
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

In
mijn boekenkast staat Darwin
naast de Bijbel
Suggesties aan Frank VDB voor een open biologieles
Johan Sanctorum
1/10/2007
Het zit er zoals bekend bovenarms op tussen de creationisten en de Darwinisten,- nu ook in Vlaanderen. De evolutieleer, een ijzersterke 19de eeuwse doctrine die de menselijke soort als het product ziet van een lang biologisch ontwikkelingsproces, krijgt zowaar opnieuw concurrentie van het aloude Adam-en-Eva-verhaal, dat zijn rechten opeist in de biologieles. Dat Darwin zijn illuminatie kreeg op de Galapagoseilanden, september 1835, is algemeen bekend. Maar waar komt dat idee vandaan van een almachtige pancreator die de klus in zeven dag klaart? En… waarom komt het vandaag opnieuw boven water, als inzet van politiek gekissebis? Wat is er opeens mis met de evolutieleer? Of broeien er, onder die tweestrijd tussen creo’s en Darries, nieuwe cultuurkloven in het landschap van een gefragmenteerde, postmoderne beschaving?
God bless America: de truc van Achnaton
Eerst
even het geheugen opfrissen. ‘Ons’ scheppingsverhaal wortelt onmiskenbaar in de
Judeo-Christelijke traditie van het monotheïsme: er is één (mannelijk)
ongeschapen opperwezen dat de wereld ex nihilo creëert, zonder
assistentie en zonder participatie van een (‘vrouwelijke’) antipode. Vrijwel
alle andere oude cosmogonieën,- te beginnen met de Babylonische, later de
Griekse,- gewagen van een oersexuele daad tussen twee tegengestelden (bv. licht
en duister), waaruit eerst de wereld, dan de goden en tenslotte de mensen worden
geprocreëerd. Sex dus, al op het eerste moment van het heelal, met een hele
pleiade van grote, kleine, slimme, domme, goede en slechte hemellichamen als
gevolg. De onbeheersbaarheid van deze vrolijke veelgoderij, die aanleiding gaf
tot een pluralistische shopping-religie (Welke god zal ik vandaag eens
gunstig stemmen, om mijn reuma in bedwang te houden?), moet bepaalde
machthebbers gestoord hebben. Omstreeks 1350 v.C,- dus nog niet zo gek lang
geleden, voert Achnaton de cultus van Aton in, als Egyptische
staatsreligie: bemint en vreest één God, schepper van hemel en aarde, en rechter
over alles wat beweegt onder het uitspansel. Daartoe werd het oude polytheïsme
grondig vertimmerd, wat niet zonder slag of stoot ging (historici vermoeden dat
Achnaton uiteindelijk gelikwideerd werd door aanhangers van de oude, ‘heidense’
natuurreligie). In die periode ook moet er een zekere Mozes aan het hof
van de farao vertoefd hebben: korte tijd later werden het ‘modern’ monotheïsme
en het bijbehorende scheppingverhaal dé hype van het moment. En vooral,- het was
een mythe die de absolute heersers veel beter uitkwam: zij konden zich
spiegelen aan een transcendent Opperwezen (de Hebreeuwse Elohim)
dat aan de bron van alles ligt, zonder zelf een oorsprong te hebben.
Onbegrijpelijk en fascinant.
De
verabsolutering van de Ene God, met de monotheïstische staatsgodsdienst
als logische conclusie,
was dus van meetaf aan een politiek verhaal: het scheppingsverhaal is een natte
droom van de alleenheerser. Het is een demagogische mythe (vandaag zouden
we zeggen: een communicatiestrategisch concept), met voorbedachten rade
geconstrueerd door een farao met grote ambities. De daaruitvolgende genesis-vertakkingen
van het Jodendom, het Christendom én de Islam volgen een en dezelfde piste van
een monarch die boven alle tegenstellingen staat. De wijsheid van de wereldlijke
heerser wordt ingefluisterd door de Almacht. Tot diep in de middeleeuwen zou die
buiksprekerij voortduren. Logisch ook dat de drie takken van het monotheïsme
voorbestemd waren om met elkaar in de clinch zouden gaan: alle drie claimen ze
een unieke, onverwisselbare en onveranderlijke Waarheid rond dat Ene Opperwezen.
Het 18de eeuwe Verlichtingsdenken gold twee eeuwen als dé remedie tegen dit soort politiek gestuurde religieuze projecties. Maar aan het einde van de 20ste eeuw haken twee processen fataal in elkaar: een stille implosie van de Westerse democratische instellingen, en de opkomst van de Islam als radicale, anti-Westerse derdewereld-ideologie. Waardoor ook het Avondland, in de verdediging gedrongen, zich weer herinnerde dat het God aan zijn kant had,- vooral sinds 11 september 2001. En zo wordt al iets duidelijker, waarom de entourage van neocons rond President Bush dat creationisme zo omarmt. Enerzijds had Bush’ meesterstrateeg Karl Rove met een simpele rekensom begrepen dat de fundamentalistische Christenen in de VS een belangrijk kiezerspotentiaal vertegenwoordigden. Anderzijds echter was het droppen van een creationistische bug in de liberale Californische wetenschapscultuur een perfecte aanloop om de democratie zelf in vraag te stellen, tenzij die deel uitmaakt van een meesterlijk-goddelijk strategisch plan (Intelligent Design dus): Georges Bush, de man met Mozaïsche allures, via het Amerikaanse kiessysteem door God uitverkoren voor een heilige missie. God bless America. Nu lijkt deze kruisvaartrethoriek lichtjes hilarisch, maar in die sfeer zijn wel de plannen voor de Irak-oorlog gerijpt.
De verabsolutering van de Ene God, met de monotheïstische staatsgodsdienst als logische conclusie, was dus van meetaf aan een politiek verhaal: het scheppingsverhaal is, sinds Achnaton en Mozes, een natte droom van de alleenheerser.
Ondertussen
is de creationistische hype, zoals bekend, de grote plas overgewaaid, en o.m.
tot Belgische afmetingen herleid. In volle komkommertijd verrasten CD&V-politica
Cathy Berx en veteraan Luc Van den Brande ons met een zacht voorstel om ook het
scheppingsverhaal in de biologieles te introduceren, kwestie van eens een andere
klok te laten horen. Daar hebben ze op zich absoluut gelijk in. Alleen: evenmin
als bij de neocons in de VS gaat het hen om waarachtig pluralisme, maar
veeleer om het inspelen op onderbuikgevoelens bij een publiek dat het politiek
theater kotsbeu is, verlangt naar authenticiteit, en zich terugplooit op een
vage nostalgie naar legitieme, absolute autoriteit.
Ze hebben de statistieken aan hun kant: mensen zijn op zoek naar de Grote Waarheid die de kleine pedanterie van haar sokkeltje blaast. Volgens een recente peiling gelooft 43% van de Amerikanen in het letterlijke scheppingsverhaal, en nog eens 38% in het Intelligent Design-concept. In Zwitserland vindt driekwart van de inwoners dat de schepping ook aan bod moet komen in de biologieles. En zo’n derde van de Vlamingen schijnt te geloven dat God de wereld geschapen heeft, waarmee ze Darwin dus impliciet naar af sturen. Terug naar de middeleeuwen? Veeleer lijkt het erop dat het gebrek aan zingeving en de afkeer van het moderne hokjesdenken (‘zinloze’ en waardenvrije wetenschap in de biologieles, de grote levensvragen in godsdienstles of moraal) zich vertaalt in een religieus réveil waar de politiek watertandend naar kijkt. Het groeiend publiek draagvlak voor het creationisme lijkt niet zozeer bijbels-fundamentalistisch, dan wel een uiting van diep cultureel onbehagen.
The survival of the fittest: Darwin en de nieuwe wereldorde
Want dat er vanalles schort aan die evolutieleer, kan een klein kind aanvoelen. Alleen al het fanatisme waarmee het vandaag verdedigd wordt, moet onze argwaan wekken. In een recent rapport van de parlementaire vergadering van de Raad Van Europa wordt ronduit het ‘indoctrinerende creationisme’ verbanvloekt en de ‘objectieve evolutieleer’ aangeprezen,- het lijkt wel een pauselijk edict. De achtergrond van deze rabiate uitspraak is zonder twijfel ideologisch: de ‘struggle for life’-idee rijmt perfect met de gedereguleerde vrijemarkteconomie die ons door de strot wordt geduwd. In de nazitijd vormde Darwin de pseudo-wetenschappelijke onderbouw van de rassenleer, vandaag is hij een fetisj van het neoliberalisme.Voluit heet het sleutelwerk van Darwin overigens “On the origin of species by means of natural selection”, met als ondertitel "or the preservation of favoured races in the struggle for life". De apologeten van de evolutietheorie laten dat onderschrift gegeneerd weg…
Als
men het Darwinisme socio-politiek doordenkt, eindigt men in de nieuwe wereldorde
van de global market place. De biologische struggle heet in
economische taal ‘concurrentie’, die zichzelf op het einde afschaft en overgaat
in een monopoliedictatuur. Ze is gegrond op een schaarste-idee en de doctrine
dat miserie en dood nuttig zijn om populaties in evenwicht houden (het zgn.
Malthusianisme). Sukses gaat ten koste van de andere, rijkdom is een bewijs van
aangepastheid (fitness). Alleen de besten zullen overleven in het echte
real-life-Robinson programma. En met hoe minder ze op ’t einde zijn, hoe
confortabeler ze het zullen hebben. Het 19de eeuwse Darwinisme was
dan ook de simpele emanatie van een triomferende burgerlijk-liberale klasse die
haar vrijemarkt-ideaal met een minimum aan regels wou beperkt zien. Het is de
wetenschappelijke travestie van het recht van de sterkste (‘the survival of
the fittest’ ) in een universum waar de winnaar ook altijd gelijk heeft. Het
stuitende antropocentrisme dat daaruit volgt (‘de mens als bekroning van de
evolutie’, zoals de bijbel de mens als kroon van de schepping ziet) veegt elke
ecologische bescheidenheid resoluut weg,- de gevolgen daarvan tekenen zich
langzamerhand wereldwijd af. Er zijn namelijk steeds meer tekenen die erop
wijzen dat the fittest op deze planeet misschien wel gewonnen heeft, maar
dat het globale plaatje niet klopt, en dat het hier eerder gaat om een
zelfkroning van het mannelijke roofdier.
Zo
komen we tot de griezelige vaststelling dat de evolutieleer zich als een
atheïstische religie gedraagt. Ze verabsoluteert de vooruitgang, fundeert het
economische ‘laissez-faire’, en ziet in elke winnaar een bevestiging van
haar eigen gelijk. De spermatozoïde die het rapst spurtte, bepaalt de
spelregels voor het nageslacht. De doden waren dom, zwak, onaangepast,- de
overlevers planten zich voort en geven hun suksesrijke genen door, ter meerder
glorie van de soort maar ook van het survival-principe zelf. De
tautologische ketting die zo ontstaat is er een van compleet zelfbedrog: de open
markt van het leven zou geluk moeten creëren maar doet net het omgekeerde. In
een kannibalistisch universum waar men eet om niet gegeten te worden, is de mens
alleen. Met de vrije wil als alibi wordt een collectieve verslaving zonder
weerga georganiseerd,- een verslaving die de vorm aanneemt van een mateloze
consumptiebegeerte: de evolutieleer vindt zijn apotheose tussen de
supermarktrekken en in de TV-reklame. Ik eet, dus ik ben.
...zo komen we tot de griezelige vaststelling dat de evolutieleer zich als een religie gedraagt. Ze verabsoluteert de vooruitgang, fundeert het economische laissez-faire, en ziet in elke winnaar een bevestiging van haar eigen gelijk, volgens het 'survival of the fittest'-principe.
Het mag dan ook niet verbazen dat
de Vlaamse liberalen in hun pen kropen om Darwin alsnog het ultieme gelijk te
gunnen, in naam van de vooruitgang en de ‘wetenschappelijke objectiviteit’.
Nadat politieke theelichtjes zoals Margriet Hermans en Annick de Ridder het
terrein hadden beschenen, mocht Karel de Gucht in een Standaard-opiniestuk van
16/8 alle registers opentrekken: “Het naast elkaar, op gelijke hoogte,
bespreken van
creationisme en evolutietheorie is
een logische onmogelijkheid.” Tot zover de levensbeschouwelijke
verdraagzaamheid van de uittredende Minister van Buitenlandse Zaken. Achter het
intellectueel
dilletantisme van De Gucht zit een behoorlijke dosis pedanterige arrogantie: we
weten eigenlijk alles al, er zijn alleen een paar vervelende tsjeven die de
biologieles verstoren,- ze moeten tot de orde worden geroepen. De
nadrukkelijkheid waarmee de top-VLD-er een 19de eeuws wereldbeeld
verdedigt dat op de drempel van de 21ste eeuw zijn tweede jeugd
beleeft, bevestigt het vermoeden dat wetenschap niet waardenvrij kàn zijn: de
liberalen plakken aan Darwin, zoals de Getuigen van Jehovah aan hun Bijbel. Dat
de wetten van de vrije markt sinds de val van de muur uitdijen over deze
planeet, maakt die ideologie totalitair en de bijbehorende wetenschappelijke
doctrine inderdaad onweerlegbaar, zoals het Christendom dat in onze middeleeuwen
was. Daarmee bewijst De Gucht, wellicht zeer ongewild, dat de evolutieleer wél
op hetzelfde niveau staat als het scheppingsverhaal. Het zijn mythologische
verdichtingen die een tijdsgeest, een cultuur en een collectieve perceptie van
de werkelijkheid weerspiegelen. Ze drukken het intellectuele overwicht van een
heersende klasse uit, en consolideren dus macht.
Overigens, Karel De Gucht, is dat geen notoire logeklant? En is de vrijmetselarij als mannenclub historisch niet doordrongen van de goddelijke scheppingsgedachte,- ook al heeft het GrootOosten een vrijzinnig kleurtje? Quid?
En toch beweegt ze…
Zo rijdt heel het zelfverzekerde evolutiediscours zich vast in cirkelrederingen, vergelijkbaar met de middeleeuwse godsbewijzen. Eigenlijk hebben de hedendaagse kennisleer en wetenschapsfilosofie allang korte metten gemaakt met dat misverstand. Vooral de 20ste eeuwse denker Thomas Kuhn (“The structure of scientific revolutions”, 1962) analyseerde de geschiedenis van de menselijke kennis als een opeenvolging van paradigma’s,- grote verhalencomplexen die de neiging hebben zichzelf in stand te houden, tot ze kantelen en er een totaal nieuw inzicht doorbreekt. Telkens, aan de doodstrijd van zo’n paradigma, wanneer er gaten opduiken en zekerheden afbrokkelen, verschanst het zich met des te meer fanatisme achter zijn eigen autoriteit. Tekenen wijzen erop dat we ons ook vandaag in zo’n kantelpunt bevinden: Darwin is op zijn retour.
De conclusie daaruit is, dat geen enkele visie op mens, wereld en natuur objectief ‘beter’ is dan een andere,- dat had de 18de eeuwse filosoof Immanuel Kant al door. Elke doctrine, hoe wetenschappelijk-exact en ‘natuurgetrouw’ ze ook lijkt, is een heersende mening, die het omwille van allerlei redenen haalde op andere meningen. Het zijn algemeen aanvaarde, tijdsgebonden wereldbeelden. Sterker nog: God of de evolutie, het gaat altijd om modellen, geloofsinhouden, al dan niet gerationaliseerde dogma’s en dingen die we ‘willen’ zien (Kuhn: “A scientific community cannot practice its trade without some set of received belief”).
Dat inzicht zou ons tot een Socratische bescheidenheid
moeten aanzetten: in feite weten we helemaal niets,- we denken dat we
iets weten, en klampen er ons aan vast. De bekende Grot-allegorie van Plato
heeft dat schimmenspel weergaloos verwoord: we leven in een cocon van
pseudo-kennis en waanvoorstellingen, gewoonweg omdat ons brein beperkt is, omdat
het sociaal handig is, en omdat maar weinigen de moed hebben om de heersende
meningen te negeren.
De geschiedenis van de menselijke kennis is een aaneenrijging van misverstanden,
intellectuele luiheid, Macchiavellistisch gekonkel, wishfull thinking en ook wel echte stommiteiten.
Slechts heel af en toe van echte geniale flitsen. En,- tragikomisch: we weten
het alleen maar achteraf, als de oude vooroordelen door nieuwe zijn vervangen.
Of dacht U nu echt, Karel, dat wat we vandaag als ‘wetenschappelijk juist’
beschouwen, dat binnen 100 of 200, laat staan 500 jaar nog zal zijn?
Men zal zich in de toekomst kapot lachen over wat wij in 2007 geloofden.
Het Darwinisme en de evolutietheorie inbegrepen. Copernicus, de man die
nu te pas en te onpas ten tonele wordt gevoerd, beschouwde zijn heliocentrisme
overigens zeer bescheiden als ‘een wiskundig model’, niet als dé finale
beschrijving van dé realiteit. Galilei, Copernicus, Einstein, namen die we nu
meer eerbied uitspreken, golden in hun tijd als heterodox, ‘onwetenschappelijk’,
bizar, of zelf gewoon geschift.
De geschiedenis van de menselijke kennis is een aaneenrijging van misverstanden, intellectuele luiheid, Macchiavellistisch gekonkel, wishfull thinking, en ook wel echte stommiteiten. Slechts heel af en toe van echte geniale flitsen. Men zal zich in de toekomst kapot lachen over wat wij in 2007 geloofden. Het Darwinisme en de evolutietheorie inbegrepen.
Wellicht zijn alleen deze subversieve momenten echt de moeite in heel de door Thomas Kuhn geschetste carroussel van verhalen die elkaar van de troon stoten: momenten waarop individuen zekerheden onderuit halen, regels verbreken en autoriteit uitdagen. In die zone wordt wetenschap brokkelig, controversieel, onaangepast, zelfs chaotisch. Het zou goed zijn moesten paranoïde zelotenclubjes als SKEPP (“Studiekring voor Kritische Evaluatie van Pseudo-wetenschap en het Paranormale”), met als vaandeldrager Prof. Em. Etienne Vermeersch, dat eindelijk eens beseffen. In hun fanatisme om de ‘rationele wetenschap’ te verdedigen, sabelen deze kruisvaarders zowat alles neer wat niet voor 100% past in het academisch-conformistische denkkader van vandaag. Amusante hobby’s zoals astrologie, ufologie en handlezen, maar ook biologische landbouw, parapsychologie, acupunctuur, psycho-analyse, macro-biotiek, homeopathie, en… uiteraard het creationisme. Ik durf wedden dat ze de theorie van de global warming ook tot op het laatste moment bestempeld hebben als een ziekelijke complottheorie, zoals onze weerman Frank Deboosere dat twee jaar geleden nog volhield.
Wetenschap
is ‘van nature’ reactionair, behoudsgezind, en het onderwijs bestendigt die
tendens om eenzijdig te handhaven wat voor de meerderheid als ‘waar’ en
‘objectief’ geldt. Het
standpunt van Frank Vandenbroucke is weinig bemoedigend, ondanks alle rethoriek
omtrent pluralisme en verdraagzaamheid. Men haalt geen diploma met het
betwijfelen of deconstrueren van gesettelde theorieën. Niet-conforme inzichten
worden gemarginaliseerd, als prettig-gestoorde fabulaties bestempeld, of als
gevaarlijke fantasieën verbanvloekt.
Dit soort wetenschappelijke onverdraagzaamheid dijt sociaal
uit, en zorgt voor een constante onderbelichting van wat nieuw, kritisch en
controversieel is. Eigenlijk toont Kuhn aan, hoe wereldvreemd en neurotisch
academische netwerken in elkaar zitten. Wetenschap gaat niet alleen over kennis
en nieuwsgierigheid, maar ook en vooral over leerplannen, eindtermen, grote
budgetten, carrières, prestige, Nobelprijzen, sociale elites, en ethische
commissies die politici van hun geweten ontlasten.
Primair zorgt wetenschap voor de wereldwijde tewerkstelling van miljoenen
subintellectuelen waarvan het gros nooit door één origineel idee zal overvallen
worden. Hier en daar zit er een echt genie tussen (meestal in de
schemering werkend, zoals de wiskundige Grigori Perelman die nooit uit
zijn Siberisch woud komt, zelfs niet om een internationale onderscheiding zoals
de Fields-medaille af te halen), maar dat
zijn witte raven aan de rand van de academische bureaucratie die haar eigen
middelmatigheid tot absolute maatstaf verheft.

De moderne wetenschap is dus een instituut. Erger nog: ze is een kerk met een hiërarchische structuur, een inquisitorische handhavingsstrategie en een dogmatisch discours. De formele scheiding tussen godsdienst en staat verandert daar niets aan, ze bevordert het misschien zelfs. Toen ik me als jonge student aan de VUB wilde inschrijven (waarvan vooral de V van Vrij me intrigeerde…) werd ik met zachte hand gedwongen om een verklaring te ondertekenen waarin ik de principes van het Vrij Onderzoek onderschreef. Snapt U de paradox? Ik slikte een paar keer en tekende. Galileo Galilei indachtig, die ook voor de inquisitie moest zweren dat de aarde stilstond, en nadien mompelde ‘E pur si muove’ . Vrij vertaald: ‘Het zal me Siberische worst wezen.’
Sindsdien staat in mijn boekenkast Darwin naast de Bijbel en de Kama-Sutra. Welk boek het dichtst de waarheid benadert, dat is een discussie zonder begin of einde. Welk van de drie in de biologieles het meest plezier zou opleveren, daar kan weinig twijfel over bestaan.■