VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels               Deze tekst in PDF-formaat             Reageer


 'Met onze God valt er tenminste nog te discussiëren'
 

   De laatste kruisvaarders maken zich op voor een theologische contre-attaque.

 Johan Sanctorum

  12/2/2008

 

 

Op 2 februari j.l. verscheen in De Standaard onder de kop ‘Bericht aan weldenkend links’ een curieus stukje van de hand van twee notoire penneridders: Benno Barnard en Geert Van Istendael. Naar aanleiding van het ‘hoofddoekendebat’ trekken de auteurs van leer tegen de fundamentele onverdraagzaamheid die van de Islam uit gaat, iets waar ze volledig gelijk in hebben, zie ons essay ‘De weg naar Mekka loopt dood’. Merkwaardig is echter de nostalgische toonzetting van hun artikel, en het centrale idee dat Europa om zeep gaat omdat het zijn eigen religieuze tradities verloochent, meerbepaald “het protestantisme en het jodendom, met hun traditie van dialectiek en zelfstandige tekstinterpretatie”.
Op het opiniestuk werd vervolgens door datzelfde ‘weldenkend links’ met losse flodders geschoten, het ene al clichématiger dan het andere, met als triest dieptepunt het scheldproza van Prof. Dr. Herman De Ley, in mijn studententijd een rabiate Marxist waarmee nauwelijks een normale discussie te voeren viel, en nu promotor van de sharia in ons rechtssysteem.
Ik ga nu even voorbij aan de rommelige opmaak van het duidelijk veel te snel geschreven stukje: het op een hoopje gooien van de Bijbel, de Verlichting en het Westerse tolerante denken, versus de vrouwelijke hoofddoek, de “Insjallah!”-kreten en de dromen van Adolf Hitler die Al Quaeda zouden geïnspireerd hebben,- subtiel is het niet. Soit, in een schrikkeljaar waar carnaval op Lichtmis valt en de 1ste mei op Hemelvaart, moet men ook inzake logica enige verdraagzaamheid opbrengen. Ik wil al deze onverlichte, krakkemikkige ezelsbruggen dan ook laten voor wat ze zijn, om direct naar de clou te gaan, waar de schrijvers wél een punt hebben. Sluimeren de genen van het Judeo-Christianisme in ons collectief onderbewustzijn? Rukt de Islam op, omdat wij dat erfgoed miskennen? Zal ik dan toch maar mijn al zolang uitgestelde Plechtige Communie doen?  Een poging tot zelfstandige tekstinterpretatie.

 

In de naam van de vader

Met nostalgie is op zichzelf niks mis. Geert Van Istendael heeft het tot zijn handelsmerk gemaakt, en zweert bij alles wat zweemt naar voorhistorische karkassen, 19de eeuws oudijzer en vergeelde foto’s. Dus ook Oud-Europa, Oud-België, en wellicht Latijnse missen, waarom niet.  Maar de Amsterdamse dichter-essayist Benno Barnard, in Vlaanderen neergestreken om ons bij te staan in de strijd tegen extreem-rechts,- geeft aan die nostalgie nog een andere dimensie, en maakt er een politiek-filosofisch stootkussen van, met een religieuze vulling. Hij poneert daarin onomwonden de goede ‘God van Abraham en Jezus’ tegenover die slechterik van een Allah. Immers, “…het allerfundamenteelste verschil bestaat in de theologische kern: de god van Abraham en Christus is onderworpen aan de gerechtigheid. Hij kan zelfs debatten met zijn schepselen verliezen; en dat gebeurt dan ook in allerlei vaak grappige passages in de Bijbel en de talmoed.”

De “theologische kern”? Dat zowel Filip Dewinter als Georges Bush jr. zich pogen aan te schurken tegen Christelijk-conservatieve én Joodse invloedssferen en het daaraan verbonden kiestpotentieel, is de politieke logica zelf. Maar op zich is het toch wel vreemd dat een verlichte geest, die zich uitdrukkelijk op de lekenstaat beroept, de Islam met theologische argumenten gaat bestrijden. Daarmee suggereert de auteur in de eerste plaats dat het vrijzinnig denken mank loopt en geen echt antwoord kan bieden op de uitdagingen van deze tijd. Terwijl antropologen als Dawkins nu net het religieuze ‘virus’ aanwijzen als hét element van zelfvergiftiging in het cultuurhistorisch proces,- wat hem de banbliksems opleverde van zowat alle religieuze bewegingen.

Godsdienstoorlogen draaien in hoge mate rond semantische kwesties. Is er wel zo’n groot verschil tussen de Hebreeuwse God, de Christelijke, en Allah, afgezien van hun karakteriële eigenaardigheden? Gaat het niet in essentie om een ordenend en sturend Opperwezen, waarvan het signatuur in de schepping blijft doorwegen? Fundamenteel herken ik in Barnard’s discours een pleidooi rond een issue waarvan ik dacht dat het al eeuwen achter ons lag, namelijk de naam van de Goddelijke Almacht. Want after all is dit natuurlijk een Byzantijnse discussie, en is het kiezen tussen God A en God B iets als kiezen tussen de pest en de cholera. Althans voor een cultuurloze heiden als ondergetekende. De theologische clash tussen de drie grote rivalen, die elk moment in een echte wereldbrand kan omslaan, moet daarom in een antropologisch kader geplaatst worden. Geen godsdienst, maar godsdienstwetenschap dus. Een verbijsterend verhaal over illusies, illusionisme en machtswellust, zo blijkt.

In onze eigen “Mekka”-tekst van Januari 2008 distantieerden we ons fundamenteel van de Islam, als de jongste uitloper van een monotheïstische onderwerpingsgedachte, die achtereenvolgens gestalte kreeg in het Judaisme, het Christendom en tenslotte de Islam zelf. Nieuwe profeten brengen oude verhalen, maar veroorzaken ook schisma’s, omdat een ééngodsdienst nu eenmaal geen twee gestalten van de Oppermacht duldt. Historisch zijn ze met elkaar verbonden, theologisch zijn het concurrenten, politiek blijken het rivalen op leven en dood, want wie is nu de enige echte, de Hebreeuwse Elohim, onze Christelijke God, of Allah? Het valt daarbij op dat de Islam de waarheid claimt omdat hij de ‘jongste openbaring’ bevat, terwijl de Joodse godsdienst net zijn superioriteit tracht te bewijzen met een ouderdomscertificaat. Het moderne Christendom zit er precies tussen in, en schippert, wikt, rationaliseert, negocieert.

Intrinsiek blijkt het in het monotheïsme hoe-dan-ook te gaan om meta-politieke projecties: de Almacht, welke zijn naam ook weze, is een afbeelding van de aardse macht (hoewel het uiteraard omgekeerd wordt voorgesteld). Historisch is de ééngod-religie altijd al verbonden geweest met het machtsdenken en het verlangen naar alleenheerschappij van wereldlijke heersers,- te beginnen met farao Achnaton, die omstreeks 1350 v.C. met de anarchie van het oude polytheïsme wou afrekenen. Dat heidense veelgodendom deugde niet, omdat het de ontwikkeling van een sterke staat en een centraal gezag in de weg stond. En het is juist dat dit paradigma tot in onze moderne cultuur doorwerkt, maar dan vooral in negatieve zin: het Karolingische raison d’état, de nieuwe Euro-bureaucratie, het eenheidsdenken, het onderdrukken van verschillen, de institutionele overwoekering, , de druk op het individu en kleine groepen om zich te conformeren, de wetenschappelijke dogma’s (denk maar aan die Gentse professor Braeckman die 200.000 Euro krijgt om het scheppingsverhaal te lijf te gaan,- daarbij vergeleken is dat creationisme zelf maar folklore), enz. enz.

Aan het hof van die Achnaton leefde een zekere Mozes, door alledrie hogervernoemde concurrenten geclaimd als oerprofeet en absolute schriftsteller. Siegmund Freud heeft hem in ‘Der Mann Moses und der Monotheismus’ helemaal uitgekleed: het zou gaan om een sterke, intelligente persoonlijkheid die in de groep een sexueel monopolie afdwong (zoals sekteleiders vandaag nog altijd doen,- ook de historische Mohammed schijnt een enorme appetijt gehad te hebben). Hij werd vervolgens vermoord door een schare hormonaal opgejaagde jongelingen, en tenslotte uit schuldgevoel in ere hersteld. De monotheïstische cultus, als post-mortem-terreur van de gedode patriarch,- se non è vero, è bene trovato: godsdienst heeft met machtsverhoudingen, gezagscontinuïteit, troebele vader-zoon-relaties en met schuldgevoelens te maken, zoveel is zeker.

Op dit punt interfereert de Judeo-Christelijke apologie van Benno Barnard onvermijdelijk met zijn autobiografie: de domineezoon die met de bijbel opgroeide, zijn vader mateloos bewonderde, tot hij hem moest verlaten om mentaal te overleven. Vader is almachtig, intelligent, welbespraakt en onverdraaglijk. Tussendoor schemert ook een sexuele dominantie door (zie de anekdote waarin B.’s vader tegenover zijn zus briljante grapjes over een erectie maakt). Heel zijn schrijversschap is aan die Oedipale worsteling gewijd, zoals hij zelf herhaaldelijk in verschillende interviews bericht. Een interessante sleuteltekst is vooral zijn Huizinga-lezing ‘Tegen de draad van de tijd – de ware aard van Europa’, die hij vrijdag 13 (!) december 2002 gaf in de Leidense St. Pieterskerk. Het is een interessant document, zonder meer subliem en stilistisch meesterlijk, doordesemd van eruditie, maar vooral ook van respect voor de vaderfiguur, waarmee de schrijver doorheen het spreken en schrijven in het reine komt. Men kan moeilijk voorbij aan de analogie: de literaire dialoog met de omnipotente vader, en dat cryptische zinnetje in het Standaard-artikel dat er met ‘de God van Abraham en Christus’  best te praten valt. Barnard benoemt het ook als ‘het evenwicht tussen res publica en religio”,- zeg maar: een wapenstilstand tussen (verloren) zoon en vader, de wereld en God, de groep en de totem. 

De monotheïstische cultus, als post-mortem-terreur van de gedode patriarch: godsdienst heeft met machtsverhoudingen, gezagscontinuïteit, troebele vader-zoon-relaties en met schuldgevoelens te maken, zoveel is zeker...

Ik wil dit allerminst tot een Barnardiaanse familiekwestie herleiden. In tegendeel, in het geval van een boeiende, complexe persoonlijkheid als B.B.vind ik het de moeite om deze psychoanalyse te extrapoleren: trachten we niet allemaal met de macht in speaking terms te geraken,- onder de vorm van democratische principes, maar evengoed een wettekst, een boek lezen of schrijven? Cultuur op zich wordt dan een soort leniging van de patriarchale tirannie, onder de vorm van soms rationele, soms poëtische constructies. De zoon schrijft, maar vader leest mee over de schouder en houdt misschien zelfs zijn hand vast  (B.B.: Zoals mijn vader het placht uit te drukken: ‘Het heeft Onze Lieve Heer behaagd zich te openbaren in literatuur.’).

Daarmee valt het archaische gezag natuurlijk terug in de oude plooi, en lijkt Freud gelijk te krijgen: heel het wetenschappelijk denken, het institutionele kader van onze maatschappij, kunst in al zijn vormen, de status van de (schrift-)geleerde, de rabijnencultuur, de elites, de netwerken,- ze vormen allemaal aspecten van een halfslachtig compromis met de tiran, een sjachercultuur. Logos, het woord zelf is belast. We rationaliseren onze onvrijheid tot freedom of speech, en beseffen niet dat onze taal doordrenkt is van onderdanigheid. Het best kan men die attitude nog omschrijven als respect,- men vraagt ons ‘respect’ voor vanalles en nog wat, een soort verklede schuldcultuur waarin men zich constant moet excuseren of de andere wang aanbieden (in hogervermelde lezing pleit B.B. voor een Europese ‘schuldcultuur’…).

Tenslotte maakt de schrijver het Talmoed-vers  ‘Het geheim van de verlossing is de herinnering’ tot zijn lijfspreuk. In Freudiaanse termen betekent dat een rehabilitatie van de vermoorde vader,- een verzoening die onvermijdelijk ook verzaking, zelfbestraffing en onderwerping aan de tot systeem gestolde wetten betekent: het conservatisme eindigt altijd in conformisme. En bij deze politiek-reactionaire wending houdt mijn begrip op.

 

Ni père, ni dieu, ni mâitre : van Kant, over Nietzsche, tot Sartre

Het ‘hoofddoekendebat’ is dus maar een querelle onder hedendaagse schriftgeleerden. Het grootste culturele vraagstuk gaat er echter om, écht met de oervader af te rekenen, buiten het theologische kader. Dat is de finaliteit van het laicisme en meteen de ultieme zoektocht van de moderniteit: de terreur van het verleden, het uurwerk dat terugdraait, opheffen, door een moratorium in te stellen, vluchtheuvels en enclaves te creëren met een ander soort tijdrekening. Jahweh, God of Allah? Ik ben zo vrij mijn vaderloosheid in te roepen en voor de keuze te passen. De ‘dood van God’ gaat veel verder dan een vadermoord. Het is een logisch-existentiële uitsluiting. Het betekent dat we wel een biologische verwekker hebben, maar dat we de zoektocht naar wijsheid zonder hem moeten aanvatten, in wat men ‘de levensschool’ noemt. Erger nog: vader wijst ons een dwaalspoor, zijn instructies leiden ons naar de dood. In deze queeste naar betekenis en zin is elke vorm van autoriteit bijgevolg nefast en mis-leidend. Een verwerping van elk gezag is de enige redelijke consequentie: de school, de leer, het Boek en zijn literaire diaspora, de wetenschap, de wet, de maatschappelijke instituties, de staat,- en uiteraard de vaderfiguur in de n-de macht, God. De weigering van dit alles is niet eens een metafysische of een ethische of een politieke kwestie, maar een pure daad van zelfgenezing, een levensteken.

Daarmee heb ik in een notedop de kern van het 20ste eeuwse existentialisme geschetst, dat uit deze anti-traditie voortkwam: de dappere levenshouding van de verweesde mens die elke metafysische reddingsboei verwerpt. De echte wees is niet de zoon van een (ge-)dode vader, maar diegene die enkel een spermaleverancier als oorzaak van zijn bestaan kan aanwijzen (vrouwen en moeders komen in dit mythologisch-historisch drama niet voor). Ook dat existentialisme heeft natuurlijk zijn schriftstellers,- maar het zijn stiefvaders die we vrijwillig uitkiezen. Filosofen dus. Tijd voor een kleine wijsgerige excursie

In heel het dezer dagen veel geciteerde Verlichtingsverhaal –waarmee de 18de eeuwse politieke filosofen van de Franse Revolutie bedoeld worden, vooral J.J. Rousseau en Voltaire, gaat men achteloos voorbij aan de figuur van Immanuel Kant (1724-1804), die eigenlijk de relatie tussen religie en samenleving op de agenda had geplaatst. Hij is de allereerste moderne filosoof. Voor Kant was het duidelijk dat God in deze wereld niets te zoeken heeft,- erger nog: zijn schaduw vergiftigt ons kritisch intellect, hij moet dus ‘dood’ verklaard worden, niet één keer, maar telkens opnieuw, als een daad van zelfreiniging. Dat is een totaal ander spoor dan de Judeo-Christelijke schuldcultuur. Zelfs al had Hij de wereld geschapen, we zijn er niks mee, Hij kan onze levensproblemen niet oplossen, tenzij als waandenkbeeld en illusie. En als er één ding is, waar Kant korte metten mee maakte, dan wàs het illusie en zelfbedrog, wishfull thinking, het geloof als een soort remedie tegen de zinloosheid van het bestaan. Kniel neer", schreef Heine eens over Kant, "men brengt de sacramenten aan een stervende god."

Deze begrafenis-eerste-klas maakt de moderne taal tot medium van een godsvijandig uitdrijvingsritueel. Wat het aandeel ook zij van de patriarch in het ontstaan en de opbouw van dit heelal, zijn rol is uitgespeeld. Erger nog: het Boek dat als Zijn Woord wordt gepropageerd, leidt ons alleen dieper in de waan. En wie het Boek leest, vergiftigt zijn verstand. Wie mee negocieert, raakt mee besmet. Niet voor niets kreeg Kant op een zeker ogenblik een publicatieverbod opgelegd inzake religieuze materies…

Twee voor de rest totaal tegenstrijdige, 19de eeuwse denkers bouwen verder op deze grondgedachte van de moderniteit: enerzijds Friedrich Nietzsche (“God is dood”), en anderzijds Karl Marx (“godsdienst als opium voor het volk”). Zo verschillend als ze zijn, stellen beiden het intoxicerend karakter vast van de (Joods-Christelijke) religieuze zwerfresten in de Europese cultuur. De invloeden zijn er, maar ze werken als ballast. Ze maken mensen gedwee en dichters melancholisch. Hoe meer we lezen, hoe meer we beseffen dat het Boek liegt, terwijl het ons in zijn logica mentaal gijzelt. De symbolen beladen ons, het autoritaire woord is giftig. Vanaf dan is ‘zingeving’ een pure daad van iconoklasme, boekverbranding, tegen het doctrinaire weten en de exegese, of het nu de Bijbel, de Koran of de Talmoed betreft.

 

M.b.t. dit Kantiaans radicalisme valt op dat de veelbezongen Franse Verlichtingsfilosofen het voorzichtiger aan boord legden, en God asiel aanboden in een uithoekje van hun denkwereld, overeenkomstig hun voorganger René Descartes. Voltaire noemde zich een deïst (gelovend in een wijze, almachtige Schepper op pensioenleeftijd),- je weet maar nooit. Blaise Pascal integreerde God zelfs in zijn kansrekening als best choice: baat godsdienst niet, dan schaadt het niet, geloven is gewoon slimmer. Zelfs de materialistische filosoof-wiskundige Maupertuis met zijn ‘godsbewijs’: allen hielden ze een reservelijn met de Almacht open. De vrijmetselaars, ook de meest ‘vrijzinnige’ loges, doen het tot op vandaag: diplomatie bedrijven met de Grote Architect, en ondertussen hun zaakjes regelen.

Het opmerkelijke nu is, dat dit gepalaver semitische wortels heeft,- zoals Benno Barnard zelf ergens aangeeft: de exegese (uitleg van de Heilige Boeken) is niet alleen een interpretatie, maar ook een langzame, geduldige hermodellering van de patriarch tot een goedmoedige, zelfs bijwijlen grappige Godfather. Dit afvijlen van zijn scherpste kantjes gebeurt via het debat, de redenatie, de dialectiek.

Een radicale verwerping van elk gezag is de enige redelijke consequentie: de school, de leer, het Boek en zijn literaire diaspora, de wetenschap, de wet, de maatschappelijke instituties, de staat,- en uiteraard de vaderfiguur in de n-de macht, God.  

Zou het kunnen dat deze Judeo-Christelijke babbelziekte de Franse Verlichtingsfilosofie heeft gecorrumpeerd? En kan deze rationalistische sluwheid zijn overgeslagen naar het nuchtere Holland (vele Franse protestanten of ‘Hugenoten’ weken uit naar het Noorden, na de bloedige Bartholomeusnacht)? De discrete, rethorische aanwezigheid van God in de Europese ruimte, zoals Barnard die historisch idealiseert, heeft misschien wel meer met opportunisme te maken dan met échte vroomheid. Is Holland daarom zo gelovig, zo mercantiel en… zo judeofiel? De filosofische God van de Joods-Hollandse denker Baruch Spinoza, zowat de uitvinder van de scheiding tussen kerk en staat, heeft alle kenmerken van dit veredeld schouwgarnituur: geen redeloze potentaat, maar veeleer een discrete consultant, een verre vriend,- papa, weggestopt in een luxueuze service-flat. Zit er achter de Avondlandmythologie een behoorlijke dosis rekenkunde,- als ratio verklede lafheid die God probeert te denken? En de meest prangende vraag natuurlijk: is de Islam in die zin een orthodoxe beweging, die gewoonweg dat intellectualistisch gesjacher tussen de Schepper en zijn stervelingen terug afschaft? Dieu est Dieu, nom de Dieu. We zitten hier dus midden in een dispuut tussen een relativistische en een fundamentalistische strekking binnen het ééngodendom, tussen decadentie en réveil.

Een reden te meer om in onze Islamkritiek het Kantiaanse denkspoor als vertrekpunt te nemen, eerder dan de farizeeïsche diplomatie van Voltaire en consoorten. Want Kant knipte de lijn gewoon door. Niks Islam, niks Judeo-Christelijk erfgoed. Ethiek begint daar, waar de wetten niets zeggen. Hij stelde ieder van ons voor de uitdaging: blijven zitten als iemand op de tram afgetuigd wordt, of opstaan en tussenkomen. Ook als je de enige bent. De goddelijke Watchman zal je niet bijstaan, zelfs niet in woorden of gedachten. En het staat ook nergens geschreven dat je moét tussenkomen. Of de anderen ook zullen rechtstaan, is dan ook zeer de vraag, maar we wachten er niet op. Duitse fascinatie voor de Germaanse held, OK, het zit er misschien in. Toch heb ik liever dit rücksichtlos humanisme dan een conclaaf van hoofdarbeiders dat er eerst een hele bibliotheek voor raadpleegt, dan nog eens in groot debat gaat, om uiteindelijk te stemmen bij handopheffing, dit alles in naam van de beschaving. Of de lepe Cartesiaan die de kat uit de boom kijkt. Soms zijn onze hersenen puur ballast, en is dat, wat we doén, het enige dat telt: Im Anfang war die Tat.

Welke stelling zou die iconoclast en boekenverbrander Immanuel Kant vandaag hebben ingenomen in heel de Euro-Islamdiscussie, en het daaraan bengelende hoofddoekendebat? Zonder twijfel zou hij gesteld hebben dat we de hoofddoek moeten herleiden tot wat hij is, namelijk een modieus hoofddeksel, handig in dit tochtig klimaat. En dat we voor de rest God van de straat moeten houden, terugdringen naar de privé-altaren en de religieuze folklore. Wie weet, leidt deze ruimtelijke fractionering niet tot een polytheïstische transformatie: terug naar het tijdperk van vóór Mozes,- ja, dat zegt me wel wat. Ieder zijn god, en een god voor elke toepassing. Is het (door B. Barnard verguisde) veelgodendom geen archaische vorm van atheisme? En komen we zo niet terug bij een vrouwelijke kosmos en Moeder natuur? Want ook dat hebben de kosmogonieën van Jodendom, Christendom en Islam gemeen: over moeder wordt niet gesproken.

 

Epiloog: elites en netwerken

In alle reacties op het epistel van Barnard en Vanistendael heb ik niet één atheïstisch of vrijzinnig-humanistisch geluid gehoord. Dat is een veeg teken. Het lijkt erop dat een opgefokte nulliteit als de ‘hoofddoekenkwestie’ als een valstrik werkt, om de meest verlichte geesten mee te lokken in een discussie rond het engelengeslacht. Daarmee duiken de exclusieve logica’s terug op: wie zich vragen stelt bij het volbouwen van Europa met gesubsidieerde moskeeën, is een islamofobe racist. Wie de Israëlische ghettopolitiek in Gaza en de schande van de muur bekritiseert, is een antisemiet. Wie de Christelijke wortels van onze cultuur in vraag stelt, gedraagt zich als een dhimmi (een onderdanige niet-moslim in een moslimland). Het punt is, dat ik niet wíl discussiëren met God, noch over hem, omdat hij voor mij een pop is in de hand van een oeroud machtssubject. Dan liever onmiddellijk met deze buikspreker in de clinch. Richard Dawkins (‘The God Delusion’), Daniël Dennet (‘Breaking the Spell: Religion as a Natural Phenomenon’), Sam Harris (‘The End of Faith: Religion, Terror, and the Future of Reason’) en Christopher Hitchens (‘God is not Great: How Religion Poisons Everything’) behoren tot de strijdvaardigste atheïsten.

Voor de aanhangers van een van de drie Abraham-religieën betreft het hier uiteraard geen filosofie of antropologie, maar het woord van Satan zelf, en het beste bewijs dat de duivel in de wereld aanwezig is. Het diaboliseren (iets of iemand als een verpersoonlijking van het kwaad zien) is overigens een veel gebruikte strategie, in de politieke, culturele en zelfs de wetenschappelijke milieus. Onbewust impliceert het een intrinsiek ‘goede’ kant, gelegitimeerd door een bovennatuurlijk principe, de scheppende kracht in de kosmos,- ‘God’. Ironisch genoeg is dit rabiate zwart/wit-denken ook prominent aanwezig in het neo-Darwinisme. Of hoe het monotheïstische substraat diep verscholen ligt in ons denken en voelen, ook bij de zogenaamde vrijzinnigheid.

Het uitzweten van God is de psycho-analytische kern van elk emancipatieproces, wat zeg ik, het is misschien wel de enige zin van de ‘geschiedenis’. Het atheïsme is niet a-religieus,-  filosoof Leo Apostel bedacht zelfs de term ‘religieus atheïsme’, een gevoel van verbondenheid dat vertrekt van de menselijke verwezing. Voor Leopold Flam, ook al lang dood en vergeten (Vlaanderen eert zijn filosofen niet), betreft religio de ethisch-humane band tussen alle levende wezens, maar ook met hen die ons voorafgingen en die na ons komen, in de zoektocht naar onze plaats in het heelal dat wellicht per toeval ontstaan is. Het leven is een waagstuk, een existentiële weddingschap, een avontuur, en de dood is vooral het ultieme bewijs dat we gelééfd hebben. We laten wellicht niet veel na, maar onze zonen en dochters zijn schuldenvrij: de naald van de balans staat in het midden, en zo is het goed, iedereen vertrekt van de nulstand op zijn geboorte-uur.

 In de zin van beeldenstormers als Kant, Nietzsche en Sartre kunnen we niet anders dan de koning der Belgen zachtjes versmachten in zijn kussen, zijn rijk zinledig maken, en zijn God betekenisloos. “Evenwicht tussen religio en res publica”? Neen, bedankt, voor mij is de republiek al genoeg.

Voor de gelovige echter is het leven maar een voorspel op de eeuwigheid, en de geschiedenis hooguit een theatrale farce, waarin God ons laat betijen en improviseren. Als de waarheid eeuwig is, kunnen het leven en de geschiedenis niet ernstig zijn. Langzamerhand druppelt de ironie, de melancholie, de moedeloosheid en het retrograde denken binnen in het historisch besef. Het is een postmoderne kanker die onze botten en ons brein aanvreet. Het pessimisme holt onze heilsverwachting omtrent de toekomst, die wij nu, op dit moment maken, compleet uit, en degradeert het leven tot een afbetaling tegenover het verleden. Op het einde prevelen we de naam van de vader, en laten we onze zonen met een schuldenberg achter, waarna het verhaal kan herbeginnen. De ecologische ramp waarmee we ons nageslacht nu opzadelen (ook de plasticberg in de Stille Oceaan gezien?) heeft o.m. met dat Christelijk fatalisme te maken. De Islamiet voert het ten toppunt, en zegt gewoonweg dat ‘God het zo wil’ (“insjallah”), einde van de debatten.

Het erkennen van de existentiële eenzaamheid van de mens –het feit dat hij geen troost kan putten uit dingen die voor hem geschreven, gezegd of beslist werden- is de enige mogelijkheid om uit het moeras te geraken waarin we ons vandaag bevinden. Dat betekent het radicaal afwijzen van godsdienst en traditie, voor zover deze laatste iets anders betekent dan overgeërfde overlevingsregels. Het klinkt hard, maar het is de échte betekenis van het begrip renaissance: wedergeboorte, in de zin van het accepteren van onze naaktheid. En het vooropstellen van de verantwoordelijkheid van elk individu afzonderlijk.

De vraag blijft tenslotte, hoe de verlichte intellectueel Benno Barnard –samen met zijn compaan G. Van Istendael overigens- verzeild is geraakt in het neo-Belgicistische lobbynetwerk. Beiden zijn inderdaad B-plus-adepten, leden van een veredeld soort Rotaryclub waar de burgerlijke elite zweert bij haar eigen prerogatieven, het status-quo, de koning,en het Heilig land der vaad’ren.

Hier kan ik de auteur van de Huizinga-lezing niet volgen. Of toch. Zou het kunnen dat de Avondlandnostalgie en heel het judeo-Christelijk complex van Barnard hier voor de kar gespannen wordt van een reactionair politiek project? Of is de Belgische constructie, als surrealistische compromissenstaat met zijn typische netwerkcultuur, een mooi voorbeeld van de sjacherdialectiek waarin zonen zich met vaders verzoenen? Is de monarchie van het Belgische vaderland niet van oudsher gelinkt aan de ideologie van het Christelijke Europa, de kersteningsdroom van Karel de Grote, de verweving tussen macht en religie, de elitaire netwerken, de cenakels, Opus Dei? Waar is het moederland gebleven in dit alles? In de plaats van Benno Barnard -iemand die ik als auteur en als mens een warm hart toedraag-, zou ik in die club snel de biezen pakken, voor de adem van de ‘notarissen en soortgelijke burgerij’ (zoals hij het vreemd genoeg zelf omschrijft in een Knack-column) hem helemaal benevelt. In de zin van beeldenstormers als Kant, Nietzsche en Sartre kunnen we niet anders dan de koning der Belgen zachtjes versmachten in zijn kussen, zijn rijk zinledig maken, en zijn God betekenisloos. “Evenwicht tussen religio en res publica”? Neen, bedankt, voor mij is de republiek al genoeg.

Tot slot nog een eigen autobiografische anekdote, nu we het toch over elites en netwerken hebben.

Ik heb ongeveer alle Antwerpse middelbare scholen vanbinnen gezien, want ik bleef meestal nooit langer dan één jaar in dezelfde inrichting (toen kon je nog aan de deur gezet worden als je een schoolkrantje uitgaf). Zo raakte ik op mijn 16de in het Antwerpse atheneum verzeild. Ongeveer één derde van de klas was orthodox-joods. Zij hadden onbetwistbaar van huis uit een culturele voorsprong, spraken onder elkaar Frans en gedroegen zich als een gesloten groep, je kwam er als buitenstaander niet bij. Een echte elite dus. Wij waren ongeletterde boertjes, ikzelf kom uit een middenstandersgezin waar cultuur geen enkele rol speelde. Het gelijke-kansen-principe was nog niet uitgevonden, ik probeerde dus boven water te blijven, bouwde beetje bij beetje mijn eigen universum op, en scherpte ondertussen mijn anarchisch instinct.

Het lerarencorps koos resoluut voor die elite en maakte de slimsten nog slimmer. De leraar Frans, een briljant man, hield zich met ons niet bezig, orakelde over Proust en Stendhal voor de eerste rij van acht keppeltjes, en was mild voor de rest, die hij vijven en zessen toesmeet zodat ze toch nog hun diploma haalden. Toen al begreep ik, intuïtief, dat het nooit wat zou worden met dat Judeo-Christelijk Avondland: het is een beschaving die in haar eigen tegenspraken verstrikt geraakt, zoals een slang in haar eigen staart bijt en zichzelf opeet. Zelfs heel het suspecte Verlichtingsverhaal moet met een stevige korrel zout genomen worden, ook en vooral door vrijdenkers.

Tenslotte was dé levensles die ik daar in Antwerpen overhield, dat netwerken onze maatschappij politiek in stand houden maar de samenleving mentaal corrumperen. Cultuur kan daarin als een perverse hefboom werken, die ongelijkheid legitimeert. De kennis van de ingewijden versmelt met de voorrechten van de machtigen. Het Avondland heeft, zoals België, buiten zijn verleden geen toekomst, het zal nooit de morgen halen.

 

Interessante links

 

Reageren op dit artikel

 

Terug naar boven