, en het idee om eindelijk eens
iets onoprecht uit te vinden, schoot me door de geest’. Duidelijk taal: Pense-bête
en de Mosselpot zijn grappen die het cultureel
establishment te grazen wilden nemen.
In het licht van dat ironiserend opzet is
de aankoop door Bert Anciaux ronduit lachwekkend, en is de opname van het
‘kunstwerk’ in een deftig museum volstrekt impertinent. Maar wie bedot hier wie?
De kunstmarkt nam weerwraak door het werk au serieux te nemen en er een fabuleus
prijskaartje aan te hangen; Bert Anciaux voltooit de recuperatie door het tot
staatseigendom te maken en als publieke kitsj tentoon te stellen . Wie het laatst lacht, best lacht: in het
postmoderne tijdperk is de ironie, ons allerkostbaarste cultureel erfgoed sinds
de mensaap het oerwoud verliet, door de macht gepatenteerd en bespelen de
politici zelf het wapen van de humor. Het ergste wat cultuur kan
overkomen. Kate Ryan en Marcel Broodthaers, ze hebben allemaal een plekje
gevonden op de grote Vlaamse schouw van Bert en ons Damienne.
Het laatste woord over Broodthaers’ farce is overigens aan de gezellige ministersvrouw: ‘Gewoon een mosselpot, daar is niets aan, dat kan ik ook bijeenkoken’, aldus de vleesgeworden vox populi in Het Laatste Nieuws, die vanuit haar mollige heupen one-liners opboert waar Rembrandt en Caravaggio van achterover zouden vallen. Of zoals Stevaert het uitdrukt: ‘Cultuur is goed, maar er moet iets te eten bij zijn’,- naar aanleiding van het 'culturele' gourmet-gebeuren 'De Week van de Smaak' die hij met... Bert Anciaux organiseerde. De cirkel is rond.
Pense-bête: de bijl erin!
De nieuwe SMAK-aanwinst,
'Pense-bête, een collage van oud papier en
plaaster op een sokkel, is vervaardigd met exemplaren van de gelijknamige dichtbundel die Broodthaers aan de straatstenen niet kwijtraakte. Achter de grap gaat een
schrijnend verhaal schuil van een auteur op leeftijd die niet gelezen werd,
moreel en materieel aan de grond zat, en de onverkochte oplage dan maar in het
gips goot. In 1963 sloot hij dus letterlijk de boeken, wiste de tekst uit
en begon een nieuw leven van charlatan. Als symboliek kan dat tellen:
Broodthaers neemt niet alleen de artistieke
elites en de kunstmarkt bij de neus, maar ensceneert zijn eigen begrafenis als
dichter én voorspelt ook in één moeite het tijdperk van de communicatie en de
massamedia, waarin de schijn domineert en de verpakking alomtegenwoordig is.
De boodschappen hebben geen inhoud meer of dubbele bodem, hun betekenis is
eenvoudigweg hun pragmatisch effect: the medium is the message. Daarmee
wordt Marcel Broodthaers een profeet van het perceptietijdperk. What you get
is what you see. Zo overbodig als de discussie is, zo zinloos is het zoeken
naar achtergronden. Communicatie, en alles wat marketinggoeroes en spindoctors
daarover oplepelen, gaat niet over het interpreteren, het ontrafelen van
boodschappen, onder hun korrelige oppervlakte gaan en betekenissen reveleren;
neen, communicatie gaat louter over gladde beeldprojectie en hun onmiddellijke
overdraagbaarheid. En dàt is misschien wel de echte boodschap van Pense-bête:
de poëzie is dood, de tekst gemummifieerd, het boek werd een ding en een
kijkstuk.
Broodthaers neemt niet alleen de artistieke elites en de kunstmarkt bij de neus, maar ensceneert zijn eigen begrafenis als dichter én voorspelt ook in één moeite het tijdperk van de communicatie en de massamedia, waarin de schijn domineert en de verpakking alomtegenwoordig is.
Er rust een vloek op het werk, door de kunstenaar zelf uitgesproken, maar dan in de typische hilarische tonaliteit van het surrealisme. Een cultuurminister met stijl zou dan, overeenkomstig die pessimistische gedachtenlijn, eigenlijk net het omgekeerde moeten doen van wat Bert Anciaux deed,- nl. het object eerst aankopen, vervolgens ritueel vernietigen en tenslotte de dichtbundel Pense-bête heruitgeven. Ik denk niet dat Broodthaers een geniaal dichter was; maar in heel de heisa rond de 400.000 Euro voor dit stuk ‘cultureel erfgoed’ lijkt niemand eraan gedacht te hebben om het boek zelf uit zijn plaasteren sarcofaag te halen en terug leesbaar te maken. Dat gebaar zou niet alleen het kunstwerk emanciperen uit zijn status van koopwaar en speculatief object, maar het zou ook aantonen dat cultuur vooral een zoektocht is revelatie, het ontdekken van waarheid achter de schijn. Kan onze cultuurminister zich zo’n gebaar permitteren, gesteld dat hij er de intelligentie en de durf voor zou hebben? Natuurlijk niet. Politiek gaat nu net om perceptie en effectbejag,- Bert is zelf een serieus geworden grap én het archetype van de populistische beeldpoliticus die de pure verpakking hanteert.
De zoektocht naar achtergrond en verborgen teksten-achter-de-tekst,- het wordt net in deze tijd een ideé-fixe. Misschien omdat de perceptielogica zo alomtegenwoordig is? Suksesliteratuur zoals 'De Da Vinci Code’ speelt in op die behoefte aan ontraadseling, in een universum van de voorgrond, de onmiddellijkheid en de taalmanipulatie. Allerlei uitingen van iconoklasme, het beschadigen of vernietigen van kunstwerken, het doorkerven van schilderijen in het museum, zouden zo kunnen worden verklaard: het gaat niet zomaar om waanzin of kunsthaat, maar veeleer om het spasmodisch zoeken naar openingen in een ‘tekst’ die door de museumcultuur en de kunstmarkt werden verzegeld. Per uitbreiding zijn wellicht talrijke vormen van vandalisme gewoon pogingen om het decor te verscheuren en te ontdekken wie of wat ‘er achter zit’. Wellicht behoort zelfs een groot deel van wat de politiek en de media als ‘terreur’ classificeren, tot de behoefte om bevroren iconen open te rijten en verzwegen verhalen tevoorschijn te halen.
Het kunstwerk is een gecodeerde
boodschap. Het zoekt naar zijn punt van vernietiging die tegelijk zijn revelatie
is,- het is een gnostisch proces van de dood die het echte leven mogelijk maakt.
In een zijvleugel van het Rijksmuseum te Amsterdam
deconstrueert Peter Greenaway vanaf begin Juni Rembrandt’s ‘Nachtwacht’:
het multimediaal project ‘Nightwatching’ nodigt de toeschouwer uit om de figuren
op het schilderij te ondervragen. Wat deden ze op die plek? Waar gaat dit tafereel
écht over? Greenaway opent het verhaal subtiel en vernietigt daartoe het object:
kunst is altijd al conceptueel geweest,- het ‘ding’ is maar een drager, een
dekmantel voor een verzwegen legende, een cocon voor een geheime boodschap die
overwintert tot er ergens een begenadigd moment van ontluiking aanbreekt. De
mythe van de perceptie kraken. De beeldenstorm kan beginnen: de bijl erin.
Marcel Broothaers wees in 1963 al op het belang van het
kraken van codes, ook al gooide hij zelf de sleutels weg. Daarmee is aangegeven
waar cultuur van de 21ste eeuw zich moet mee bezighouden, om het
mosselfeest van Bert en Damienne te ontlopen: met een nieuwe beeldenstorm, het
slopen van musea, het kraken van kasten en het afpellen van iconen. De mythe van
de perceptie kraken. De
dichtgeplakte bladzijden van de vergeten bundel moeten één na een opengesneden
en ondervraagd worden, analytisch en secuur, uit respect voor de boodschap, uit
wantrouwen voor de media, uit afkeer van de hiërarchie. En om het grote savanne-avontuur weer in het geheugen te brengen.
‘Pense-bête’ betekent...:
'ter herinnering'.■