VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels              Reageer via het Forum         E-mail     

 


 De eudaemonen van morgen

 
Kleine futurologie van het geluk en het genot

 Johan Sanctorum
 10/10/10
 

 

Slecht nieuws voor critici, kritikasters en wereldverbeteraars: het optimisme zit in de lift. Het gaat namelijk helemaal niet zo slecht met deze wereld, we staan er zelfs goed voor, als we Matt Ridley (“The rational optimist”, 2010) mogen geloven. Het vermoeden groeit dat pessimisten en azijnzeikers de wereld en de toekomst niet alleen als slecht en donker zien, maar hem ook slecht maken, ze vormen een hinderpaal voor de vooruitgang. Omgekeerd werkt ook het optimisme als een soort self-fullfilling prophecy: wie gelooft in de vooruitgang maakt de wereld ook beter,- zoals goede beursberichten ook de economie écht een duwtje geven,- niet voor niets was Ridley zelf bankdirecteur.
Uiteraard gaat dit allemaal slechts over percepties en attitudes. Er schuilt veel fluiten-in-het-donker in dat optimisme, een politiek-correcte vorm van hysterie die eigenlijk veeleer een angst voor de toekomst verbergt. Het optimisme is een zakformaat-religie van manische politici à la Verhofstadt. Ik wil het hier dan ook uit zijn status van wishfull thinking halen, en de toekomst denken, écht doordenken, als een technische, Prometheïsche projectie,- een futurologie. Niet aldoor lullen dat de beste der mogelijke werelden binnen handbereik ligt, maar hem ook haarfijn uittekenen in een gedachtenexperiment en intellectuele stijloefening. Dat betekent het einde van alle wensvoorstellingen, idylles, ideologieën, burgermanifesten en utopische fantasieën. Het is dus vooral een ontnuchterend discours, waarin tegelijk de wetenschap zich ontvouwt als de enige, autentieke zoektocht naar het geluk. Konden de denkers en de dichters dromen, dan is het pas de techniek die het lijden écht uit de wereld kan helpen. Dat heeft verstrekkende gevolgen voor de politiek en de ethiek, zo zal blijken. Hier gaan we.
 

 

De farmacologische essentie

 Waar houdt het ongeluk op? Wanneer eindigt de winter van ons ongenoegen? Bij de minste pijnscheut realiseren we ons dat elk perspectief rond tijd en ruimte begint en eindigt bij het eigen, individueel lichaam, waartoe uiteraard hersenen en zenuwstelsel behoren. Meer dan dat is er niet. De horizon van het bewustzijn is sensorisch, dat inzicht hebben we te danken aan de folterkamer:  daar verdwijnen alle abstracte relaties tussen het individu en de wereld, alle connecties, preoccupaties, theorieën, elk geloof. Alleen de pijn is reëel, en de vraag hoe ervan verlost geraken. Snel, onmiddellijk, nu.

Ondanks de slechte bijbetekenis van het woord “hedonisme”, verkeerdelijk gereduceerd tot banale genotzucht, wisten de aanhangers van die leer, zoals Epicuros (341 v.Chr. - 270 v.Chr.) en Jeremy Bentham (1748-1832), zeer goed waarmee ze bezig waren: het enige criterium van levenskwaliteit is, hoe een wezen zich actueel en concreet voelt. Dat klinkt triviaal, maar de grote hoeveelheid leed in dit tranendal bewijst dat er andere krachten zijn die zich boven en buiten dat onmiddellijk welbevinden proberen te stellen. Het Christendom heeft het lijden zelfs via het martelaarschap verabsoluteerd tot een kwaliteit op zich,- een pervers-masochistisch spoor dat dankbaar werd overgenomen door de Islam.

Het hedonisme is in dat opzicht een verademing: het brengt ons terug naar het kortetermijnperspectief van het lichaam dat een gloeiend hete plaat aanraakt en zich snel terugtrekt. De idee dat de reële scope van ons bewustzijn draait rond de ambitie om niet te moeten lijden, is wel degelijk een vruchtbaar vertrekpunt. Alleen moeten we ons dan ook durven afvragen hoe die ambitie, individueel en collectief, kan gerealiseerd worden. Gevoelige lezers mogen hier al ophouden.

Er gaat geen dag voorbij, of we worden via de televisie geconfronteerd met lijden, verdriet en miserie. De buitenwereld toont zich als hel, het nieuws slaat ons plat: oorlog, honger, droogte, genocide, opwarming van de aarde, modderstromen, diersoorten die aan een recordtempo uitsterven…ze degraderen ons tot toeschouwers van de pre-apocalyps. De moraal heeft ons daarbij geleerd om mee te voelen en zelfs een schuldcomplex aan te kweken. Een normaal mens ziet inderdaad ook zelf af bij die beelden: medelijden (em-pathie) is ook een vorm van lijden. De TV-makers weten dat, en proberen dit te compenseren met een waaier van entertainment-formats, de ene al dommer dan de andere, van jolige talkshows over sitcoms tot candid camera,- allemaal technische ingrepen om de bittere smaak van het nieuws te verzoeten, zodat onze dag toch nog draaglijk eindigt. Met die entertainment-industrie heeft zich ook een caritatieve industrie gelieerd, die ons het goed gevoel van de vrijgevigheid en altruïsme moet bezorgen: het Rode Kruis, Unicef, Caritas Catholica,… ze zijn er niet om het leed in Pakistan te lenigen (het is een openbaar geheim dat de meeste hulp nooit geraakt bij wie het nodig heeft), maar om onze eigen gemoedsrust te herstellen. Zelfmassage dus.

In wezen behoren ook Bach, Mozart, Will Tura, U2, Britney Spears en alle andere melodici tot deze affectindustrie : cultuur is troost, “een balsem voor de ziel”, zoals fijngevoelige lieden het uitdrukken. Oneerbiedig zou ik het echter ook emotionele zelfbevrediging kunnen noemen, het prikkelen van de G-zone in de hypofyse, de hersenplek waar –ik bespaar u de wetenschappelijke details- het gelukshormoon endorfine wordt aangemaakt. Marihuana, koffie, chocolade, roken, en niet te vergeten natuurlijk: sex, hebben hetzelfde effect. Dat laatste hoeft niet met twee, het is identiek dezelfde endorfine die vrijkomt als u het alleen doet, het gaat zelfs sneller. Ook bij het lachen schijnt dat hormoon een belangrijke rol te spelen. Als we nu echter de inzichten van Epicuros en Bentham (“het geluk als eerste en laatste menselijk doel”) combineren met de recente ontdekkingen van de breinfysiologie, dan staat het als een paal boven water: de hoogste vervulling van het menselijk bestaan zit in de aanmaak van endorfines. Het geluk wil ook zichzelf, het wil uitdijen als chemofysische realiteit,- hetgeen Friedrich Nietzsche treffend uitdrukte: “… denn alle Lust wil Ewigkeit, tiefe Ewigkeit.”

De genotsmiddelen – en dat is heel wat: van Bach, over stortingen op 000-0000060-60, tot chocolade, humor en het orgasme- vormen, zoals het woord het zegt, maar een “middel-tot”, een ezelsbrug om dat hormoon te kunnen produceren. Van daaruit kunnen eigenlijk vrij snel alle wereldproblemen worden opgelost: het kind in Pakistan dat sterft onder de vliegen,  zal op een of andere manier door ons brein moeten geïrrealiseerd worden, namelijk door onze eigen gelukszone te stimuleren. In een volgend stadium, overeenkomstig het gegeven dat alles perceptie is, ligt de ultieme redding van dat kind zelfs niet meer in het toegooien van overjaarse medicijnen of slordig gedropte voedselpakketten, doch, jawel, in de toediening van een endorfine-preparaat, een drastisch anti-depressivum waardoor het zelfs lachend in de lens kan kijken en vredig inslaapt.

Er bestaat dus maar één soort geluk, en dat is hét geluk, of het nu door een vibrator, een sigaret, of door Mozartmuziek wordt opgewekt. Hooguit kan de intensiteit verschillen.  Maar het is chemisch opwekbaar en beheer(s)baar, dat is de essentie.

De prikkeling van de hypofyse is al wat we nodig hebben. Hier komen uiteraard vooral de voedselindustrie en de farmaceutica in beeld. Zij grijpen, in tegenstelling tot culturele, morele en sociale anti-depressiva, onmiddellijk, chemisch, in op onze goed-gevoel-knobbel. We eten niet voor de vitaminen of calorieën, niet voor het aangenaam gezelschap, zelfs niet voor het lekker maal op zich, maar vooral omwille van de pijnstillende en/of genotverhogende substanties in het voedsel. In een volgend stadium kunnen deze substanties ook geprepareerd en apart toegediend worden. De uitvinding door Arthur Eichengrün in 1897 van de aspirine (acetylsalicylzuur, in de oudheid al bekend als extract uit wilgenbladeren), en de daarop volgende massaproductie, is in dat opzicht een echte revolutie. Daaruit is een hele stamboom van antidepressiva zoals Prozac ontstaan, waarvan de consumptie de laatste jaren enorm is toegenomen. Eerder dan banale stress-controle gaat het hier meer en meer om geluksbeheer en optimalisatie van het eigen Zelf en zijn welbevinden.

Men zou hier van een verslaving kunnen spreken, maar dan zijn melomanie (steeds maar weer naar Bach of Mozart luisteren), veelvuldige sexuele appetijt, en gastronomie (onbedwingbaar graag lekker tafelen) ook verslavingen, vermits ze hetzelfde gelukseffect beogen. Ik noem dat de farmacologische essentie: in laatste instantie, buiten alle culturele of sociale alibi’s, is het menselijk lichaam op zoek naar stoffen die onmiddellijk het welbevinden opwekken. Er bestaat dus maar één soort geluk, en dat is hét geluk, of het nu door een vibrator of door Mozartmuziek wordt opgewekt. Hooguit kan de intensiteit verschillen.  Het geluk is hoe-dan-ook geen fantasme of een onbereikbaar eiland meer, maar het product van een gelocaliseerd en stimuleerbaar orgaan, dat alle lijden neutraliseert. Elk verlangen of begeerte is vanaf dan overbodig. Dat inzicht pasten de zogenaamde heksen in de middeleeuwen al toe, wanneer zij hun G-spot instreken met aftreksel van de Mandragora (Alruin). Ze oefenden het geluksbeheer van hun lichaam technisch perfect uit, en creëerden het paradijs in het hier en nu, wanneer ze dat maar wilden. Daarom werden ze door de Kerk vervolgd en gemarteld: het autonoom, fysisch genot moest weerom gesmoord worden in een metafysische zee van lijden.

Sindsdien is het stil in de vrouwenwereld, op het zoemen van de vibrator na. Het is de filosoof Max Stirner, tijdgenoot van Nietzsche, die inzag dat de autoregulering van het Ik en zijn wereldperceptie de sleutel vormt tot het gelukzalige zelfbewustzijn, los van alle ethische of maatschappelijke of ideologische druk.  Ongetwijfeld was hij een enthousiast onanist met kramp in zijn rechterhand -en niet van het schrijven-, vermits Prozac en aanverwanten toe nog niet bestonden. Nu we echter weten waar het geluk vandaan komt, namelijk uit een hormonale privéfabriek, moet deze filosofie tot haar farmacologische essentie herleid worden.

De pepboekjes van Matt Ridley zijn dan helemaal niet meer nodig. Veeleer kan de farma-revolutie nu doorgezet worden naar alle terreinen waarin we vinden dat we te kort schieten: het gaat wel degelijk om een complete zelfvervulling en apotheose van het Ik, een enorme stijging van het Bruto Internationaal Geluk, iets waar wij als humanisten toch allen naar streefden. Elk individu houdt er dan een eigen bio-huishouding op na, die chemisch gevoed wordt via een uitgekiende dosis preparaten. Dit leidt ook naar het sociale optimum, elke vorm van ongelijkheid kan nu worden uitgevlakt. Zwakke atleten hoeven bijvoorbeeld niet langer hun minderwaardigheidsgevoel uit te zweten, ze nemen anabole steroïden, spierversterkers, hormoonpreparaten, allemaal zeer stigmatiserend als “doping” betiteld door sportpuritani,  terwijl het eigenlijk om welzijnsverhogende stimuli gaat. Domme studenten nemen vandaag al Captagon en Rillatine om door hun examen te geraken. Dat zijn geen placebo’s: het werkt echt, het concentratievermogen neemt toe, het geheugen verbetert, men denkt helderder en scherper, zowel in de diepte als in de breedte. Kortom: de intelligentie neemt toe, iedereen genie, en dat moet ook intellectuele scherpslijpers als Stirner en Nietzsche kunnen bekoren: we ambiëren niet het geluk van de plant, maar ineens ook het filosofisch geluk, verbonden met een intens, potent bewustzijn dat van het volle leven kan genieten, zeker als daar ook nog eens een dosis Viagra aan wordt toegevoegd.

Zo wordt de focus op endorfine weerom verbreed en verdiept door een heel gamma van preparaten die van alles en nog wat regelen. De farmacologische cocktail, die iedereen afzonderlijk en volgens een specifieke dosis moet innemen, vormt dan een code die onze identiteit weergeeft. Men is geen Vlaming, Waal, homo, hetero, rechtse, linkse, groene, rode, U2-fan of Wagneriaan, maar een 2-8-105-84-17-203, zijnde de gelukscalculus die een reeks recepten en doseringen voor voedingsadditieven en farmaca bevat. Deze identiteit is dynamisch, ze kan veranderen, in functie van optredende allergieën, disfuncties, tekorten, frustraties, gevoeligheden, afweerreacties, pathologieën, neigingen tot kritiek en negativisme, etc.

Uiteraard dienen nog enige technische details en semantische kwesties geregeld, zoals het verschil tussen geluk en genot: elk schijnt zijn hormoon te hebben. Of de vraag of geluk kan gedefinieerd worden als de afwezigheid van lijden. Maar wetenschappelijk staat niets het universele geluk in de weg. We hebben ons veel te lang blind gestaard op de omgevingsfactoren (het “milieu”), terwijl het probleem begint en eindigt bij onze eigen biologische en psychosomatische constitutie die perfect beheersbaar is via het ontplofte farmakon. Dat postmodern inzicht is essentieel en moet leiden tot een “Copernicaanse revolutie” van het bewustzijn, waar Hegel zelfs niet kon van dromen, maar waar wel Epicurus al van had geproefd, onder het motto: Verbeter de wereld, begin (en eindig) bij uzelf.

 

Het transhumanistisch project

Uiteraard hebben alle farmaca hun neveneffecten, haaruitval bijvoorbeeld. Dat is juist interessant: wat doen ze nog meer dan ons individueel geluk regelen? Ze stapelen zich op, tasten organen aan, leiden tot wijziging van de DNA-codes. Maar ook dit kan men positief opvatten: op een bepaald ogenblik kunnen zij veranderingsprocessen op gang brengen binnen ons gestel, die ook collectief merkbaar zijn. De chemische balans die het individuele welzijn moet waarborgen, zou dan in een volgend stadium kunnen leiden naar een duurzaam metamorfoseproces,- een evolutionair pad dat de mens als soort begeleidt naar een hoger evenwicht met zijn omgeving, de natuur, het klimaat.

 Dat is eigenlijk de tweede pijler van die Copernicaanse revolutie, die het Zelf ontlast van zijn eigen beperking en de terreur van zijn omgeving. Nemen we bijvoorbeeld de opwarming van de aarde, op zich een onloochenbaar feit. Al een decennium lang putten eco-wetenschappers zich uit in wanhopige oefeningen om het probleem primitief-causaal te lijf te gaan. Er zou ergens een oorzaak zijn (de wereldwijde CO2-lozing en het broeiskaseffect), die inspireert tot draconische en/of dat lachwekkende remedies (de “ecologische voetstap” verkleinen, de verwarming afzetten, niet meer reizen, geen vlees meer eten, liefst zo min mogelijk ademen of flatuleren, etc.).  Terecht is er een enorme onderbuikse weerzin tegen deze genotremmende dwangmaatregelen.

Maar ook hier zou de wetenschap een elegante uitweg kunnen aanreiken. Stel dat men – dat kan niet eens zo moeilijk zijn- de opwarming van de aarde zou compenseren via een chemisch preparaat dat onze constitutie helemaal heroriënteert naar een hogere omgevingstemperatuur, minder behoefte aan water, immuniteit tegen UV-stralen, etc. In plaats van tegen apocalyptische windmolens te vechten, zou men zo aan een nieuw lichaam kunnen werken, het omhulsel van de homo sapiens sapiens sapiens die zelf zijn evolutie maakt en technisch beheer(s)t. De meest extreme omstandigheden worden dan als mild en prettig ervaren: ook op een planeet zonder atmosfeer, waar alleen nog zwavelzuur uit de radioactieve bodem borrelt, valt prettig te leven,- gesteld dat men over het juiste organisme beschikt. Men kan het wereldwijde voedseltekort bekampen met zakken rijst, maar men kan de mens ook een lichaam geven dat zand kan eten en verteren. Zand (silicium) is schier onbeperkt voorradig op deze planeet: het hongerprobleem en de verwoestijning in één klap opgelost!

Wat ons mankeert, is wetenschappelijke verbeelding en durf, en teveel morele bezwaren. Bepaalde bacteriën kunnen zelfs leven in kokend water, dat moeten wij ook kunnen.  Op lange termijn is dat de enige remedie tegen ziekte, lijden en dood: men kan geen nieuw evenwicht creëren met het milieu zonder nieuw lichaam.  

 De “dioxinecrisis” in 1999 onthulde bepaalde lekkages in de voedingsketen, maar wees vooral ook op fatale afstotingsverschijnselen binnen ons lichaam, waar misschien iets kan aan gedaan worden. Men koos echter voor de verkeerde oplossing, de politieke dus.  Bepaalde bacteriën kunnen zelfs leven in kokend water, dat moeten wij ook kunnen. Op lange termijn is dat de enige remedie tegen ziekte, lijden en dood: men kan geen nieuw evenwicht creëren met het milieu zonder nieuw lichaam.  Het is overigens lachwekkend dat astronomen het heelal afspeuren op zoek naar leven, en uitgaan van de aanwezigheid van water. Veel waarschijnlijker is, dat buitenaards leven helemaal geen water of lucht nodig heeft en zelfs niet uit koolstofverbindingen is samengesteld.

Het transhumanisme, of posthumanisme, afgekort als H+, de idee dat de menselijke soort kan verbouwd worden tot een meer perfect, potent en resistent wezen, duikt al op in de renaissance, maar is pas in de jaren ’60 van vorige eeuw geëxplodeerd tot een wetenschappelijk gefundeerde meta-ideologie. Het overstijgt opnieuw de individuele geluksvraag en ziet het menselijk lichaam als de ruwbouw voor een nieuwe architectuur. Meestal wordt de genetica als de pionierwetenschap hiervan beschouwd, maar het gaat om een veel bredere trend. Kledij, piercings, contactlenzen, sex-attributen, plastische chirurgie, naast allerlei comfortgadgets zoals GSM, GPS, I-phone, etc. vertonen al een neiging tot fusioneren met het oorspronkelijke lichaam, binnen een steeds artificiëler wordend organisme. De medische wetenschap is, om ethische redenen, naar buiten uit verplicht om het originele, archaische lichaam als model te blijven hanteren, terwijl ze binnenskamers al veel verder staat. Als men een éénbenige een prothese kan geven die perfect het ontbrekende lidmaat vervangt (en zelfs méér mogelijkheden biedt), of een chip kan inplanten die de suikerspiegel regelt,- wat houdt ons dan nog tegen om een lichaam te concipiëren met vier benen, acht armen, drie ogen (volgens sommige paleo-biologen hebben we dat derde oog ooit gehad), een stel vleugels, een nier die water uit lucht kan halen, een long die lucht uit water kan halen, en een superbrein? Het mythologisch motief van de draak is, minder dan een reminiscentie aan de prehistorie, misschien wel eerder een futurologische verwijzing naar de succesvolle mutant van overmorgen (in China speelt hij trouwens de hoofdrol in het Nieuwjaarsfeest).

Om deze collectieve update chemisch te realiseren, zijn uiteraard grootschalige distributiesystemen noodzakelijk: nutsvoorzieningen zoals de waterleiding kunnen een essentiële rol spelen om het menselijk lichaam te hervormen, naast een gamma van voedingsadditieven, kunstmatige moedermelk, zelfs de lucht die we inademen (“fijn stof” als mutagene substantie). Het begrip ziekte zelf is aan herziening toe. Wat wij nu als kanker beschouwen, de fatale woekering van ‘vijandige”, lichaamsvreemde cellen, kan in een gecontroleerd kader juist het transmutatieritme van ons organisme uitmaken.

Dat we biologisch sowieso veranderen, bedoeld of onbedoeld, staat overigens vast: de menselijke soort is al in volle mutatie, en het gebeurt vrij snel. Zo blijkt de gemiddelde lengte van volwassen mannen in Europa exponentieel toe te nemen. In 1980 was dat nog 180cm, in 2040 zal vermoedelijk de kaap van 2m40 bereikt worden (!). Daarmee is het zwartboek der doemdenkers van de Club van Rome, “Grenzen aan de groei” (“The Limits to growth: a global challenge”, 1972) …) definitief naar de prehistorie verwezen. Ongetwijfeld biedt deze lengtewinst een voordeel bij het stijgen van de zeespiegel, maar ook het ontwikkelen van vleugels of vinnen behoort tot de mogelijkheden. Ik denk niet dat de vrouwen hier hoeven achter te blijven. Bij farmacomanes als Kim Geybels ziet men bv. deze predispositie tot vliegen heel duidelijk aanwezig in de steltstructuur van haar onderste ledematen.

Het spreekt vanzelf dat, ondanks het kraantjeswater, de H+ evolutie niet geheel synchroon kan verlopen. Sommige menselijke exemplaren staan al duidelijk verder en lijken een prototype van de nieuwe aardbewoner/ruimtetoerist. In Superman, James Bond, de atleet, de vedette, de “ster” zien we alleszins deze Übermensch-achtige voorafbeelding, daarom bewonderen we ze ook. Niet wat ze kunnen is essentieel, wel wat ze zijn, namelijk een stuk levende science-fiction, de toekomst die even in het heden neerdaalt. Tony Corsari, de allereerste Vlaamse TV-presentator uit de jaren ’60 van vorige eeuw, had een kunstoog - zo wist mijn grootvader te vertellen-, en vertoonde posthumane trekjes. Idem dito voor Nonkel Bob, Jan Theys, Luc Appermont, La Esterella. Allen hadden deze gezanten-van-de-toekomst iets artificieel en “onmenselijk”. Recenter is er de zelfverbouwing van Michael Jackson via crèmes en hormoonpreparaten, tot een visionair, bovenmenselijk prototype, een mutant in het proefstadium, voorlopig nog niet vatbaar voor massaproductie.

Alle filosofie is vanaf dan futurologie. Het humanistisch gedram kan nu ophouden. De mens is geen project meer, hij is een reutelende nagalm, een verroest vehikel waar we van af moeten. Sommige onderdelen zijn nog bruikbaar voor recyclage, maar globaal is het lichaam een kadukke, door het blinde evolutieproces in elkaar geflanste dummy. Dat kan beter.

 

Het Consortium

In deze futurologie is zoals gezegd geen plaats meer voorbehouden voor de ethiek of voor een wereldverbeterend discours. De "wereld" op zich, datgene wat zich buiten het Ik voordoet,  is een fata morgana, en het TV-nieuws is de canvas van dat simulacre. Het gaat ons dus niet meer om een maatschappelijk-dialectisch proces, of een culturele revolutie, of een ecologisch réveil, of socio-politieke hervormingen in de klassieke zin. Politieke theorieën en hun toepassingen zijn groteske schimmentheaters die ons afleiden en verwarren. Alleen een daadwerkelijke biologische, biochemische ingreep in het menselijk organisme is aan de orde. In die zin zijn de farmacologie en de transhumane technologie perfect complementaire denkpistes, die overigens ook in de mythologie gecombineerd worden.  Enerzijds is er de farmacologische verhaallijn van ziekte en heling in het concrete, individuele lichaam: dit is het terapeutische register van de toverdranken, balsems, elexirs. Anderzijds zijn er de transhumane verhalen die modellen uittekenen van een nieuwe soort, de opvolger van de mens, een mutant die merkwaardig genoeg dikwijls als een monster verschijnt, of als een multifunctionele hybride, eventueel een amfibie (bv. de zeemeermin).

In de Wagneriaanse supermythologie is er plaats voor beide. Zonder twijfel was Richard Wagner, onder het mom van een frenetieke romanticus, een intelligent futuroloog. Tristan en Parsifal zoeken individuele genezing en verlossing van hun lijden via het farmakon (niet toevallig draait het verhaal telkens rond een drank die moet genuttigd worden), terwijl de Ring des Nibelungen vooral transhumane creaturen herbergt: zowel de gehoornde Siegfried als zijn tegenstander, het monster Fafner, moeten beschouwd worden als posthumane transmutaties die mikken op onkwetsbaarheid en onsterfelijkheid. Beiden kunnen rustig een meteorietenregen doorstaan. Om nog maar te zwijgen van mijn absolute favorieten, de Walküren (zie afbeelding hoger): sterke, getransfigureerde Überfrauen, zonder maandstonden of baarmoeder, en niet op zoek naar een man, een gezin, of een ingerichte keuken met kookeiland en dampkap. Wel legde Wagner hen orgasmische gillen (“Hojoto!”) in de mond, waardoor ze aan de heksen en hun hedonistisch programma gelinkt kunnen worden. De Walkürenrit straalt dan ook intens geluk uit,- genot aan een krachtig en bovenmenselijk psychosomatisch systeem. En de muziek mààkt ook gelukkig.

Al deze symbolen en emblemen wijzen uiteindelijk vooruit naar een techniek van de bio-transformatie die nu pas, vanaf de 21ste eeuw, tot ontwikkeling komt. We hebben nu geen mythologie, kunst of literatuur meer nodig.  Het enige en compleet ingerichte laboratorium voor het lichaam-in-transfiguratie is de wetenschap zelf, door Nietzsche “die fröhliche Wissenschaft” genoemd: de weg naar de zelfverwezenlijking waar we altijd over gedroomd hebben. Ze bewandelt een dubbel pad, existentieel én historisch, het individuele helen én de collectieve metamorfose, het hormoonpreparaat en het kraantjeswater, het farmakon en de mutatie,- Een en/en-verhaal dus. Doordat beide gericht zijn op het uitschakelen van het lijden, kunnen we ze als twee modi zien van het grote wetenschappelijke verlossingsproject, waar eigenlijk iedereen naar snakt.

 We hebben nu geen mythologie, kunst of literatuur meer nodig.  Het enige en compleet ingerichte laboratorium voor het lichaam-in-transfiguratie is de wetenschap zelf, die een wereldregering installeert van hoogintelligente eudaemonen.

De kracht van het positieve denken zit dan vooral in de mate dat men de voortekens van de toekomst herkent en materieel ook absorbeert. Ik moet dus de hypothese aannemen van een hogere macht die het goed met ons voorheeft. Geen god, maar een planetaire leiding, een perfect bestuur dat nog in volle oprichting is. Met het herformuleren van elk denkbaar maatschappelijk of ethisch probleem tot een farmacologisch omschrijfbare geluksvraag, die zelf een transhumaan staartje krijgt, kan het niet anders of politiek en staathuishoudkunde moeten in handen komen van een technisch-biologisch consortium, een krans van hoogintelligente mannen en vrouwen (eudaemonen), evenwichtig samengesteld uit farmacologen en transhumanisten. Vooral geen filosofen of literaire fantasten of politici! De farma’s en de transen vormen de twee perfect-complementaire fracties van een wereldregering die niét democratisch verkozen is, maar enkel deskundigheid vereist: een inzicht dat Plato in zijn Politeia al ontwikkelde. Tussen de twee fracties (opvolgers van het oude links/rechts-antagonisme), is er geen enkel conflict, er zijn trouwens geen tegenstellingen of conflicten meer.  De twee fracties werken met en door elkaar, in perfecte synchronie. Deze toekomstige wereldregering zal in complete discretie werken, afgeschermd van de media en de massa’s. Ze functioneert niet politiek, maar technisch-filantropisch. Het consortium zal de futurologische modellen uittekenen, én de substanties distribueren die wij nodig hebben om ons goed te voelen en door te evolueren naar het lichaam dat we precies nodig hebben.

Soms heb ik het vermoeden dat het Consortium in een prille vorm al bestaat, en ergens op deze planeet, in een ondergronds Walhalla, de eudaemologische revolutie voorbereidt, de chemoterapeutische realisatie van het universele recht op geluk dankzij de permanente wedergeboorte in een ander lichaam. Misschien wordt het modale politieke theater, het antagonistische geklooi van clowns als Obama, Ahmadinejad, Di Rupo en De Wever dan nog gedoogd, als een soort mistgordijn. Een troostende gedachte.

Na duizenden jaren van lijden is het tijd voor iets anders. We moeten nu dapper zijn en slikken, vooral veel kraantjeswater drinken en zand eten. Beamen, opnemen, absorberen en inhaleren, vooral niet selecteren of afstoten: elke walgreflex kan onze afspraak met de toekomst in het gedrang brengen. We moeten aandachtig zijn voor tekens en zogezegde slechte tijdingen zorgvuldig interpreteren: een gevangene gaat ook niet klagen als hij een vijl in zijn brood vindt. Zo zouden ook de schroeven, die de oudjes van een Torhouts rusthuis onlangs vond in het brood van een industriële bakkerij,- kunnen wijzen op een consortium-in-proefsessie. Onterecht werden ze verwijderd als contaminaties, en beschouwd als een accident, of zelfs een misdaad ("Parket vermoedt kwaad opzet"). Maar een metaaldetector zal ons niet redden, integendeel: hoe meer we accidenten en catastrofes rondom ons waarnemen, des langer duurt ons ongeluk.

De eudaemonen van morgen zouden er vandaag kunnen uitzien als criminelen of terroristen. Het vergt een hele aanpassing in onze perceptie. Of zoals hogervernoemde Jeremy Bentham euforisch uitriep op 80-jarige leeftijd: “Take me forward, I entreat you, to the future – do not let me go back to the past.”

 

Terug naar boven