
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

Is
er cultuur voorbij het Wow-effect?
Kritische achtergrondreflecties op het Bamford-rapport
Johan Sanctorum
1/12/2007
De
tempels van Abu Simbel in Egypte, de Gilles van Binche, het operagebouw van
Sydney, de scheepslift van Strépy bij La Louvière, de binnenstad van Firenze, de
partituur van Beethovens 9de symfonie… wat hebben ze gemeen? Juist,
ze behoren tot de wereld-erfgoedlijst van de UNESCO, het culturele departement
van de V.N.
Nu ja, de compleet nutteloze en meestal defecte scheepslift van Strépy kwam er
door de Belgische wafelijzerpolitiek en schittert veeleer als surrealistisch
meesterwerk dan als wonder van technisch vernunft. En het is de Beethoven-partituur
die de eer te beurt viel, het hoopje papier dus dat zich in de Staatsbibliotheek
van Berlijn bevindt, niet de muziek zelf. En voor we het vergeten: het
tempelcomplex van Abu Simbel werd in de jaren ’60 helemaal afgebroken en
hogerop herbouwd –het allereerste UNESCO-project overigens-, omdat president
Nasser zonodig de Aswandam op die plek wou bouwen. Ecologen zijn het er
ondertussen over eens dat dankzij dit project heel de Nijldelta binnen een paar
honderd jaar een woestijn zal worden. Kleinigheidje over het hoofd gezien. Maar
de gelifte tempels vormen vandaag wel een toeristische toplocatie: "business as usual".
Wat wordt er gered en wat gaat er teloor? Het loont de moeite om na te gaan,
op welke definitie van ‘cultuur’ heel die postmoderne wereld-erfgoedgedachte steunt. En hoe
die visie binnensijpelt in onze eigen kabinetten van cultuur en onderwijs.
Cultuurglobalisme en vermarkting: een kwestie van smaak
De indrukwekkende UNESCO-lijst van beschermde
monumenten is ongetwijfeld door nobele bedoelingen geïnspireerd: wie zou nu het
carnaval van Binche o
f de binnenstad van Florence willen missen. We hebben
nood aan bakens, rituelen, herkenningspunten, al was het maar om ergens over te
kunnen praten. Toch overvalt me een gevoel van ondraaglijke lichtheid, als ik die
immer aanzwellende erfgoedlijst overloop.
Ze doet zich namelijk voor als een toeristische cataloog, waaruit we vrijblijvend een bestemming kunnen plukken, zoals we een paar sokken of een GSM uitkiezen. Ze nodigt ons uit om deze planeet te herkoloniseren, alles is van ons, zonder dat we met de plek of het ding verder enige relatie hebben. De Gilles van Binche maken geen locale volkscultuur meer uit, vol tamelijk subversieve of zelfs obscene rituelen. Neen, ze zijn mondiale folklore geworden, het collectief bezit van elke hond met een fototoestel.
In een sneltempo wordt de planeet één groot themapark, een kakelbont cirkus van instant-beschikbare attracties en hot spots, maar verder dan de façades geraak je nooit. Zonet viel al het woord ‘postmodern’: in de postmoderniteit wordt engagement (diepe betrokkenheid, fundamentele keuzes) vervangen door momentane sensaties. De sterkste prikkel van het moment bepaalt het steeds veranderende blikveld. Alles wordt lichtvoetig en vrijblijvend, elke vorm van onrust wordt onderdrukt, de ironie is overal. Ervaringen worden snel en vluchtig, het moet rap gaan want telkens we één bestemming kiezen, missen we 999 andere. We hossen van Firenze naar Sydney, en dan naar Manneken Pis, en dat alles opgeluisterd met een streepje Beethoven dat uit onze I-pod komt.
Zo leidt de universele toegankelijkheid van het wereld-erfgoed op een bizarre manier tot banalisering en “Gleichschaltung”: alles is zichtbaar, maar niets beklijft; alles en iedereen is verschillend, maar niets of niemand uniek. We vinden onszelf ‘cosmopolitisch’, -wereldburgers-, nooit was de planeet zo klein, maar het aantal plekken dat echte verwondering teweeg brengt, daalt zienderogen. In de plaats van de ontdekking en de verwondering, komen de overrompeling, de sensatie, en de kick.
Deze geboorte van de mondiale pretparkcultuur kan niet los gezien worden van de economische globalisering, het ontstaan van een wereldmarkt waarin alles en iedereen te koop is aan de prijs van de dag. Cultuur is niet langer een stoorzender, een bron van onrust, een spelbederver, of iets dat afstand neemt van het geheel,- het is gewoon één afdeling van de grote hypermarkt, ergens nabij de kassa, waar de files ontstaan en men tijdens het wachten nog dingen meegraait die men eigenlijk niet nodig heeft.
Hier kan werkelijk alles: naast het hoger geciteerd werelderfgoed, ook nog een beschilderd varken, een strontmachine, of de close-up video van een vrouw die klaarkomt. Er is een enorme vrijheid van artistieke expressie, maar op ’t einde moet alles afgerekend worden: cultuur is een product zoals een ander. Daarom nemen cultuurhuizen nu een communicatiemanager of, godbetert, een marketeer in dienst: het product wordt een ‘merk’, met een verpakking, een doelgroep, en een huisstijl. Kwaliteit wordt op een vreemde manier gelijkgesteld aan het vermogen tot zelfpromotie,- vele hedendaagse kunstenaars hebben aan het woord creativiteit een nieuwe invulling gegeven en zijn ondernemers geworden.
In een laatste fase wordt de vermarkte
‘cultuurindustrie’ gewoonweg door het economisch systeem ingepalmd, om te
bewijzen hoe goed dat systeem wel functioneert.
Cultuur moet dan, met de vrolijke onernst die haar eigen is, mensen de illusie te
geven dat ze hun identiteit vrijblijvend kunnen opbouwen via het zappen,
shoppen, en sprokkelen van gadgets: het is allemaal een kwestie van smaak,
zoals minister Anciaux heel goed heeft ingezien. Wordt het de rose slip of de zwarte string?
Mozart of Clouseau? Goethe of Goedele Liekens? Rosbief of Noordzeetong? Firenze
of Sydney? Mensen worden aangemoedigd om zich via keuzemenu’s te onderscheiden,
net opdat ze zich beter zouden integreren in het wereldwijde spel van vraag en
aanbod, productie en consumptie. Wie niet kiest, participeert niet,
dus wordt ons constant gevraagd om te kiezen, ook al gaat het om compleet
onbenullige kwesties: het is de cultuur van de rode versus de groene yoghourtpotjes en de vijfenzeventig vruchtensmaken.
Diversiteit – hét grote fetisjwoord in deze kleurrijke samenleving- gaat dus vooral over de verleiding van het uitstalraam en de onmogelijkheid om eraan te weerstaan. We moeten het gevoel hebben dat we kunnen kiezen en dat er voortdurend nieuwigheden opduiken die zich aan ons smaakoordeel onderwerpen, zodat we gaandeweg ons virtueel privé-universum kunnen uitbouwen. Het nieuwe wordt daarom geïnstitutionaliseerd (‘innovatie’), het floept constant op, als een pop-up in een PC-scherm. Het aanbod is zo duizelingwekkend en biedt ons zoveel keuze, dat we er zelfs niet aan denken om de stekker uit te trekken om ons te bezinnen. Het kiezen en shoppen wordt een tic, voor sommigen zelfs een verslaving. De homo zapiens is een feit. Hij is solitair, trendy, nieuwsgierig, zonder ook maar ergens aan te blijven plakken.
Zo wordt cultuur het grote glijmiddel, in plaats van de kleine zandkorrel in de machine. Ze heeft zich in de markt genesteld, en werd vervolgens herleid tot muzikaal behang (muzak) van die hypermarkt. ‘Kansarmoede’ is hier gevaarlijk en wordt bestreden. Niet uit een elementair rechtvaardigheidsgevoel, maar omdat het niet-participerende niet-consumenten creëert, restafval dat wel eens een écht alternatief zou kunnen ontwikkelen. Participeren is dus de boodschap, het is haast een morele plicht. . Mensen die niet meedoen zijn onderontwikkeld of kwaadwillig, of beide: ze moeten (her)opgevoed worden. En dat gebeurt ook constant, via de media-industrie.
Want uiteraard spelen de massamedia in dit alles een sleutelrol. Zij hebben de facto het pedagogisch project compleet overgenomen,- scholen zijn hooguit nog diplomafabrieken of bezigheidsateliers. De media bepalen wat we zien, horen, voelen: ze determineren ons bewustzijn. Ze filteren de iconen, orchestreren de diversiteit en organiseren de zapcultuur. Wat dan weer de verkoop van nieuwe, nóg betere en nóg plattere TV-toestellen bevordert: het globale plaatje klopt altijd...
De ‘wow’-factor: kunst, creativiteit en gelukshormonen
Dat brengt ons bij het onderwerp ‘cultuur en
pedagogie’: de eigenlijke rode draad van dit verhaal. In
2006 publiceerde de Australische professor Anne Bamford haar UNESCO-studie ‘The
Wow Factor: Global research compendium on the impact of the arts in education’.
Wereldwijd licht ze daarin de relatie door tussen cultuur en
onderwijs, wat haar ook in Nederland en Vlaanderen overheidsopdrachten
opleverde. Dat leidde bij ons tot het rapport ‘Kwaliteit en consistentie -
Arts and Cultural Education in Flanders’´ (sept. 2007), besteld door
minister Frank Vandenbroucke.
En wat blijkt? Anne Bamford is niet mals voor het Vlaamse kunstonderwijs, noch voor de manier hoe cultuur ingebed is in het pedagogisch systeem. Cultuur is bij ons te weinig een gemeengoed, het onderwijsaanbod is versnipperd, er zijn geen eenvormige doelstellingen, het deeltijds kunstonderwijs is te marginaal. Zonder twijfel is haar analyse op zich ten dele correct. Ook al blijken haar evaluatiemethodes slordig (zie "interessante links" onderaan). Mij gaat het echter als cultuurfilosoof vooral over wat ‘cultuur’ volgens Mevr. Bamford eigenlijk is, waar het vandaan komt en waarvoor het dienen moet; die discussie is niet uitgeklaard en wordt zelfs tamelijk nonchalant onder de mat geveegd, zoals ik mocht meemaken na haar lezing in Gent op 23 november j.l.
Professor Ba
mford gebruikt graag het woord ‘creativiteit’. Begrijpelijk,
het is een woord met een enorme positieve connotatie, maar het is jammer genoeg, zoals meer van die woorden, een containerbegrip,-
het betekent namelijk alles en niets. Men kan
creatief zijn in het schrijven van symfonieën, het nabouwen van de Eiffeltoren
met lucifers, het bakken van appelcake, het ontduiken van belastingen, of het
bouwen van concentratiekampen. Creativiteit is m.a.w. maar de neerslag van een
hersenactiviteit, die op zich wel bewijst dat we niet dood zijn, maar waaraan
toch parallelle processen rond zingeving en
bewustwording dienen te worden gekoppeld. Vragen zoals ‘Waar zijn we mee
bezig?’.
Het probleem voor Anne Bamford is dan, dat deze inhoudelijke peiling de leut soms tamelijk verstoort: mensen die nadenken of het zelfs onderling oneens geraken, lachen zelden uitbundig; terwijl ‘creativiteit’, zo leren ons vandaag 1001 boekjes uit de welzijnssfeer, nu net dient om het gelukshormoon vrij te maken, de zgn. endorfines. Het zijn antidepressieve stoffen die een euforisch gevoel opleveren (naar ’t schijnt hebben chocolade eten of sporten hetzelfde effect). Dat maakt onze stoute opmerking over de symfonieën en de concentratiekampen natuurlijk zinledig: creativiteit dient gewoonweg om onze eigen individuele gelukzaligheid te creëren, en dat kan in principe met beide. ‘Wow!’ is dan de diepe zucht van voldoening, eens het ei gelegd en het hormoon vrijgekomen. Alles draait rond (zelf-)beloning; honden krijgen een koekje, wij produceren endorfines, zo simpel is dat.
Nu is de term ‘Wow’-factor géén vondst van Anne Bamford.
Hij is nl. al sinds de jaren ’90 een tamelijk verbreide term in de wondere
wereld van marketing, H.R.-management en bedrijfspsychologie. Hij verwijst naar
positieve groepsattitudes en de rol die artistieke expressie daarin kan spelen.
Het goed gevoel dus: in elke professioneel georganiseerde
team-building-sessie van een bedrijf komen op een bepaald moment de trommels,
bellen en tamtams boven, om de werknemers deelachtig te maken aan de leut van
het samenspel, zodat ze harder werken, minder zeuren en meer zeep verkopen. '
Wow!' betreft dan het hallelujah-gevoel van voldoening, na een geslaagde séance. Het kost de werkgever een pak geld, zo'n endorfine-sessie, maar de investering is zo terugverdiend omwille van de positieve nawerking: op de werkvloer wil nadien iedereen die hormonale opstoot constant herbeleven door hard en supercollegiaal te presteren. Daar zijn boeken vol over geschreven van allerlei marketinggoeroes, die zich linken aan tamelijk mistige theorieën rond synchroniciteit, synergie en telepatie, verwijzend naar parapsychologie, antroposofie, Zen-boeddhisme, en het hele pseudo-religieuze New Age-zootje. Dus daar dienen die endorfines uiteindelijk voor: zelfs niet om ons gelukkig te maken, maar om kritische afweermechanismen te blokkeren. Het is een vreemd gevoel, om deze logica dan doorgetrokken te zien naar de wereld van cultuur- en kunsteducatie…
In haar boek ‘TheWow-factor’ wordt de gelukstraining dankzij UNESCO op planetaire schaal georganiseerd. Haar insteek is glocaal: een globaal concept, met een marketingstrategie die oog heeft voor locale folklore, zoals men bij McDonalds ook de streekgebonden hamburger heeft ontdekt, volgens het principe ‘Think global, act local’,- een leuze die naar het schijnt al in de jaren '80 door de electronicagigant Sony werd gehuldigd. Het is de ultieme strategie van de geglobaliseerde markt: consumenten de indruk geven dat locale verschillen ("eigenheid") belangrijk zijn, terwijl alles in feite geregisseerd wordt vanuit de head quarters in New-York, London of Tokyo.
Om die eenheid-in-verscheidenheid te organiseren, dienen alle landen dus een inventaris (daar gaan we weer, de lijstjes…) op te stellen van nationale icons waarrond blije inwoners zich kunnen scharen. Zo ontstaat er een spiraal van lichte euforie ("Wow!"), een ketting van lokale hogedrukgebieden die samen het permanente mooie weer op deze planeet moeten vormen.
Voor Senegal hoort bv. haarvlechten tot deze culturele waslijst. Senegal,… is dat niet zo’n doodarm land waar de Europese boeren hun melkoverschotten dumpen en de lokale landbouw ontwrichten, zodat de geruïneerde Senegalezen als dode bootvluchtelingen aanspoelen? Ach, dat zijn toch weer van die muggenzifterijen, waarschijnlijk veroorzaakt door een endorfine-tekort. Kunnen de vrouwen toch lekker haarvlechten ergens nabij een stukje werelderfgoed, terwijl de werkloze boeren als nep-krijger poseren ten behoeve van safari-toeristen! Voor Nederland kan men niet buiten Spinoza, de hunnebedden, de kroket-uit-de-muur en wellicht ook de sexshops; voor België (of wordt Vlaanderen als een volwaardig cultuurgebied beschouwd?) zou dat o.m. het Westvleteren-bier, Rubens en de dorpsfanfares opleveren, naast uiteraard het recept voor Gentse Waterzooi. Een speciale commissie van experten moet deze canon opstellen, maar het kan natuurlijk ook ludieker, via een variatie op de ‘bekendste Belg’-verkiezing, televoting of zoiets.
Hoeft het gezegd dat deze ‘goed-nieuws-show’, zoals de
Nederlandse cultuurcriticus Folkert Haanstra (2) het noemde, voorbijgaat aan iets essentieels,- namelijk het
niet-universeel karakter van cultuur of subcultuur, en de
daaraan onverbrekelijk verbonden fenomenen van dissidentie en marginaliteit?
Cultuurbeleving is niet braaf, gewillig
of gezellig, of wow, hoe graag Frank Vandenbroucke en Bert Anciaux dat
ook zou willen. Ze is vooral problematisch, hoekig, particulier, soms lelijk, asociaal,
bevreemdend,- een hobbelige zoektocht naar identiteit, en liefst niet via
geprefabriceerde ‘icons’.
Heeft creativiteit te maken met samenhorigheid? Allicht wel. Maar dat is slechts een deel van het verhaal. Is kunst een sociaal fenomeen? Ongetwijfeld, maar net niét daar waar ze spraakmakend, controversieel, grensverleggend werkt, en ons wakker schudt. Zoals de foto's waarmee de Iraanse fotografe Sooreh Hera de goegemeente verontrust: niet-universele, incorrecte iconen die werken als splijtzwammen. Niet om haat op te wekken, wel om zekerheden onderuit te halen. Dit ontlokt natuurlijk geen éénstemmige Wow-commentaren of de afscheiding van het gelukshormoon. Maar ik zou me wél gelukkig prijzen, mocht ik zoiets als leraar plastische kunsten op mijn bord krijgen.
“De ontbonden fietser”: close-reading van een niet-kunstwerk
Conclusie:
het rapport van prof. Anne Bamford, omtrent kunst- en cultuureducatie in
Vlaanderen, wijst ons wel op een aantal organisatorische knelpunten, maar roept
grote vragen op inzake de politiek-maatschappelijke en filosofische achtergrond
van de auteur. Ze wil vooral dingen doen ‘klikken’ en netwerken doen
functioneren; ze is geobsedeerd door maakbaarheid, en vertrekt van een centraal
sturingsmodel, dat ons Vlamingen alleszins niet ligt. Autonomie is voor haar een
onbekend gegeven, als het verder reikt dan de ‘kleurige noot’. Kritisch inzicht
kan, als het maar niet ontaardt in dissidentie. Ze houdt van
diversiteit, zolang de locale momenten maar kunnen teruggekoppeld worden naar
het globale netwerk, dat bureaucratisch gesuperviseerd wordt.
Al te sterk heb ik bovendien de indruk dat Professor Bamford ‘creativiteit’, in de postmoderne Angelsaxische stijl, opvat als het vermogen om zich in de hoogtechnologische, competitieve samenleving te integreren. Dat zegt ze ook uitdrukkelijk in een interview: kinderen moeten opgevoed worden tot enthoesiaste werknemers. Ze wil, in het kader van het gelijke-kansen-principe, iedereen laten participeren aan een spel, waarvan de spelregels echter zelf niet in vraag kunnen gesteld worden, want dat wekt onrust en doet de machine haperen. Minister Bert Anciaux bespeelt dat thema al jaar en dag, en ziet, helemaal in de oude lijn van de Vlaamse volksverheffing, cultuur als geluksbrenger en motor van ‘sociale cohesie’. ‘Deze goed-gevoel-cultuur dient dan vooral voor de stimulering van productiviteit,- terwijl de Belgische werknemers al een van de hoogste productiviteitscijfers ter wereld hebben, maar jammer genoeg ook de meeste burn-outs na de 40, het hoogste verbruik van anti-depressiva, en het op-een-na hoogste zelfmoordpercentage van Europa. Het opgewekte geluksgevoel is dus nogal kortstondig van duur.
Nu zult U zeggen: allemaal goed en wel, die kritiek, maar toon
ons eens een alternatief, geef ons een voorbeeld van een ander soort
cultuurbeleving en creativiteit in de pedagogische context. Uiteindelijk heb ik de
sterkste kritiek op de visie van Anne Bamford gevonden op een
plek waar men die niet zou verwachten.
Op het kaft van haar studie ‘Kwaliteit en Consistentie’ prijkt een foto van ‘de ontbonden fietser’, gemaakt door pupillen van ‘De Horizon’, een Aalsterse basisschool voor buitengewoon onderwijs. Het gaat om licht mentaal-gehandicapte kinderen tussen 6 en 12. ‘De ontbonden fietser’ is een sculptuur, bestaande uit een totempaal, waarin fietsonderdelen zijn verwerkt. Hij is gesigneerd met allerlei graffiti die hun geheim niet zomaar lijken prijs te geven. Het achterwiel is vervangen door twee schoenen die tegen de rijrichting van de fiets staan. Het geheel geeft een antropomorfe gestalte: zonder twijfel is deze totem tevens een ‘golem’, een bezielde pop zoals kinderpsycholoog Peter Adriaenssens hem omschrijft: ‘…een helper die leeft. Bij daglicht is hij een beeld, bij nacht leest hij wat men hem toevertrouwde, en gaat hij op bezoek in de gedachtenwereld van de afzender.’
Dit blijkt dus niét over het wow-effect of over collectieve euforie te gaan, maar eerder over bezinning en introspectie binnen een kring die zich niet hoeft af te vragen, hoe nuttig ze is voor de samenleving (het zijn toch ‘maar’ mentaal-gehandicapten, niet echt van vitaal belang voor de arbeidsmarkt). Het proces is hier belangrijker dan het resultaat, iets wat John Cage in de jaren ’60 al naar voor bracht: het kunstwerk is maar een residu, de echo van een spiritueel gebeuren. De totem is dus eigenlijk géén ‘kunstwerk’, geen product voor de cultuurmarkt, en evenmin een resultaat van bezigheidsterapie voor mindervaliden. De ‘ontbonden fietser’ is een zelf-gecreëerde bewaarengel (‘demon’) waarmee de makers een absolute vertrouwensrelatie hebben, die ook hun zelfrespect uitmaakt. Deze figuur dient dus niet om door ons en iedereen gelezen te worden, hij is géén schakel in een groot netwerk. Hij hoort tot de magie van een interne keuken die maar af en toe met bevoorrechte buitenstaanders wordt gedeeld. Op wat er binnen zo’n kring gebeurt, tijdens de “totemmomenten”, hebben richtlijnen nauwelijks vat,- hooguit kan het systeem ze proberen te recuperen.
En belangrijk: wanneer de golem is uitgewerkt, heeft hij ook geen reden van bestaan meer,- hem conserveren heeft geen zin. Het proces is immers belangrijker dan het resultaat: het kunstwerk is maar een afvalproduct, de echo van een spiritueel gebeuren. Het is misschien zelfs beter en veiliger om de sporen van die groepsmagie te laten verdwijnen. Toch staat het ding nu als trofee te kijk op het kabinet van Frank Vandenbroucke, “where national and international visitors often look at it in sheer admiration”, zoals de minister in het voorwoord op de Bamford-studie schrijft. Wow! Weer een bijdrage aan het Wereldmuseum van het Goed Gevoel.
Hoe is die Ontbonden Fietser vanuit Aalst trouwens in Brussel terecht gekomen? Ik vroeg het aan Joke Huysmans, die het project coördineerde: via de E-40 natuurlijk. En eigenlijk ook een beetje als een practical joke, om niet te zeggen een fuck-you-gebaar vol ironie: toen de totem was uitgewerkt en hij de kelder niet in kon wegens plaatsgebrek, verzon iemand de grap om hem aan de minister van onderwijs kado te doen.
Het ministerieel kabinet als magazijn voor afgedankte golems: ik kan me moeilijk een sterker gebaar voorstellen tégen de cultuur- en onderwijsbureaucratie. Meer en meer heb ik trouwens het gevoel dat musea containerparken zijn, stortplaatsen van objecten, die ooit een rol hebben gespeeld in een boeiend wordingsproces, tot ze, bij wijze van grap, als ‘kunstwerk’ de openbaarheid indoken. Minister Vandenbroucke aanvaardde de Aalsterse carnavalgrap dus in dank, en maakte er een publiek garnituur van, iets dat illustreert hoe goed hij wel bezig is. En zo is iedereen tevreden: de minister heeft er een kunstwerk bij, ‘De Horizon’ uit Aalst is van zijn groot vuil af. Er werd me verteld dat zelfs kunstpaus Jan Hoet al kwam kijken of hij hier niks kon gebruiken: hij werd vriendelijk ontvangen en dan wandelen gestuurd...
De moraal van dit verhaal is essentieel voor wie met
cultuurpedagogie begaan is: sterke momenten ontstaan uit zichzelf en staan op
zichzelf,- ze worden zwakker door betutteling, pampering, poging tot ïntegratie,
educatieve richtlijnen, UNESCO-studies.
Sterke momenten zijn
onvoorspelbaar en creëren hun eigen duur. Ze hangen af van individuen en hun
interactie, niet van structuren. Ze spelen zich in een gesloten kring af,- het
zijn echte eilanden van kwaliteit,- ‘isolated islands’,
zoals Professor Bamford ze nogal smalend betitelt. Men kan de partituur van
Beethoven’s 9de in een gouden schrijn als erfgoed tentoonstellen,
maar de symfonie bestaat enkel tijdens de duur dat iemand ze speelt en iemand ze
hoort, en de vonk die soms heel even overspringt. Men kan de Gilles van Binche
(of die van Aalst…) op sterk water zetten, maar niet het gerinkel van hun
makabere outfit, en de obscene verhalen erachter Men kan de Ontbonden Fietser op
het kaft van een ministeriëel document afdrukken, maar hij is, zoals de titel
het zegt, allang ontbonden, verdampt, ergens op de weg tussen Aalst en
Brussel,- hij is ons, in zijn oneindige traagheid, steeds te snel af.
Tot slot nog een klein citaat uit een recent interview met Anne Bamford, verschenen in het speciaalnr. van Courant, een uitgave van het Vlaams Theater Instituut. Op de vraag, welke grote uitdagingen zij ziet voor het onderwijs van de toekomst, antwoordt zij o.m. dit:
“Op het internet besteedt een kind negen seconden aan één screen. Dat betekent dat in de klas ook de leraar eigenlijk maar negen seconden heeft om hun aandacht vast te houden.”
Dat vind ik een opmerkelijke redenering. De negen-seconden-regel van het surfen aanhouden als limiet voor de aandacht die een leerkracht mag genereren. Het is zonder meer een zwaktebod, misschien zelfs een capitulatie van cultuur tegenover economie. Het zijn dan inderdaad maatschappijen zoals Google en Microsoft, de cenakels in London en New-York, die bepalen hoe lang iemand zich op een tekst, een beeld, een stuk muziek zich kan en mag concentreren. Negen seconden, dat zijn niet eens de openingsmaten van Beethoven’s vijfde. Zelfs een reklamespot duurt langer. Terwijl ik een kind van acht al met open mond een uur heb zien kijken en luisteren naar een opera-dvd.
Hier klopt dus iets niet. Misschien zijn we wel juist op zoek naar traagheid en zogenaamde inefficiëntie, in de processen die met cultuur te maken hebben. Misschien hebben kinderen wel juist behoefte aan iets dat die negen-seconden-dictatuur overstijgt. Misschien is de verveling, die jongeren overvalt, wel meer een walggevoel tegenover de maatschappij van het snelle en het vluchtige, dan een verlangen naar de snelle kick.
De
‘ontbonden fietser’ is voor mij dan ook een ode aan de traagheid, een absolute
negatie van de surf- en zapcultuur. Maar ‘traagheid’, die in onze cultuur dikwijls met luiheid, achterlijkheid, of
gewoonweg tijdverlies (de files!) wordt verward,
is enkel mogelijk binnen een gecreëerde
enclave, een vluchtheuvel, dissidente ruimtes met eigen en andere spelregels,-
iets waar heel “Emile ou de l’éducation” van J.J. Rousseau aan gewijd is.
Traagheid ontstaat daar, waar het proces belangrijker wordt dan het resultaat, en de duur ons meer interesseert dan het einde, zoals bij een goede vrijpartij. Het is de vervorming van de tijd, een moment van slappe horloges waar economische wetmatigheden van geen tel meer zijn. In deze momenten van creativiteit vervullen zowel de totem als de golem een prominente rol. Ze wijzen essentieel naar de binnenkant van de kring, vragen een inspanning van de buitenstaander, en leggen drempels aan die de toegang vertragen… zodat die initiatie een belevenis op zich wordt.
Het totembegrip van cultuur maakt het mogelijk dat met zorg gekozen ‘eilanden’ zelf een proces van zingeving uitwerken, buiten de krijtlijnen van het systeem en zijn instellingen om. Dat kan een vriendengroep zijn, een klas, zelfs een groepje spijbelaars. De vraag is, welke politicus… of onderwijsminister dààrmee kan leven.
De vraag is tenslotte vooral: welk soort wereld willen wij onze nakomelingen, leerlingen, pupillen, nalaten. Een vraag zonder pasklare antwoorden, maar ze dient wel gesteld, altijd opnieuw. En ik denk dat de pur sang-leerkrachten, diep in hun binnenste, misschien zonder het te beseffen, die vraag steeds weer stellen, als ze het klaslokaal binnenkomen. Cultuureducatie, als oefening in traagheid, die haast uitsluitend vraagtekens oplevert. Het opnieuw leren luisteren naar bijna-stilte. In een wereld vol uitroeptekens, is dat, denk ik, een verademing. ■
Interessante links:
(3) Internetforum 'Cultuur en onderwijs' van het Vlaamse Ministerie voor Onderwijs en Vorming