
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

'Optimismus
ist Pflicht',
neem desnoods nog een Prozac
®
Een kritische lezing van Verhofstadt's '4de Burgermanifest'
Johan Sanctorum
1/2/2007
Guy Verhofstadt is weer bevallen van een werkstuk, en we zullen het geweten hebben. Het ‘Vierde Burgermanifest’ werd met een groots media-offensief boven de doopvont gehouden,- na een luidschallende prelude ten behoeve van de VLD-militanten, medio December, in het Brugse Concertgebouw (is dat ding voor zoiets neergepoot?). Het manifest zelf werd in het Atomium gepresenteerd, voor ons een tamelijk belegen expo-’58 icoon, maar voor de versbakken progressieve centrumpartij hét symbool van innovatie. En de bombarie gaat verder: zo dadelijk, in het tweede weekend van februari, strijkt de VLD-kermis neer op de Heizel voor een heus symposium rond het gedachtegoed van de grote roerganger. Tot juni moet dat duren: het moment dat we met z’n allen Guy Verhofstadt als een Caesar zullen plebisciteren. Dat is althans het scenario. Ondertussen speelt de geaccrediteerde pers de rol die van haar verwacht wordt: de stappen van de campagne coveren, zonder teveel kritische commentaar. Daar zal wel iets tegenover staan. Vermoeden we. Tijd dus voor een échte inhoudelijke discussie, zoals Guy het wou.
De vraag is overigens, of een
eerste-minister-in-functie wel ‘manifesten’ moet en kan schrijven. Een manifest
is doorgaans een strijdschrift met een
oppositioneel en zelfs opruiend karakter. De drie eerste versies kon men nog als
een pamflet van het ‘joenk’ tegen de CVP-staat van Wilfried Martens,
Jean-Luc Dehaene en Jef Houthuys beschouwen. Maar tussen III en IV liggen twee
legislaturen paars bewind.
Waarom werkt de eerste man van het land niet gewoon aan zoiets als een
programma, een beleidsverklaring,- waarin natuurlijk ook visie en principes aan
bod moeten komen? Waarom moet ‘inhoud’ afgesplitst worden uit de politieke
praxis, en gerecycleerd worden tot bevlogen, ronkerige literatuur die in een
groots opgezette one-man-show wordt gedebiteerd?
Het antwoord ligt wellicht onder onze neus: het belabberde imago van dé imagopartij VLD, het gemor rond de grootse soldenactie waarin allerlei overheidseigendommen voor een prikje van de hand werden gedaan (het beruchte sale & lease-back-systeem) om toch maar een sluitende begroting te kunnen voorleggen, de discussie rond de staatshervorming en de toekomst van België,- het zijn allemaal stekelige onderwerpen waar de premier graag de aandacht van afleidt. Zoiets heet ‘miststrategie’, door Noël Slangen haarfijn voorgeschreven in zijn receptenboek ‘Modellen van C’. Interessante nevenlectuur overigens.
Mistig is ook de pseudo-intellectuele stijl waarmee het Burgermanifest allerlei kloven en kloofjes tracht te maskeren. Het probleem van Guy Verhofstadt is immers de paradox van alle moderne liberale ‘denkers’: enerzijds willen ze minder overheid, minder regulering, minder ideologie en meer pragmatisme; anderzijds willen ze wel zoiets als een ‘maatschappelijk project’ naar voor brengen, meer inhoud en dus… ‘meer ideologie’ (dixit Verhofstadt, letterlijk, in een Terzake-interview van 3/1). Neem daarbij de spreidstand van een kapitein die al zeven jaar aan het roer staat en toch vanaf de wal bespiegelingen over de te volgen koers wil ten beste geven. Het resultaat is een imbroglio van vage newspeak-termen die goed klinken (‘empowerment’, ‘positief individualisme’, ‘horizontale economie’…), maar waar bij nader toezien weinig achter zit,- dat alles gelardeerd met een saus van wetenschappelijke en filosofische referenties. Want de premier poseert graag voor een erudiete intellectueel en strooit de citaten kwistig in het rond,- die soms van de pot gerukt blijken.
Waarom werkt de eerste man van het land niet gewoon aan zoiets als een programma, een beleidsverklaring,- waarin natuurlijk ook visie en principes aan bod moeten komen? Waarom moet ‘inhoud’ afgesplitst worden uit de politieke praxis, en gerecycleerd worden tot bevlogen, ronkerige literatuur die in een groots opgezette one-man-show wordt gedebiteerd? Of gaat het toch niet om de inhoud?
Insiders weten namelijk dat Guy helemaal geen tijd heeft om boeken te lezen, hooguit samenvattingen, hem aangereikt door bevriende denktanks en leesclubs zoals ‘Liberales’. Voor de rest is het vooral broer Dirk, de slimste van de familie en mede-oprichter van VT-4, die literair grasduint, résumés bijeenharkt en de springerige premier van bruikbare quotes voorziet. Dat het tweespan zich aanschurkt tegen de denkbeelden van neoliberale geestesgenoten en pleitbezorgers van het wereldkapitalisme, zoals Mario Vargas Llosa, Thomas Friedman en Friedrich von Hayek, zal niemand verbazen. Maar het opvoeren van de Oostenrijkse, in 1937 naar Nieuw-Zeeland uitgeweken filosoof Karl Popper (1902-1994),- dat verdient een nadere analyse. Van hem komt de term ‘open samenleving’, waaraan Verhofstadt zijn discours ophangt.
De ‘open samenleving’: van koude-oorlogs-term tot neoliberale stoplap
Karl Popper, van origine een
wetenschapsfilosoof, was een briljant denker (afgezien van het feit dat hij
volgens recent onderzoek nogal wat ideeën ‘geleend’ heeft van een Joodse collega
die in de jaren ’30 publicatieverbod had gekregen), maar ook een onloochenbaar
product van zijn tijd. Als bekeerde ex-Marxist en vluchteling voor het
Hitlerregime was hij geobsedeerd door het kwaad, vervat in totalitaire
denksystemen, wat hem er finaal toe bracht om alle visies op mens en samenleving
af te wijzen. Politieke denkers als Plato, Hegel e
n
Marx moeten het ontgelden in
‘The Poverty of Historicism’: elke poging om de geschiedenis te
verklaren, te vatten of te bemeesteren, zag hij als een aanloop naar de
apokalyps. Onmerkbaar gleed zijn wetenschappelijk scepticisme (‘De
waarheid kan nooit achterhaald worden’) weg in een politiek nihilisme
(‘Wereldbeelden zijn in se fout’): alleen een ideologieloze, atomaire
samenleving kon voor hem ‘vooruitgang’ boeken, volgens een blind ‘trial and
error’-principe.
Zo groeide Popper op een dubbelzinnige manier uit tot een cultfiguur van het na-oorlogse liberale individualisme. De economische boom vanaf de jaren ’50 scheen de ultieme bevestiging van het idee dat de wereld nog het best af is zonder regulerende huishouding of een consistente waardencultuur: als je iedereen maar wat laat doen, komt het allemaal best in orde. Zonder het goed te beseffen versmolt zijn anti-totalitaire geesteshouding met een onvoorwaardelijk geloof in de Westerse vrijemarkt-economie: de kritische democraat liet zich probleemloos vasthaken aan het karretje van het meest brutale laisser-faire-kapitalisme.
Ingelijfd in de koude-oorlogsrethoriek van de jaren '50, legde Karl Popper –wellicht onbedoeld- de basis van het hedendaagse ‘politiek-correcte denken’. Tegelijk kregen die sociaal-politieke spelregels, dankzij een gekleurde lezing door neoliberale denktanks, steeds meer trekjes van een donkerblauwe entrepreneursfilosofie die de markt als enige norm hanteerde.
En het ging van kwaad naar erger. Vanaf begin de jaren ’50 werd de wetenschapper, ondertussen gerespecteerd hoogleraar in Groot-Brittanië, ingelijfd in de koude-oorlogsrethoriek en de anti-communistische heksenjacht. Zijn meest geciteerde werk, “The Open Society and its Enemies”, is een lofzang op de gemeenschap van vrije burgers, maar aan de andere kant loert het Empire of Evil: de ‘open samenleving’ van Popper wordt beheerst door een latente angst voor het andere. Haar grenzen zijn dus bezet met prikkeldraad. Die angst voor de externe vijand is er vandaag nog steeds,- ze is zelfs veel sterker geworden na 11 September 2001. En ze vormt het nieuwe cement van de postmoderne machtsstructuren. Vandaar dé sleutelzin uit het boek, waar Verhofstadt en consoorten steeds weer naar teruggrijpen:
“Unlimited tolerance must lead to the disappearance of tolerance. If we extend unlimited tolerance even to those who are intolerant, if we are not prepared to defend a tolerant society against the onslaught of the intolerant, then the tolerant will be destroyed, and tolerance with them.”
Met deze koude-oorlogstaal legde de Weense filosoof –wellicht onbedoeld- de basis van het hedendaagse ‘politiek-correcte denken’: de Open Society bepaalt haar eigen grenzen van het redelijke en het moreel fatsoen. Tegelijk kregen die sociaal-politieke spelregels, dankzij een gekleurde lezing door neoliberale denktanks, steeds meer trekjes van een donkerblauwe entrepreneursfilosofie.
Enkele
jaren na de val van de Muur, in 1993, wordt de neoliberale usurpatie van Karl
Popper voltooid, met de oprichting van het Open Society Institute door
multimiljonair en superspeculant George Soros: een internationale, sterk
op de VS-agenda georiënteerde vrijhandelslobby. Met liefdadigheid en
mensenrechtenacties als dekmantel, maar met de verbreiding van de nieuwe
economische wereldorde als eigenlijke missie. Momenteel wordt het instituut
gerund door de Hollandse jet-slet Mabel Wisse Smit, bankiersdochter,
geadeld door haar huwelijk met prins Friso, en ex-stoeipoes van drugsbaron
Klaas Bruinsma. ‘Open Society’, zeg dat wel.
Via de ultra-liberale Popper-adept Francis Fukuyama (die de ‘global village’ als het verwezenlijkte paradijs opvat, en in één moeite de geschiedenis afschaft), is de beweging zelfs in het vaarwater van de neo-cons, de pro-Bush-denktanks en de nieuwe koude oorlogsrethoriek (‘the war on terror’) terechtgekomen. Hoe een dubbeltje rollen kan.
‘Tolerantie’: niet voor homofoben
Zo kwam de aard van het beestje in de jaren ’90 eindelijk boven water: de ‘open samenleving’, die in Verhofstadt’s boekje in alle toonaarden wordt bezongen, is de mondiale marktplaats waar personen, goederen en diensten volgens de prijs van de dag worden verhandeld. Tevens echter definieert ze een nieuw politiek paradigma dat na de val van de Muur oprijst: een spektakeldemocratie die ‘alles’ toelaat maar tegelijk onmerkbaar haar interne contradicties wegmoffelt. Ze is ‘tolerant’ zolang iedereen binnen de lijntjes kleurt en geen spelregels ter discussie stelt. Ze is ‘open’, maar trekt een nieuwe scheidingslijn tussen goeien en slechten. Ze isoleert en demoniseert de dissidentie die dat woord ‘open’ ook maar in vraag stelt, zoals de 1.10-concerten hebben aangetoond. De auteur van het Burgermanifest beseft blijkbaar ook de ironie niet van zijn ‘Pleidooi voor een Open Samenleving’, gepubliceerd na een periode van afrekeningen en excommunicaties binnen zijn eigen partij…
Ondertussen
cultiveren de media verder de mythe van de tolerantie, en worden we murw
geslagen met opinies en meninkjes. Net door veel discussies en palavers over
ditjes en datjes te organiseren (de ‘open-debat-cultuur’), went iedereen aan het
compromis en aan het idee dat de waarheid iets betrekkelijk is, een kwestie van
hoffelijk geven-en-nemen. Meningen zijn toegelaten, zolang ze maar geen
overtuigingen worden. Iets wat Herbert Marcuse ‘repressieve tolerantie’
noemde.
Het kan dan ook niet anders, of de ‘open samenleving’ van de positivo’s botst haast dagelijks met spelbedervers die de interne contradicties blootleggen, het liberaal ‘faites vos jeux’-model deconstrueren, of gewoonweg wijzen op het belang van eigenzinnige wereldbeelden die zich niét met de mainstream willen vermengen. Van zodra deze dynamiek boven water komt, smelt de ‘tolerantie’ weg als sneeuw voor de zon. Twee recente voorvallen ter illustratie.
Op 16 December kreeg Gerard Bodifée de Homofobieprijs toegekend vanwege de Holebifederatie. De filosoof-wetenschapper had het gewaagd om zich af te vragen waar nu eigenlijk de belangen van het kind gebleven zijn in heel de adoptiediscussie rond homo’s en lesbiennes. Bodifée gooide een steen in de kikkerpoel en kreeg daarvoor een stempel op zijn voorhoofd van ‘politiek fout’, want dat is die ‘prijs’ natuurlijk: een stigma,- vooral door de mediabelangstelling errond. Nu moet een man als Gerard Bodifée, medestichter van de donkerblauwe denktank Nova Civitas, natuurlijk wel tegen een stootje kunnen. Maar de ironie van de geschiedenis is duidelijk: ooit, onder het regime waar Popper voor vluchtte, kwamen homo’s in kampen terecht,- terwijl ze anno 2006 zelf de sterren uitdelen. In naam van de tolerantie.
De 'open society' is niets meer dan een nuttige fictie, bedoeld om dingen samen te houden die geen natuurlijke cohesie hebben: de vermarkte global village, de multiculturele harmonie, de Europese bureaucratie en het Belgische status-quo.
Het tweede voorbeeld is nog hilarischer. Onlangs werd de Antwerpse sociaal werkster van Nederlandse afkomst Marijke Uijt den bogaard (drie keer de spelling van die naam gecheckt) door de stad Antwerpen ontslagen, meerbepaald door de verantwoordelijke Schepen van Samenlevingsopbouw Chantal Pauwels. Reden: ze zou in interne rapporten gewag gemaakt hebben van een ‘onrustwekkende, anti-Westerse radicalisering in bepaalde Islamitische middens’. Uijt den bogaard is een ervaren veldwerkster en heeft een uitstekende staat van dienst, maar toch werd haar die vervelende, politiek-incorrecte analyse zeer kwalijk genomen. Men schoot op de pianist(e) en moffelde de rapporten weg.
In beide voorbeelden blijkt, hoezeer Verhofstadt’s pleidooi een op drijfzand gebouwd advocatendiscours zonder substantie is. In het hoofdstukje over ‘tribalisme’ (het scheldwoord voor al wie die ‘open samenleving’ ter discussie stelt) begaat hij zelfs de denkfout dat de scheiding van kerk en staat boven alle culturele verschillen staat, terwijl dat uiteraard een principe is van onze cultuur. Inderdaad, openheid, pluralisme en tolerantie, het zal de overtuigde moslims worst wezen. En vanuit hun waardenstelsel hebben ze gelijk,- alleen is er een onverenigbaarheid met andere levensbeschouwingen, en moeten we maar wat minder ‘globaal’ gaan denken en iets meer territoriaal of ‘tribaal’.
Conclusie: de huidige ‘open samenleving’ lijdt aan een dubbele werkelijkheidsontkenning: ze weigert de feiten onder ogen te zien, en bestraft de boodschappers. Fundamenteel kan ze niet overweg met haar eigen tegenstellingen, en met het besef dat openheid ophoudt waar mensen of groepen hun identiteit wensen te behouden. Ze is niets meer dan een nuttige fictie, bedoeld om dingen samen te houden die geen natuurlijke cohesie hebben: de vermarkte global village, de multiculturele harmonie, de Europese bureaucratie en het Belgische status-quo.
Die goeie ouwe Karl Popper hiervoor als boegbeeld misbruiken, vind ik van een bedenkelijk allooi. Na Auschwitz en Hiroshima was het normaal dat een kritisch denker zich uitsprak tégen alomvattende wereldbeelden en hun neiging om te botsen. Maar 60 jaar later blijkt het intellectueel dilletantisme van de gebroeders Verhofstadt, opzettelijk of niet, zijn toevlucht te nemen tot dezelfde clichés om het grote cultuurdebat niét te moeten voeren, en te doen alsof we in de beste der mogelijke werelden leven.
‘Triumph des Willens’
Het
brengt ons op de derde stoplap van het Burgermanifest: de ‘morele
verplichting om optimist te zijn’,- weer zo’n Popper-boutade. Guy houdt niet
van piekeraars die vervelende vragen stellen en de snelheid van de vooruitgang
afremmen. Karl Popper heeft die veel misbruikte uitspraak ‘Optimismus ist
Pflicht’ (het klinkt een stuk griezeliger in ’s mans moedertaal) zelf
herhaaldelijk gerelativeerd en gewaarschuwd voor futuristische euforie en
wishfull thinking. Toch is het net die schwärmerige ‘willen-is-kunnen’-toon
die de stijl van Verhofstadt altijd heeft gekenmerkt: als we het lang en luid
genoeg roepen, gebeurt het wel. Het optimisme vertrekt namelijk van de
veronderstelling dat een positieve perceptie de problemen vanzelf oplost,- het
is de sociaal meest-aanvaardbare vorm van domheid, en het camoufleert tegelijk
machtswellust: de wil van de leider moet het volk inspireren tot grootse,
positieve emoties.
Het ‘voluntarisme’ van Tony
Blair, Verhofstadt’s grote voorbeeld en de man die de Irak-leugen mee op poten
zette, is legendarisch (historicus en romancier Michael Dobbs: ‘De
geschiedenis zal Blair uitspuwen’). Ook Donald Rumsfeld was een eeuwige
optimist en survivor, tot zelfs de Amerikanen hem niet meer geloofden.
Achteraf bekeken, als men lessen uit de geschiedenis trekt, blijken de grootste
historische rampen verband te houden met het verkondigen van grote euforische
heilsboodschappen, gekoppeld aan een absoluut
overlevingsinstinct
van de machthebbers (zie ‘Triumph des Willens’, de legendarische
film van Leni Riefenstahl over de NSDAP-parade in Neurenberg anno 1934). Het
opbouwen van collectieve begeestering in monumentale ruimtes is daarin een
cruciale strategie.
De beelden van de
VLD-partijdag in Brugge, op YouTube te zien, roepen dus vreemde associaties op.
‘Een enthoesiasmerend’ betoog, riep de pers in koor. Mij lijkt het
veeleer het gebries van een op hol geslagen paard, dat op een of andere manier
tot staan moet worden gebracht.
Want ‘enthoesiasmeren’, waartoe? Alle studies wijzen uit dat de mondiale kloof tussen arm en rijk groeit, ondanks of net door de globalisering. In Darfur voltrekt zich momenteel een katastrofe zonder dat het Westen een vinger uitsteekt. De Kyoto-norm halen we niet, zoveel is zeker, dus moeten we elders propere lucht kopen. Lucht kopen en verkopen, inderdaad. In de welvaartstaat België leeft 15% van de bevolking onder de armoedegrens. In Brussel, hoofdstad van Europa, met een Bel-20-beurs die afklokte op 23% winst, is dat volgens recente cijfers zelfs zowat de helft, jawel, U leest goed. Naast Finland zijn we in Europa het land met het hoogste aantal zelfmoorden en slikken we de meeste anti-depressiva van alle Europeanen, waarschijnlijk om toch maar aan die ‘moral duty’ van het geluksgevoel te kunnen voldoen (het 4de Burgermanifest prijst de farmaceutische industrie aan als een sector die ‘goed op de vraag inspeelt’).
Nergens bespeurt men in het manifest, of in de rethoriek daarrond, een moment van bezinning, een gevoel voor afstand of (zelf-)ironie. Neen, de horizon wenkt en er is geen tijd voor getreuzel of gezeur. Verhofstadt’s lofzang aan de techniek, het industrieel apparaat en de vooruitgang liegt er niet om: het verstand op nul en de blik op oneindig, is de boodschap.
‘Waar wachten we eigenlijk op?’ is de afsluiter van het hoofdstukje over ‘Globalisering van de welvaart’. Inderdaad mijnheer Verhofstadt, waar wacht U nog op?
Nergens bespeurt men in het manifest, of in de rethoriek daarrond, een moment van bezinning, een gevoel voor afstand of (zelf-)ironie. Het idee van ‘jongens, laat ons even uit de mallemolen stappen en achteruit gaan staan om te zien of we wel goed bezig zijn’.
Neen,
de horizon wenkt en er is geen tijd voor getreuzel of gezeur. Verhofstadt’s
lofzang aan de techniek, het industrieel apparaat en de vooruitgang liegt er
niet om: het verstand op nul en de blik op oneindig, is de boodschap. In wezen is dit een restant van de vroeg-20ste eeuwse
macho-lyriek, beoefend door die andere manifestenschrijver, Filippo Tommaso
Marinetti, peetvader van het artistieke futurisme. Penetratie, lawaai en
snelheid (Avanzata!) zijn hier de sleutelwoorden. Alles moet rap gaan,
overweldigend, gesmeerd, vluchtig, de vlam in de pijp, met de blik op oneindig.
Deze poëzie van de mannelijke daadkracht, geprojecteerd in de auto, de machine,
de snelwegen, was optimistisch en doodsdriftig tegelijk (het 4de
Burgermanifest bevat een uitvoerige lofzang op de auto-industrie, als ‘toonbeeld
van innovatie’). Ze bezong een stralende toekomst, die niet vanuit een politiek
bewustzijn werd geprojecteerd, maar vanuit de ‘wilskracht’ van de profetische
leider. Onnodig te zeggen dat Marinetti en Mussolini dikke vrienden werden.
Onnodig te zeggen ook, dat binnen deze totale Mobilmachung geen plaats
was voor wie ‘neen’ of zelfs ‘ja, maar…’ zei, de pessimisten, dienstweigeraars,
spelbedervers, kortom, alles wat de machine doet haperen.
Kraft durch Freude, heette dat in de nazi-propaganda. Vandaag heet dat ‘de morele plicht om positief te denken’: een kolonisering van het discours zonder weerga, waar denkers als Michel Foucault en Paul Virilio al in de jaren ’80 voor waarschuwden. Via een oppervlakkige lectuur van Karl Popper proberen de optimisten à la Verhofstadt elke maatschappijkritiek bij voorbaat te ontzenuwen: al wie nog zoekt naar inzicht, achtergronden, verbanden, samenhang, is ‘verzuurd’, of erger nog, een paranoïde believer in complottheorieën. Wie bij de supermarktrekken, waar kikkerbilletjes of ganzelever wordt verkocht, probeert uit te leggen hoe die dingen daar terecht zijn komen, verstoort het feest en bederft de markt,- de erotisch-publicitaire maatschappij van de tomeloze, niet-vervulbare begeerte waar Michel Houellebecq het over heeft in zijn ‘Elementaire deeltjes’.
Het leeghoofdige optimisme van de global village verdraagt geen eilanden of tussenschotten, waarachter individuen of groepen geheime drankjes brouwen. Maar laat dit nu net de processen zijn die échte doorbraken opleveren waardoor de geschiedenis kantelt...
Zo
vloeit het optimisme van de macht-nieuwe-stijl naadloos over in een afkeer van
diepte-analyse en complexiteit. Verhofstadt toont op een frappante manier aan
dat de postmoderne macht vooral beducht is voor mensen en groepen die naar het
totale plaatje op zoek zijn, de complete puzzel. En dat is het grote verschil
met Popper’s wereld. Ooit was ideologie iets dat van bovenuit kwam,- vandaag is
inzicht omtrent grote gehelen subversief. De theorie komt van onderuit, ze leeft
in de contramine, terwijl de macht zich grondvest op de diversiteit, de
versnippering en het amalgaam van de ‘open samenleving’.
Vandaar dat naïef geflirt in het Burgermanifest met de ‘chaostheorie’: de nieuwe globalistische wereldorde predikt de wanorde, omdat ze beducht is voor globale analyses die ergens een ‘systeem’ zouden ontdekken, waardoor het vrijheidsbeginsel een fictie zou blijken. Daarom werd Bodifée verketterd en kreeg Uijt den bogaard haar ontslag: ze wezen op paradigmatische breuklijnen, échte cultuurkloven die de platte aarde van Thomas Friedman weerom zeer hobbelig maken.
Het politiek ‘optimisme’
behoort dus tot een ontkenningsstrategie vanwege de ‘open samenleving’ die
zichzelf perfect heeft verklaard.
De
geachtenloze doctrine
van de global village verdraagt geen tussenschotten waarachter individuen
of groepen geheime drankjes brouwen. Maar laat dit nu net de processen zijn die
échte doorbraken opleveren waardoor de geschiedenis kantelt. De genieën
die Verhofstadt zo graag citeert (Newton,
Einstein, Prigogine…), waren geen brave jongens die geduldig en tolerant
voortbouwden op wat iedereen als correct beschouwde, en nog minder positivo’s
die zich lieten meedrijven in een naïef vooruitgangsoptimis
me. Het waren
wezenlijk
dspelbedervers.
Nerds die thuisbleven wanneer iedereen in de parade opstapte. Of zoals die
geniale Rus, Grisha Perelman, die in zijn Siberische achterkeuken een van de
grootste wiskundige raadsels oploste, maar de congressen schuwt en geen enkele
prijs ophaalt. Dit soort intellectuele energie is weerspannig, gesloten, en
politiek onbruikbaar. Het vertrekt van kleine eilanden die traagheid en stilte
cultiveren, op kwaliteit gericht zijn, en juist daardoor nopen tot fundamentele
keuzes: het is het een of het ander. Het discussieert niet over ballen die
binnen of buiten zijn, het stelt de spelregels in vraag.
Ondertussen probeert Verhofstadt ons een 19de eeuws paradigma te slijten in een 21ste eeuwse verpakking. Een economie die op snelheid, schaalvergroting en puur winstbejag is gebaseerd, levert op het einde Braziliaans fluitjesbier op, zoals het Inbev-verhaal aantoont. We hebben daarom net behoefte aan méér eilanden, die op inhoud, complexiteit en intensiteit zijn gericht. Trage, ‘vrouwelijke’ gistingsprocessen op quasi-onvindbare plekken, die verwondering opwekken en pure kwaliteit opleveren zoals het patersbier van Westvleteren. Een brouwerij in een godvergeten gat, waar zo min mogelijk reklame over wordt gemaakt, waar geen marketing aan te pas komt, waar geen wegwijzers naar toe leiden, maar dat wel ‘the best beer of the world’ oplevert. En dat slechts met mondjesmaat te koop is, enkel in café De Vrede, achter het klooster.
Dat
alles kan zeker niet gezegd worden van Guy Verhofstadt’s boekje: het ligt
werkelijk overal,- de marketing klopt perfect, en het smaakt naar alles en
niets. Als dit de aanzet is tot het grote ‘inhoudelijk debat’, waartoe hij zijn
politieke concurrenten wil dwingen, mag Leterme op beide oren slapen.
Voor de rest: chapeau,- een verkiezingspamflet slijten aan 5 Euro, dat kan alleen een echte liberaal. Ik heb het boekje, van amper honderd pagina’s met veel wit, in tien minuten tijd bij de krantenboer uitgelezen, tot ik tolerant verzocht werd om te kopen of op te hoepelen. Kijk, dat is nu de echte vreugde van het consumentenschap: proeven zonder te betalen. En het uitgespaarde geld beter besteden. Een bak Westvleteren is hier iets te hoog gegrepen. Maar voor 5 Euro heb je toch al een goede fles Toscaanse wijn. ■