VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels             Reageer via het Forum       Contacteer de auteur       Printversie (PDF)

 


 "Per amore e per forza"

  Het conflict tussen leven en cultuur moet en zal
  in het voordeel van het eerste beslecht worden

 Johan Sanctorum

  28/11/09

 

In een ouder essay (september 2009), over vrouwelijke anti-cultuur en gewijd aan mijn goede vriendin Saskia De Coster, verscheen de Mona Lisa op het toneel, meerbepaald de versie waarin Marcel Duchamps haar met een snor bedacht. Nogal wat lezers wezen me op Dan Brown’s "Da Vinci code", waar Leonardo’s schilderij een sleutelrol in speelt. Ik weet niet of ik wil meegaan in deze semi-intellectuele fraude. Eerder dan het doek diepzinnig te analyseren, of ons te verliezen in mythische speculaties rond haar “geheimzinnige glimlach”, zou ik Lisa haar stem, lichaam en concrete existentie willen teruggeven, na vijfhonderd jaar opsluiting in een stuk werelderfgoed. Men kan niet voorbij aan het machtsspel tussen een kunstenaar die de onsterfelijkheid ambieerde, en het levend model dat daartoe in het kunstwerk moest opgaan. Elk atelier is ook een slachthuis waar een muze wordt vermoord. Er is een offer gebracht, misschien zelfs een misdaad gepleegd, die vraagt om restitutie. Het forensisch onderzoek naar de échte, historische Gioconda lijkt me dan ook veel zinvoller.
Maar meer dan een lijkschouwing zou er iets met het kunstwerk moeten gebeuren dat het denaturatieproces in omgekeerde richting laat vloeien, terug het leven en de natuur in. Zal ze ooit terug spreken? De snor is bij Duchamps nog geschilderd, maar misschien zet het de deur op een kier voor de echte verharing, een her-naturalisatie van de mummie. Alles wat we als tekenen van bederf opvatten (bacterieën, schimmels, insecten,…) is dan eigenlijk een manifestatie van de biomassa waar het origineel deel van uitmaakte. Is een museum dan geen witgekalkt graf, een huis van de leugen? Wachten alle doeken en boeken niet op die bevrijdende worm?
En… welke dingen, iconen, wezens, wachten nog op het ontwaken uit de dodenslaap? 

 

Het locked-in-syndroom als beschavingsprobleem

Onze westerse cultuur is een iconencultuur. Beelden hebben bij ons geen “bezielde” status zoals in de animistische culturen, ze zijn integendeel gestileerde reducties, uitgedunde werkelijkheid die dient om de resterende werkelijkheid, de natuur, de levensprocessen, van een stempel te voorzien en zelfs te manipuleren. Iconen zijn hypnotische machtsinsignes. De Mona Lisa is niet alleen een beeld, maar ook een voor-beeld voor alle andere kunstenaars, een ideaalbeeld van de vrouw tout-court, en zelfs het centraal icoon in een postmoderne toeristische zoektocht naar zingeving à la Dan Brown.

Onze hedendaagse beeldcultuur is van die machtslogica doordrongen. Ze is tiranniek en abstract, hoe onschuldig, concreet en alledaags ze ook lijkt. Een verkeersbord, een reclamespot voor dieetmargarine, een aflevering van de reality-soapserie “de Pfaffs”, alle zijn het iconen die ons in een parallel universum van het simulacre dompelen, om Jean Baudrillard te citeren. Het verkeersbord (met de pijl als archetype) representeert heel het structureel netwerk dat we willens nillens dienen te gebruiken om niet in de goot te belanden, de Becel-reclame hanteert een anorexia-model dat 99% van de vrouwen het waanidee geeft dat ze te dik zijn, de soapserie dringt zich op in de huiskamer als pseudo-realiteit en remedie tegen de troosteloosheid van ons eigen bestaan. Ondertussen verwelken in die huiskamer de planten, vergeten we de hond uit te laten en zetten we de kinderen voor een tweede TV om van hun gezaag af te zijn. Welke dimensies zo’n vervreemding kan aannemen, en hoe dit kan omslaan in een onvoorspelbare tegenbeweging, mag blijken uit het volgende verhaal

Onlangs verscheen in het Duitse weekblad Der Spiegel het relaas – nadien in de Vlaamse media overgenomen- over de Limburger Rom Houben die na een zwaar verkeersongeval al 23 jaar in coma lag en als een plant in leven werd gehouden. Althans dat dachten de geneesheren. Nu pas bleek uit hersenscans dat de man al die tijd bij bewustzijn was en alles kon horen en begrijpen wat er gezegd werd,- alleen, zijn lichaam weigerde alle dienst waardoor hij niet kon communiceren (het zgn. locked-in-syndroom). Via een apparaat met toetsenklavier en enige hulp van een logopediste werd er een “lijn” tot stand gebracht naar de buitenwereld en blijkt Rom nog steeds een intelligent en humorvol personage, ondanks een kwarteeuw opsluiting.

Onze verhouding tegenover andere levende wezens en objecten die ons omringen is er een van dominantie, stigmatisering en abstractie. Niet alleen de lichamen rondom ons zijn “ingesloten” en van hun stem beroofd, ook wijzelf zijn “locked out”  en van onze sensibiliteit beroofd.
We zien en horen alleen wat we willen zien...

Het is een opmerkelijk verhaal in verschillende opzichten.  Eerst en vooral was Rom Houben niet alleen het slachtoffer van een verkeersongeval, maar ook van een medische doctrine die fabuleus bleek. Hij was m.a.w. een geklasseerd model van coma-patiënt, een categorie, een object van wetenschappelijke abstractie, te vergelijken met de middeleeuwse “waarheid” dat een vlieg vier poten had, omdat het nu eenmaal zo door Aristoteles was beschreven. Rom was dus omsingeld door een dwaling, zoniet een leugen. Op het einde was er wel een neuroloog, ene professor Steven Laureys, die onraad had geroken en zich nadien in de media ruim profileerde als opwekker van schijndoden (specialisten willen altijd met de eer gaan lopen, ook na een miskleun), maar het was eigenlijk zijn moeder, de nu 74-jarige Josephine, die heel de tijd tegen Rom was blijven spreken en elke zucht van haar “plant” als een teken had geïnterpreteerd. Ondanks de hoofdschuddende comatologen die dit gedrag als een geval van uit de hand gelopen moederliefde opvatten.

Dat brengt ons naar de tweede kanttekening: tegenover de mannelijke lijn van de abstractie en iconisering, de “insluiting” van de natuur in een theorie, is er een vrouwelijke tegenbeweging die het concrete lichaam wil aanspreken en uit zijn harnas bevrijden. Dat gebeurt op allerlei niveaus, vooral in het dagelijkse leven. Je hebt dus van die gekke mensen –meestal vrouwen- die tegen hun goudvissen spreken, of de sanseviera’s op de vensterbank, zelfs tegen hun stofzuiger of keukengerei. Ze worden als geschift beschouwd, misschien zijn ze het ook wel, maar mogelijk voelen ze intuïtief aan dat we veel dingen rateren door een gebrek aan invoeling. En dat veel rondom ons gesloten lijkt, maar kan ontsloten worden, gewoon door onze eigen vooroordelen en denkschema’s aan de kant te schuiven.

De derde kanttekening volgt daaruit: dit is een beschavingsprobleem. Onze verhouding tegenover andere levende wezens en objecten die ons omringen is er een van dominantie, stigmatisering en abstractie. Niet alleen de lichamen rondom ons zijn “ingesloten” en van hun stem beroofd, ook wijzelf zijn “locked out”  en van onze sensibiliteit beroofd. We zien en horen alleen wat we willen zien. We maken alles hermetisch, mystiek, ingewikkeld, en we blijven op ’t einde achter als eenzame apathici. We “doden” en verminken dus voortdurend, ook onszelf, door signalen te miskennen, alles is comateus en inert. Volgens de 17de eeuwse Franse wijsgeer René Descartes, de Urheber van het moderne rationalisme, hadden dieren geen gevoelens,- een handige stelling voor zowel de actuele vivisecties in de medische wereld en farmaceutica, als de barbaarse rituele slachtingen om het islamitische halal-vlees te produceren.

De getatoueerde varkens van Wim Delvoye -hop, daar gaan we weer- behoren in essentie tot dezelfde sado-Cartesiaanse lijn. Ze worden weliswaar niet gekeeld of levend gevild, maar ze huppelen als gedenatureerde tekstvolumes (individueel gesigneerd) door het steriele landschap van de conceptuele kunst. Altijd is er een theorie die het spektakel ondersteunt en het beeld legitimeert, waaraan het origineel zich moet aanpassen. De varkens zelf wordt nooit wat gevraagd, tenzij Josephine zou voorbij wandelen die niets van kunst afweet. Terecht beschuldigt dierenrechtactiviste Dafne Westerhof –weer een vrouw…- Delvoye van opzettelijke en dwangmatige bijziendheid (“Een varkensrug is geen schildersezel”). De kruisingsexperimenten met kippen van "bio-kunstenaar" Koen Van Mechelen volgen hetzelfde pad. De klinische laboratoriumterreur wordt gekopieerd naar het kunstenaarsatelier, dat inderdaad altijd een slachthuis is geweest.

Wat de drie werelden, het laboratorium, de postmoderne Artfarm, en de islamitische offerbank, gemeen hebben, is het mannelijke onvermogen om een horizontale relatie aan te gaan met iets of iemand. We zijn misvormd door een cultuur van de leugen en de waan. De hiërarchie en de status primeren, samen met de mythologie en de doctrine. Dus overheerst altijd het beeld (imago) als een sluier over de realiteit. Het onvermogen om de pijn van de andere te voelen en zich in te leven –door Theodor Adorno als dé uitdaging aanzien van het opvoedingsproject na het Auschwitz-débâcle- is een rechtstreeks gevolg van deze iconostase.

 

Van la Gioconda tot la Cicciolina: de kracht van de vulgariteit

In dit verhaal botsen werelden. Meer en meer schijnen mannen hier tegenover vrouwen te staan, vaders tegenover moeders, dokters tegenover heksen, biologen tegenover plantenfluisteraarsters, artiesten tegenover varkenshoedsters.

Het conflict tussen wetenschappers, ingewijden, kunstenaars enerzijds, en onkundige, oningewijde outsiders anderzijds, wordt veel belangrijker dan het academisch discours en de cultuurindustrie op zich. De halsstarrigheid waarmee Josephine haar verlamde zoon 23 jaar lang toesprak, tot de schimmels doorheen de diagnose schoten, heeft belangrijke politieke en ethische consequenties. Domme, laaggeschoolde, belachelijke en vulgaire vrouwen zetten hier de wetenschappelijke en culturele elites een neus. Daarom wil ik graag even het snor-idee van Duchamps helemaal tot zijn uiterste consequentie voeren, en wel door de Mona Lisa te pornificeren.

Op 29 oktober 1992 schonk de Hongaars-Italiaanse pornoster Ilona Staller, alias La Cicciolina, het leven aan haar zoontje Ludwig Maximilian. Ze sloot daarmee een periode af van blasfemie en losbandigheid die heel haar carrière van porno-queen had gekenmerkt. La Cicciolina (“de vlezige”) ontblootte namelijk niet alleen graag zichzelf, maar ook de mannenmaatschappij (kunstenaars, politici, industriëlen) die constant roofbouw pleegt op de natuur en het leven. De pornografie was daarbij voor haar een instrument van radicale kritiek,- geen theoretisch-filosofisch gelul maar directe actie, concreet, laag-bij-de-gronds. Het lillende vlees, de klokkende sappen, de kreunende en door elkaar kronkelende naakten, een verhaallijn volgend die er nauwelijks een is, met slechte regisseurs, zwalpende camera’s en script-girls die finaal mee bij de actie worden betrokken,- het is een weergaloze parodie op onze excessieve beeldcultuur. In de porno is elk kwaliteitsbegrip te mijden, hoe minder esthetica hoe beter, elk idee is ballast, de rauwheid regeert. Maar vergis u niet: achter de obsceniteit zit een oprecht idealisme. Haar lidmaatschap van de Partito Radicale, haar subversief profiel van dierenrechtenactiviste, haar optreden als libertijnse sexpedagoge (waarbij vergeleken Goedele Liekens een brave non is),- het zijn allemaal aspecten van een wildheid die veel empathie bevat, een verlangen naar zuiverheid en echtheid in een universum van de leugen en de schijn. Haar positie is die van het varken dat zich losrukt van de slachtbank, het model van het canvas, de patiënt uit zijn lock-out.

En zo zou men Ilona Staller kunnen zien als een ontplofte, vleesgeworden versie van de Mona Lisa, 500 jaar na de mummificatie: de fysieke rehabilitatie van de vrouw die ooit model stond, als offer voor het genie dat er zijn onsterfelijkheid mee wou kopen. Weinig kans dat dit nog goed komt voor het UNESCO-werelderfgoed...

Met de incarnatie van de glimlachend-mysterieuze Gioconda in de vlezig-vulgaire Cicciolina kan kunst, zoals we ze sinds de renaissance kennen, eigenlijk geen kant meer uit.  Het mannelijk genie, dat zijn biologische nutteloosheid kon camoufleren door de natuur zelf te bevriezen en in te lijsten tot een stilleven (nature morte), staat nu voor een ontdooid, onsubliem naakt onder het harde spotlicht, in al zijn exuberante poses. Het lachen houdt dan niet meer op. Zie ook hoe de zeug Ilona een ander stuk wereldpatrimonium, de Venus van Botticelli, genadeloos parodieert. Neen, klassiek-schoon is ze allerminst, deze troela. Ze is eerder schelijk, schoon-lelijk, een breed bakkes met zwaar aangedikte wenkbrauwen en met kilo’s lipstick beschilderd. De mysterieuze glimlach wordt een hilarische schaterlach, de lippen openen zich gul. Alle claustrofobe nachtmerries, van Plato’s grot-allegorie tot het locked-in-syndroom van Rom Houben, lossen hier op. Weldra komt er iets tevoorschijn dat we als naspel van de sex-orgie niet verwachten: stel u voor,- een kind.

De zoveelste grap van de schandaalprinses, zo lijkt het. Maar vanaf dan verschuift het register van la Cicciolina. Het uit Leonardo’s meesterwerk ontsnapte lichaam, dat de wereld teisterde en de goegemeente schoffeerde, opent zich nu zelf om leven en licht te geven aan een wezen dat ze enorm koestert. Letterlijk een open-baring. De hoer werd moer, het obscene maakt plaats voor tederheid. In deze hechte moeder-zoon-relatie is voor de man en toevallige verwekker geen plaats meer: de vruchtbare sexbom verbreekt dan snel de cohabitatie met de vader en pop-artiest Jeff Koons, wiens kitsjerige, naar erkenning snakkende installaties haar de strot uit komen.

Want jawel, in een vertwijfelde poging om de explosie van het beeld alsnog te bezweren, had deze postmoderne Leonardo het plan opgevat om de pornoster te huwen en hun kind als een sculptuur de wereld in te sturen, een stilleven dus, tot meerdere glorie van zijn verwekker. Maar Ilona zag dat helemaal anders, en koos, onder het motto, “Een varkensrug is geen schildersezel “, resoluut voor de natuurlijke band tussen moeder en zoon, waarmee ze de positie van Josephine in ons vorig verhaal herneemt. Een gerechtelijke uitspraak wees het kind toe aan de vader, maar Ilona verzette zich met hand en tand en dook onder mét Ludwig, om haar autobiografie te schrijven: “Per amore e per forza”: Een lijfspreuk die instinct, subversiviteit, empathie en levensbeaming combineert, en die perfect toepasbaar is voor alle Josephines in hun strijd tegen de perfide laboranten. 

 

Stemmen

Meteen is de oude matriarchale lijn, die door onze westerse cultuur was toegedekt, helemaal terug. De overbodige man wordt als kunstenaar, kenner, schepper, wetenschapper, iconograaf gedumpt, ten voordele van het kind dat we allemaal willen zijn. Daarmee wordt het woord “renaissance” van zijn cultuurhistorische sluier ontdaan en gaat het om een echte, fysieke wedergeboorte, een reanimatie. We kunnen herboren worden, maar daar is een vroedvrouw voor nodig, geen chirurg kan hier helpen. De vrouw, als hoedster van de fysis, de natuur in ons, mag echter in geen geval opnieuw geïdealiseerd of vergoddelijkt worden, ook niet in dit essay. Wel kan ze de spil vormen van een paradigmatische omwenteling, de doorstart naar een nieuw en ander menselijk(er) universum

De mens is op zich eenzaam en overbodig op deze planeet. We gaan mogelijk naar een veel horizontalere, minder hiërarchische omgang met wezens en dingen, die ons toelaat stemmen te horen die we tot hiertoe nooit hoorden...

De vraag is inderdaad, naar welk tijdperk we zouden kunnen evolueren, gesteld uiteraard dat we de klimaatcatastrofes overleven (en indien niet, sans rancune, de wereld heeft de mens niet nodig). Naar mijn gevoel, en vanuit deze gynecologische studie, loopt het antropocentrisch én fallokratisch wereldbeeld op zijn laatste poten. Het is een van de hardnekkigste leugens, die intelligentie verwart met machtswellust. De mens is op zich eenzaam en overbodig op deze planeet. We gaan mogelijk naar een veel horizontalere, minder hiërarchische omgang met wezens en dingen, die ons toelaat stemmen te horen die we tot hiertoe nooit hoorden. Het kan ook onze relatie met de doden veranderen, waarvan we de stemmen altijd hebben gesmoord uit verdrongen schuldgevoel. Men kan het muzikaal noemen, maar dat is een understatement, gezien de mannelijk-creationistische lijn van de muziekgeschiedenis. We zouden het ook een totaalvorm van democratie kunnen noemen, wanneer mensen, dieren én dingen een stem krijgen. Ware het niet dat het woord democratie (“het volk regeert”) nog te veel naar de homo sapiens, de staatsstructuur en de politieke machtsverhoudingen verwijst. Het (door de filosoof Michel Foucault hernomen) Griekse woord parrèsia komt meer in de buurt: vrijmoedigheid, zich openstellen voor de waarheid, maar dan niet als iets dat boven ons staat maar in ons zit en rondom ons zindert. Iets waar men energie voor moet opbrengen, maar ook sensibiliteit. Liefde en kracht.

Per amore e per forza, het lijkt wel of de porno-mama Foucault, Plato en alle Griekse wijsgeren heeft gelezen. Dat kan natuurlijk niet, ze is er tegelijk te dom en te slim voor, ze weet het zonder denken of lezen, omdat het zo vanzelfsprekend is. Polyfoon, zo zou men, zeer voorlopig, dat herwonnen gevoelscontact met de werkelijkheid kunnen noemen. Veelstemmigheid die vooral aandachtig luisteren impliceert, het ontwikkelen van antennes en zich open stellen, zonder schermen of tussenschotten.

Kunst als levenskunst, het laten-zijn en laten-spreken van wat we nooit een stem hebben gegeven. Pas dan zal ook onze eigen stem het beluisteren waard zijn.

Terug naar boven