Terug naar startpagina             Alle artikels               Deze tekst in PDF-formaat             Reageer


 Het bos, de bomen en het boek
 

 Pleidooi voor ontlettering

 Johan Sanctorum

  1/11/2007

 

November is boekenmaand, en we zullen het geweten hebben: zopas opende de Antwerpse Boekenbeurs haar deuren. Als kuddes vee drummen we doorheen de helverlichte pulpschuren, volgestouwd met leesvoer voor de lange winteravonden en de saaie nachten. Door megafoongeschal aangekondigde skribenten dalen gewillig uit het pantheon neer om zich te laten besnuffelen en hun edele boekdelen te signeren. Bussen met schoolkinderen worden voorbij de kassa’s gedumpt, in de hoop dat de dodelijke drukte, het geleuter van de lezingen, de geur van verse inkt en de discrete terreur van de eindeloze letterbrij hun opstandigheid zal temperen.  Wat is dat toch met dat schrijven, dat lezen, die parade van letterkundigen, dat typisch Vlaams moment van volksverheffing?
Sinds jaren bedank ik dus voor deze massahysterische cultuurbraderij waarin de intellectuele middenklasse van Vlaandere zichzelf te kijk zet. Nergens meer dan hier blijkt het boek een leeg gebaar, een pose, en het makaber symptoom van een om zich heen grijpende verliteraturing die de homo sapiens ooit trof: eerst de ziekelijke stolling van het gesproken woord tot frase, periode, pagina, boek; dan de begeerte van de lezer om zich te verliezen in deze fantasmagorie, die overigens volledig de wetten van de moderne marketing respecteert; de waanzinnige tijdverspilling van dat lezen, terwijl vrouwen oud worden, kinderen sterven, en de wereld voorbijgaat; de hinderlijke lijfgeur van de schrijver zelf die opwalmt uit zijn tot ‘letterkunde’ geconsacreerde privé- ontboezemingen; de protserige opdringerigheid van het boek, als hebbeding, fetisj, en onderwerp van onbenullige weekend-krantenbijlagen; de mediatieke obsessie dat men maar ‘iemand’ is als men een boek heeft geschreven; de verplichting tenslotte om op elke sociale gelegenheid over het laatste opus van Kristien Hemmerechts, Tom Lanoye of  Dimitri Verhulst te moeten kunnen meepraten, terwijl ze in de verste verte niet tot mijn universum behoren.
Ach, dat clubje van letterkundigen. Laten we vooreerst eens nagaan hoe het schrijversgild in Europa en elders ontstaan is. Een ontluisterend verhaal.

 

De wonderbare mandarijn

De historische oorsprong van schrift, geletterdheid en schrijftechnologie moet men gaan zoeken in het ontstaan van grote, centralistische staatsstructuren. Waar orde heerst over grote getallen, ritselt papier en knetteren de letteren. Het eerste Sumerische spijkerschrift op kleitabletten diende nog louter voor stockbeheer in landbouw en veeteelt. Maar met het ontstaan van de grote Rijken in de oudheid was de uitbouw van een administratief apparaat dé impuls om dingen schriftelijk vast te leggen in een ‘staatsboekhouding’. Al vanaf de Chou-dynastie (1000 v.C.) bestond er in China een kaste van beroepsschrijvers-ambtenaren die vooral moesten registreren, optekenen en samenvatten. Ze behoorden tot een elite van rondreizende inspecteurs die heel dat ontzaglijke land doorlopend moesten in kaart brengen, met het in Bejing gesproken Putonghua als nationale eenheidstaal. Later zouden hieruit de mandarijnen ontstaan, invloedrijke hovelingen die ook aan politiek deden. Confucius was een van hen.

De Chinezen ontwikkelden een buitengewoon geavanceerd schrift en vonden het papier uit, niet omdat het cultureel bewustzijn hen daartoe dreef, maar gewoonweg omdat het institutioneel kader dat vereiste. In reusachtige archiefmagazijnen werden de rapporten gerangschikt en gecompileerd: het prototype van de latere bibliotheken. De inspecteurs verzamelden demografisch materiaal, maar tekenden ook meningen en verhalen op: een verlichte despoot hoort te weten wat er in het volk omgaat. Heel de schrifuur stond in dienst van de continuïteit van de macht. Alle rapporten samen vormden één grote encyclopedie, een spiegel van het Rijk, waaraan nog elke dag hoofdstukken werden bijgeschreven. De keizer  was de ultieme lezer, hij die alle informatie mocht samenleggen als een puzzel,- een inzicht waaraan hij ook zijn macht ontleende.

Oude boekenHet archetype van de beroepsschrijver is dus niét de zingende bard, en evenmin de onverlaat die in de grotten van Lascaux en Altamira graffiti kerfde. Neen, de eerste schrijvers waren magazijniers, boekhouders en klerken. Rond 800 na C. zal het Chinese model ook in het Westen opgang maken: Karel de Grote richtte de zgn. kapittelscholen niét op om het volk te alfabetiseren, maar om een stevige bureaucratie uit te bouwen, een echte mandarijnenklasse van geschoolde edelen die in alle geledingen van het staatsbestuur en de administratie van zijn groot Westromeins keizerrijk konden ingezet worden. Sommigen brachten het tot hofmeier, een soort topambtenaar en vroege voorloper van de huidige ministerpost. Vooral het inspecteren van alles en iedereen, en het bijbehorende rapporteren (Karel was een controlefreak, ook al kon hijzelf geen woord lezen),- daar was geletterdheid voor nodig: alles moest geschreven en beschreven worden. Dat vereiste geavanceerd schrijfmateriaal, maar ook ingrepen in de structuur van het schrift zelf. De vereenvoudiging van het Merovingische schrift tot de veel snellere en beter leesbare Karolingische minuskel leidde tot de typografie waar onze Vlaamse literatoren zich nog steeds van bedienen.

Het archetype van de beroepsschrijver is dus niét de zingende bard, en evenmin de onverlaat die in de grotten van Lascaux en Altamira graffiti kerfde. Neen, de eerste schrijvers waren magazijniers, boekhouders en klerken. De schrijvende klasse als notariaat: de bureaucratische roots van de letterkunde zijn onmiskenbaar...

En jawel, ook het rondtrekkende skribentenleger van Karel de Grote had de opdracht gekregen om volksverhalen op te tekenen. Synchroon met het uitroeien van complete volksstammen, werden alle orale cultuurelementen uit alle hoeken van het rijk ‘geboekstaafd’. De obsessie van Karel om te controleren, ging vergezeld van een grote, haast paranoide argwaan tegenover het ongeschrevene, dat hij als subversief en systeembedreigend ervaarde. Niet helemaal onterecht: het gonsde van geruchten in de Saksische bossen en op de Friese heide. Het was dus kwestie om de beuken tot Buchstaben te vermalen, zodat de woudguerilla geen kant meer uit kon,- een ontbladeringstaktiek waarmee hij zijn tijd ver vooruit was.

Maar Karel de Grote’s unitaire droom was zoals bekend van korte duur,- Europa versnipperde na 843 tot staten en staatjes. Het uiteenvallen van het Karolingische rijk leidde tot een identiteitscrisis van het notariaat, dat mistroostig met een ganzenveer rondliep zonder dat er nog iets op te tekenen viel. Dit had grote gevolgen voor de ontwikkeling van het (buitenkerkelijk) cultureel establishment: terwijl de kloostermonniken de handschriften naarstig voort copieerden, stond het wereldlijke schrijversgild op straat, en viel uiteen in twee fracties die elk hun weg gingen,- de filosofen en de dichters. De eersten legden zich toe op het begrijpen, verklaren en be-schrijven van de wereld: hun geletterdheid veredelde zich tot geleerdheid, hetgeen zou leiden tot de scholastiek en de stichting van de eerste Europese universiteiten in de 13de eeuw. Heel de moderne wetenschap, zowel de ‘humane’ als de ‘exacte’, komt voort uit deze eerste generatie van gerecycleerde bureaucraten.

 

Troubadour, kalligraaf, romancier: hoe het flou ontstond

Walter von der Vogelweide (Foto Wiki)De andere tak echter, die van de poëten, was minder inventief en flexibel, en misschien ook wel gewoon dommer. Zij gingen gewoon door met verhalen optekenen, ook al vroeg niemand daarom. Ze reisden rond en sprokkelden urban legends, zelfs al was de Karolingische rijksboekhouding allang failliet. Hun oude schrijverstic en de zoektocht naar een nieuwe werkgever dreef hen in de richting van de middeleeuwse aristocratie, die hen duldde omwille van hun amusementswaarde, ondanks manifeste intellectuele slordigheid en zelfs wetenschappelijke achterlijkheid. Af en toe werden er artistieke hanengevechten georganiseerd om het dichterbestand wat uit te dunnen: het zangconcours op de Wartburg in 1206 is legendarisch gebleven,- de verliezer kwam op het kapblok terecht. Een verre pendant van deze wedstrijden vormen de hedendaagse literatuurprijzen, waarin de genomineerden elkaar de neus afbijten (zie het gebekvecht tussen A.F. Th. van der Heijden en Arnon Grunberg, begin nov. 2007, n.a.v. de AKO-prijs).

Tussendoor maakten de minuskels ook menig adellijke dame het hof (de ‘hoofse liefde’), omwille van persoonlijke P.R.-doeleinden, en omdat ze in hun beschermde werkplaats eigenlijk maar weinig om handen hadden. Dankzij deze pathetische narren, ook ‘troubadours’ genoemd, ontstaat in het middeleeuwse Europa dan de eerste geschreven literatuur; eerst de Karellegendes (Karel en de Elegast), later het Nibelungenlied, de Arthur- en Graalsverhalen, de liefdesromans (Tristan en Isolde), etc. Let op: allemaal notificaties van bestaande volkslegendes, we zijn er hen dankbaar voor. Doch net omdat al dat schrijfwerk, in tegenstelling tot de ambitieuze zoektocht van hun wetenschappelijke tegenhangers, geen greintje avontuur inhield, werden de krullen aan de letters alsmaar langer en de zinnen breedvoeriger: de dichters werden echte kalligrafen en wedijverden met elkaar in elegante onbenulligheid,- de routine vloeide naadloos over in wat we vandaag kennen als ‘flou artistique’.

Het voornaamste oogmerk van deze literaire mistspuiterij was hoe-dan-ook: tijd winnen, want de spoeling werd dun en de verhalen raakten op. Er ontstond zo tegen het jaar 1200 al een levensgroot probleem van inspiratie, geloofwaardigheid en serieux, waardoor de poëten gingen overdrijven en in grotesken vervielen. Uiteindelijk namen de ridders van het schoonschrift hun toevlucht tot de laagste vorm van geletterdheid: ze verzonnen gewoon de verhalen vanuit hun luie stoel. Het bureaucratische inspectiepad van weleer was, via een aantal degradaties, uitgewist en verzand tot een afzichtelijke vorm van intellectuele fraude, ook wel ‘fantasie’ genoemd.

Nu pas kon de verliteraturing van het cultureel universum van start gaan. Met hun eigen Ik als middelpunt, deden de skribenten alsof ze de wereld schriftmatig reconstrueerden, terwijl ze eigenlijk alleen hun eigen zielig bestaan van werkloze klerken parafraseerden. En om deze vervalsing te camoufleren, werden er weerom versieringen aangebracht en mistgordijnen opgetrokken rond de tekst, die zogezegd ‘veellagig’, ‘complex’, ‘ambigu’, ‘rijk’ was aan inhoud, betekenis en zin. Zo ontstond de roman: een donkere spiegel van de schrijversziel, een labyrinth voor de lezer. En zo ontstond ook de romantische pose van de poète maudit: een manisch-depressieve woordenkramer die zijn bureaucratische afstamming ontkent, en zijn tekort aan reflexief vermogen sublimeert tot literaire tics. De sociale statusverwerving van de literator wordt dan recht evenredig met de mate waarin hij zijn ego inwikkelt en verabsoluteert tot een stream of consciousness,- een pervers mechanisme: moderne schrijvers besteden 90% van hun mentale energie aan het verhullen van hun eigen belachelijkheid.

Nu pas kon de verliteraturing van het cultureel universum van start gaan. Met hun eigen Ik als middelpunt, deden de skribenten alsof ze de wereld schriftmatig reconstrueerden, terwijl ze eigenlijk alleen hun eigen zielig bestaan van werkloze klerken parafraseerden.

De minnezanger Walther von der Vogelweide (1170-1230) mag beschouwd worden als het absolute prototype van de romanticus: politiek was hij nog een propagandist van de keizerlijke almacht, terwijl hij ondertussen als rondtrekkende dichter-zelfstandige vooral zichzelf vermarkte, met de minnelyriek als core business. Zijn serieuzere tijdgenoot en kunstbroeder, Wolfram von Eschenbach (beiden waren trouwens present op hogervermeld Wartburg-songfestival), was nog volop bezig met het optekenen van de grote volksverhalen zoals Parzival, een compilatie van de door Chrétien de Troyes al eerder opgetekende Graalslegende en anonieme Provençaalse bronnen. Maar Walther zag toen al in dat die grote verhalen eindig waren en dat de dichters moesten uitzwermen in een gefragmenteerde, subjectivistische cultuurindustrie: de allerindividueelste expressie van de allerindividueelse emotie.

Zo leert een lectuur van de cultuurgeschiedenis van de middeleeuwen dat de kunst van de schone letteren in toenemende mate rond zichzelf draait en over zichzelf gaat. Het werd een Narcistisch bedrijf, dat zijn voorwerp verloren heeft, en daardoor onderwerp en voorwerp constant met elkaar verwart. De schrijver is de schriftuur, de schriftuur is de wereld, de schrijver is de wereld. Langzamerhand wordt de waanzin expliciet en leest de schrijver zijn eigen fantasme als één grote spirituele manifestatie (‘epifanie’), om tenslotte de lezer mee te betrekken in een collectieve paranoia.

In 1605 verschijnt Cervantes’ ‘El Ingenioso Caballero Don Quijote de la Mancha’, het verhaal van een lezer die zoveel ridderromans heeft verslonden dat hij er literatureluut van werd en begon te hallucineren. Daarmee slaat de mythomanie van de schrijver over op zijn publiek: het massaal bestormen van windmolens kan beginnen,- de moderne belletrie is een feit. In 1915 verschijnt ‘Die Verwandlung’ van Franz Kafka, het verhaal van een kantoorklerk die ’s morgens ontdekt dat hij een kever is geworden,- symbool van het geheugenverlies. Kafka is ondertussen wereldliteratuur, de gekte van de ik-persoon wordt het paradigma van de moderniteit zelf. In 1922 maakt James Joyce het werk af met ‘Ulysses’ , een dronkemansverhaal waar ondertussen bibliotheken vol onzin over geschreven zijn: al wie dit leest is zot, het lijkt wel een epidemie.

 

Het Rhinoceros-effect: de eindeloze echo

Kent U ook dat duffe, geeuwerige gevoel wanneer U weer een goed boek uit hebt? Lezen is slecht voor de geest, de filosoof Friedrich Nietzsche waarschuwde er ons voor (zijn boeken verkochten toch niet). De massificatie van het boek zuigt de auteur én de lezers mee in een morfineuze spiraal. De ecologische roofbouw die daarmee gepaard gaat (per jaar gaat voor de papierindustrie, alleen al in Canada, 700.000 ha oerwoud tegen de vlakte), lijkt een metafoor voor de Kafkaiaanse manier hoe boeken ons mentaal leegmaken en de hersenpan nadien terug vullen met intellectueel piepschuim. De pathologie van het boek infecteert heel het collectief bewustzijn en denatureert ons tot dummies, hamsteraars van leesvoer. Lezers en auteur zijn aan elkaar geketend, niet volgens een hermeneutisch principe, maar via een marketinglogica. Literatuur wordt een industrie, het boek een product, de auteur een schrijfmachine, het publiek een consumentenmassa- en daarmee wordt een kring gesloten: de greep van het systeem op ons leven is totaal. Kafka, inderdaad.

Wie zijn overigens de lezers van vandaag,- wie consumeert literatuur? Het zijn de werkmieren van een geëxplodeerde dienstensector (overheid en privé), van potloodslijper tot CEO, goed voor zo’n 80 % van het bruto nationaal product. We zijn allemaal pennelikkers, al dan niet geïnformatiseerd, die papier vreten, niet omdat het smaakt, maar omdat het bij onze gedenatureerde, instinctloze way of life hoort. Het culturele racisme van de schrijver, de literatuurkenners, de geletterden, de literaire programma’s op TV en de boekenbeurzen, overstijgt alle politieke tegenstellingen: de verplichting om te ‘communiceren’ en cultuur te consumeren, maakt elk afweergebaar –zoals een boek eens niét willen lezen- tot een immorele, asociale, kwaadwillige attitude.

De dwang om lectuur tot ons te nemen, creëert dus volgzaamheid en mentale verdoving. Wàt er geschreven wordt, heeft dan eigenlijk geen belang. Wel het feit dàt er geschreven wordt, continu, overal, oeverloos. Die logorrhee of woordschurft maakt ons weerloos en dompelt ons onder in een diepe slaperigheid. En zoals hebben in onze maatschappij nog belangrijker is dan consumeren, wordt ook het boek tenslotte een gadget of ‘hebbeding’, iets dat je in je bibliotheek zet, en waarvan je desnoods alleen maar de krantenrecensie moet gelezen hebben om te kunnen meepraten.

Dat leidt tot hilarische naäapeffecten. Toen het boek ‘Het complot van België’ van Chris De Stoop uitkwam –keurig tegen de opening van de Antwerpse boekenbeurs-, vertelden alle krantenbesprekingen haast letterlijk hetzelfde, in zinnen die zo uit de uitgeversbrochure kwamen. Op feestjes, SM-seances en andere sociale gelegenheden kwam ik vervolgens mensen tegen die ook enthoesiast net dezelfde volzinnen debiteerden over dat boek. Toen ik tenslotte ‘Het Complot’ zelf ging lezen, merkte ik dat de vlag de lading helemaal niet dekte en dat De Stoop gewoon wat persoonlijke verhalen gemixt heeft om zijn contract met de uitgever na te komen en brood op de plank te krijgen. Daar is niets mis mee. Maar de marketingcampagne bleek het kritisch lezen helemaal opgeslorpt te hebben. Iedereen, die ik wees op de gebrekkige structuur van De Stoop’s nieuwe opus, het gebrek aan analytisch-synthetisch niveau van wat zich toch als non-fictie aandient, en de achterliggende Ik-verheerlijking van de sterjournalist, wees me in strenge bewoordingen terecht. Tot op vandaag heb ik in de pers niet één ernstige recensie over ‘Het complot van België’ kunnen ontdekken: de markt produceert niet alleen de boeken maar ook de perceptie ervan. Het is dus nutteloos en sociaal zelfs gevaarlijk om tegen de stroom in te gaan: cultuur bestaat in onze mediagestuurde democratie uit meerderheidsoordelen en quasi-universele misverstanden. Een boek is goed omdat iedereen het zegt, en daarmee uit.

De dwang om lectuur tot ons te nemen, creëert volgzaamheid en mentale verdoving. Wàt er geschreven wordt, heeft dan eigenlijk geen belang. Wel het feit dàt er geschreven wordt, continu, overal, oeverloos. Die besmettelijke logorrhee of woordschurft maakt ons weerloos, en dompelt ons onder in een diepe slaperigheid.

Ik noem die aanstekelijkheid het Rhinoceros-effect, naar het toneelstuk van Eugène Ionesco, waar op de duur iedereen een neushoorn wordt. In deze absurdistische hekeling van de communicatiecultuur steekt Ionesco de draak met alle trends, hypes, en misverstanden rond ‘kwaliteit’. Kwaliteit is gewoon de norm van de meerderheid, die een marktwaarde oplevert en die door marketingstrategieën werd gecreëerd. De logica van de bestseller is volstrekt cirkulair. Het eindeloze echo-effect plant zich voort, en zorgt ervoor dat men op de duur de boodschap tegenkomt die men zelf gelanceerd heeft: dat is het moment waarop de dichter heel zijn leven wacht.

Het boek is allang geen cultuurdrager meer, in de eigenlijke zin van het woord. Het vertolkt geen collectieve dromen of angsten meer, provoceert niet tot intellectuele onrust, noch toont het paden aan van spirituele verheffing. Het boek is verfletst tot het fetisj van een theatrale spektakelcultuur, gebaseerd op kortstondige hypes, personencultus en marketinglogica. Het boek is dood,- als het al ooit een leven heeft gehad. Publicisten die echt wat in hun mars hebben, blijven er best mijlen vandaan. Zo eindigt de alfabetisering van de homo sapiens in nieuwe, ongekende vormen van intellectuele kolonisatie: de immense boekentoren als symbool van het geheugenverlies, het onstilbare geroezemoes van de boekenbeurs. En zo wordt ont-lettering de uitdaging, misschien via het ontstaan van privé-talen en idiomen zoals chat en SMS, parallelle circuits en onvatbare subculturen die herinneren aan de bos- en heidegeruchten waar Karel de Grote zo beducht voor was.

De boekenverbranding moet dus in ons hoofd gebeuren: het zal ons geheugen opfrissen. De analfabetische cultuur die daaruit kan groeien, moet onvermijdelijk ergens aanknopen bij een archaïsch stadium waarin de grote socio-politieke systemen nog geen wortel hadden geschoten, de aarde een onbekende planeet was, en schrijven geen dienstbare betekenis had.

De ont-lettering van deze wereld leidt niet noodzakelijk naar de barbarij, maar wel naar een deglobalisering van de wetenschap en een diaspora van subculturen die minimaal onder elkaar communiceren. Niet uit vijandschap, maar uit liefde voor het andere, dat men in zijn andersheid respecteert. Zonder tekstuele terreur. Dat is een moeilijke klik in deze maatschappij waar ‘diversiteit’ niets nog intact laat.

Zoals gezegd zal ik dus ook deze 71ste Antwerpse boekenbeurs aan mij laten voorbijgaan. Als bezoeker én als auteur. Inderdaad, herhaaldelijk al werd de undergroundpublicist en internetgabber Johan Sanctorum aangemaand om eindelijk eens een ‘écht boek’ te schrijven, iets dat ruikt naar inkt en onder de kerstboom kan gelegd worden. Toegegeven, de verleiding is groot: kranteninterviews met lappen van foto’s, de trotse blikken van ons moeke, tienermeisjes met halfopen blouse ("Het is hier zo warm, meneer...") die smeken om een handtekening… Tot ik aan het tellen sloeg, en vaststelde dat er ondertussen wellicht meer mensen in Vlaanderen rondlopen die wél een boek geschreven hebben, dan zij die het nog niet deden.

Het geloei van de neushoorns drijft ons weer de bomen in. De vluchtroute van een handjevol niet-lezers dat zich geduldig verfijnt tot niet-schrijvers. Ons pad is kronkelig, onze schuilplaats quasi-onvindbaar. Aan het einde was er het woord, het woord bleek echo, en de echo is weer woud geworden.

  Reageren op dit artikel

 

Terug naar boven