VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels              Reageer via het Forum         E-mail     

 


 Op zoek naar een zebra-pad

 
Over humanitaire waan en identitair gebakkelei

 Johan Sanctorum
 23/03/11
 

 

Het is nu definitief: de Beatles behoren tot het werelderfgoed. Meteen is heel de omgeving in Liverpool, waar de vier gabbers hun carrière begonnen (Abbey Road, de muziekstudio’s aldaar, het zebrapad waar ze in 1969 voor een fotoshoot poseerden,…) sacrosanct verklaard. Het toerisme van de stad Liverpool vaart er wel bij, maar daar gaat het niet om. The Beatles verwerven ook een plaats in de muziekgeschiedenis, en komen na Bach, Beethoven, Wagner en Stravinsky in de galerij der genieën. Op zich is daar weinig tegen in te brengen: een heiligverklaring is per definitie iets arbitrairs. Ook Bach werd maar beroemd na zijn dood, en Stravinsky werd aan het conservatorium als absoluut talentloos beschouwd. Beethoven was een zonderling, Wagner een gestoorde megalomaan. The Beatles waren schreeuwende ragebollen die geen noot muziek konden lezen. Tot daar horen ze beslist in één rijtje thuis.
Maar daar zit nu juist de valstrik: moeten we rijtjes maken? Als elke kunstenaar in se een gabber is, die het warm water telkens opnieuw uitvindt, voor zichzelf, zomaar,… via welke weg komen ze dan in één traditie terecht, letterlijk een “overlevering”? Heeft er iemand iets overgeleverd? Of is dat een misvatting die eigen is aan musicologen, en, algemener, de historici tout-court?
Ik zal me hier als advocatus diaboli presenteren en betogen dat The Beatles niét in de galerij der eeuwigheid thuishoren. Straffer nog: eigenlijk hoort niemand er thuis.
Eerst rekenen we af met de fabel van de traditie, daarna met het nostalgische denken en de cultus van het langetermijngeheugen, om tenslotte het identiteitsbeginsel zelf te deconstrueren. Op de achtergrond speelt een algehele ontluistering van het humanisme en de humanitaire hypocrisie, net op het moment dat we in naam van de beschaving unaniem ten oorlog trekken...

 

I. Ecce homo: van Andreas Vesalius tot Josef Mengele

“C’est inhumain”
(Darius Milhaud, na een opvoering van Schönbergs “Pierrot Lunaire”)

Altijd krijg ik het moeilijk als cultuurfreaks mij van hun goede smaak willen overtuigen, tegen het vulgaire en smakeloze. Van de weeromstuit neem ik dan een zeer “plat”, laag-bij-de-gronds standpunt in, en merk dan pas hoe conventioneel en dogmatisch hun mental map eruit ziet. Vooral het denken in grote bogen, wijde categorieën, hoge idealen en diepe waarheden, dat verontrust en ergert me. De idee dat er een lijn in de geschiedenis zou zitten, een ketting van de continuïteit, en dat de genieën op die onzichtbare lijn grootse evenwichtsoefeningen volbrengen, ter meerdere glorie van de mensheid.

Dit cultuurhumanisme, nu ook in handige navulverpakking beschikbaar dankzij de UNESCO, inventariseert, conserveert, catalogeert, in de veronderstelling dat de rotsschilderingen van Altamira, de Nachtwacht van Rembrandt, en de Vrouw met de Mosterdpot van Picasso, allemaal “kunstwerken” zijn, behorende tot een soort immanente evolutie, waarin de genieën elkaars geestelijke erfgenamen zijn. Ik geloof daar hoe langer hoe minder van. De cultuurwetenschap hanteert lege schablonen, waardoor de cultuurbeleving zelf zich ook in een luchtbel afspeelt.

Picasso en Rembrandt hebben wel beschouwd niets met elkaar gemeen, we hebben ons veel te lang blindgestaard op het woord “schilderen” dat in hun beider biografieën voorkomt, omdat onze taal nu eenmaal beperkt is. Zelfs de doeken van Rembrandt onderling zijn zo goed als onvergelijkbaar. Musea brengen werken samen omdat dit soort publieke gebouwen nu eenmaal moet gevuld worden met kunst en publiek, omdat ze “verhalen” willen maken, en vooral omdat er de angst is voor een kunstwerk dat nergens zou thuis horen. En toch is kunst in se dakloos: het zijn semi-fysieke erupties, epifanieën, gestolde energie, in tijd en ruimte gescheiden. Sterker nog: als men goed toekijkt, is ook De Nachtwacht op zich maar een schijn-compositie, een chaos van penseelstreken, sporen van momentane spasmen, ingelijst omwille van de opdrachtgever, de conventies, de financiële nood, de hang naar succes.

Wat betekent dat bijvoorbeeld voor andere grootheden in het rijtje, zoals Bach, Mozart, Wagner, Schönberg, en, nu ja, The Beatles? Dat ze tot een compleet fictieve cultuurruimte behoren. Iemand heeft hen een tweede maal gedood, om hen in te lijsten. Mogelijk hebben ze zelf de idee van een traditie wel gerecupereerd om status te verwerven, maar dat is pure PR-strategie. Intrinsiek waren ze allen met een andere materie bezig, in een ander universum, voor andere doeleinden. Er is dus ook geen muziek, geen schilderkunst, geen literatuur. Natuurlijk bestaan die dingen wel als vak, categorie, discipline, waarvoor u een diploma kunt behalen. En natuurlijk schrijven de meeste musici op een notenbalk met vijf lijnen, zoals de meesten ook rollen WC-papier gebruiken. Vandaar wellicht het misverstand.

Het woord “humanisme” verbergt een sinister éénmakingsproject. Om dé mens te kunnen beheersen moest men alle homoïden anatomisch één maken.  Alle Menschen werden Brüder. Niemand begreep dat beter dan Josef Mengele, kamparts in Auschwitz.

In “De Eudaemonen van morgen” stelde ik nogal lapidair dat Bach, Mozart, Will Tura, U2, Britney Spears allemaal tot een wereldwijde emo-industrie behoren, primair gericht op de aanmaak van endorfines, het fameuze gelukshormoon waarvan de chemofysische activering het hoogste en eigenlijk het enige echte menselijke doeleinde is: het verwezenlijken van genot, of minstens de afwezigheid van het lijden, de eudaemonie.  Maar achteraf bekeken is zelfs dat een nutteloze én gevaarlijke veralgemening. Ik denk dat de lichamen van Bach, Mozart en Tura, laat staan hun breinen, nauwelijks met elkaar te vergelijken zijn. Dus ook niet de lichamen van hun toehoorders, bewonderaars, fans. We doen dingen die door de taal onder één noemer worden geplaatst, maar dat zijn bij nader toezien ijle abstracties die terug moeten ontmanteld worden.

Bestaat tenslotte dé mens? Diogenes vond er al geen. Ik vraag me meer en meer af wat u en ik gemeen hebben, behalve een paar administratieve stempels. Het is niet omdat Andreas Vesalius omstreeks 1550 lijken begon op te snijden, en trouwens ook levende dieren (zonder verdoving wel te verstaan), dat zoiets tot wetenschappelijk geldige veralgemeningen kan leiden over de menselijke constitutie. “Hét lichaam”, als abstractie, is zo hol als “dé geest”, het cogito van René Descartes, dat de mens van de dieren zou onderscheiden. Blijft dan slechts het plezier om de andere te zien lijden. Het individu Vesalius deed het gewoon graag, hij wilde snijden omdat het een kick gaf, ook het gegil van de dieren. En als dat lawaai hem begon te ergeren, sneed hij gewoon de stembanden door. Probleem opgelost.

Het begint dus al mis te lopen als men alle hominiden op deze planeet onder de noemer “mens” verenigt. Vanaf dan worden er lijken én levenden opengesneden, om een model te construeren waaraan elk individu zou moeten beantwoorden:  de mensheid, l’homme, l’humanité.  

Onder toezicht van de Verenige Naties kunnen nu probleemloos complete genocides georganiseerd worden, of kan het gehomologeerde mensenvlees zelfs in de winkelrekken worden gelegd. Eind de jaren ’90 bracht het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UCK) de lessen van Vesalius in de praktijk, door Servische en Albanese gevangenen in een ziekenhuis te doden, waarna hun organen werden verwijderd en op de markt werden gebracht.

Het sadisme van Vesalius en Descartes is humanistisch, en het humanisme is een intellectuele travestie van het sadisme. Het laboratorium haalt alles uiteen, het museum brengt alles terug samen: ecce homo, ziet: de mens.

In Rwanda worden ze op lange rekken uitgestald: de schedels van de uitgemoorden, broederlijk naast elkaar, het beste bewijs dat we allemaal tot één soort behoren. Dat beeld kwam me voor de geest toen ik Le Musée de l'Homme in Parijs bezocht. De schedel van hogervernoemde René Descartes ligt er geëtaleerd, netjes tussen de prehistorische schedel van een Cro Magnon mens en de schedel van de in 1721 geëxecuteerde moordenaar Cartouche. Allemaal stukjes erfgoed, wetenschappelijk aan elkaar geregen. Het woord “abstract” vindt daarin trouwens zijn essentie: het gaat letterlijk om het afkoken van schedels, waarna alle verschillen zijn verdwenen en alleen de species “homo” nog zichtbaar is.

Picasso en Rembrandt hebben wel beschouwd niets met elkaar gemeen, we hebben ons veel te lang blindgestaard op het woord “schilderen” dat in hun beider biografieën voorkomt, omdat onze taal nu eenmaal beperkt is...

Onder de nivellering, de klassificatie en de unificatie blijkt een klinische logica schuil te gaan die ons steeds weer in de buurt van verdorven plekken brengt. Het woord “humanisme” wijst op een pervers éénmakingsproject, volgens een klassiek abstractiebeginsel. Om dé mens te kunnen beheersen moet men alle mensen anatomisch één maken. Daar is dus snijwerk voor nodig. Niemand begreep dat beter dan Josef Mengele, kamparts in Auschwitz. Zijn experimenten op gevangenen, waaronder amputatie van organen en ledematen, dikwijls zonder verdoving, waren a) echt gericht op een vooruitgang van de medische wetenschap (Mengele beschouwde zich als een filantroop en Nobelprijskandidaat), en b) gingen uit van de universaliseerbaarheid van het menselijk proefkonijn. Dat is een zeer egalitair standpunt, Mengele was geen racist. Een Jood had voor hem wezenlijk geen andere constitutie dan een Duitser, anders zouden de snijsessies ook tot geen enkele conclusie kunnen leiden. Eventuele verschillen konden weggewerkt worden, bv. door een blauwe kleurstof in de ogen van niet-Ariërs aan te brengen. De kamparts had dus o.m. Beethoven en Schiller goed begrepen (“Alle Menschen werden Brüder”) en geloofde in de grote gelijkschakeling: Mengele was een humanist, die eerder om den brode ook de rassenleer van de nazi’s lippendienst bewees. Onterecht worden Hitler en zijn kornuiten als “onmenselijk” afgeschilderd, evenzo Stalin en alle andere tirannen. Terwijl ze net “Menschlich, alzu menschlich” waren, om een titel van Nietzsche te parafraseren. Profeten van de grote gelijkschakeling, in naam van een nieuwe wereldorde.

Zo convergeren de muzische galerij der genieën, het UNESCO-werelderfgoed, le Musée de L’homme, en Auschwitz, tot vier verschijningsvormen van het categorisch denken. De abstractie is de meest subtiele vorm van geweld. Een schijnbaar onschuldig tijdverdrijf, als Bach en The Beatles onder één noemer plaatsen, krijgt dan plots een macaber tintje, een doodsgeur. De talloze categorieën die we dagdagelijks hanteren (mensen, Europeanen, Belgen, Vlamingen, allochtonen, autochtonen, kunstenaars, rechts, links, tot en met zeer “banale” categorieën: voertuigen, hoeren, vleeswaren, pc’s, stakingen, kranten,…) beletten ons om de wereld te zien zoals ze is. Ze vervormen de werkelijkheid en doen haar geweld aan. In het dagelijks leven ontstaan dan de gemeenplaatsen, de clichés, de stramienen, en alles wat men als political correctness kan aanduiden,- met opnieuw het humanisme als grootste gemeenplaats. Neen, Mengele was niet gekker dan wij allemaal. Integendeel: hij was griezelig normaal.

 

II. Het despotische geheugen

'De herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil.' 
( Cees Nooteboom, “Rituelen”, Amsterdam 1980)

De traditie wordt doorgaans met het “collectief geheugen” vereenzelvigd, waar iedereen, ook de zwakbegaafden en minderbedeelden, moet op inpluggen, via de daartoe bestemde gelijke-kansen-programma’s. Ook dat is interessant: wij moeten onthouden, inventariseren, categoriseren, om niet in de barbarij te vervallen. Het vergeten is des duivels: de meeste aanhangers van de Hoogcultuur zijn dan ook mnemomanen, of “geheugenfreaks”. Doorgaans zijn het goede kwiskandidaten, zoals Bart De Wever.

Het is verrassend hoe de sado-humanisten zich tot nostalgici ontpoppen, het geheugen aanbidden en het vergeten diaboliseren. Alles moet bewaard blijven, het verleden beheerst het heden. Een grote verdediger van het langetermijngeheugen én cultuurpessimist is Nicholas Carr. In “The Shallows: What the Internet Is Doing to Our Brains” (2010) (“Het ondiepe: wat het internet doet met onze hersenen”) stelt hij dat het internet één grote ruis veroorzaakt die het langetermijngeheugen aantast. We worden dom, oppervlakkig, we leggen geen verbanden meer.

Wat Carr er niet bij vertelt, is, dat het geheugen ons vooral gehoorzaam maakt. Het conditionerend verband tussen snoep stelen en een pak slaag (of: een goed rapport en een schouderklopje), daarover gaat het langetermijngeheugen primair. Het werkt als een alziend oog en hernieuwt onze schuld: maatschappelijke systemen kunnen alleen overleven via verplichte absorptie van voorschriften, verhalen in gebiedende of verbiedende wijze. Uit die metapolitieke strategie is ook het boek ontstaan, als extern geheugen en wetboek, met de Bijbel als absoluut prototype. De wet is het volmaakte collectief geheugen, het is een partituur die ons vanuit het verleden precies voorschrijft wat ons vandaag te doen staat en waarvoor we de gevangenis in vliegen. Wie geen boeken leest is dus verdorven, want hij kent “de wet” niet: de analfabeet is een crimineel, en vice-versa. Dat het Belgisch Staatsblad een logorrhee van 50.000 pagina’s per jaar aan wetteksten en voorschriften produceert, die we nooit allemaal kunnen lezen, maakt ons allen tot onwetenden en zondaars, die te rade moeten gaan bij experts, schriftgeleerden, advocati dei dus, in laatste instantie godgeleerden, de rabbi’s. Het Boek is daarom, als reconstructie en artificiële herinnering, een politiek-correcte oproep tot begrijpen, verbinden, en volgen. De lezer is altijd een gelovige, anders legt hij het boek weg. De schrik voor Alzheimer en de dementie, ook heel de famaceutische industrie daarrond, versterken die dwang nog: we moeten ons alles herinneren, zoniet worden we weggestopt in sterfhuizen.

Het is verrassend hoe de sado-humanisten zich tot nostalgici ontpoppen, het geheugen aanbidden en het vergeten diaboliseren. Alles moet bewaard blijven, het verleden beheerst het heden, en kan van daaruit ook gebruikt worden voor politiek-strategische doeleinden.

Langzamerhand onthult het geheugen zijn despotische kantjes: de herinnering is deze van een kind dat af en toe een pak rammel krijgt. Het geheugen is Pavloviaans. Goede herinneringen anderzijds… blijken dikwijls geleende herinneringen over een vals kinderparadijs. De Friese wetenschapsfilosoof Douwe Draaisma beschrijft dat briljant in zijn “Vergeetboek” (2010): ons autobiografisch geheugen over leuke ervaringen uit de vroege kindertijd baseert zich op geruchten, foto’s,... overlevering, veeleer dan op echte herinneringen. Men denkt dat men zich als kleuter een vakantie aan zee herinnert, terwijl het een reconstructie betreft, aan de hand van een foto of wat onze ouders vertellen. Het verleden wordt ons dus “verkocht” als een herinnering. Het is een literaire constructie, die ons de reële hel of de valse hemel voorspiegelt, de straf of de beloning. In beide gevallen is vergeten de enige aangewezen strategie.

Het geheugen is als een hond die zijn meester aan de leiband houdt. Erger nog: het is een labyrinth waarin we constant onszelf tegenkomen, op zo’n manier dat we steeds minder onszelf zijn. Het geheugen fundeert zijn eigen noodzakelijkheid en draait op een “bureaucratische” manier rond zijn eigen spil: het werkt volgens een Kafkaiaans logica en usurpeert heel ons bewustzijn.

Zo komt die dekselse Draaisma tot een revolutionair concept: het gezonde geheugen is het kortetermijngeheugen, dat vooral moet dienen om dingen eruit te kieperen. De ondiepte durven verkennen, illusies ontmantelen, schrikbeelden dempen. Het geheugen dus, als deleteknop. Het recht op vergeten en vergeten worden: in 1977 schreef de filosoof-criticus Jean Baudrillard het manifest “Oublier Foucault" (1977), gewoonweg om komaf te maken met het Parijse modedenken, de plicht om een intellectuele hiërarchie te respecteren, en de ketting van de traditie te volgen. Zijn kritiek verzaakte het dialectische dwaalspoor van de eindeloze polemiek en het gekakel onder de schriftgeleerden, en raadde gewoon aan om een geheugenplek vrij te maken. Eureka.

Dit gaat uiteraard lijnrecht in tegen het traditionalisme van Nicholas Carr en de apologeten van het langetermijngeheugen. Maar ik ga voor de visie van Draaisma. Het vergeten, niet de herinnering, werkt bevrijdend. Meer nog: het verfrissende en hoopgevende van kunst is nu juist dat ze vergeet wat vooraf ging. De onbetrouwbaarheid van het geheugen gaat dan in laatste instantie terug op het fictief karakter van de tijd zelf, waarover vele filosofen zich de hersenen hebben gepijnigd.  

Deel de tijd op, en u merkt dat er hij niet bestaat. Een dag verdelen we in uren, die uit minuten bestaan, die zelf uit seconden bestaan, dan nanoseconden, enzoverder. De paradox van Zeno stelde al vast dat de tijd, als continuüm, een fantasme is, want ze kan oneindig verder gefractioneerd worden. De kunst is dan, om de tijd als illusie te overstijgen, en in het moment te leven. Er zijn geen verbanden en geen categorieën, er is geen tijd en geen geschiedenis. Alleen het vergeten kan ons redden.

Het is frappant hoe de traditie tot nivellering leidt, en uiteindelijk zelfs tot collectieve dwangneuroses. De Beatles rotzooiden maar wat, ze wisten niks en permitteerden zich alles, alsof voordien nooit iemand een noot muziek had geproduceerd. Dat duurde tot ze commercieel gerecupereerd en nadien cultureel gesacraliseerd werden. Vanaf dan werden ze menselijk en universeel, en mocht het publiek hen niet meer vergeten. Tenslotte werden ze marionetten en moesten ze het verhaal spelen dat hun impressario hen voorschreef.

Soms wordt de geschiedenis echt een alibi voor een politieke machtstrategie, in het kader van een herdenkingsdwang. De Joden hebben bijvoorbeeld uiterst handig hun religieuze apocalyptiek van het Boek afgestemd op het Holocaustthema, waardoor zij heel de wereld verplichten om constant de Shoah te herdenken, als hét grote verhaal dat onze collectieve schuld bestendig hernieuwt. Dat komt uiteraard de strategie van de staat Israël goed uit. Constant knalt dat mnemomanische zweepje in ons gezicht. Denk goed na! Herinner u! Vergeet nooit! Cultuur krijgt hier echt de dimensie van een religieuze politie in de buurt van de klaagmuur. Toeval of niet, maar aan de Rehovot universiteit in Israël zijn twee geleerden, Reut Shema en Yadin Dudai, druk bezig met experimenten op ratten, om pilletjes te fabriceren die het geheugen versterken en herinneringen “terugbrengen”. Ook de vergeetachtigen zouden dus met medicatie tot betere inzichten kunnen gebracht worden. Niets staat de wereldvrede dan nog in de weg. Ratten? Mensen? Menselijke ratten? Hoe zat dat ook weer met Josef Mengele en zijn grootmenselijk ideaal?

 

III. “Identiteit” als zelfbeeld en handelsmerk

Terugkerend naar The Beatles en hun zogenaamde voorgangers, lijkt het meest hoopgevende aan een kunstenaar nu juist zijn gebrek aan humaniteit en zijn weigering om het langetermijngeheugen te laten domineren: de kunstenaar moet leren vergeten, waardoor we hem zelf ook kunnen vergeten. Voortdurend worden we immers geconfronteerd met onze woorden van gisteren en onze daden van eergisteren. We zitten constant in de verhoorkamer en moeten de consistentie van ons verhaal bewijzen, wat alleen doortrapte leugenaars kunnen.

De inconsistentie beoefenen wordt dan de hoogste graad van rebellie. Het is de status van de gabber die zich niets van gisteren herinnert, en dingen zegt of doet die “tegenstrijdig” zijn met het voorafgaande. Op die manier plaatst hij zich buiten de geschiedenis, de tijd, de cultuur, de actualiteit. Ook de individuele geschiedenis, die onze identiteit bepaalt, is dan van geen tel meer. Men is dan, letterlijk, een non-identiteit of: niemand.

Dat staat weer haaks op de clichés omtrent de kunstenaar en intellectueel, als “grote persoonlijkheid”. Moeten we pakweg James Joyce, Ludwig Wittgenstein en Arnold Schönberg ook niet veeleer als geheugenloze gabbers beschouwen, die hun identiteit net ontleenden aan een non-identiteit, het besef van nergens bij te horen, waardoor ze juist hun eigen zebrapad vonden? Hun gebrek aan verbondenheid met het mensdom, hun weigering om de tradities en het collectief bewustzijn te respecteren, hun falend geheugen, maakte hen juist tot buitengewone buitenstaanders, vreemdelingen, exoten, in een cultuur die normaal alleen insiders tolereert. Net daarom kregen ze uiteindelijk het predikaat van “genie”: de enige mogelijkheid om een a-typisch monster te typeren en onschadelijk te maken.

“Identiteit”: het grote woord is eruit. Op de achtergrond van de Belgische regimecrisis bakkeleien politici over de collectieve identiteit. Heeft de Vlaming iets dat zijn soortgenoten verbindt? Ja, zegt Bart De Wever. Neen, zegt Guy Verhofstadt, ik ben wereldburger (wat dus eigenlijk alleen een schaalvergroting is van het woord “identiteit”). Via deze politisering kreeg de discussie ronduit groteske dimensies, en werden er postmoderne tussenoplossingen gezocht, zoals de “gelaagde identiteit” of, smakelijk, de lasagne-identiteit (bijvoorbeeld een Brabantse, Vlaamse, Belgische, Europese, menselijke laag, de ene op de andere, tot een soort veellagig baksel).

De kunstenaar-vedette is behept met een identitaire obsessie, de dwang om “iemand” te moeten zijn, zodanig dat hij een universale wordt, een pronkstuk van de cultuurcanon. Maar net door zich zo universeel op te stellen, en de grenzen van zijn universum zo oneindig ruim te bemeten, ontneemt hij ook iedereen het recht om er niét toe te behoren.

Uiteindelijk is de individuele identiteit zo onwerkelijk als de collectieve identiteit, tenzij men ze als afgeleide van een bureaucratie beschouwt: we hebben allemaal een identiteitsbewijs en een SIS-kaart. Maar verder?  De anatomie van Rembrandt’s “Anatomische les” levert niets op, dan wat atomen en ontbindende moleculen. Tenslotte was ook Rembrandt zelf een verzameling moleculen die hem als “individu” problematisch maken. Bestaat het individu? Ben ik wie ik ben? Bent u de mens van gisteren, die deze van morgen zal worden? Is er een mens binnen deze huid? Neen dus. Wellicht komen we langs die weg tot een totaal andere existentievorm, die men “fenomenologisch” zou kunnen noemen: alles is enkelvoudig en uniek, niets of niemand hoeft zich te verantwoorden aan wat vooraf gaat. Einde van het Joods-Christelijke geheugencomplex. Maar einde ook van het geweld, als oorzaak en gevolg van de nivellering en de abstractie.

Voor mij ligt het groot interview in De Standaard met de bekende schilder Luc Tuymans. 232 keer komt het woordje “Ik” er in voor: een identiteit om U tegen te zeggen. Zijn verhaal klopt perfect, er zijn geen hiaten, alles klikt in elkaar. Luc Tuymans is een individu, een icoon, letterlijk een kop op een postzegel. Uniek en universeel tegelijk. Bovendien is hij een weldoener, een filantroop en een echte patriot. Zelfs de fysieke uitstraling mag er zijn, daar kan een fotograaf wonderen verrichten. De experts zijn unaniem: wie Tuymans niet kan appreciëren, gelieve van planeet te veranderen.

Eigenlijk gaat het in deze Ik-marketing om één, groot stereotiep zelfbeeld dat zich via het journalistieke medium als handelsmerk aan ons opdringt. De kunstenaar-vedette is behept met een identitaire obsessie, de dwang om “iemand” te moeten zijn, zodanig dat hij een universale wordt, een pronkstuk van de cultuurcanon. Maar net door zich zo universeel op te stellen, en de grenzen van zijn universum zo oneindig ruim te bemeten, ontneemt Tuymans ook iedereen het recht om er niet toe te behoren. De charismatische kunstenaar wordt zo zelf een verlengstuk van het despotisch geheugen: nu al een levende legende, behoort hij niet alleen tot de geschiedenis,- hij belichaamt ze ook en waakt als een goede demon over de politiek-correcte humaniteit die voor hem ook een Belgisch-patriottistisch tintje heeft.

Het gaat er nu om, de mens te de-humaniseren, niet tot een Unter- of Übermensch, niet tot een dier of een superlichaam, maar tot een non-species dat op een dissectietafel niets meer oplevert dan zijn eigen mysterie.

Opnieuw gaat onze zoektocht dan naar de onbekende die de geschiedenis niet haalde. De kunstenaar zonder naam, de schrijver zonder boek, de mens zonder verhaal. Wat is zijn statuut? Deze van mislukkeling? Figurant? Dienstweigeraar? Zit er in zijn anonimiteit iets van een instinctief verzet tegen dat collectief geheugen,- een weigering om erin op te gaan, maar ook om het zelf te verinnerlijken, tot kennis, eruditie,… “beschaving”?  Dit gaat niet zomaar over kunst, zelfs niet over cultuur, maar over existentiële veranderingen die heel de antropologische evolutie van de mens, als slaaf van zijn eigen hersenen, op de helling zetten. 

Het bevrijdende inzicht dat er geen mensheid en dus geen geschiedenis of cultuur bestaat, kan nu verder toegepast worden op alle ervaringen in het dagelijkse leven, de sociale omgang, werk en vrije tijd, de politiek. Ik raad het u echt aan: luister eens naar een muziekstuk alsof het uw eerste en laatste keer is, en vergeet alle andere stukken van die componist of groep. Zoek ook niet naar lijnen en “verhalen”, opbouw of structuur, vergeet de compositie. Proef enkel het moment. Doe dan het zelfde met eten, lezen, schrijven, werken, koken, vrijen, reizen, gaan stemmen. Wees anders, niet door u te vergelijken, maar net door alle vergelijkingen te overstijgen. Ex nihilo. Het is wat men een “intense ervaring” noemt. Alleen dachten we dat ze vanuit de herinnering komt, terwijl ze juist door het vergeten wordt mogelijk gemaakt.

Het gaat er nu om, de mens te de-humaniseren, niet tot een Unter- of Übermensch, niet tot een dier of tot een superlichaam, maar tot een non-species dat op een dissectietafel niets meer oplevert dan zijn eigen mysterie. Door de wereld te ont-lezen tot een chaos, heeft geen enkele orde nog greep op ons. Door dingen te ontkoppelen worden we zelf uniek en ongrijpbaar. Ik noem dit vanaf nu het zebraïsme, of beter nog: de zebraïteit, of gewoon: z. Of… helemaal niets. Het gaat erom, een huid te ontwikkelen die als een onleesbare streepjescode een onidentificeerbaar individu bevat dat altijd elders is, ergens waar men het niet verwacht. Een specimen zonder soort. De massa is dan niet meer de tegenpool van het individu, ze vloeien in elkaar tot een non-identitair fluïdum waar de macht geen vat meer op heeft. Daarom zijn zebra’s tegelijk kuddedieren én eenzelvigen: als groep vormen ze het lakoniek behang van de steppe, als individu kunnen ze niet gelezen worden, de roofdieren krijgen hoofdpijn van die pijamamotieven en strompelen verward weg. Voor de mens, het grootste roofdier, zijn ze nutteloos en ontembaar, zelfs hun vlees smaakt naar niks. Ik kan me geen hogere graad van vrijheid voorstellen.

Het zebrapad op Abbey Road was dus méér dan een oversteekplaats: veeleer gold het een wilde, zeer kortstondige dans in een parallel universum. Een frase, niet meer afhankelijk van en ondergeschikt aan de tekst. Ook onze zinnen snakken naar vrijheid.

 

Epiloog: waarom ik geen boeken schrijf

“Wat zou u willen dat uw lezers met uw boek doen?”
Een strikvraag van jewelste, die een journalist een schrijver kan voorleggen op bijvoorbeeld een boekenbeurs. Maakt de ondervraagde er zich van af met een geintje (“in de bibliotheek zetten”, “bladeren in drogen”, “zijn achterste mee afvegen”), dan tast hij zijn marktwaarde aan en dreigt de repliek “Dan is het toch wel zonde van het geld om uw boek te kopen”. Geeft de letterkundige een ernstig antwoord (in de trant van: “lezen, “zich ermee amuseren”, “eindelijk eens een aardappelsoufflé kunnen maken”, “de diepere zin van het leven begrijpen”, of “zelfmoord plegen”), dan ontmaskert hij zichzelf als een manipulator die de lezer tot een actie noopt, tot gehoorzaamheid dwingt, die natuurlijk al begint met het lezen zelf, liefst van voor naar achter. Het boek wordt dan een gedragsbepalend medium, een kook- of wetboek, in de limiet een Bijbel.
Iemand die boeken schrijft, stelt dus verwachtingen aan de lezer en legt een langdurig beslag op zijn tijd, zijn welwillendheid, zijn bewustzijn. Lees bijvoorbeeld een interview met Umberto Eco, Hugo Claus zaliger, Erwin Mortier, Peter Goossens : allen willen ze de lezer kneden vanuit een machtspositie, met de tekst als machine en argument. En altijd is er de impliciete verplichting om mee te zijn met de tijdsgeest, erbij te horen, de canon te respecteren,
ingebed te zijn in de humane hoogcultuur en haar langetermijngeheugen, waartoe het boek in kwestie uiteraard behoort. De onsterfelijke roem is voor de literator de horizon, de Nobelprijs het existentiële einddoel.

In het zebraperspectief kan hier uiteraard geen sprake meer van zijn: er is noch een schrijver die autoriteit uitoefent, noch een lezer die gehoorzaamt. Er zijn hooguit momenten van herkenning, of helemaal niet.
Af en toe wordt mij de vraag gesteld, wanneer ik eindelijk eens al die interessante essays zal samenbrengen in één Opus Magnum. Het antwoord is uiteraard: nooit. Alleen al om mij bovenstaande instinker te besparen.
Maar bovendien werk ik louter vanuit een kortetermijngeheugen, dat slechts teksten van beperkte omvang toelaat. Het essay van pakweg 4000 woorden is de bovengrens. Legt men die essays naast elkaar, dan wordt een enorme inconsistentie zichtbaar. In een verzamelboek zou de waarheid er op blz. 317 dan helemaal anders uit zien dan op blz. 19. Waardoor een interviewer mij doorlopend zou confronteren met stilistische, intellectuele en zelfs morele bezwaren rond een boek dat zichzelf tegenspreekt. Men kan zelfs niet spreken van gewone contradicties: de teksten zijn onderling volstrekt onvergelijkbaar, het zijn aparte universa, bevolkt door frasen die zelf ook de neiging hebben om hun eigen weg te gaan. Elders spreek ik van "epifanieën", organische oprispingen die stoemelings taal en betekenis worden.
Eigenlijk is elk essay een boek-in-een-notedop dat door elke vakschrijver gemakkelijk tot een lezenwaardige turf van 600 blz zou kunnen aangelengd worden. Maar dat is voor mij geen uitdaging. Niet meer.

Ik heb het dus opgegeven om mezelf te rechtvaardigen voor een essay van zes maanden geleden: het lijkt wel geschreven door iemand anders. Ik lees het dan ook met de verwondering van een neofiet: ik ben op elk moment een alter ego, en dat geldt voor elk van ons. In het bewustzijn dat de schrijver én de lezer constant veranderen, is er noch een schriftuur, noch een lectuur, in de klassieke zin en volgens de traditionele machtsverhoudingen. We zijn niemand, het begrip "identiteit" zelf lost compleet op, samen met het fantasme van de "collectieve identiteit", ook wel cultuur genoemd. En doordat we geen gemeenschappelijke geschiedenis hebben, kunnen we ook de grootste en gevaarlijke mythe ontmaskeren: de humanitair-humanistische engel des doods. 

En dan is er natuurlijk nog mijn liefde voor bomen, en het idee alleen al dat er een bos moet sneuvelen voor de jaarlijkse cultuurbraderij die "Boekenbeurs" heet.
Tenslotte is mijn sympathie voor de schrijver van het ongeschreven boek te groot, om de afzichtelijke pulphoop die “wereldbibliotheek” heet, nog groter te maken. Ver van deze Babylonische cumulus wil ik enkel kortgolvige frasen produceren, die via het internet wegzweven naar een toevallige vinder. Leve facebook, twitter, en de kortegolven.

JS

 

Terug naar boven