De Standaard, 10 November 2005
Terug naar archief
Terug naar startpagina
Reageer via het Webforum


Als het brandt in Parijs, smeult het in Brussel, zo zegt het spreekwoord, en zou werd het ook door bepaalde sensatiemedia voorbarig geopperd. Ondertussen willen we even voorbijgaan aan de clichématige discussie of het jeugdig volkje van de banlieues –waaronder vele minderjarigen- een pak billenkoek verdient, dan wel moet ingepamperd worden als sociaal achtergestelden. Een behoedzame analyse leidt vooreerst tot een paar vaststellingen omtrent cultuur en stedelijkheid, en de karikatuur van de stad die de 19de eeuw ontstond. Met het fameuze Franse esprit als voortrekker.
Ophokplicht

Wie de buurt bezoekt waar de rellen uitbraken – de randagglomeratie Clichy-sous-Bois/Montfermeil, zo’n 16 km ten Oosten van het Parijse centrum– zal een gevoel van herkenning krijgen: grijze, hoge appartementsblokken gescheiden door tochtige tussenruimtes met schraal groen; rechte straten kruisen elkaar in een monotoon raster. Opvallend weinig buurtwinkels en horeca, hooguit een supermarkt. Alles geeft een troosteloze, symmetrische aanblik als van een gevangenis, hospitaal of gekkenhuis, waar overzicht en controle primordiaal zijn.
Het doet sterk denken aan de Antwerpse linkeroever, en dat is geen toeval: de onherbergzame strook hoogbouw aan de Schelde werd in de jaren ’30 van de vorige eeuw onder handen genomen door de beroemde Franse architect Le Corbusier die hier uitgenodigd werd om zijn modernistische visie op de stad-van-de-toekomst te realiseren. De ironie wil bovendien dat Le Corbusier’s linkeroeverontwerp een remake was van zijn Plan Voisin (1925), een hoogbouwproject vol wolkenkrabbers en stadsautostrades, bestemd voor … de Parijse rechter-Seine-oever. Hiervoor moest natuurlijk wel een flink deel van de oude binnenstad tegen de vlakte gaan: gelukkig werd het knotsgekke plan nooit uitgevoerd, maar het idee verspreidde zich wel wereldwijd als een virus over de grootstedelijke suburbs.
Misschien moeten Sarkozy en de zijnen eens wat boerenverstand opdoen: als kippen zich niet zomaar laten ophokken, waarom zouden mensen het dan wél accepteren. De wortel van het geweld in de Franse banlieues is biologisch, instinctief en ruimtelijk, daarom zal wat sociaal oplapwerk niet volstaan. Afbreken dus die blokkendozen, liever vandaag dan morgen.
Le Corbusier is een exponent van het
Franse
rationalisme dat de mens en de maatschappij als maakbare entiteiten opvat en
daartoe beide eerst wil afbreken. Daaruit volgt een architectuur van de
beheersing, de massificatie en de ontmenselijking: een totalitaire, anorganische
rekenwijze die zoveel mogelijk biomassa vertikaal wil opstouwen in woonkazernes
zonder gelijkvloers (‘la ville sur pilotis’), met daartussenin lege
ruimtes, de fameuze ‘windvlaktes’ vol hondenpoep. Geen zinnig architect die daar
nu nog in gelooft, maar ze staan er dus wel, van Parijs tot Sint-Niklaas, waar
ook de eerste auto’s in de fik zijn gestoken.
Nu pas begint men zich het destructief, crypto-fascistisch karakter van dat ‘modernisme’ te realiseren (weinigen weten dat Le Corbusier in WO. II aan de foute kant stond). Al in de 19de eeuw was Parijs met zijn grote schoonmaak begonnen: het symmetrische, stervormige stadsplan zoals we dat nu kennen is van de briljante prefect Georges-Eugène Haussmann, die ten tijde van het Tweede Keizerrijk heelder stadswijken liet platleggen om de middeleeuwse chaotische, oncontroleerbare maar intens-levende organische stad om te vormen tot een overzichtelijk raster waarin de oproerpolitie snel kon optreden.
Nu pas ook begint het te dagen dat dit soort urbane planologie van Le Corbusier en adepten neuroses en psychoses veroorzaakt en een sociale tijdbom creëert. Een paar dagen geleden stond in deze krant te lezen dat sommige kippenkwekers de ophokplicht naast zich neerleggen, omdat het tot depressie, agressie en zelfverminking zou leiden onder het pluimvee. Misschien moeten Sarkozy en de zijnen eens wat boerenverstand opdoen: als kippen zich niet zomaar laten ophokken, waarom zouden mensen het dan wél accepteren. De wortel van het geweld in de Franse banlieues is biologisch, instinctief en ruimtelijk, het vertoont alle kenmerken van suïcidaal gedrag, daarom zal wat sociaal oplapwerk niet volstaan. Afbreken dus die blokkendozen, liever vandaag dan morgen.
Identiteit
Tweede bedenking: dit is niet alleen het failliet van
ruimtelijke overplanning, maar ook van het (typisch Frans) cultuurcentralisme.
In ons boek ‘Passione Urbana' ontwikkelen
we de stelling dat steden
vooral leefbaar worden door subculturen. Dit uit zich in een diversiteit van
groepen en individuen die de stad juist aantrekkelijk vinden als middel om zich
niet te moeten identificeren met het
Grote Verhaal en zijn instituties. Er ontwikkelt zich dan een netwerk van kleine
verhalen, een complexe mythologie die maar voor een deel kan gekanaliseerd
worden in het welzijnswerk à la Anciaux. Maar hoe sterker de nationale culturele
identiteit, hoe hachelijker dit proces van de fragmentatie: de centralistische
burgerrepubliek is per definitie op één discours gegrondvest, van Maubeuge tot
Nice. Ze beheerst, naar analogie met de ruimtelijke stervorm van Parijs en heel
het land, de openbare ruimte, de cultuurscène, de media, het café, maar ook het
privé-leven: het is de reden waarom de republiek ook altijd regionalistische
tendenzen (Baskenland, Bretagne) onderdrukt heeft. Het woord ‘subcultuur’ is in
deze context onbekend; men moet er de Franse filosofen van gisteren en vandaag
eens op naslaan: in heel de barokke rethoriek van het Parijse ideeënuniversum,
van Sartre tot Derrida, kom ik dat woord vrijwel niet tegen, de actuele dolle
hond Michel Houellebecq uitgezonderd.
De strakke cultuurideologie van een natiestaat zoals Frankrijk, met intellectuele goden zoals Voltaire en Sartre en oogverblindende prestige-architectuur zoals het Centre Pompidou, laat wel het academisch debat toe, maar gunt eigenlijk weinig of geen ruimte voor verhalen die zich buiten dit universum afspelen.
Er is dus een enorme assimilatiedruk met torenhoge drempels, mentale en materiële.Want dat valt op in de straatinterviews: de baldadige jongeren willen de kleren dragen en de (dure) bon-chic-bon-genre gewoontes aannemen van de upperclass uit de binnenstad. Ze willen zich dus niét onderscheiden, ze willen vooral zijn zoals de bourgeois waarvan ze de auto’s in brand steken. Vreemde paradox, alleen te verklaren door het feit dat de officiële ideologie geen marges duldt en in wezen intolerant is. Onder de Franse cultuur broeien geen eilanden, nesten of territoria, kleine kernen of bolwerkjes met eigen regels en rituelen (Houellebecq: " La possibilité d'une île"),- er gaapt alleen een leegte, zo groot als het tochtveld tussen Le Corbusier’s wolkenkrabbers.
Het Frankrijk van de Académie Française en het Centre Pompidou zal dus wat bescheidener moeten worden: de cultuur van de Parijse Rive Gauche is niét die van Clichy-sous-Bois en ook niet die van Nice of Rennes. Men heeft decennia lang smalend gedaan over België en Vlaanderen, met hun afzichtelijke koterij, het Vlaams Blok, het particularisme en het gebrek aan culturele identiteit. Maar het lachen is verstild, zowel ten Noorden als ten Zuiden. Want laat nu net dat particularisme en het gebrek aan nationale identiteit (wat is in godsnaam ‘Belgische cultuur’?) mensen de kans geven om zich te affirmeren in imaginaire stadstaten met alternatieve netwerken. Subculturen dus. Krottenwijken zijn dan eigenlijk nog te verkiezen boven de woonkazernes: ze ontstaan organisch, via het rondscharrelen en sprokkelen, er ontstaan spontane grenzen en afspraken. En dat gevoel van integriteit en eigenwaarde, daar mankeert het de ‘voyous’ (dixit Sarkozy, misschien wordt dit ooit een geuzennaam) van Clichy nu net aan.
P.S
Tot slot nog de vraag die iedereen zich stelt bij de dagelijkse portie beelden
van uitgebrande wrakken: waar zitten de ouders van de minderjarige pyromanen? Ze
kijken toch ook TV,- vinden ze het leuk? Stoppen ze de broekjes in bad als
die thuis komen en naar benzine stinken? Of hebben pa
en ma sowieso niets meer te vertellen? Of zou het kunnen dat de Arabische
mannenmoraal, die in de allochtonencités heerst, een
generatie rotverwende jongentjes heeft opgeleverd die thuis
als prinsen vereerd worden (God's gift to mankind), en die het net
daardoor in de buitenwereld helemaal niet kunnen waarmaken, noch op
school, noch op de arbeidsmarkt? Zou het kunnen dat hun zussen, die hun huiswerk
maken terwijl broerlief op TV komt, wél een job vinden
en aan de bak komen, tenzij ze natuurlijk door de
achtergestelde Heren der Schepping in een burka worden verpakt en
uitgehuwelijkt worden? Dat is geen levende subcultuur, maar het fossiel van
decennia geleden geïmporteerde achterlijkheid. Zoiets mag nauwelijk luidop
gezegd worden wegens politiek-incorrect. En dat is géén exclusief-Frans probleem.
(Dixit S. Andynomus) ■
Interessante links:
- Artikel in Le Figaro "Violences urbaines et architecture" (met dank aan David Joly)