
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

De
waarheid komt uit de frietschep van Alice
Omtrent (on)veiligheid, nieuwe weerbaarheid en vrouwelijke tegencultuur
Johan Sanctorum
1/12/2006
Herinner U, groot was de verontwaardiging toen Joe Van
Holsbeeck, april van dit jaar, in de inkomhall van het Brusselse centraalstation
werd afgemaakt. Niet alleen omwille van de roofmoord zelf en de onnozele buit –
een MP-3 speler-, maar vooral omdat niemand van de omstaanders op klaarlichte
dag, tijdens het spitsuur, ook maar één vinger had durven uitsteken. Kort
daarna, in juni, kwam de 54-jarige Guido Demoor om het leven, nadat hij in
elkaar was geslagen door een handvol allochtone amokmakers op de Antwerpse
buslijn 23. Ook daar gaf niemand een kik, terwijl enige wiskundige kennis toch
zou doen denken dat een volle bus reizigers, gewoon door zich even naar achter
te verplaatsen, de belhamels uit evenwicht had kunnen brengen. Wat was er aan de
hand? En waar, wanneer, waarom reageren mensen soms wél tegen agressie?
De schapen en de wolven
Psychologen waren er telkens als de kippen bij om de
zaak te ontmijnen: in grote menigtes wacht iedereen op de andere, sorry jongens,
zo zit de mens n
u eenmaal in elkaar. Dat zal wel. De politieke conclusie is
anderzijds evident en minder relativerend:
we
zijn zodanig gesocialiseerd, gewoon geraakt aan beschermende structuren en
regels, dat niemand nog zin heeft om als enkeling op te komen voor zichzelf of
voor zijn buur. De ‘onveiligheid’ zit dus in ons, het is niet enkel
extern. De massa is blijkbaar haar eigen vijand, zoals een kudde gazelles ook
niet reageert wanneer een leeuw een jong afzondert. Met goede bedoelingen
opgerichte snuffelpalen als het Centrum voor Gelijke Kansen en
Racismebestrijding en de Liga voor de Rechten van de Mens lijken
sterk besmet door die Christelijke reflex om de andere wang aan te bieden: je
mag klagen, maar vooral niet zelf reageren, daarvoor zijn er de ‘instanties’.
Is dit de keerzijde van de maakbare, overgereguleerde samenleving? De daaropvolgende ‘stille marsen tegen zinloos geweld’ (de term alleen al) waren echter wéér massafenomenen, niet gekenmerkt door revolte maar door de beklemmende stilte van een weerloze kudde, op weg naar het kapblok. Exact de neurose van de gemiddelde Belg die zich ongemakkelijk voelt maar nooit opstandig wordt. De protestbetoging als teken van passiviteit. Publicist Paul Beliën had die paradox terecht opgemerkt, en gebruikte de gewaagde metafoor van de ‘schapenkudde’ (de betogers) en de ‘wolven’ (op de stoep). Het leverde hem een klacht wegen racistische uitlatingen op, want die wolven waren in Beliën’s verbeelding nogal bruin van kleur. Toch is zijn beeldspraak pertinent: we zijn in een spiraal van gelatenheid terechtgekomen. Berusting omtrent criminaliteit, onveiligheid, het feit dat je de moordenaar van je kind na een paar jaar terug fluitend op straat tegenkomt; maar ook over de rommel in ons eten, het broeikaseffect, het feit dat we nauwelijks nog tijd hebben voor iets anders dan geld verdienen, TV kijken en slapen. Door alle grote en kleine problemen als een maatschappelijk euvel op te vatten, draaien we onze rug en wachten we op… Ja, waarop eigenlijk?
We zijn zodanig gesocialiseerd, gewoon geraakt aan beschermende structuren en regels, dat niemand nog zin heeft om als enkeling op te komen voor zichzelf of voor zijn buur. De ‘onveiligheid’ zit dus in ons, het is niet enkel extern...
En toch. Hier en daar verrassen de kleine berichten in de krant ons. Soms gaan individuen wél in de tegenaanval,- er zijn tekenen dat het kudde-effect niét altijd overheerst. Het verhaal van de opticien uit Brecht, die een overval zag gebeuren bij een bevriende juwelier aan de overkant en samen met zijn zoon de achtervolging inzette, kan nog een voorbeeld van misplaatste heldhaftigheid lijken: wie waagt er nu zijn leven voor een handvol horloges. En de uitbater van de Antwerpse zaak in auto-onderdelen, die zelf met een mes zijn belagers te lijf ging tot ze op de vlucht sloegen, verdient onze bewondering, al heeft ook dit feit een hoog Schwarzenegger-gehalte. Maar wat te denken van de vrouw die op 4 november in de self-banking van de KBC-Overijse de bivakmuts van haar overvaller aftrok, waarna die als een gecastreerde haan afdroop?
Of, sterker nog, frituurmadame Alice uit de Abeelstraat in Vilvoorde, die de maandagvond van 6 november ongewenst bezoek kreeg. ‘Ik was net mayonaise aan het bijvullen’ vertelt ze aan Het Laatste Nieuws (8/11/2006).Toen een van beide overvallers haar kassa wou leegmaken, smeet Alice een frietschepper met kokende frituurolie in zijn gezicht, waarop de twee verbijsterd het hazenpad kozen. Het lijkt een grappig fait-divers, maar dat is het niet: een vrouw op leeftijd, die helemaal alleen twee gewapende overvallers uit haar barak verjaagt met een frietschepper, il faut le faire. Alice gedroeg zich overigens niet ‘heldhaftig’ –moed die angst verdringt, dat is iets voor mannen-, ze dééd het gewoon. Dat het zwakke geslacht in deze nieuwe weerbaarheid een sleutelrol speelt, is een uitermate boeiend gegeven. De vrouwelijke reactiepatronen zijn bovendien van een hoger, subtieler niveau: de mannen gingen nog in de gewapende tegenaanval zoals in het stenen tijdperk,- de vrouwen óntwapenden en maakten hun belagers belachelijk.
Het getal honderd: de sociale oercel zit ingebakken in ons brein
Wat
maakt de mens eigenlijk tot kuddedier?
Als men de omstandigheden bekijkt van de drama’s in Brussel en Antwerpen, kan
men alleen maar concluderen dat mensen gedweeër worden naarmate ze talrijker
zijn en zich uitgegoten voelen in een territoriaal niemandsland waar het
individu van geen tel is. De grootstedelijke
publieke ruimte blijkt dus nefast te werken op onze reflexen. Als het
territoriumgevoel verdwijnt, verdampt ook de betrokkenheid en de weerbaarheid.
De
door het “progressief” establishment
en vooral de SP.A herontdekte stad (zie de hype rond Patrick Janssens) blokkeert individuele afweermechanismen, terwijl in een
kleinstedelijke, een private, of semi-private context mensen wél uit hun schulp
komen. Dat heeft misschien wat met egoisme en eigendomsgevoel te maken, maar het
zit dieper. De ‘kleine’verzetsdaden van de frituurmadame en de dames aan de
selfbank kwamen voort uit een ruimtelijk-instinctief integriteitsgevoel, tégen
de grootstedelijke anonimiteit die door de politieke structuren wordt gepromoot,
als mechanisme om het individu te ontmantelen. In een buitenwijk van Vilvoorde
of een gat als Overijse lukt dat nog, in een Antwerpse stadsbus of een Brussels
station is het blijkbaar veel moeilijker.
Het ‘kleine’ verzet is dus autonomistisch, situationistisch en politiek-subversief. Alice hanteerde de frietschepper niet alleen tegen de boeven maar vooral ook tegen de massastructuren die de gelatenheid bevorderen,- de verzorgingsstaat die onveiligheid gebruikt als chantage tegenover de burger. Ongetwijfeld is een flinke dosis criminaliteit en oncontroleerbare agressie nuttig voor het systeem, omdat het angstproducerende en verlammende factoren zijn: misdaad, de politie, het gerecht, de advocatuur, de media,- het zijn allemaal facetten van een sportief-spektakulair totaalspel waarin de ene leeft van de andere, en waarvan de man-met-de-pet de dupe lijkt. Af en toe moeten er dus slachtoffers vallen om de sociale orde te legitimeren: de dood van Joe Van Holsbeeck en Guido Demoor heeft een ritueel karakter, met de ‘stille mars’ als slotceremonie. Het gerechtsapparaat en de politieke macht zijn overigens bijzonder beducht voor autonome burgerinitiatieven (straatcomités, nachtelijke wijkpatrouilles…) rond weerbaarheid en zelfverdediging. Waarom? Omdat die daarmee de overbodigheid van dat apparaat en eigenlijk van heel de politieke superstructuur aantonen? Omdat het principe van de grootschalige staatsorde aanschuurt tegen oeroude antropologische constanten van de kleine, autonome groepsidentiteit?
Kijk eens in uw adresboekje: hoe groot is uw kring van
familie, vrienden en kennissen? Zelfs populaire Johnny’s en sociale
Marina’s komen met veel moeite aan 100 namen. De antropoloog Robert
Carneiro heeft aangetoond dat onze hersenen ingesteld zijn op een
groepsgrootte van deze categorie. We vinden ze terug in uiteenlopende entiteiten
als de familiefoto, de Afrikaanse clan, het wielerpeleton, een meisjeskoor, het
stamcafé, de motardclub, een symfonisch orkest, een straatcomité, zelfs de
centurio als militaire eenheid van het oude Rome, overgegaan in de moderne
compagnie of het eskadron. Binnen deze sociale oercel, de 'clan', is de betrokkenheid en
participatie zeer groot,- ze doorkruist alle grootschalige organisatievormen.
Dat bleek zelfs in Schoten, toen Vlaams-Belanger Guido Tastenhoye het
opnam voor een asielzoekende familie uit Kazachstan die in zijn straat woonde:
het is een organisch soort solidariteit waar
niemand kan aan weerstaan.
De publieke macro-ruimte creëert onbehagen, apathie en neuroses,- grootschaligheid is een strategie om de autonomie van de sociale oercel, de clan, uit te wissen. Het is de twijfelachtige verdienste van architecten als Le Corbusier om deze ruimte van de moderne, aan de dood gewijde stad planologisch geconcipieerd te hebben.
Grotere groepen echter zijn kunstmatige entiteiten die geen natuurlijke samenhang meer vertonen,- met de staat, die het monopolie op geweld verwerft, als summum: sinds het ijzertijdperk, vanaf pakweg 1000 v.C., was de aarde al dermate bevolkt dat kleine gemeenschappen moesten opgaan in een grotere totaliteit om de concurrentie aan te kunnen. De staat diende dan de individuen en kleine groepen te ontwapenen en te recupereren volgens een nationalistische samenhorigheidsideologie (‘rechts’) of een doctrine van de verzorgingsstaat (‘links’). In se volgt deze schaalvergroting dezelfde logica als die van het ‘sociaal contract’, zoals de 18de eeuwse filosofen dat formuleerden: de burger doet vrijwillig afstand van zijn autonomie, in het voordeel van het ‘gemenebest’. Maar deze nationale superstructuur is ons dus biologisch vreemd, we voelen er ons niet goed in, en als iemand uit de grote groep wordt bedreigd, hebben we geen zin om er ons mee te moeien. De wet van de grote getallen creëert dus een nieuw probleem, waarbij mensen in toenemende mate afhankelijk worden van de superstructuur, en er zich tegelijk steeds minder mee kunnen identificeren, ondanks allerlei pogingen om meer SAM te zijn en ‘sociale cohesie’ te promoten.
De publieke macro-ruimte creëert onbehagen, apathie en neuroses,- grootschaligheid is een strategie van de massificatie, een poging om de autonomie van de sociale oercel uit te wissen. Het is de twijfelachtige verdienste van architecten als Le Corbusier om deze ruimte van de moderne, aan de dood gewijde stad planologisch geconcipieerd te hebben. Het geweld in de Parijse woonkazernes aan de stadsrand (de banlieues) is een spasmodisch verzet daartegen, en tegelijk een bevestiging van de noodzaak van een ‘sterke staat’, zoals Nicolas Sarkozy het goed had begrepen. Het stelt grote vragen naar stedelijke leefbaarheid, publieke architectuur en openbaar transport. Overigens is heel de hypothese van Carneiro gebaseerd op een mannelijk rivaliteitsdenken rond stammentwisten en vrouwenroof. Tijd dus om weer de keet van Alice in te duiken.
Nachtschade
Hebt U, in deze tijd van de gelijke kansen, al ooit gehoord
van een gewapende overval door vrouwen?
Het lijkt hen niet te interesseren. Zullen zij de
wereld redden? En, verdient hij wel om gered te worden? En hoe zal die wereld
eruit zien, eens de mannelijke lijn onterfd? Het is een vraag die me steeds meer
bezighoudt.
De vrouwen zijn in elk geval aan een
remonte bezig, en daarmee bedoel ik niet de socialistische babe-cultuur,
of de soft-feministische seuten van Groen! die hun beurt krijgen volgens
het ritsprincipe; evenmin de blauwe dieselnimfen of de geelzwarte moderne
boerinnen. Neen, ik heb het meer over vrouwen die het spel niet meespelen
en daardoor heel de mannelijke socio-culturele constructie onderuit halen. Deze
vrouwen zijn behoudsgezind maar niet egoistisch, slim maar niet sluw: dit is een
enorme kloof tussen ratio en intuïtie, strategie en instinct, die alle politieke
tegenstellingen zal overschaduwen.
De strijd tussen de sexen is een oerstrijd tussen wereldbeelden, het is de échte ‘moeder van alle oorlogen’. Haar genealogie is fascinerend. Al in de 8ste eeuw v.C. beschreef Hesiodus de kosmische moedergodin Gaea als de vrouw die voor haar kinderen vocht en haar man Uranus liet kastreren toen die hun kroost verstootte wegens te lelijk. Het zou daarna nooit meer goed komen tussen de politiek-correcte maar corrupte goden, verzameld in het Pantheon, (noem het vandaag maar de Wetstraat) en de bruingroene monstertjes van Gaea: Titanen, éénogige Cyclopen, Gorgonen, en meer van dat. Tot dezelfde vrouwelijk-demonische geslachtslijn behoren ook de slangharige Medusa, de razende Medea, de giftige Hecate, en vooral de leutige Circe die mannen in zwijnen veranderde. Via tussenstops als Maria Magdalena (de door de reguliere bijbel vermaledijde hoer die Christus ontmaagde), incarneert Gaea zich opnieuw in de middeleeuwse heks. Maar op dat moment is de moderne mannenmaatschappij al in opgang, met de opkomst van de politieke netwerken en het wetenschappelijke techneutendom, waarin zowel de Christelijke haat tegen het lichaam en de natuur speelt, als het Cartesiaans rationalisme.
De oergodin werd vanaf dan gemarginaliseerd, wat
resulteerde in een resem heksenprocessen. Haar keuken was volks, discreet,
terapeutisch, kleinschalig en dus subversief,- een bedreiging voor het nieuwe
politiek-wetenschappelijk establishment dat op de universiteiten werd
klaargestoomd. Door haar isolement ontwikkelde zij een heel gamma van
zelfbevredigingstechnieken die we nu nog in de moderne vibrator terugvinden,
maar ook in de klassieke heksenbezems, ingesmeerd met een lustverhogend
aftreksel (mits op de juiste plaats gebruikt) van de alruinwortel of
Mandragora (het Germaanse ‘Alruna’ betekent zoveel als heks). Dit lid van de
Nachtschade-familie werd tot allerlei fallusachtige figuurtjes
versneden,- waarvan onze hedendaagse friet een verre nakomeling is.
Stevig, vol, knapperig en licht zoutig hoort hij te zijn, zodat hij heerlijk in
de mayonaise draait. Zo zijn we weer bij het fornuis van Alice: de frituurmadam
is de enige authentieke erfgename van de heksen-tegencultuur. Gaea is haar
echte krachtbron, de energie waarmee vrouwen op hun eentje, ongewapend, twee
overvallers durven te lijf gaan tot aan de ontmanning.
De heksen kunnen nu uit hun schuilplaats komen, langzaam maar zeker zullen ze hun plaats in de na-geschiedenis van onze cultuur innemen. Dat mannen niet alleen voor de lustbevrediging maar ook voor de voortplanting binnen afzienbare tijd overbodig zullen zijn, maakt de aflossing des te soepeler. Speelse castratiesymbolen begeleiden deze planetaire reiniging met sterke ecologische accenten. Het is eveneens de verborgen boodschap van Brueghel’s Dulle Griet, ook uitgerust met een soort frietschep. Toeval of niet, in onze twee vrouwenanekdotes speelt dat ontmanningsmotief frappant mee: het afrukken van het masker in het bankfiliaal (een ontmaskerde krijger verliest zijn mannelijke kracht), en het besprenkelen met ziedende olie (parodie op de ejaculatie) door de frietmadame. Telkens worden de mannen onteerd en gaan ze lopen, niet onder de indruk van het geweld zelf, maar van de ridicule situatie en de symboliek. Ironie en humor zijn dan ook vaste ingrediënten van deze schandalisering.
De kracht van vrouwen is hun weigering om het mannelijke spel mee te spelen. Hen bij de socio-culturele en politieke charade proberen te betrekken en zo te exorciseren, is de meest walgelijke vorm van mannelijk paternalisme.
Wellicht is ook de stunt van Margaretha Guidone, in de
media steevast ‘de huisvrouw uit Kapellen’ genoemd, zo begonnen: een tamelijk
boosaardig-grappige uitnodiging aan de crème-de-le-crème van de Wetstraat om Al
Gore’s ‘An Inconvenient Truth’ te gaan bekijken. Haar act had iets
situationistisch en anarchistisch, een uit de buik weggegeven, on-strategische
maar blijkbaar effectieve impuls die mannen irriteert. Maar Margaretha’s grap is
uit de hand gelopen, ze heeft het Wetstraat-cynisme onderschat. Voor de mannen
was het inderdaad kwestie, deze uit de hand gelopen
vorm van vrouwelijke bemoeizucht snel te counteren. Al Gore, die kunnen ze nog
aan, maar Margaretha Guidone, dat is een ander probleem,-
die speelt het spel niet volgens de regels
(daarom moest de door de overheid gesubsidieerde Bond Beter Leefmilieu er zich
snel mee bemoeien). De excellenties zijn dus allemaal gaan kijken en
hebben haar gerecycleerd tot klokkenluidster, een symbool van burgerzin.
Vervolgens mocht ze naar de VN-klimaatconferentie van Nairobi, om het
spreekgestoelte te beklimmen in de plaats van milieuminister Bruno Tobback
die
zo genereus een stap opzij zette. Een geniale zet. Let op,
zodadelijk wordt deze groene heks een B.V.
en zien we haar opduiken in allerlei talkshows: Margaretha Guidone is een vogel
voor de kat als ze zich als icoon laat misbruiken.
Want daar is het de Wetstraat-goden om te doen:
de reële existentiële en planetaire zorg van mevrouw Guidone inwisselen tegen
een ecologisch zijluikje van het staatsdiscours, dat steevast eindigt in een of
andere verpakkingstaks.
De symboolvrouwen zijn gewaarschuwd. Het zou ook mevrouw Tinne Rombouts (CD&V) uit Hoogstraten aan het denken moeten zetten: ze behaalde een monsterscore in de voorbije lokale verkiezingen, en had al een akkoord met oude krokodil en ex-burgemeester Arnold Van Aperen (VLD), die achter haar rug echter een nieuwe coalitie bijeensjoemelde en het akkoord opzegde. Mijn conclusie is, dat vrouwen niet thuis horen in de politiek, evenmin als in het autoverkeer trouwens, of in het leger. De kracht van vrouwen is hun weigering om het mannelijke spel mee te spelen. Hen bij de socio-politieke charade proberen te betrekken en zo te exorciseren, is de meest walgelijke vorm van mannelijk paternalisme. Heel het gelijke-kansen-beleid (uiteraard met een babe als uithangbord) en het bijbehorende ‘diversiteits’-verhaal behoren tot een mannelijke beheersingsstrategie om de subculturen terug naar de publieke ruimte en de openbaarheid te drijven, waar men ze beter kan controleren en als ‘marktsegment’ aanspreken.
In zijn boekje
‘De derde feministische golf’ doet ook
Dirk Verhofstadt (broer van, en huisbewaarder van de neoliberale lobbyclub en
praatbarak ‘Liberales’) een poging om de heks te ontgiften: vrouwen
moeten open zijn, modern, zichtbaar, communicatief, tolerant en ‘progressief’.
Zijn betuttelend humanisme heeft het vooral gemunt op Moslim-vrouwen die een
hoofddoek dragen. Maar in De Standaard van 8 November dienen die ‘onderdrukte
vrouwen’ onze liberale missionaris van antwoord: ‘bemoei U met Uw eigen zaken.’
Beteuterd replikeerde Dirk dat sommigen blijkbaar niet weten wat goed voor hen
is. Inderdaad: de dubbelheid van het liberalisme, dat vrijheid als het hoogste
goed beschouwt maar tegelijk de maakbare maatschappij cultiveert en dus geen
spelbederf duldt, is een typische paradox van de moderne macht.
Het is opmerkelijk hoe die strijd tussen godengalerij en Gaea-tegencultuur in alle stilte doorloopt, onder de politieke parafernalia van de dag door. Het is de strijd tussen de mannelijke bovenwereld van de compromissen, het gefoezel, de denktanks, de lobby’s, de hypocrisie en het imago-denken, versus de vrouwelijke wereld van de principes, de intentie, de onderbuik, intuïtie, de biologische reflexen.
Het recht is een van de meest prangende conflictzones tussen die twee werelden: de ‘rechtsstaat’ is een fallische constructie om macht te handhaven, tegen het ongeschreven rechtvaardigheidsgevoel in. Het is burgers niet toegestaan om het recht in eigen handen te nemen, niet zozeer omdat dit tot wetteloosheid zou leiden, maar gewoonweg omdat de privileges van de priesterkaste, tegenwoordig magistratuur genoemd, dan zouden verdampen. Het recht beschermt het systeem, niet de burger. Dat leidt tot surrealistische aberraties, zoals de 85-jarige man uit St. Niklaas die bij een deurwaardersbeslag werd geëxecuteerd, omdat hij zich uit een soort integriteitsreflex verschanst had en zijn spullen niet goedschiks wou afgeven. De deurwaarder als moderne beul: een beroep met toekomst in een maatschappij die mensen eerst tot het kopen van allerlei prullen aanzet, om hen vervolgens te likwideren.
Het recht beschermt het systeem, niet de burger. De actieve roep naar gerechtigheid zal steeds sterker doorklinken, tegenover het geritsel van de tonnen dossiers die in de kelders van de justitiepaleizen op verjaring liggen te wachten. Het Romeinse recht-van-de-kleine-lettertjes is ten dode opgeschreven, samen met heel de architectuur waartoe het behoort...
Of perverser nog, het Europese pleidooi om op massamoordenaar Saddam Hoessein de universele-rechten-van-de-mens toe te passen, zodat hij dan misschien, zoals zijn collega Pinochet, om ‘gezondheidsredenen’ uit de gevangenis kan ontslagen worden en rustig in zijn bed kan sterven. Iedereen voelt dat er iets niet klopt. Want voor de diepe redelijkheid van Gaea, die tussen de vergaste kinderlichamen van het Koerdische dorpje Halabja rondwaart, kan Saddam’s marteldood niet zwaar genoeg zijn. Traagwerkend gifgas bijvoorbeeld, een straf die opweegt tegen het vergrijp, en het is aan de overlevenden om de vergelding te voltrekken omdat de kosmische balans haar rechten heeft. Idem dito voor de Sudanese president Omar al-Bashir die gewapende milities de opdracht geeft om complete dorpen af te branden en mannen, vrouwen en kinderen op gruwelijke wijze laat afslachten. Laat hem proeven van dit tortuur; de 'mensenrechten' inroepen, ingeval deze pervert ooit berecht wordt, is eenvoudigweg grotesk.
Dirk
Verhofstadt zal zoveel barbarij
waarschijnlijk niet snappen. Voor hem was de reactie van de zichzelf verwerende
frituurmadame waarschijnlijk al op ’t randje.
Waarom liet ze zich niet gewoon bestelen, om nadien de politie te bellen en te
gaan wenen bij slachtofferhulp, zoals de spelregels het voorschrijven?
Toch zal de actieve roep naar gerechtigheid steeds sterker doorklinken, tegenover
het geritsel van de tonnen dossiers die in de kelders van de justitiepaleizen op
verjaring liggen te wachten. Het Romeinse recht-van-de-kleine-lettertjes,
waardoor juridische spitstechnologie kan worden bovengehaald voor diegenen die
de sluwe advokaten kunnen betalen, is ten dode opgeschreven, samen met heel de
architectuur waartoe het behoort.
Ziezo, ons pakje friet is op. November bleek een mysterieuze vrouwenmaand, zo vertellen de kleine berichten. Achter de waan van de dag, Al Gore, de boekenbeurs-hysterie, het federale begrotingsgeknoei en Volkswagen-Vorst, was de Nachtschade nooit ver weg. De waarheid komt niet uit een geweerloop, zoals Lenin stelde, en evenmin uit een boek, of nog minder uit een vakbondsmegafoon, maar uit een frituurschepper,- op onverwachtse momenten, waar kleine groepen en individuen de angstlogica doorbreken en de verlammende netwerkstaat ontwrichten. On-progressief en a-centrisch. Klein, subtiel, discreet.
Toen ik Alice tenslotte vroeg om een foto van haar te maken, lachte ze guitig en ging de frietschepper weer onheilspellend in het vet: tijd om me uit de voeten te maken. Haar verrukkelijke, licht-zurige mayonaise daarentegen tintelt nog steeds op het puntje van mijn tong. ■