VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels              Reageer via het Forum         E-mail     

 


 Kunst en cultuur: business as usual?      

Van Peking naar Westende, en zo weer terug                                       

 Johan Sanctorum
 11/09/11
 

 

De recente rel rond de Nederlandse afvaardiging op de internationale boekenbeurs van Peking stelt de relatie tussen cultuur (in dit geval letterkunde), politiek en marketing weer op scherp. Op die discussie zat wat sleet, omdat de vierde speler in dit verhaal, de media, liever hypes creëren en surfen op dingen die goed verkopen, dan een paar vervelende vragen te stellen.
Er vielen dus zaken te doen in Peking, in weerwil van het pretbedervend geneuzel over mensenrechten en beknotting van de vrijemenin
gsuiting. Dat het regime nog steeds korte metten maakt met dissidente schrijvers, hen sociaal uitrangeert of gewoon achter de tralies zet, mocht voor de handelreizigers geen beletsel zijn: het heette dat hun aanwezigheid een positief effect zou kunnen hebben, “dingen in beweging zou kunnen zetten”, enzoverder.
Het Vlaams Fonds voor de Letteren, druk doende met
Sukse en Wiske en Dimitri Verhulst, zat op dezelfde mercantiele golflengte: niet flauw doen hé jongens, we spreken hier over dé groeimarkt van het moment. Zo gezegd, zo gedaan...

 

I. Kuifje in China

Ook op het toch niet zo verregaand verzoek van Amnesty International om een speldje te dragen tegen de censuur en de vervolging werd niet ingegaan: zinloze symboliek, werd geopperd, en enkel voer voor een “welles-niets”-spel waar niemand wat aan heeft. Waarmee de postmoderne vrolijkheid zich weer in al haar glorie onthulde: het moet nu maar eens gedaan zijn met symboliek en principes: back to business. In die zin werd schrijver Marcel Moring, die hierbij een kritische kanttekening durfde te plaatsen, verketterd als een azijnpisser en bevuiler van het literaire nest,- stikjaloers omdat hij zelf niet tot het kransje genodigden behoorde.

Midden deze Hollandse Chinoiserie deed ook De Vlaamse (of moet ik zijn geval zeggen: Belgische) schrijver David van Reybrouck een oproep tot pragmatisme en gezond verstand: “…Geen welles-nietesspelletje over een speldje, maar een dialoog met betrokkenen ter plekke en machthebbers. De lange weg is soms de zinvoller dan de kortstondige hetze”. (Volgens mij staat in de laatste zin een "de" te veel, maar wie ben ik om een schrijver als van Reybrouck te corrigeren)

Deze lange weg maakt natuurlijk wel een wijde boog rond het feit dat die fameuze Pekinese Boekenbeurs niets meer was dan de façadeoperatie van een dictatuur, waaraan de betreffende schrijvelaars hand- en spandiensten verleenden, daartoe aangepord door hun respectievelijke uitgevers. En tja, een reisje Peking, wie laat dat nu liggen. Op het thuisfront heeft van Reybrouck zich naar eigen zeggen laten overtuigen door Tienchi Martin-Liao, voorzitster van de onafhankelijke Chinese PEN-vereniging, die dus in feite de niet-officiële, door het regime gedesavoueerde auteurs groepeert. Hoezo?

De rekkelijkheid van de Kuifjes-in-Peking doet onvermijdelijk denken aan de legendarische reis in 1954 naar de Sovjet-Unie van een aantal Franse topintellectuelen, waaronder J.P. Sartre, die aldaar een "volledige vrijheid van mening" kon vaststellen.

Tienchi Martin-Liao is woordvoerster van de dissidenten die constant onder bewaking staan, om de haverklap worden opgepakt, en in China publicatieverbod hebben. Zou zij David aangespoord hebben tot enige inschikkelijkheid? Ik betwijfel het. In De Volkskrant legt ze de situatie als volgt uit:

“Bepaalde mensen mogen niet deelnemen, laat staan in gesprek gaan met de buitenlandse gasten. Diverse leden van de onafhankelijke Chinese PEN zijn ruim voor het begin van de boekenbeurs door de veiligheidsdiensten gewaarschuwd om geen enkele uitnodiging van westerse organisaties, schrijvers of uitgevers aan te nemen. Eigenlijk konden ze maar beter weg zijn uit Peking tijdens de boekenbeurs en pas weer naar huis komen als de buitenlanders waren vertrokken.”

 Er bestaat in China een uitgebreide zwarte lijst van dissidente schrijvers die op geen enkele manier in de openbaarheid mogen komen. Op de lijst figureren o.m. de onder huisarrest geplaatste Nobelprijswinnaar en oprichter van de burgerrechtenbeweging Charta 08, Liu Xiaobo (foto). De Chinezen waren razend toen hij de prijs kreeg,- hij heeft hem niet mogen afhalen.  Ook schrijver Liao Yiwu is persona non grata op de boekenbeurs. Na het bloedbad van Tiananmen in 1989 had hij een gedicht gepubliceerd met de toepasselijke titel: “Bloedbad”. Genoeg om hem vier jaar op te sluiten en te folteren.

In dat perspectief was minstens een symbolische geste op zijn plaats geweest. Niet dus. Het ziet ernaar uit dat de literatoren, die zich anders toch graag tot het geweten van de natie bombarderen, ook wat betreft de cultuurpolitiek in eigen land, hier even hun principes op zak hebben gestoken.

Terecht fulmineert publicist Marc Reugebrink: “Wat de hele handelsmissie naar Peking in de eerste plaats duidelijk maakte, was dat het niet ging om het aan de man brengen van de van oudsher met literatuur in verband gebrachte emancipatoire inhoud, om het humanistische levensideaal, maar om de verkoop van boeken.”

Dat van dat “humanistisch levensideaal” is een tamelijk naïef statement: uitgevers zijn sowieso verkopers van bedrukt papier, niets meer of minder. Het is, op een witte raaf na, nooit anders geweest. En het is nu eenmaal de betrachting van elke schrijver om zich te laten souteneren door zo’n letterpooier. Op zich moet een mens natuurlijk leven, maar in een volgend stadium geraakt de literator zo ingekapseld in het marktgebeuren (zie maar hoe bv. Herman Brusselmans elk jaar zijn roman netjes tegen de boekenbeurs afscheidt), dat de vraag helemaal het aanbod bepaalt. Schrijvers zijn letterschijters. Tenslotte komt ook de politieke recuperatie op de proppen: de inbedding in het systeem creëert middelpuntzoekende krachten die de intellectueel keurig op zijn plaats houden,- hij wordt een catalogusnummer, eventueel met vedette-allures. Het is een eeuwenoud verhaal, het gebeurt altijd opnieuw.

De rekkelijkheid van de Kuifjes-in-Peking doet onvermijdelijk denken aan de legendarische reis in 1954 naar de Sovjet-Unie van een aantal Franse topintellectuelen, waaronder J.P. Sartre. Ze keerden terug met de triomfantelijke mededeling dat ze zowat het paradijs op aarde hadden aanschouwd en dat er “volledige vrijheid van mening heerste”. Geen Goelags gezien dus, alleen vriendelijke mensen en schouderklopjes. Of hoe dom ook slimme lieden kunnen zijn. Na de Sovjet-inval in Hongarije (1956) zongen Sartre en C° wel een toontje lager, zonder evenwel ooit partij te kiezen voor de dissidenten. De uitspraak van 1954 is hem levenslang blijven achtervolgen.

 

II. Het verschil tussen kunst en schroot

 Meteen raakt de Pekingkwestie een veel breder thema, namelijk dat van de plaats van kunst en cultuur in het postmoderne warenhuis. In dat postmodernisme (volgens sommigen het ultieme –isme, waar alle tegenstellingen voor eens en voor goed oplossen) wordt de drie-eenheid tussen cultuur, macht en markt op een haast manische, religieuze manier gecelebreerd. Intellectuelen zijn handelaars in hun eigen wegwerpproducten, waarbij de kortstondige hype primeert. Ze bewegen zich helemaal aan de binnenkant van het systeem, omdat er geen buitenkant meer is. In de 20ste eeuw voelden Gramsci, Horkheimer, Adorno, Marcuse, Sloterdijk de bui al aankomen: allen hebben ze het proces gemaakt van het cynische Vernunft, waar ze overigens als eminente academici zelf deel van uitmaakten. Want dat is natuurlijk de clou van het verhaal: ook wie tegen is, werkt mee. Schrijvers, denkers en kunstenaars mogen zich formeel nog zo non-conformistisch opstellen,- op het einde bevestigen zij het status-quo en stappen ze mee in de grote stoet. Het beste levende bewijs is momenteel Michel Houellebecq.

De discrete ruiloperatie die hieraan ten grondslag ligt, is veel fundamenteler dan alle cultuurvermarkting op zich. Er is een pervers mechanisme werkzaam, waardoor juist de vrijheid van de kunstenaar, schrijver, filosoof, en zelfs journalist, de onvrijheid van de massa produceert en bestendigt. Hoe vrijer de kunstenaar,- die macht en impact verwerft op zijn publiek,- hoe volgzamer de toeschouwer. Kunst emancipeert de massa dus niet, wel integendeel. In het essay "De engel, de maagd en de koorddanser" pluis ik deze machtsverhouding verder uit.

Deze relatie is een weerspiegeling van politieke machtsrelaties. In de jaren ’20 van vorige eeuw stelde Antonio Gramsci, notoir tegenstander van Mussolini, dat een samenleving niet alleen economisch en politiek gedomineerd wordt door een beperkte elite, maar dat er ook culturele hefbomen nodig zijn om die oligarchie stabiel te houden. Het systeem leeft dus bij de genade van een “cultuurhegemonie”, in stand gehouden door een establishment van kunstenaars, schrijvers, vandaag ook mediafiguren, zelfs sporthelden, die ons moeten verbazen, opvrolijken, en die daar uiteraard ook beter van worden. Zij leveren het decorum en consumeren de vrijheid die aan de massa onthouden wordt.

Allerlei kleurrijke verschijnselen doemen hier op, die net wijzen op een ruilhandel tussen macht en intellect. Er is natuurlijk een artistiek enfant terrible als Jan Fabre, de eeuwige rebel wiens werken vrijwel alle muren van de Vlaamse administraties sieren en die zich tegen het Belgische koningshuis aanschurkt (dat royalistisch pattriottisme is een hardnekkige constante in het Vlaams-Belgische kunstenwereldje). Allerlei uitingen van zogenaamde intellectuele en artistieke vrijheid, het zotste eerst, dienen eigenlijk om de vrijheid die wij allen ambiëren, af te leiden naar iets beperkter, meer geïsoleerd, namelijk de plezante gekte en het modieus nonconformisme van de kunstenaar die zijn ding mag doen terwijl wij erop staan te kijken. Als Wim  Delvoye op de dijk van Middelkerke een hoop roestig oud ijzer deponeert (foto boven), is het kunst,- als u het doet is het sluikstorten. Als happeningkunstenaar Benjamin Verdonck op de Antwerpse Meir onder een wit laken kruipt (foto onder), is het modern theater,- als u het doet is het overlast, tenzij men u gewoon in een gekkenhuis opsluit. Eens het effect gecreëerd en de buit binnen, mag het kunstwerk overigens echt op de schroothoop, of kan het elders opnieuw samengesteld worden, U vraagt, wij draaien. De heer en mevrouw Modaal rest er slechts de boete te betalen als ze de vuilniszak op de verkeerde dag buiten zetten. Voor hen geen artistieke vrijheid.

Intellectuelen moeten permanent uitzonderingstoestanden creëren, het forum bezet houden en elitaire eilanden exploiteren. Hun vrijheid is onze on-vrijheid.  Als geconsecreerde narren leven ze in een libertaire zeepbel en leveren, in ruil voor statusverhoging, op gezette tijden hand- en spandiensten aan het heersende regime.

Zo ook het fetisj van de “vrijemeningsuiting” in de mediamaatschappij. Als Luc Van der Kelen of Bart Peeters luidkeels hun mening laten schallen over omhet even welk onderwerp, dan is het opinie. Als u het doet op het internet, in uw eigen ongekunsteld idioom en met de nodige taalfouten en een paar krachttermen, dan is het gore schuttingtaal.

 Intellectuelen moeten dus uitzonderingstoestanden creëren, het forum bezet houden en elitaire eilanden exploiteren. Ook bij ons, in het vrije Westen, zijn het spiegels van de macht en moeten ze afstand blijven scheppen tussen zichzelf en het publiek. Ze handhaven zich als de kwaliteit tegenover de kwantiteit. Hun vrijheid is onze on-vrijheid. Als geconsecreerde narren leven ze in een libertaire zeepbel en leveren, in ruil voor statusverhoging, op gezette tijden hand- en spandiensten aan het heersende regime.  Er is geen enkele spanning meer tussen cultuur, media en markt: schrijvers vormen een intermediaire priesterkaste in de hedendaagse spektakelreligie. Hun kwaliteitslabel valt samen met hun marktwaarde, die op haar beurt bepaald wordt door een permanente en dwingende aanwezigheid in geschreven en audiovisuele pers. Een schrijver die niet in de krant komt, verkoopt niet, schrijft niet, bestaat niet.

Hogervernoemde David van Reybrouck gaat zelfs expliciet de politieke toer op om zijn intellectuele privileges te demonstreren. Zijn affiniteit met het regime uit zich in bevlogen oproepen tot burgerzin, zoals het G-1000-project: een hoogstpersoonlijk door de schrijver zelf bijeengeroepen assemblée van civielen die de zieltogende Belgische monarchie moeten depaneren, in de onderliggende gedachte dat het gewone volk alles toch maar in de war stuurt door fout te stemmen. Er is wel wat gemor vanuit Vlaams-nationale kringen tegen deze neo-Belgicistische restauratie, maar de weldenkende literatuurwatchers houden de kiezen op elkaar, terwijl het hier toch gaat om een flagrante vorm van nieuw elitarisme en ouderwets cultuurpaternalisme. Sommigen zullen denken dat ik het speciaal op van Reybrouck gemunt heb, maar ik kom de man gewoon overal tegen waar reactionaire danspassen met het bestaande regime worden aangegaan. Zo ook waar hij in zijn Congo-boek de rebel Patrice Lumumba, die in zijn historische onafhankelijkheidspeech van 1960 Koning Boudewijn en het Belgische koloniale regime de mantel uitveegde en daardoor eindigde in een oplossing van zwavelzuur, als impertinent en ongepast karakteriseert. De baronstitel wenkt voor deze literator, zoveel is zeker.

Formeel horen schrijvers als van Reybrouck dus thuis in het rijtje van de literaire mandarijnen die door Peking worden gekoesterd. Ze verdedigen een gematigde houding tegenover de dictatuur, omdat ze ook thuis met de politieke macht gebrouilleerd zijn. Strategisch is het een uitstekende keuze: de Chinezen zullen de oude wereld veroveren. Nadat de Volksrepubliek China onze failliete economieën zal overgenomen hebben via de massale aankoop van afgeprijsde staatsobligaties, zal ze ook politiek en cultureel hier een en ander op orde stellen. Het zou de Belgische impasse echt kunnen oplossen: we worden gewoon een kolonie van Peking. En dan is het toch kwestie om een vlekkeloos curriculum te kunnen voorleggen, niet bezoedeld door teveel subversief actionisme of "symbolische" speldenprikken.

 

III. Camping Cosmos

 Blijft ondertussen de vraag of wij ons te moeien hebben met de Chinese niet-democratie, hun Confuciaanse pleinvrees, hun wankele stuwdammen en hun slechte tafelmanieren. In principe: neen. Wel zou de dissidente energie, daar aanwezig, een impuls kunnen zijn om hier bij ons de burgerlijke ongehoorzaamheid te herontdekken, compleet tegen bovenstaande strategische bedenking in. Dictaturen zijn kweekvijvers van de subversiviteit die wij niet meer kennen, door de alles-kan-alles-mag-mentaliteit waar geen enkele mening er nog toe doet. Net nu onze politieke democratie op instorten staat en de greep van de markt op het individu alomtegenwoordig wordt, is het uitzetten van nieuwe kiemen van rebellie een noodzaak. Ironisch genoeg zullen die kiemen moeten geïmporteerd worden uit totalitaire systemen zoals... China. Dank dus aan die heerlijke communistische partij der mongoloïden die, laten we het niet vergeten, dat literaire feestje in Peking op touw heeft gezet. Leve de censuur en de repressie, want zij creëren verzet.

Dat zet natuurlijk heel de cultuurindustrie op haar kop. Vandaag, met de totale industrialisering, vermarkting, en inbedding van kunst en cultuur in het mediacircus, wordt vrijwel nooit de vraag gesteld of cultuur niet tégen de markt in moet gaan en zich aan de media moet onttrekken. De wrevel vanuit de onderbuik tegen de modieus-weldenkende culturo’s en “linkse hobbyisten” groeit, net omdat ze geen subversief potentiaal meer hebben. De populistische Kulturfeindligkeit zoals die in Nederland en Vlaanderen opgang maakt, is echter niet voldoende. Waar we behoefte aan hebben is een echte tegencultuur van mensen die de facebooken sluiten en het gebaar van de middenvinger maken tegen marketing en netwerking.

In het essay “Epifanie” pleit ik voor nieuwe, extreme vormen van dilettantisme: alles is de eerste keer. We worden hardleers, dyslectisch, dom, en juist daardoor onhandelbaar, zelfredzaam en slim.  Existentieel en sociologisch houdt "de kunstenaar", als mandarijn en demagoog, op te bestaan. Dit is een vloekend afscheid aan de waan van het kwaliteitslabel, de eruditie, de belezenheid, de mainstream-cultuur van de wekelijkse krantenbijlagen. In de postcultuur is iedereen kunstenaar, schrijver, maar het boek wordt, als verhandelbaar product, een dood voorwerp. Aan de ontlezing van de massa beantwoordt een uitschrijving van het individu. Alle normen van literaire kwaliteit, communicatievaardigheid en sociaal conformisme worden hier onderste boven gehaald, want die normen waren gelieerd aan het vraag-en-aanbod-spel van de markt en de integreerbaarheid van het individu. De toeschouwer bestaat niet meer in dit universum, noch de burger, noch de lezer, noch de consument. Zij waren nevenproducten van een vervreemdingsproces dat uitdooft met het bankroet van de sociale, politieke, culturele en economische netwerken. Uiteindelijk wordt de betekenis van het woord “cultuur” helemaal herzien, en evolueren we naar een post-civiele republiek van doe-het-zelvers, dagboekschrijvers en zondagsschilders.

De rebellen of de dissidenten, zoals we die vandaag in China en andere dictaturen nog kennen, vormen een noodzakelijke tussenstation naar deze nieuwe, 21st-eeuwse postcultuur. We zullen eerst terug een paar generaties beeldenstormers moeten kweken, hier bij ons: onaangepaste dwarsliggers en outlaws. Kunstenaars en intellectuelen die heel hun talent ten dienste stellen van het uitdagen van het politiek-economisch systeem en het negeren van de markt. Alleen zij nemen de vrijheid breder en concreter dan de door de cultuurbureaucratie toegemeten “artistieke vrijheid”. Het zijn geen jonge honden die trappelen om de oude alfa’s te verdringen, maar eerder varkens die alle cleane ruimtes met slijk bespatten, gewoon omdat ze zich daar goed bij voelen. Vandaag lijken ze uitgestorven, we zullen ze moeten importeren en opnieuw uitzetten.

In Vlaanderen was cineast Jan Bucquoy een van de laatste echte rebellen, voor het postmodernisme toesloeg. Deze kunstenaar bleef zich gedragen als een varken en joeg de media, het establishment, de politiek én de markt tegen zich in het harnas. In "La Vie sexuelle des Belges" (1994), waarvan het hilarische luik “Camping Cosmos” het meest bekende is, zette hij zijn land- en volksgenoten te kakken, op zo’n manier dat de toegezegde subsidies werden ingetrokken. Op deze kustcamping te Westende duikt, bizar maar waar, ook de Kuifjesfiguur op die we later in David van Reybrouck en de Pekingreizigers zullen herkennen. Hij bezorgt de uitbaatster haar eerste orgasme (foto), hetgeen zijn status van huisintellectueel definitief bezegelt. Opmerkelijk is dat die camping, waar Bucquoy zijn lasterlijke satire filmde, acht jaar later “om redenen van ruimtelijke ordening” met de grond werd gelijk gemaakt.

De rebellen of de dissidenten, zoals we die vandaag in China en andere dictaturen nog kennen, hebben voor ons een voorbeeldfunctie.
We zullen eerst terug een paar generaties beeldenstormers moeten kweken: onaangepaste dwarsliggers en outlaws. Kunstenaars en intellectuelen die heel hun talent ten dienste stellen van het uitdagen van het politiek-economisch systeem en het negeren van de markt.

Bucquoy's eigenlijk biotoop was de straat en de zogenaamde openbare ruimte, maar niet weggestopt achter een kunstzinnig alibi zoals bij Benjamin Verdonck. De anekdotes zijn talloos. Regelmatig kondigde hij een staatsgreep aan en vatte daartoe post aan het Koninklijk Paleis te Laken, tot hij werd opgepakt. Hij was de bezieler achter de klandestiene zender Radio Uylenspiegel in Frans-Vlaanderen, en blies met een paar kornuiten de zendmast van Radio Rijsel op. Zijn media-credibiliteit sloeg definitief door de bodem, toen hij in een TV-interview de schaamdelen van koningin Fabiola vergeleek met twee gedroogde vijgen die hij uit zijn zakken toverde. Jaren voordien al verklaarde hij op de Nederlandse televisie dat hij koning Boudewijn de hand wou drukken met een handgranaat erin, waardoor ze samen in de lucht zouden vliegen. Dat is nog eens wat anders dan het royalistische gefleem van Fabre, Tuymans en Delvoye.

Bucquoy’ opstand was niet politiek maar existentieel en situationistisch, ook al liet hij zich op zijn oude dag inlijven door het Spirit-clubje van Bert Anciaux die naderhand als Vlaams cultuurminister zijn stamcafé De Dolle Mol opkocht. Afgezien van die uitschuiver is hij zijn iconoclastisch programma trouw gebleven (anderen zoals Kamagurka volgden ook deze lijn maar pasten zich nadien aan en werden doordeweekse BV’s). Het schandaalgehalte van zijn beeldenstorm, zwemend tussen de surrealistische grammatica, het ludieke gebaar en de terreurdaad (letterlijk "schrikwekkend"), is een maat voor de paniek vanwege het establishment. In tegenstelling tot alle modieuze cultuurrebellen verontrustte hij wel degelijk, en werd als een spelbederver beschouwd.

Zonder twijfel was Camping Cosmos een allegorie van de rotte Belgische plek waarop wij vandaag nog steeds vertoeven. Een hilarische stripverhaalmonarchie waarin vrolijke bewakers rondhossen en en de koningin-huisbazin oraal bevredigen. Merkwaardig genoeg zal ook de nieuwe enscenering door Calixto Bieito in de Vlaamse Opera van Kurt Weills “Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny” (kinderen niet toegelaten) zich in een camping afspelen. Knipoog naar Bucquoy?

Zo bood de Pekinese boekenbraderij toch nog interessante denkstof over de eindigheid van de letterkunde, de onzin van cultuur, en over subtiele onderstromen in de Oost-West-verhouding. Ik denk niet dat we de Chinese dissidente literatuur moeten consumeren, we moeten ze zijn, haar als model opnemen voor onze eigen revolte. Een opstand die finaal moet leiden naar een inkeer. Want uiteindelijk gaat dit over de oude geluksvraag: na een lange omloop is het tijd dat het Ik tot zichzelf komt en rust zoekt in de eigen wereld. Een zekere Lao Tse heeft daar zinnige dingen over geschreven.

Op de plek waar Camping Cosmos ooit stond, zou een republiek moeten komen van autonome stadstaten, elk ter grote van een stacaravan. Meer heeft een mens niet nodig.

 

Terug naar boven