VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels              Reageer via het Forum         E-mail     

 


 Epifanie

 
Pleidooi voor een cultuur van uitschrijven en ont-lezen

 Johan Sanctorum
 Lezing, gegeven op 5/9/2010 in Filosofiehuis 't Zoekend Hert/Antwerpen
 

 

Als een windhoos raasde expert Jan Hoet door het Paleis van Schone Kunsten. De Standaard had hem dit voorjaar uitgenodigd om de inzendingen te inspecteren van “De Canvascollectie”, een door de VRT georganiseerde talentenjacht die vooral naar het “innerlijke, verbazende, en weerbarstige” op zoek was,- dixit de jury. Op een zondagavond werden alle inzendingen nog eens op TV getoond, aan de snelheid van één beeld per seconde. De hyperkinetische Jan Hoet had voordien al in een halve minuut alles bekeken en 90% platgetrapt, zo lees ik toch in De Standaard:
“‘Allee, wat hangt hier nu? Die tenten, wat is dat voor iets? Je kunt ook caravans schilderen. Maar kunst is het niet. Het is zelfs niet echt goed gedaan. Zie, hier, die rode tent, dat is een dood stuk. Rood en toch dood!'” (DS, 12/5/2010)
Moest ik in die tent gezeten hebben, ik was eruit gekomen en had de eminente curator een pak slaag verkocht, en daarmee en nieuwe uiting van action-painting toegevoegd aan de collectie. Jan Hoet doet zich voor als een speurder naar het excentrieke en onverwachtse, maar eigenlijk hanteert hij de strenge, haast dogmatische regels van zijn eigen modernistische tabulatuur.
“Slecht, tot zeer slecht” zuchtte de kunstpaus, “Mama mia, wat is dat hier, die kent er helemaal niks van”.
Uiteindelijk waren het toch weer echte profs die wonnen. Geen onbekend talent, geen verrassing, geen eigenzinnigheid, maar een koppel fotografen dat al dertig jaar meedraait in het circuit. Ingewijden dus…
In dit essay wil ik het niet over Jan Hoet hebben, zelfs niet over kunst, het is maar een binnenkomer. Het gaat over machten die ons beheersen, ons leven bepalen, en die –misschien- kunnen ontweken worden, met als hamvraag: Hoe zich uitschrijven, uit de collecties?
 

 

Dit essay bestaat uit zes stadia en een epiloog. Elk van hen is afzonderlijk aanklikbaar:

1. Het oordeel: over de wereld als museum, de collecties en de Collectioneur
2. Nummers: over strategieën om de collecties te mijden
3. Het verhaal: over de geschiedenis als catastrofale collectie
4. Het boek: over teksten die niet willen gelezen worden, en het plezier van het ont-lezen
5. Het huis: over onbewoonbare huizen en hun nut voor de bewoner
6. De grens: over metamorfoses, tussenruimtes en niemandslanden
7. [Het web]: over het internet als vlucht-, dwaal-, en opbergruimte
 

 

1. Het oordeel

Wat me in het verhaal van de Canvascollectie vooral interesseert, is het museum als ruimte van de collectie, waarachter een collectioneur/expert schuil gaat die autonoom de criteria bepaalt en een keurmerk verleent.  De essentie van het museum is daarom de selectieprocedure,- de tentoonstelling zelf is maar een uitloper daarvan.   Bij nader toezien is dit een universeel mechanisme: heel ons professioneel en privé leven zit vol examens, in te vullen vacatures, overgangsrituelen en toegangsprotocols tot ruimtes die we ambiëren, maar die ook zelf verleiden, een dwingend appèl tot ons richten.

In dat opzicht kan men de wereld als een museum van musea beschouwen: een netwerk van collecties met elk eigen huisregels en toegangsvoorwaarden. Onze archaische behoefte aan geborgenheid, de drang om “ergens toe te behoren”, drijft ons steeds weer naar binnen, want buiten heerst de eenzaamheid, de kilte en de armoede. En wees eerlijk: wie van ons is al niet eens een museum binnengelopen, enkel en alleen omdat het buiten regende?

Rest de vraag over de oordeelsdaad zelf, de acte van het verzamelen, en het personage van de rechter-collectioneur. Wie is Hij? Ik zal hier meteen aantonen hoe breed men het begrip “museum” wel kan nemen.

 De kampbewaker in Auschwitz die met zijn hand de werkbekwamen scheidt van de gaskamerkandidaten; de tentoonstellingmaker die kunstenaars (ont-)selecteert, de quality-control aan de productieband; de buitenwipper vóór de discotheek; het screenen van asielzoekers, het schoolexamen, het sollicitatiegesprek, het kiezen van een partner in de disco of op internet, reality-survivalsoap à la Expeditie Robinson ,-… altijd wordt het kaf van het koren gescheiden, wordt er over leven en dood beslist, over binnen en buiten, op basis van hm.., kwaliteitscriteria. Maar wat is kwaliteit?

We gaan hier niet heel de geschiedenis van de filosofie de revue laten passeren, van Plato en Aristoteles tot Kant, en zo verder naar de moderne en postmoderne esthetica, Lyotard, etc. Het volstaat om vast te stellen dat kwaliteit een predikaat is, een opgekleefd etiket. Kwaliteit is niet inherent aan een ding of een wezen, het is veeleer een stempel, zo leerde ons William Van Ockham al in de 14de eeuw. Een Jodenster, een etiket op een pot confituur, een rode sticker op een vuilniszak, een keurmerk, een diploma, het maakt niet uit:

Het is uiteindelijk de mathematicus Georg Cantor die rond het begin van de 20ste eeuw kwaliteiten (eigenschappen) met collecties (verzamelingen) verbond, volgens de stelling "voor elke eigenschap A bestaat de verzameling van alle dingen met eigenschap A". Simpel en geniaal, want deze theorie deconstrueert het begrip “kwaliteit” gewoon tot een etiket dat door alle leden van een groep gedeeld wordt, afbeeldbaar in een zgn. Venn-diagram.

Cantor leert ons om de kosmos te bekijken als een complex logisch heelal, een verzameling van verzamelingen, die elkaar nu eens overlappen, dan weer uitsluiten, of gewoon naast elkaar bestaan. Niet langer de elementen, de “individuen” zijn essentieel, wel de verzamelingen, buiten de welke logisch niets kan bestaan. Want doordat de geweigerde of gevluchte exemplaren ook weer een groep vormen, zijn er vrijwel geen lacunes, zwarte gaten waarin een collectieloos individu zich zou kunnen ophouden. Zijn overlevingskansen zijn nihil. Niet in de natuur –zoals Darwin terecht poneerde met zijn “Origin of Species”-, maar ook niet in de samenleving, cultuur, de religie. We bestaan dus bij de genade van een groep.

...In dat opzicht kan men de wereld als een museum van musea beschouwen: een netwerk van collecties met elk eigen huisregels en toegangsvoorwaarden. Onze archaische behoefte aan geborgenheid, de drang om “ergens toe te behoren”, drijft ons steeds weer naar binnen, want buiten heerst de eenzaamheid, de kilte en de armoede.

Dat inzicht maakt de man-met-de-stempel des te machtiger. Hij is de ultieme kunstenaar.  Bij nader toezien is hij ook de enige die echte, absolute kwaliteit bezit, zonder een keurmerk van iemand te moeten krijgen. Jan Hoet is uiteraard maar een nickname voor de ultieme identiteit van die verzamelaar, maar u begrijpt al waar ik naar toe wil: het is de God van het monotheïsme, de God van het Laatste Oordeel, waar de goeden en de slechten van elkaar worden gescheiden. Beide geven aanleiding tot selecties en hun musea: respectievelijk de hemel en de hel, met een opslagplaats ertussen in, het vagevuur.

In evangelische zin zou men dus kunnen stellen dat God de logica heeft uitgevonden en zijn miskende zoon Georg Cantor naar de aarde heeft gestuurd, om de verzamelingenleer als blijde boodschap te brengen,- maar meteen ook om alles binnen die grote supercollectie, genaamd de Schepping, te houden, waaraan niemand of niets ontsnapt.

Merkwaardig genoeg gaf Georg Cantor zelf een theologische dimensie aan zijn systeem, wat hem in die tijd door de positivistische wetenschap zeer kwalijk werd genomen.  Intuïtief begreep hij namelijk al snel dat verzamelingen ook een verzamelaar veronderstellen, die transcendent is, en dus zelf niet aan de verzamelingenleer kan onderworpen worden, want dat zou tot allerlei paradoxen leiden. Sommige van die paradoxen zijn echte filosofische grappen geworden, zoals deze van de Barbier van Sevilla. Deze hanteerde het uithangbord: "Ik scheer alle mannen die zichzelf niet scheren". Maar niemand kon antwoorden op de vraag of de barbier tot de groep van mannen behoort die zichzelf niet scheren. Het antwoord is namelijk zowel ja als neen.

Een god dus, die buiten de logica en boven het universum staat. Achter de selectie zit een autoriteit die zelf niet vatbaar is voor selectie.  De barbier als verzamelaar, rechter, beul, slachter, weldoener, estheet. “Largo al factotum della città”, zo luidt de openingsaria van de hilarische Barbier van Sevilla (G. Rossini).

Het heeft dus geen zin om zich af te vragen of de Almachtige Schepper (Pancrator, Fac-totum) zich scheert. Hij staat buiten elke norm, fysisch, moreel, logisch, metafysisch.  Zeg dus nooit iets kwaads (of goeds) over God, en ook niet over zijn schepping. Over wat is, vallen geen waarde-oordelen te geven, want het feit dat het bestaat is al een bewijs van kwaliteit "in de beste der mogelijke werelden". De verzameling der verzamelingen is gewoon zichzelf, de selectie is wat ze is,- er wordt met de jury niet gecorrespondeerd.  Wanneer de Schepper op de zevende dag constateerde “dat het goed was”, reikte hij dus eigenlijk zichzelf een kwaliteitscertificaat uit, en kwalificeerde alles wat is, tot iets wat “moet zijn”. Zelfs de hel is op zich een deugdelijke verzameling met een consistente samenstelling. Vandaar ook het cynische maar zeer juist gezegde: “Auschwitz was goed in zijn genre”.

 Terug naar index

2. Nummers

De kampen blijven me door ons hoofd spoken. Men zegt dat de joden zich zeer gewillig opstelden als er sterren werden uitgedeeld, bij het aanmelden voor deportatie, - dat zelfs de rabbi’s meewerkten, wellicht vanuit hun elitaire zelfperceptie. Iets moet hen aangetrokken hebben,- is het niet de leuze “Arbeit macht frei” die aan de ingang van het kamp prijkte, dan misschien wel het besef van uitverkoren te zijn en het uitzicht op een Joods thuisland (een van de lokmiddelen waarmee de nazi’s hen probeerden te verzamelen).

Het meest huiveringwekkende aan de verzamelingenleer is evenwel de vaststelling dat we wel volgens een kwaliteitscriterium gekozen worden, maar vanaf dan tot pure kwantiteit herleid worden, quantité negligable.  Van zodra we door de quality control  zijn geselecteerd, op basis van eigenschap A, staan we die eigenschap terug af en worden we “een element”, een nummer, genaaid op een streepjespak.   De verzameling roept ons binnen, maakt leden, en vernietigt ons als individu. In Don Giovanni ontvouwt Mozart weergaloos het tragikomisch karakter van die procedure, via de bekende catalogusaria van Leporello: vrouwen die voor zijn meester vallen, ook de mooiste, zullen eindigen als nummers in een register. 1003 in Spanje.

Achter de logica van de verzamelingenleer zit dus een psychologie van de verleiding en de misleiding. Elke collectie heeft een zwaartekracht die ons wel de illusie geeft van te kiezen, maar eigenlijk kiest zij ons. Kwaliteit is daarbij slechts een lokmiddel, dat tot de façade van het systeem behoort, als uitstraling, imago: het label is tegelijk reclame. We consumeren meer het beeld dan het ding zelf. Eens aan de kassa, worden we een nummer en betalen we (op voorhand) de prijs voor het aangekondigde genot (dat er meestal niet of zeer miniem is). Deze spiraal van onbevredigde behoeftes is de psychologische kern van het mondiale verzamelingenstelsel.

Meteen zitten we midden in de consumptie-economie en de reclame: wij, als consumenten, denken van te kiezen in de zgn. “vrije markt”, terwijl de producenten ons kiezen, we worden gekozen, als doelgroep, populatie, verzameling. Het product roept, wij beantwoorden, en worden statistisch gekwantificeerd. Vergelijk het met een hoer die je vanuit de etalage al haar kwaliteiten toont, en die u ook taxeert op uw “waarde”, maar, eens binnen, haar centen wil zien en je zo snel mogelijk aftrekt, in die volgorde. Zij, of haar pooier, bepaalt wie penetreert, zij verleent het keurmerk en stelt de verzameling van klanten samen. Jan Hoet, God, de pooier, Don Juan: het zijn allemaal verschijningsvormen van de Collectioneur die ons tot zich roept.

Imago, schoonheid, illusie, onvervulde beloftes- wat zijn we toch domme kinkels, de minachting van de hoer voor haar klanten is terecht. Hoe konden die Joden nu echt geloven dat ze naar het beloofde land zouden gebracht worden!  Arthur Schopenhauer (1788-1860) definieerde in die zin “schoonheid”: als een list van de natuur om de procreatie en de overleving van de soort te verzekeren. Altijd overheerst de belofte, de begeerte en het uitstel, want anders valt het systeem stil en valt de collectie van de collecties uit elkaar. De goddelijke verzamelaar is dus ook een rattenvanger. Christenen, joden en moslims moeten het heel hun leven stellen met een beeld van het hiernamaals als belofte op pure, eeuwige quality time.

Steeds sterker groeit dan het besef dat de filosofie en de moraal niet zozeer moeten zeuren over la condition humaine, over allerlei ethische vraagstukken en existentiële kwesties die altijd in zelfmedelijden eindigen. De kernvraag is veeleer: hoe aan de verleiding weerstaan? Hoe de valstrik van het kwaliteitslabel vermijden? Hoe de beelden, uithangborden en etalages ontlopen, die ons in een collectie willen groeperen? De list en de verlokking zijn overal. De schoonheid, waarheid en goedheid zingen ons, kenners en liefhebbers, feuertrunken toe. Maar op het einde zijn we allemaal varkens in de tuin van Circe.

...Zo is het wellicht niet moeilijk om een sauna, of een fitness-centrum, op te vatten als een concentratiekamp of een folterkelder. Dezelfde toestanden, dezelfde dingen. Lichamen die afzien, zweten, in de hel van de herhaling. Meteen vervalt elke aantrekkingskracht van het pseudo-paradijs, en de zin om zich in te schrijven.

Ik denk dat hier een proces van deconditionering en ontwenning mee gemoeid is: een state of mind creëren, die misschien kan overgaan in een modus vivendi, en die ons immuun maakt voor de verleiding. En daarvoor is de verzamelingenleer juist nuttig: ze stelt de hemel en de hel formeel aan elkaar gelijk, als twee evenwaardige collecties. Zo is het wellicht niet moeilijk om een sauna, of een fitness-centrum, op te vatten als een concentratiekamp of een folterkelder. Dezelfde toestanden, dezelfde dingen. Lichamen die afzien, zweten, in de hel van de herhaling. Meteen vervalt elke aantrekkingskracht van het pseudo-paradijs.

De hel is de hemel, en de hemel is de hel. Ironie, sarcasme en cynisme zijn hier de aangewezen instrumenten van ompoling en iconoclasme: Auschwitz als Club Med, het vacantie-resort als folterkamp. Ik denk dat de finaliteit van de humor rond deze verwisseling van collecties draait.

We kunnen nu met de beeldtaal beginnen spelen en haar omkeren, tegen zichzelf gebruiken. De reclame lokt, maar de antireclame stoot af, en het is zelfs interessant om die twee met elkaar te confronteren of te verwisselen.

In die zin is het beeld van het manifeste kwaad of de lelijkheid, of het wansmakelijke, uiterst nuttig, als voorbehoedsmiddel tegen de lokroep van het schone, het goede, het ware. Zoals elke man een foto van de lelijkste vrouw ter wereld boven zijn bed zou moeten hangen, om zich voor misstappen te behoeden, zo kunnen stank, beelden van ontbinding, het perverse, het lijden, eigen aan places-not-to-be, helpen als memento tegen de luchtbellen vol kwaliteit die ons liefdevol, beleefd, correct en smaakvol uitnodigen om ons in een collectie in te schrijven, tot een samenhang te behoren en… een nummer te worden. Het lelijke mag vooral geen esthetische categorie op zich worden (zoals bv. de pop-art en zijn derivaten dat beogen), maar moet ons simpelweg van elke idealistische drift genezen. Het lelijke is dan een ironische omkering van het schone. Het werkt preventief, pro-actief, immuniserend, zoals een waarschuwingsbord “Verboden toegang” of “Giftig” (het doodshoofd-embleem).

Het lelijke kan ook opgeroepen worden als overtreffende trap van het schone, als overdrijving, hyperbool. Een vrouw die zich ontkleedt kan een man opwinden, maar de verdere ontkleding tot skelet juist niet,-dan wordt het afstotelijk, een memento mori “.  Het naakt verder ontkleden: het is de methodiek van de pornografie, die als “kwaliteitsloos” en “smakeloos” wordt verworpen door collectioneurs-met-smaak.

Voor meer zelfbeschermings-strategieën van die aard, zie  Diogenes, Erasmus, de Sade, Schopenhauer, Nietzsche, en andere pretbedervers.

 Terug naar index

3. Het verhaal

In een volgende stap, na het formeel gelijk stellen van de hemel en de hel, kunnen we nu het principe van de eigenschappen zelf in vraag stellen, en nagaan of het niet mogelijk is om a.h.w. zonder eigenschappen, “kwaliteitsloos” te existeren, onidentificeerbaar. Waardoor we logisch ook tot geen enkele verzameling zouden behoren. Men zou zo de verkiezingen vermijden, alle vacatures negeren, de wedstrijden, de diploma’s, de musea, de carrière, de Nobelprijs, maar ook de gaskamers, het kamp, het gekkenhuis, de ghetto’s, de stad, de samenleving, het huwelijk. Nergens bij horen, op het Laatste Oordeel gewoon niet komen opdagen, niet tot het goed of tot het kwaad kunnen gerekend worden. Is zo’n neutraal, onzichtbaar bestaan mogelijk? Kan de vlinder eruit? Ik zal beginnen met een literair experiment.

In “Der Mann ohne Eigenschaften”  (geschreven tussen 1921 en 1941) speelt de Oostenrijke schrijver Robert Musil doorlopend met het idee om onherkenbaar en paradigmaloos te leven, buiten elke sociale of culturele context. Er is alleen het eigen referentiesysteem, dat tautologisch werkt, zoals een éénmansmuseum. “God in het diepst van zijn gedachten”, al vind ik dat een té theologische omschrijving. Ik verkies dan eerder de  Cantoriaanse definitie van het absoluut subject: de verzameling met één enkel element, waardoor ze geen verzameling meer is. Men is zijn eigen pure kwaliteit, en daarmee basta. Een licht dat alleen naar binnen schijnt, en zich uiterlijk als een zwart gat voordoet.

Robert Musil kwam zo tot een hoofdpersonage (een zekere Ulrich) dat constant uit het verhaal wegdrijft. Reden: hij heeft geen eigenschappen te delen met iets of iemand binnen het boek. Het verhaal loopt als een trein, maar de protagonist heeft de neiging om eraf te springen, hij “plakt” niet op zijn omgeving. Ondertussen zwelgt die omgeving in de kwaliteitscultus, de snuifdozen van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, Johan Strauss, de Sachertorten, de keizerlijke praal, de parades,… een schone postkaart waar alles en iedereen een plaats heef in de beste der mogelijke werelden. Maar schijn bedriegt: de catastrofe is nabij.

Rond 1912-1913, het tijdstip waarin de roman zich situeert, had men inderdaad al een voorgevoel waar het Goddelijk kwaliteitsbeginsel ging eindigen: Robert Musil en zijn muzikale evenknie Gustav Mahler laten de schoonheid stinken. De postkaart onthult ons zijn lugubere keerzijde, gesigneerd door de Afzender. Onder de weelderige, opgespannen boezems van de burgerdames loert al het skelet, de lelijkheid, de verhakkelde lijken in de prikkeldraad, de verschrikking van de bloederigste eeuw uit onze geschiedenis,- de absolute kwantiteit van het massagraf. Allen hebben ze deelgenomen, allen hebben ze verloren.

Robert Musil begint eigenlijk waar Georg Cantor ophoudt: het verhaal (de roman) is een hogere vorm van verzameling, een gedramatiseerde collectie, waarin de elementen (de personages) evolueren en met elkaar omgaan, in interactie komen. Maar juist daardoor is er een hypothetische mogelijkheid voor een personage om zich aan de interactie te onttrekken, de schaduw op te zoeken en a.h.w. weg te glippen uit het verhaal, om de catastrofe te ontlopen. En eventueel ontstaat er zelfs een achtervolging, binnen het verhaal, om de weerspannige protagonist op te sporen. Want dat staat bij Musil vast: wie in het verhaal blijft spelen, gaat het Laatste Oordeel tegemoet, dat concreet wordt op 1 augustus 1914, de dag dat de eerste wereldoorlog begint.

Onder de weelderige, opgespannen boezems van de burgerdames loert al het skelet, de lelijkheid, de verhakkelde lijken in de prikkeldraad, de verschrikking van de bloederigste eeuw uit onze geschiedenis,- de absolute kwantiteit van het massagraf. Allen hebben ze deelgenomen aan het verhaal, allen hebben ze verloren...

Tenslotte blijkt elk verhaal, als gedramatiseerde collectie, een afkooksel van de geschiedenis, en blijkt de geschiedenis op haar beurt een pastiche van het scheppingsverhaal. Terecht zoekt Ulrich, de man-zonder-eigenschappen, de uitgang, uit de roman én uit de geschiedenis én uit de schepping, met de sympathie en de medewerking van de auteur zelf, een God die zijn eigen creatie loochent. Zo blijkt een van de meest geprezen romans uit de 20ste eeuw een autobiografische anti-roman van en over iemand die zich geen enkele kwaliteit laat opspelden. Het boek decomponeert zichzelf. De schrijver neemt even de pose aan van God, gaat achter zijn schrijftafel zitten, maar ont-schept dan gedurende 20 jaar zijn constructie, en wordt de antipode van de Almachtige Collectioneur, namelijk een één-elementen-verzameling…waarin het woord “verzameling” geen enkele betekenis meer heeft, en dus mag geschrapt worden. De ultieme antithese van de Schepping, quod erat demonstrandum: de zelfgeboorte van het individu.

Ik vraag me, na deze ultieme krachtinspanning van de anti-auteur Robert Musil, af of de literatuur zichzelf nog wel kan ernstig nemen. Komt het er nog op aan om in een verhaal meespelen? Wie wil nog hoofspeler of figurant zijn in zoiets pervers als de geschiedenis? Wie wil nog tot de schepping behoren- het verhaal dat alle verhalen omvat, de collectie die alle collecties incorporeert?  Musil parafraseert deze logica uiterst scherp, en slaat daarmee elk esthetisch ideaal aan diggelen. Schoonheid is obsceen,- een “schoon”, goedgeschreven verhaal houdt zijn personages gevangen zoals de geschiedenis ons gijzelt. 

De “man zonder eigenschappen” is dan niets minder dan een historische absurditeit, een sociale anomalie én een existentiële utopie: iemand die buiten de geschiedenis, maar in de werkelijkheid staat. Een dienstweigeraar. Iemand die kan leven zonder door iets aangetrokken, gefascineerd, en dus gerecupereerd te worden.  Vandaag maken de media de verhalen, waarin wij allen willens nillens figureren. Zij schrijven de geschiedenis als een soap. Een gevecht tegen de media is daarom een acte van verzet tegen de geschiedenis. Maar daarvoor moet men bereid zijn, elke “rol” te verzaken die de schrijvers ons zouden kunnen toebedelen… Alleen de mate waarin iemand zelf zijn verhaal (be)schrijft, als een vluchtproject uit alle andere verhalen, zou dan tot zoiets als vrijheid kunnen leiden, de innerlijke vrijheid althans, uitgesproken in het (onpubliceerbaar) dagboek.

 Terug naar index

4. Het boek

En zo kom ik tot een vrij bizarre, maar toch compleet logische, nieuwe, post-Musiliaanse definitie van een tekst,- als roman, boek, gedicht, plastisch kunstwerk, muziekstuk, of wat dan ook …-: hij dient helemaal niet om gelezen te worden. Veeleer is het een monoloog, de afdruk van een reeks fysische en mentale processen, waarin de auteur zich van elke externe samenhang distantiëert. De ideale tekst is gesloten en past nergens in, in geen enkele bibliotheek of collectie. We verlaten definitief het verhaal, de samenhang, en volgen het spoor van de man-zonder-eigenschappen, voorbij en buiten de roman. De schrijver schrijft zichzelf uit. De tekst wordt een dagboek, een logboek van de ontsnapping uit het universum van de collecties, het museum, de bibliotheek. Hij biedt zich ook niet meer aan als tekst: hij verschijnt, soms, toevallig, als een schim, om dan terug te verdwijnen.

En daaraan ontleent dit essay zijn titel. Het is Musil’s tijdgenoot James Joyce die zijn teksten als 'epiphanies' (verschijningen) betitelde,- monologen van het bewustzijn, of, minder respectvol: secreten van de geest (“…a sudden spiritual manifestation), mentale fingerprints dus. Of nog minder respectvol: dronkemansgelal. Of een wind, of een boertje. Elke mede-deling is dan overbodig en absurd. Het heeft geen zin om zich verstaanbaar proberen te maken,- dat leidt tot inquisitorische toestanden (“Wat bedoelt u eigenlijk?”) of misplaatste excuses, die het interview en de de TV-talkshow kenmerken, doch die het misverstand alleen maar vergroten.

Het gesloten boek vormt zo de ultieme remedie tegen het misverstand. De modale, welopgevoede lezer probeert nog steeds te be-grijpen, te verzamelen (legere, colligere, college, collectie) wat niet meer te verzamelen valt. De lezer moet uit die waan verlost worden, er is geen sleutel of geen decodeermachine. Het zijn de lectoren, de uitgevers en de critici die een verhaal proberen te “lezen” omdat ze daar nu eenmaal pedagogisch door geconditioneerd zijn en omdat het een industrie uitmaakt. Ze zoeken en collectioneren zinnen,  alinea’s en hoofdstukken, willen verbanden leggen, eigenschappen ontwaren en “kwaliteit” bespeuren, waar er eigenlijk alleen maar de voetafdruk is van een wandelend brein.

Het is tenslotte de filosoof Ludwig Wittgenstein, die andere tijdgenoot van Musil, die de epifanische literatuur een manifest heeft bezorgd: “De grenzen van mijn taal, zijn de grenzen van mijn wereld”. De Tractatus Logico-Philosophicus (1921), het enige werk dat tijdens zijn leven door een uitgever werd gekaapt, begint waar Der Mann ohne Eigenschaften eindigt: in de absolute marge van het kosmische verhaal. Als vluchtplan uit het universum.

Ook de Tractatus is in de schaduw van de eerste wereldoorlog geschreven. Het is een anti-verhaal en een anti-tractaat. Het is een boek zonder eigenschappen van een filosoof zonder eigenschappen. Ik lees het graag, omdat het niet de ambitie heeft om verstaanbaar te zijn. Tot op vandaag weet niemand wie Ludwig eigenlijk was, en wat hij met zijn boek bedoelde, al zijn er ondertussen bibliotheken over vol geschreven, tevergeefs: Ludwig gaf zelf aan dat zijn tekst verdwijnt zodra men hem leest, en werkt als een ladder die wordt opgetrokken.  Al bijna 100 jaar proberen professoren filosofie van Wittgenstein een "filosoof" te maken, iemand die in de traditie past, zonder resultaat: hij is en blijft een cancre, een kind dat van taalspelen hield en zich niet bekommerde om de "lezer". Misschien moeten we allemaal de schrijver worden van zo’n anti-verhaal, gezuiverd van alle nevenpersonages. Misschien is dat onze existentiële opdracht, niét door de geschiedenis toegekend, niet door God, en ook niet door Jan Hoet.

De kunstwerken die mij het liefste zijn, openen zich niet, en ik zoek ook geen ingang. Ik weet dat ze er zijn, en voor zichzelf zijn. Zielenknijpers zullen spreken over wederzijds autisme, en zelfs over schizofrenie. Maar dat zijn termen die zelf vertrekken van het veelvoud en de samenhang, de verhalen die hun personages gevangen houden. Ik hou van mensen die boeken lezen die ze niet begrijpen. Kinderen, analfabeten, domme blondjes. Marilyn Monroe reads James Joyce. Zelf lees ik het liefst boeken in een taal die ik niet meester ben: zinnen, woorden, tekens die niets onthullen, het liefst nog in een ander alfabet, Chinees, Arabisch of Sanskriet. De nieuwe lezer is een ont-lezer(es), een toevallige vindster van ondecodeerbare inscripties, die zij misschien even betast maar verder intact laat.  Alles wat zich als openbaar, mededeelzaam, integreerbaar voordoet, valt dan genadeloos door de mand.  Ik ont-lees alleen nog een bepaald soort boeken, waarvan ik vermoed dat ze niet geschreven zijn om begrepen te worden. Epifanieën, teksten die nooit zijn gepubliceerd, maar wel verschenen, of zelfs niet. Ik respecteer ze als een labyrinth van woorden die alleen betekenis hebben binnen het brein van de bedenker.

"Ik hou van mensen die boeken lezen die ze niet begrijpen. Kinderen, analfabeten, domme blondjes. Marilyn Monroe reads James Joyce. Zelf lees ik het liefst boeken in een taal die ik niet meester ben: zinnen, woorden, tekens die niets onthullen, het liefst nog in een ander alfabet, Chinees, Arabisch of Sanskriet."

De roman of de dichtbundel, als regulier consumptieproduct van de cultuurindustrie, de verhaaltjesmolen van de Lanoyes, de Brusselmansen, de Verhulsten, en andere dwergen, heb ik altijd iets walgelijks gevonden, en sinds ik Musil las, weet ik ook waarom: het zijn teksten die smeken om gelezen te worden en een plaats te vinden in de verzameling der verzamelingen. Ze presenteren zich als kwaliteit en tikken aan het raam van de smaakvolle lezer, de zgn. “meerwaardezoeker”. De modale beroepsschrijver is onderdanig, bijgelovig en corrupt. Onder het vernis van de rebel en keetschopper zit een grondlaag van behaagzucht en conformisme. Niet eens de status van hoer hebben deze scribenten, maar veeleer die van de hoerenloper die aan de rossige lokroep van het etablissement niet kan weerstaan. Een belletrist, zoals wij er in Vlaanderen en Nederland een paar dozijn kennen, levert minstens elke twee jaar een roman af,- niet alleen uit contractuele verplichting, maar vooral ook om “in de markt” te blijven en niet vergeten te worden. Ze vormen dus zelf een verzameling van conforme (en elkaar beconcurrerende) nummers-elementen, die samen een systeem overeind houden, inclusief boekenbeurzen etc. Dikwijls volgen ze gemeenzame trends en schrijven ze van elkaar ook af. Alles staat in dienst van de markt, de snelle omloop, het verbruik, de winst.

Maar de verhalen worden steeds leger: er is iemand ontsnapt, en die keert wellicht niet meer terug. In de nadagen van de roman, de literatuur en heel het kunstenbedrijf ziet men teksten zich sluiten en zich aan de buitenwereld onttrekken. In de plaats van de roman komt iets anders: de epifanie. De roman wordt gepubliceerd, de epifanie, zoals het woord het zegt, verschijnt en verdwijnt, als een schaduw van een schaduw.

En hoe trager de tekst zich ontwikkelt, hoe meer hoorn er is gegroeid aan de buitenkant, hoe meer ik hem koester. Musil werkte 20 jaar aan zijn Opus Magnum. Hij had geen haast om zich bij het kransje van bekende schrijvers te voegen, maar misschien was er zelfs een afkeer van de openbaarheid, en een bezorgdheid dat teveel licht de tekst zou kunnen corrumperen: lezers die een “zin” zoeken in het verhaal, critici die het kapot analyseren, uitgevers die het in de etalage leggen, of in stapels op de toonbank.

Is het daarom dat minder conforme schrijvers soms hun manuscript vernietigen, en schilders hun doeken? Of is het daarom dat sommige boeken gewoon niet geschreven worden? Lopen wij allemaal rond met een boek in het hoofd, dat we niet schrijven, - uit angst dat het door een onbevoegde zou geopend worden? De angst voor de verwonding, de aanranding? Is het ongeschreven boek niet de beste voorzorg tegen de destructiviteit van het lezen? En als het boek er toch is, hoe het afschermen, verbergen?

 Terug naar index

5. Het huis

De uitdaging is nu om dat gesloten boek, dat we allemaal schrijven of niet schrijven, een “architectuur” te geven, een levensruimte, misschien zelfs tot voorwerp van een levenskunst te maken.

In de Weense Parkgasse staat een lelijk, kwaliteitsloos bouwsel dat op geen enkele manier in zijn omgeving is geïntegreerd. Het heeft voor de buitenstaander iets van een bunker en een graftombe. Ludwig Wittgenstein tekende het voor zijn zus Margarethe, maar die moet er ongeveer gek geworden zijn: het enige wat ze nog kon doen, was het ding vol stouwen met Chinoiserie en Franse antieke meubels om het draaglijk te maken. De villa is dan ook maniakaal-precies geconcipieerd als een vergroot hersenmodel van de filosoof: een logisch circuit waarin niet de kamers primeren, als verzamelruimtes, maar wel het permanente wandelen ertussen, de keuze tussen links en rechts, boven en onder, ja en neen. Dat levert toestanden op, waarin de bewoner  telkens volledig opgaat in nieuwe dilemma’s en nieuwe keuzes, zonder dat er ooit sprake is van een stagnatie, of een toetsing aan een extern criterium, een venster, laat staan een poort naar de straat, de buitenwereld, het wereldmuseum. Het huis is een privé-collectie van privé-momenten: het parallellisme tussen de “Wittgensteinvilla” en de Tractatus is compleet.

Wat mij echter het meest boeit aan dit bouwsel, is de amateuristische insteek: Wittgenstein heeft maar één huis gebouwd, vanuit een soort innerlijke noodzakelijkheid, niet vanuit een vak of métier. Dat leidt naar een nieuwe, meer verfijnde en concrete definitie van de man-zonder-eigenschappen en de mogelijkheid om buiten de collecties, de systemen en de grote verhalen te leven: hij is een dilletant, een oningewijde, een prutser. Het archetype van het amateuristisch project is beslist het huis: allemaal beginnen we er wel eens aan, het liefst op ons zelf, en het blijft meestal ook bij één poging. Het huis is zonder meer de verruimtelijking van de één-element-verzameling. Het is de verruimtelijkte, wereld-geworden versie van het gesloten boek.

Het huis is zonder meer de architecturale verwezenlijking van de één-element-verzameling. Maar meer dan een huls of coccon is het, zoals Ludwig Wittgenstein aantoonde, een hodologische ruimte, een ruimte vol paden, wegen, impasses… die onze gedachten-gang moet kunnen bevatten. In die zin is ook het autentieke huis een verschijning, een epifanie,- het presenteert of integreert zich niet. Hoe “lelijker “ het huis, des te meer maakt het zich waar als zo’n vergrote schedelpan. Wij Vlamingen zijn bekend voor onze anarchistische wooncultuur, de semi-illegale bouwsels, de koterij die elk principe van ruimtelijke ordening tart. In Nederland vond ik nochtans een perfecte polderversie van de Wittgensteinvilla. Totaal anders, maar toch ook geheel eigenzinnig en zonder behoefte om tot een groter “verhaal” te behoren. Getuige daarvan: vier lege zetels aan de “façade”, wellicht afkomstig van een autowrak.

Het amateurisme gaat veel verder dan wat wij kennen als hobby en vrijetijdsbesteding: het profileert zich als protestcultuur en tegenwetenschap, non-conform met de “normale”, gestandaardiseerde vakjescultuur. Alles gebeurt als de eerste keer en blijft in het stadium van het experiment. Elke opgave (een taart bakken, een foto maken, een huis bouwen) wordt, zonder handboeken, helemaal van voor af aan en van onder uit ontleed. Er is geen geschiedenis, geen traditie, er zijn geen modellen, geen regels, geen tabulatuur, geen kwaliteitsnormen, geen deskundigheid. Er is geen drang om te excelleren, zich te meten, of zelfs maar om zich te vergelijken met anderen.

De voorbeelden van intellectuele anarchie en epifanisme, die ik uit de eerste decaden van de 20ste eeuw aanhaalde, passen moeiteloos in dit profiel. De tractatus is een amateuristisch gewrocht van een amateur-filosoof die o.m. aan de kost kwam als schoolmeester en tuinman (!), tot hij door de Academie werd opgevist.  De levensloop van zijn literaire evenknie, Robert Musil, evolueerde volgens een averechts carrièreplan, van ingenieur en briljant academicus, naar bibliothecaris, klerk, en tenslotte compleet onaanzienlijk schrijver die amper rond kwam en eigenlijk alleen voor zichzelf schreef.  Noch Robert Musil, noch Ludwig Wittgenstein, noch James Joyce, kan men als beroepsartiesten of –filosofen of -wetenschappers catalogeren,- ze waren technisch onvolkomen, dom, hardleers en zelfs mentaal gebrekkig. Ze beheersten niet alleen de kunst van het schrijven niet, ze konden niet eens lezen, want anders hadden ze zich als goede leerlingen in een traditie ingeschreven. Ze modderden dus maar wat aan, vanuit een eigen idioom, half dislectisch, half analfabeet, zoals de Henri Rousseau Le Douanier naar academische normen ook niet “kon” schilderen.

Noch Robert Musil, noch Ludwig Wittgenstein, noch James Joyce, kan men als beroepsartiesten of –filosofen of -wetenschappers catalogeren. Ze waren technisch onvolkomen, dom, hardleers en zelfs mentaal gebrekkig.  Maar op een zeker ogenblik heeft de Academie hen tot zich geroepen, wellicht omdat ze zich bedreigd voelde.

De vijandigheid tegenover de amateur, vanwege het register, het archief, het protocol, en de institutionele netwerken, is frappant, en de eliminatiestrategieën divers.

- In een eerste fase tracht men de amateur te exorciseren als een onschuldige hobby-ist, iemand die zijn plaats moet kennen en zich zeker niet mag meten met de echte, gediplomeerde ambachtsman. Men spreekt dan van een bezigheidsterapie die curiosa genereert, goed voor het TV-programma “Man bijt hond”. In Vlaanderen bestaat er sinds jaar en dag een officieel Centrum voor Amateurkunsten, waarmee de overheid het fenomeen probeert te controleren.

- Iets subtieler is het organiseren van “open wedstrijden” zoals de Canvascollectie, waar zogezegd iedereen mag aan meedoen, maar waar op het einde toch de kwaliteit moet bovendrijven,- de normen van het systeem moeten gerespecteerd blijven. De open wedstrijd moet vooral bewijzen dat kwaliteit iets objectief meetbaar is, en dat zgn. “verborgen talenten” dringend moeten ontluiken,- lees: zich invoegen in de hiërarchie van meesters en leerlingen.

- Het expertendiscours van Jan Hoet en andere gildemeesters is echter agressiever: het bevat ondertonen van argwaan en zelfs latente haat. Voor hen is de amateur iemand die het publiek verwart, de markt bederft en het systeem uitholt. Nog niet zo lang geleden las ik een kranteninterview met de bekende “kunstfotograaf” Michiel Hendryckx, die enorm afgaf op de verloedering van zijn discipline door de amateurfotografie, zeg maar de doordeweekse kiekjesmaker met een digitaal toestelletje uit de Aldi.

Het corporatisme dat uit dit discours opdampte verraadde een zekere angst, zelfs een paniek van de vakman: wat als niemand het verschil nog merkt tussen kunst en het zgn. triviale? Waar moet het naar toe als de categorieën verdwijnen en iedereen het middelpunt is van zijn eigen collectie? Wat is mijn diploma nog waard? Wat is dan nog mijn marktwaarde?

- Als dat niet lukt, kan men de amateur, ten vierde, pathologiseren en hem als ziekte erkennen. Zo kwalificeerde de wiskundige Henri Poincaré onze Georg Cantor als een “gevaarlijke gek”, de uitvinder van een onmenselijke en on-Franse (wat voor de Fransen hetzelfde is) theorie:  “une forme sans substance, quelque chose de répugnant à l’esprit français”. Dat was dezelfde Poincaré die stelde dat het denken zich aan geen enkel dogma mocht onderwerpen…

- Pas als de uitdrijving van de amateur niet lukt, gaat het systeem tot de ultieme strategie over, namelijk die van de recuperatie en de canonisatie. Dan pas wordt de hardleerse dilletant begroet als vernieuwer… om in de collectie van de genieën een plaats te vinden. Dat overkwam al onze voorbeelden van epifanisme: Cantor, Musil, Wittgenstein, Joyce. Ze eindigden in de Academie, niet als intrinsieke erkenning, maar uit rancune omdat hun afwijking niet te catalogeren viel, zelfs niet als ziekte, en een gevaar begon te vormen voor de geslotenheid van het Wereldmuseum. Wellicht is het grootste deel van de moderne genie-cultus een gevolg van tactische recuperatie. Ludwig Wittgenstein, Gustav Mahler, Albert Einstein…: het waren zonderlingen die asiel kregen in het Museum der Musea, om erger te voorkomen. Mahler was beslist een slechte componist van onmogelijke muziek, een amateur ook, die alleen in de zomermaanden schreef. Maar hij maakte zoveel kabaal dat hij toch een kwaliteitslabel kreeg.

Weerom is het nuttig om de hemel met de hel kort te sluiten. Men zou dan een opname in de Academie met het grootste gemak als een internering kunnen opvatten, zelfs een executie van de amateur. Het overkwam de schilder Henri Rousseau Le Douanier, wiens potsierlijke, kreupele zondagsschilderijen de lachlust maar ook de irritatie van alle professionele en academische schilders opwekten. Tot het Parijse clubje rond Pablo Picasso besliste om hem, bij wijze van farce, in het pantheon op te nemen. Legendarisch is het “banket ter ere van Rousseau” in het najaar van 1908, waarin de artistieke avant-garde met o.m. Apollinaire en Bracque, onder de deskundige leiding van diezelfde Picasso, het hoofd van Rousseau met heet kaarsvet bewerkte, terwijl hij een deuntje viool aan het spelen was. Er spreekt een bedekt sadisme uit deze ceremonie, die iets weg heeft van een “begrafenisceremonie” in de concentratiekampen, waar terdoodveroordeelden ook met feestmuziek naar de galg werden gevoerd, tot groot jolijt van de kampwachters.

De amateur is en blijft een bedreigd specimen. Als het dagboek nog mag sluimeren, dan is het huis, waarin het sluimert, een bedreigde plek. Het blijft zoeken naar asieloorden en vluchtheuvels, plekken die zich als tegenwereld kunnen handhaven..

 Terug naar index

6. De grens

Ik eindig waar ik begon : bij de excellente Canvascollectie, samengesteld door een even excellente jury. Een van de bekroonde werken betreft een foto van een naakt kind, dat gehurkt zit in een soort douchecel. La Douche II van een zekere Laura Baudoux. De foto is vooral bekend geworden omdat hij tijdens een huiszoeking op de pc van kardinaal Godfried Danneels werd gevonden. Gelukkig voor de kardinaal betreft het een “kwaliteitsvolle kunstfoto”, geen pornografie. En toch.

De foto mag dan een artistiek object zijn, en geselecteerd voor een kunstverzameling,- hij roept tegelijk een perverse context op en vraagt om deconstructie, de vraag naar het verhaal-achter-het-verhaal. Hoe, met welk alibi geraakte die fotografe de badkamer binnen? Wat zegt ze, dat het kind in de camera doet kijken? Is het haar kind? De armoedige, haast bouwvallige setting doet vermoeden van niet. Hoe komt een moeder ertoe om haar naakt dochtertje tot een publiek kijkobject te maken? Geld? Vermoedelijk. Waarom heeft het geen naam, enkel een nummer (“La Douche II”) ? We zitten dus in de bordeelsfeer van daareven, en worden uitgenodigd om mee binnen te komen, te kijken en te “participeren”.

Ik kan niet anders dan met een zekere schaamte naar de foto kijken. Denk vooral niet dat het mij op preutsheid te doen is. Veeleer beschouw ik haar als een politieke gevangene, het slachtoffer van een systeem dat men in de limiet wiskundig-theologisch moet interpreteren.  Het meisje is een element van een verzameling en een nummer in een serie, we kunnen haar nu probleemloos consumeren, want het is “kunst”.  In dit alles speelt onze fotografe de rol van handlanger/beul én medeslachtoffer, dat is het gekke: ook zij wordt een nummer, maar dat weet ze niet, verblind als ze is door het idee van uitverkoren te zijn.

Er is hier dus een voyeur in het spel, die niet alleen het kind, maar ook ons, consumenten én producenten, observeert. We zitten allemaal in het bad, we zijn allemaal “kinderen van God”, maar dat maakt God tot een pedofiel in wiens kelder we allemaal een plekje hebben gevonden. Het risico op het Stockholm-syndroom is reëel: finaal zullen we de gevangenis als biotoop aanvaarden en God “liefhebben”. De collectie van de kardinaal is dus niet zo onschuldig als ze lijkt: ergens lijkt er iets of iemand te zijn die toekijkt, alles verzamelt en iedereen telt,- het bekomen getal is dan het kardinaalgetal  van de grootst mogelijke verzameling, die ons herbergt, onderdak geeft, of gevangen houdt.

"Wellicht is heel onze behoefte om te reizen te herleiden tot een zoektocht naar grenzen, grensovergangen, en stukjes niemandsland. Daarom ben ik een fervent anti-globalist: alleen grenzen kunnen ons de vrijheid geven van over te steken, of net niet, of bijna."

 

Alleszins zou ik nu graag die foto aan het Grote Oog onttrekken en uit zijn perverse context halen, hem als kunstwerk “stelen”, en terugbrengen tot waar hij thuishoort, namelijk in het familiealbum in een donkere kast in een gesloten huis. Maar zelfs daar is het niet veilig. Moeder heeft haar mogelijk verkocht, uitgeleverd, en vader werkt op de VRT. Ook de familie is een fatale deelverzameling van de kosmische collectie. Ik zou de foto kunnen vernietigen en zelfs het kind doden, om beiden aan het verhaal te onttrekken. Maar ook dat zou een verhaal vormen, een krantenartikel, en ook de doden komen in een register.

De oplossing zit misschien wel in een “amateuristische” kijk op de hogere wiskunde. Kijk eens naar de grenslijn van elke verzameling, de Venn-diagrammen die eigenschappen afbakenen. Ik begon me af te vragen of die tussenschotten geen “dikte” hebben, intermedia vormen, waarin iets noch A noch B is, maar een tussenvorm. Ik heb het hier niet over de overlapping (“doorsnede”) van twee verzamelingen, maar over hun grens zelf, die misschien wel een grensgebied uitmaakt.

De natuur is namelijk niet statisch, ze fluctueert inwendig. Dingen en wezens behouden hun kwaliteiten niet, maar veranderen. Er grijpen dus migraties plaats, van de ene verzameling naar de andere. We kunnen niet uit het Grote Museum ontsnappen, maar op de weg van verzameling A naar verzameling B, ergens, in het midden, behoren we tot geen van beide, tot…. Niets.    Rupsen worden vlinders, kinderen groeien op, mensen worden geboren en sterven, ijs wordt water, of omgekeerd, en op de temperatuur van nul graden is het noch het een noch het ander.

De topografische ruimte, waarin Georg Cantor zijn verzamelingen afbeeldde, als kasten waarin men dode vlinders opprikt, wordt zo een ruimte van de transformatie, de overgang, het proces. Het is de ruimte van Herakleitos, waar alles vloeit en wordt, die Escher trachtte uit te beelden. Tevergeefs, want het niets laat zich niet tonen, de fotograaf is altijd te laat. Onze enige hoop is dus de verandering, de metamorfose, waardoor we het systeem van de collecties steeds een stap voor blijven.  Dat is meteen dé kans voor onze anonieme baadster om zich aan alle blikken te onttrekken. Ik denk dat ik het meisje in een van deze plooien zal verstoppen. Ze moet zolang mogelijk niemand blijven, een tussenvorm. De foto, het beeld, is dan maar een glimp, een schaduw van een wezen dat voor het grootste deel niet-traceerbaar en kwaliteitsloos is. Het meisje op de foto bestaat dus niet, tenzij als papieren simulacre.

Op zoek dus naar de grens en zijn uitdijing. Wellicht is heel onze behoefte aan reizen en verplaatsing daartoe te herleiden: de behoefte om, al was het maar even, nergens en niets te zijn. Niet in Duitsland, niet in Frankrijk, maar net op de scheiding, in het grensgebied. Deze scheidingen zitten natuurlijk overal, want om van de ene plek naar de andere te gaan is er telkens een grensovergang nodig.  Alles bevindt zich in de tussenruimte, onderweg, dus… zijn de reële verzamelingen zelf leeg, zou men verder met Zeno kunnen redeneren. 

Ik ga daarbij nog één, of twee filosofen citeren. Het exploreren van tussenruimtes,“zwarte gaten”  en niemandslanden is zonder meer de kern van de 20ste eeuwse existentialistische filosofie. Zowel Martin Heidegger als Jean-Paul Sartre komen, na duizenden pagina’s schriftuur en vele uren colleges, op twee toestanden uit: “das Sein” (l’être) en “das Nichts” (le néant). Achter deze ogenschijnlijk abstracte ontologie zit een concreet ontsnappingsproject: het is onze godlasterlijke menselijke plicht om tussen het zijnde, dat wat we in verzamelingen kunnen vatten, het niets te verkennen, als een ruimte van het oponthoud, waar de categorieën niet van toepassing zijn en waar de Collectioneur geen bevoegdheid heeft. Denk aan het sas tussen twee museumzalen en de dode hoek van de camera’s. Het niets is dus onkenbaar maar het “is” er wel degelijk. Het is namelijk de pleisterplek van alles wat geen identiteit heeft, tenzij een zeer voorlopige. Zo wordt de meest duistere zin uit de Westerse metafysica, “Das Nichts nichtet” (M. Heidegger: “Was ist Metaphysik?”, 1929) zo klaar als een klontje, of moet ik zeggen als een gatenkaas: dit gaat over ontsnappen, verbergen, ontwijken, en de bewoonbaarheid van het absolute grensgebied.

En daarom ben ik ook een overtuigd anti-globalist: alleen grenzen kunnen ons de vrijheid geven van over te steken, of net niet, of bijna. De “global village” klinkt als een vacantiedorp, maar betekent de absolute, onontkoombare inkerkering van alles en iedereen in één postmoderne wereldreligie van de ont-grenzing.

 Terug naar index

7. [Het web]

Ter afsluiting wil ik hier over het bestaan van God, de meester-pedofiel en supercollectioneur, zelfs niet meer discussiëren. En laat ook de wiskunde nu maar rusten.

Veeleer pleit ik voor een nieuwe opvatting van ons bestaan als dat van mens-zonder-eigenschappen, buitenstaander, dilletant, alien, analfabeet, dagboekschrijver, zondagsschilder, illegale bouwer, dienstweigeraar, maker van onbestaande kunstwerken, reiziger, grensbewoner. Dit gaat over nieuwe naaktheid, naïviteit en levenslang beginnen. Het kan daarbij om schrijvers gaan, kunstenaars, maar ook supermarktcassières, wegarbeiders of poetsvrouwen.

Wat de filosofie vandaag te doen staat, is de ont-specialisering uitdenken,- een samenleving dromen die geen beroepen kent, geen ambachtelijkheid, geen professionele eigenwaan, geen corporaties, en dus ook geen netwerken. Dit zou een sociale en politieke revolutie kunnen betekenen: de klassieke indeling van acht uren werken, acht uur vrijetijd, en acht uur slapen vervalt compleet, omdat alles vrijetijd is, begrepen als tijd-van-het-worden, het niets-doen. (met een streepje tussen) We krijgen dan misschien een stressloze samenleving die zich niet meer richt op de pose en de expositie, op rivaliteit en status, op produceren en presteren, en dus ook niet op consumeren, maar integendeel, op de incubatietijd, de stille processen, het vermeien, de verdwijning en vervaging,  quasi-niente.

 Ambitie” wordt een archaisch woord, “talent” een misvatting, “kwaliteit” een theologisch fantasme. Meteen zijn alle carrières geannuleerd: men migreert hoofdzakelijk, van de ene bezigheid naar de andere. Van zodra de routine opduikt, is er de verveling en dreigt de sclerose. In plaats van te solliciteren en toegang te zoeken, probeert men dan vooral de toegang tot de collecties uit te stellen, ze als valstrikken te vermijden.

Het internet, - ik lanceer het als een ultieme deus ex machina-, de zgn. cyberruimte, zou dan de plek van de ont-specialisatie kunnen zijn, het absolute amateurisme, waar alles in wording is, en waar boodschappen ook kunnen sluimeren, discreet, zonder dat iemand ze hoeft te vinden, als een fles met een briefje erin, dobberend op de oceaan.

Tenslotte zet dit bevrijdende inzicht heel de communicatiewetenschap op haar kop. Het idee dat er een boodschap moet verstuurd worden van afzender A naar ontvanger B, maakt plaats voor een interesse in de toestand waar de boodschap (het kunstwerk, het beeld, de tekst…) zich tussen beiden bevindt, als niemand haar leest of bezit. De tekst zelf wordt discreet en intermediair, iets dat nog het liefst onderweg is. De brief die verzonden is maar niet aankomt. De blogtekst die wel op het net staat, maar nog geen lezer vond.  Het gecanvaste kind van “La Douche II” zou zo zijn integriteit kunnen herwinnen: als een sluimerend, in het web ingebed, maar ongelinkt fotobestand, dat aan de zoekstrategieën van alle pedofiele en andere netwerken ontsnapt.

Door de zgn. “sociale netwerken” zoals Facebook en Twitter, en de mega-zoekrobotten zoals Google, is er inderdaad een zeer eenzijdig perspectief op het internet gegroeid: het zou ons van alle isolement moeten genezen, en ons inbedden in de grote wereldverzameling. Maar willen wij echt alles meedelen, in een wereldwijd web waar iedereen in hoogstens 7 stappen met iedereen is geconnecteerd? Willen wij wel constant communiceren, boodschappen snel doorgeven, al onze familiefoto’s openbaar maken, te pas en te onpas meningen uitwisselen? Of maakt dat eerder de slogan uit van een hysterische internet-ideologie die een op hol geslagen informaticamarkt ondersteunt?

Misschien willen wij wel, juist integendeel, traagheid creëren, verborgenheid zoeken, en boodschappen verzenden naar een tussenruimte die soelaas brengt aan de boodschap én de boodschapper. Hoeken en uithoeken vinden waar geen verkeer passeert. Het web, niet als netwerk, maar als puur intermedium, een ether vol beelden en teksten, die ooit, of misschien nooit, gelezen worden.

 Onderweg zijn is veel boeiender dan aankomen. Het idee dat “we onze plaats moeten zoeken in de wereld” moet dan aangevuld worden met het idee dat we die vooral niet te snel moeten vinden.

Ik hoop dat ook mijn boodschap, vandaag, met veel vertraging aankomt. Wie weet ontmoeten wij elkaar nog in het grensgebied.

 Terug naar index

Link:

Filosofiehuis 't Zoekend Hert/Antwerpen
www.hetzoekendhert.be

 

Terug naar boven