VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels              Reageer via het Forum         E-mail     

 


 Boem, paukeslag!

 
Over de charme van de mislukking
 en de schoonheid van de catastrofe
 
Lezing, gegeven aan de Vrije Universiteit van Amsterdam op 20/5/2011

 Johan Sanctorum
 23/05/11
 

  

In het Canvas-Terzake-programma van 7 maart j.l. deelde Prof. Etienne Vermeersch ons mee dat de bevolkingsexplosie op deze planeet schier onbeheersbaar is. Straks zijn we met 9 miljard, en het absoluut armste land ter wereld –Niger- heeft het hoogste vruchtbaarheidscijfer. Op geen enkele manier staat de bevolkingstoename nog in verhouding tot de beschikbare woonruimte, landbouwoppervlakte, grondstoffen, energie. De roofbouw is dusdanig, dat de uitputting van de planeet nabij is, en dan is het gewoon gedaan. Niet alleen met de menselijke soort, maar mogelijk met alle leven op aarde, bijvoorbeeld door een wereldwijde kernramp.
Ik begrijp wel niet waarom de alarmkreet van Vermeersch zoveel ophef maakte. De these dat de (hooguit lineair groeiende) voedselproductie de exponentiële bevolkingstoename nooit kan volgen, werd al ontwikkeld door de Britse econoom Thomas Malthus (1766-1834), die grote hongersnood, epidemieën en oorlogen als fatale maar noodzakelijke correcties zag op dat onevenwicht. Wat Malthus niet voorzag is dat, dankzij de industriële revolutie, die collaps een technologisch karakter zal krijgen, een totale ineenstorting van het aardse ecosysteem die mogelijk een einde zal stellen aan alle leven.
Zo’n uitdoving is zelfs geen uniek feit, zo wist de professor ons nog te melden: ze behoort tot een natuurlijk geologisch ritme. Sinds het Cambriumtijdperk (circa 500 miljoen jaar geleden, waar vermoedelijk de eerste levende organismen ontstonden) zijn er al vijf totale extincties geweest. Momenten dus waar alle leven op aarde verdween en er terug van vooraf aan te beginnen viel. Vermoedelijk zijn we weer zo ver, en is het vooral het ontaarde dier aan de top van de evolutiepyramide, dat deze catastrofe zou bewerkstelligen: de homo sapiens. Men spreekt nu van het antropoceen, als een nieuw geologisch tijdperk waarin die voetafdruk van de mens alles domineert: het zal ongetwijfeld het kortste van alle tijdperken zijn.
De vaststelling van de professor is boeiend, maar de wanhoop zat diep. Uit zijn woordgebruik en lichaamstaal sprak een soort angst, zelfs paniek,- begrijpelijk: als men de zesde extinctie als een natuurlijk gegeven aanvaardt, waarover moet men zich als ethicus en humanist dan nog druk maken? Als dit een antropologisch en zelfs een geologisch voldongen feit is, wat doen wij hier dan nog?
Voor ons, amorele misantropen, is dit anderzijds een opportuniteit. Nu de ethische druk wegvalt om zoveel mogelijk menselijke biomassa te conserveren, zou men eindelijk de schoonheid kunnen inzien van een orde die ook de homo sapiens op zijn plaats zet, en tot een tamelijk onbenullig-komisch intermezzo herleidt. Niet eens een voetnoot in de geschiedenis van de kosmos.
Het zou tot een esthetica van de vergankelijkheid kunnen inspireren, die wetenschappers en kunstenaars op een ander spoor zet, maar ook de economie, het politieke bedrijf, en uiteindelijk het dagelijkse leven ont-stresst. Leren omgaan met het einde, als keerpunt van een cyclus: misschien maakt dat het leven, zolang het nog duurt, zelfs veel opwindender. Ik ontgin een paar pistes.

 

Godenschemering: de mens als on-dier

 “Exegi monumentum aere perennius” schreef de Latijnse dichter Horatius in zijn Oden-bundel. “Ik heb een monument voltooid, duurzamer dan brons”. Ook vandaag overheerst in interviews met wetenschappers nog steeds het triomfalistisch getoeter, de egocentrische én antropocentrische zelfgenoegzaamheid van de homo faber die zich van een eeuwige plaats op deze aardkluit wil verzekeren, via een monumentaal merkteken dat de menselijke soort boven zichzelf uittilt. De mens als toppunt van de evolutie, en het individu als vertolker van deze overtreffende trap. Later zal men dat “humanisme” noemen. Leonardo Da Vinci en zijn renaissancemens drukken deze hybris helemaal uit, tot men de figuur van de homo universalis herleest als een monster, en het lichaam zich spiegelt tot een achtpotig ondier.

Want hoogmoed gaat altijd gepaard met bluf, die een panisch karakter heeft. De onvermijdelijke keerzijde van het humanisme is angst. Angst voor de mislukking, de ontaarding, het einde, de catastrofe. Zelfs een groot deel van de ecologistische filantropie is daartoe te herleiden: red de planeet, red ons, red mij. De angst voor de dood heeft zich meester gemaakt van onze planetaire cultuur waardoor, paradoxaal genoeg, de globale levenskwaliteit zienderogen verslechtert.

Een zelftherapie tegenover deze angstneurose dringt zich op: we moeten opnieuw leren leven en de dood aanvaarden. De vergankelijkheid op alle niveau’s onder ogen zien: een mens leeft met wat geluk 80 jaar, het geslacht homo 2 miljoen jaar. Binnen 900 miljoen jaar ontploft de zon (het leven op aarde zal al veel eerder onmogelijk zijn), binnen 100 miljard jaar klapt het heelal ineen. Al deze eindigheden maken ook de menselijke beschaving tot iets betrekkelijk, om niet te zeggen futiel.

Het is een mogelijk antwoord op andere alarmkreten, zoals het recente boek van Christian de Duve, “De biologie van de erfzonde”, waarin hij stelt dat de evolutiepatronen die onze soort succesrijk hebben gemaakt, zich nu tegen de menselijke soort keren,- iets wat de Nobelprijswinnaar nogal plastisch-religieus als de zondeval aanduidt. Onze expansieve genen, eigen aan de jager-ontdekker, werken vandaag tegen het behoud van de soort en drijven ons in de richting van de catastrofe.  Waarschijnlijk is dat zo, et alors? De Duve vertrekt van de premis dat de mens absoluut moet overleven, maar dat is een tautologisch standpunt. In een breder perspectief is die antropocentrische stelling onhoudbaar, want de aarde en het biologisch evenwicht zijn beslist beter af zonder de menselijke soort.

Er zijn dus redenen genoeg om de lichte paniek van deze professoren niet te delen: als het mensdom verdwijnt, eventueel met heel de schepping erop en eraan, dan kan het verhaal herbeginnen, hopelijk niet met dezelfde plot. Comoedia finita est, zoals Erasmus op zijn sterfbed zei. Ik vermoed zelfs dat Vermeersch én de Duve, als grijze eminenties, hun individuele angst voor de dood projecteren op een ecologisch overlevingsdogma dat tot een aantal richtlijnen inspireert, en uiteindelijk zelfs een nieuwe eco-dictatuur in het leven roept: we moeten minder kindjes kopen, minder vlees eten, minder reizen, minder ademen, minder uitscheiden. Dat zijn uiteraard egoïstische groepsstrategieën die voortkomen uit een onvermogen om met de eindigheid te leven, en de mens als een tijdelijk verschijnsel te accepteren.

Van het rapport van de Club van Rome (1972) over Kyoto tot Al Gore,- overal wordt de alarmklok geslagen met het oog op het corrigeren van de grote menselijke fout, die nu juist het meest menselijke is: we zijn kamikazepiloten die door engelachtigen –vergeefs- in de lucht worden gehouden. Het onvermogen om uit onze fouten te leren, is dan eigenlijk het vermogen om het einde in het vizier te houden. Meer dan een catastrofe à la Malthus, lijkt het erop dat we ergens instinctief het einde willen, loodrecht op de oneindigheidsobsessie die ons cultureel parten speelt, via wetenschap, kunst, ethiek. Noem het een fatale strategie, gericht op het terminale, maar dikwijls gecamoufleerd als filantropisch vooruitgangsdenken.

In dat opzicht bestaat er, naast het utilitaire ecologisme, dat de catastrofe probeert uit te stellen, een meta-ecologisme dat volledig mens-onafhankelijk, transhumaan en holistisch redeneert: de natuur is een totaliteit waarin de mens als zgn. “redelijk wezen” niets voorstelt, althans niets meer dan een eencellige of een insect. Men moet zijn plaats kennen, ook als men zichzelf het etiket “homo sapiens” toebedeelt. Eens men dit kan accepteren, zijn rampen of dagelijkse ongelukjes maar etappes op de weg naar het absolute einde. En dan kunnen Vermeersch en de Duve rustig gaan slapen.

Een mens leeft met wat geluk 80 jaar, het geslacht homo 2 miljoen jaar. Binnen 900 miljoen jaar ontploft de zon, binnen 100 miljard jaar klapt het heelal ineen. Al deze eindigheden maken ook de menselijke beschaving tot iets betrekkelijk, om niet te zeggen futiel.

Het is een vorm van niet-hypocriete nederigheid die vele kleinere, ik-gerichte agenda’s kan annuleren, ook in het dagelijkse leven. Ze is niet suïcidaal maar wel stoïcijns. Sporen vinden we, behalve in de Stoa, ook bij Spinoza, Schopenhauer, en uiteindelijk zelfs Nietzsche. Om bij het Sein zum Tode van Heidegger uit te komen. Religieus komt die mens-overstijgende bescheidenheid tot uiting in het boeddhisme en het hindoeisme. Zelfs politiek breekt dat meta-ecologisme hier en daar door. Niét bij de klassieke groene partijen die tot het establishment zijn gaan behoren en al evenzeer de eindigheid van onze soort miskennen, maar bewegingen als de Nederlandse Partij voor de Dieren van Marianne Thieme. Politiek-strategisch absurd, maar filosofisch volledig consistent, stelt ze de ware democratie gelijk met een totale nivellering van alle leven. Waarom zou een vlieg minder rechten hebben dan de mens die ze doodslaat? Daarmee is de zesde extinctie een feit, want het aids-virus en alle andere “gesels van de mensheid” hebben ook recht op leven, evenals heel het assortiment van muggen, teken, bloedzuigers en alle andere “schadelijke” species.

In datzelfde Nederland worden bepaalde poldergebieden, met veel moeite op de zee gewonnen, terug onder water gezet. Daar zijn enorme discussies rond, die zich op heel verschillende niveau’s afspelen: politiek, economisch, demografisch, cultureel, en tenslotte antropologisch, filosofisch. Revolutionair is hoe-dan-ook het idee om een technisch-collectief huzarenstukje (de inpoldering), dat tot een wezenskenmerk van de Hollandse natie is gaan behoren, als accident te erkennen en de natuurlijke toestand te herstellen. De bres, de gaping, de lacune, wordt verbreed tot bewuste opening naar het einde: een ultieme esthetische daad die elk misverstand over de zgn. "nuchtere en zakelijke Hollander" rechtzet.

De primitieve overlevingsgenen van de Duve spelen hier geen rol meer: we kunnen nu een compleet nieuw mentaal universum ontginnen, waarin we eindelijk onze status van insect erkennen. Alle oude apocalyptische visioenen, van de Germaanse Godenschemering tot het bijbelse Armageddon, kunnen dan herlezen worden als climax van een avontuur dat ergens in het Cambrium begon, dan een versnelling kreeg met de verschijning van de homo sapiens in de Afrikaanse savanne, en nu aan zijn orgelpunt toe is. De godenschemering is dan uiteraard een mensenschemering, die vanaf 1800 haar ontstekingsmechanisme creëert.

 

Commedia dell’arte: de ruil als klucht

In een volgende fase, zou men alle uitingen van het menselijk vernunft, vooral juist de wetenschappelijke en hoogtechnologische inventies, kunnen opvatten als onbewuste pogingen om het einde uit te lokken. De techniek als rituele aanroeping van het einde. Het is een vreemd spel van de leerling-toveraar met de dood, dat zich via een vooruitgangsdenken en het maakbaarheidsideaal met veel morele alibi’s omkleedt, ook al om zich van de nodige middelen te kunnen verzekeren en zich sociaal te legitimeren. Er is de publiciteit, de handleiding, de belofte op geluk, succes, een beter leven. Terwijl de machine vooral het ongeluk, het lek, de val, de kortsluiting, de kettingbotsing, de crash, de ontploffing voortbrengt: dat is haar finaliteit. Een vulva die de dood baart, ja, dat is de machina. Ook al zoemt ze nog zo zacht en teder.

Eens op de markt gebracht, komt het hilarisch karakter van die fatale strategie aan het licht. Wie zich al eens door een marktkramer heeft laten bedotten, weet wat ik bedoel. Heel de tijd worden we belazerd. Er was de door Omega Pharma uitgebrachte chip tegen GSM-straling die niet werkte. Of de pasta die men op de buik moet wrijven om te vermageren, en die geen gram gewicht doet verliezen. Of de nieuwe Apple-pc die bij zijn publieke presentatie crashte. Of de Moneytron van Jean-Pierre Van Rossem die ons allemaal rijk ging maken. Niets werkt, de machines zijn kaduuk, de plannen blijken waardeloos, de theorieën fantaisistisch. En als het werkt, is het toevallig.

Verder denkend, zou men zich een existentiële code kunnen voorstellen, een “levenskunst”, die de permanente eindigheid aanvaardt en celebreert. De zonde-val als valbeweging en levensbeaming. De mislukking als voorschaduw van de dood. Niet één keer maar duizenden keren: elke dag komen we wel ergens te laat, scheuren we met de vinger door het toiletpapier, laat onze GSM het afweten, krijgen we die IKEA-kast niet in elkaar, of is het bier in de frigo net op. In plaats van te vloeken zou men hierom kunnen lachen, in de wetenschap dat eeuwigheid een fata morgana is, en succes een sociale mythe.

Heel de technisch-wetenschappelijke droom blijkt een farce. De machine wordt dan, helemaal omgekeerd aan de uitvinding van Da Vinci, een fopartikel, met de perfide knoeier én de gedupeerde gebruiker in de glansrol.

De mislukkingen die mijn eigen leven markeren vind ik eigenlijk steeds grappiger én karakteristieker. Hoe dikwijls heb ik me niet vergist, misrekend, in de sloot gelopen, toestellen gekocht die niet werken. Daarbij verbleekt elk succes. En als het dan eens goed afliep, was het meestal een toevalstreffer, zoals de meeste wetenschappelijke ontdekkingen. Het vergt ook tijd en afstand om zo’n anti-palmares te koesteren en de verwachtingen opzij te zetten die de omgeving stelt. Vanaf dan is het lachen geblazen.

Een bloemlezing van grappen en practical jokes toont dit duidelijk aan: heel de menselijke humor (zonder twijfel onze meest verdienstelijke uitvinding) draait rond het bedrog én het falen, het misverstand, het geknoei, de kloof tussen willen en kunnen,- en het feit dat dit op onze lachspieren werkt. Je reinste zelfspot omtrent machteloosheid. Daarom is macht ook zo humorloos. Van Chaplin tot The Simpsons, van Laurel en Hardy tot Philippe Geubels: altijd is het existentiële geknoei een metafoor voor de falende en zichzelf bedottende homo faber, die nu voor zijn extinctie staat. Lachband en applaus graag.

Het liberalisme, als moderne versie van het Prometheus-heroisme, is nu klaar om de anti-held te celebreren, met de techniek als hilarisch vehikel van de mislukking. Heel de technisch-wetenschappelijke droom blijkt een farce. De machine wordt dan, helemaal omgekeerd aan de uitvinding van Da Vinci, een fopartikel, met de perfide knoeier én de gedupeerde gebruiker in de glansrol. Terwijl het liberalisme officieel de doctrine van de vrije keuze blijft aanhangen, is het onderhuids aangevreten door een logica van de circusact, die aanstuurt op een fatale climax. In de ruil is er altijd een winnaar en een verliezer, maar ook de winnaar gaat op het einde bankroet, en dan valt het doek.

Iemand als Jean-Pierre Van Rossem, met zijn geldmachine, dat is toch van een weergaloos kluchtgehalte. Hij ontneemt ons vooral alle lust tot medelijden met de slachtoffers, de domoren die hun zwart geld erin deponeerden. Laat u foppen, geniet ervan. Denk Chaplinesk. De Rossem-parabel zet niet aan tot moraliseren, integendeel, ze laat ons vooral met onszelf en onze domheid lachen, en de beperktheid van het menselijk vernunft. Waardoor verliezen ook zin heeft. De criminaliteit is in die zin een uiterst nuttig en therapeutisch relativeringsmiddel. Zonder criminelen, vooral van het witte-boord-type, oplichters dus, zouden we echt denken dat de eeuwigheid binnen handbereik is en dat het allemaal nog goed komt. Zonder nepmachine zouden we echt geloven dat de techniek ons zal redden. Quod non.

De grens tussen bewust kiezen voor eindigheid, misrekening, geklungel, oplichterij en grapjasserij is dikwijls moeilijk te trekken. Alleszins willen we ze ook consumeren, de waardeloze gadgets, de kadukke machines, om van de mislukking te genieten, de dood te proeven en de finale catastrofe in miniatuur te ervaren. De vrijheid van de consument is vooral de vrijheid om zijn fopartikel te kiezen.  De markt is de ontmoetingsplek van de leugenaar (verkoper van een machine die niet werkt) en de domoor die hem gelooft. De “juiste ruil” heeft dus het verloop van een klucht. We kopen primair omdat we willen bedrogen worden. De producent is een knoeier, de consument een paljas. Ze vormen een perfect koppel, zoals de slimme Pippo en de domme August in het circus. Of Pantalone en Arlecchino. Beiden zijn doodsfiguren. Ethisch-utilitaire organisaties zoals Test-Aankoop begrijpen niets van de weergaloze zwarte humor die in de vrijemarkteconomie verscholen zit. Niet toevallig is de marktplaats de geboorteplek van de commedia dell’arte.

 

Fuckyoushima, mon amour

Zo leerde de industriële revolutie ons doodgaan, elke dag, zodat ook het einde van de beschaving best verteerbaar wordt. Met de liberale ideologie als drijfveer en het Darwinisme als alibi, ontrolde zich een vooruitgangsdenken dat zich met rasse schreden naar de afgrond beweegt. Het leven als mislukking, de mislukking als ultra-biologisch kunstwerk. We zitten dan in een heel ander verhaal dan dat van Da Vinci en de Übermensch, of toch niet? Onnodig hier een Sisyphus-tragiek van de eeuwige herhaling aan te koppelen. Veeleer zou men de komische dimensie moeten zien van een kosmisch theater waarin wij ternauwerdood maar één bedrijf mogen spelen, hoe goed we ook ons best doen. Het feit dat de “succesrijke” homo sapiens slechts het peil heeft bereikt, waarop hij zichzelf kan laten ontploffen, maakt het woord “succes” zelf tot iets circusachtig, ook in het existentiële kader van ons eigen bestaan.

De overbekende toren van Pisa is misschien nog het sterkste gadget, als monument van de vergankelijkheid: een bouwsel dat steeds schever zakt, door een instabiliteit van de ondergrond,- een misrekening van de architect dus. Ondanks alle stabilisatie- en restauratiewerken is en blijft deze toren beroemd door zijn gebrek, en door de blijvende dreiging van de instorting. Ooit zal dit natuurlijk gebeuren, en het zou een moment kunnen zijn om naar uit te kijken, een feest. De dood wordt dan niet meer als verschrikking ervaren, maar als de limiet van een trage valbeweging. Het is zelfs niet nodig om torens te doorboren, zoals Bin Laden dacht: ze slopen zichzelf.

De schoonheid van de catastrofe ligt in haar laconiciteit, haar vanzelfsprekende, on-tragische relatie met de mens als knoeier én leugenaar. In die zin is elke ontploffing een weldaad, en een noodzakelijke correctuur op de illusie van de menselijke onfeilbaarheid. Niemand heeft het komisch karakter van die catastrofe treffender gestalte gegeven dan Brueghel in zijn “Val van Icarus” (1558): een mythologisch drama dat herleid wordt tot de afmeting van een been dat uit de zee steekt. Sisyphus, Prometheus en Icarus, alle drie in één beweging belachelijk geworden. Grandioos.

Sindsdien is Icarus ontelbare malen geparodieerd, terwijl hij zelf al een clowneske figuur was. Zo zijn er filmpjes bewaard gebleven van “luchtvaartpioniers” die met een zelfgemaakt vliegtuig een bergwand afspringen en genadeloos crashen. Ze zweefden niet even, het ging gewoon vertikaal naar beneden. Boem-knots, applaus, gelach.

De ontploffing van de LZ129 Hindenburg in 1937 (een reusachtige sigaar, gevuld met super-explosief waterstof!), de explosie van de Challenger in 1986,- het zijn maar een paar momenten in een techno-komedie waarvan men niet weet wat het eigenlijk het echte doeleinde was: vliegen of vallen. De pioniersperiode van de luchtvaart en de bloeitijd van de slapstick overlappen elkaar overigens perfect, ik spreek van de periode tussen 1900 en 1930. Het ziet ernaar uit dat de ene zich in de andere spiegelde, en dat het gooi- en smijtwerk van Buster Keaton en Laurel & Hardy de Icarus-mythe parodieerde, als voorsmaakje van de great crash. Boem, paukeslag!

En ze blijven neervallen, ook vandaag, ook de Boeings en de Concordes. De zoektocht naar de zwarte doos moet het ongeluk exorciseren, het mysterie ophelderen en fouten aan het licht brengen, maar het enige mysterie is en blijft het feit dat mensen tuigen maken om te verongelukken.

Ook zogenaamde grote milieucatastrofes kunnen nu herlezen worden tot slapstick-momenten: het is maar om te lachen. Tsjernobyl was de aanzet, maar die ramp kon nog bezwerend geduid worden als de schroothoop van een gealcoholiseerd en inefficiënt Sovjetsysteem.  De kernramp in het Japanse Fukushima –veroorzaakt door een natuurlijke catastrofe én door een menselijke misrekening: wat een alliantie!- brengt opnieuw de eindigheid en het falen naar voor, ook in een hypermodern universum  van de Yen, de Toyota’s en de Sony’s waar zogezegd niets mis kan lopen. Meer dan een dramatische fout, lijkt het alsof de perfectionistische technologie zelf de explosie zoekt, als een pompeus orgelpunt in een circusmars. Het geklungel na accidenten als deze met de BP-boortoren in de Golf van Mexico en de Fukushima-kerncentrale (men probeerde de lekken in het koelsysteem van de reactor te dichten met krantenpapier!) ontrolt zich als een knotsgekke spleetogen-comedy, Fuckyoushima  genaamd, over een onhandige, mongoloide loodgieter die van de ene blooper naar de andere stuntelt.

De pioniersperiode van de luchtvaart en de bloeitijd van de slapstick overlappen elkaar perfect.
In hun gooi- en smijtwerk parodiëren Laurel & Hardy de Icarus-mythe, en voorspellen ze de great crash als komische pointe.

Deze morbiede ironie, eigen aan wetenschap en techniek, wordt veel te weinig geëxploreerd. Ook kunstenaars doen er te weinig mee, Panamarenko is een uitzondering. In de uitvinderssalons is het nogal eens lachen geblazen, maar in de wetenschappelijke tijdschriften heerst de waan van de perfectie en turen starre tronies de oneindigheid in. Met ecologisme anderzijds, gericht op het behoud, komen we nergens. Het milieudenken is menselijk, middelmatig, door-en-door-ernstig. De techniek daarentegen is onmenselijk, transcendent en komisch. Het is ethiek tegenover esthetiek, en de kwaliteitszoeker kiest voor het laatste.

Dit maar om te zeggen dat ik me terug verzoend heb met de homo sapiens, na de deprimerende opstellen over het menselijk roofdier. Uiteindelijk blijft hij een sympathieke knoeier, zich weinig bewust van zijn limieten. Underdog en Übermensch tegelijk, iets tussen het beest en de engel, of soms zelfs beiden tegelijk, maar fundamenteel onaangepast en zichzelf fout inschattend. In elk geval: tot verdwijnen gedoemd.

De evolutie is dus een devolutie. De ineenstortende biodiversiteit is het onvermijdelijk gevolg van een omkantelende evolutiepiramide, een toren van Pisa die definitief uit zijn zwaartepunt is gaan hellen. Het leven op aarde zal uitsterven, omdat de meest “succesrijke” soort zijn intelligentie enkel kan aanwenden om een natuurlijke catastrofe, zoals een meteorietinslag, te vervangen door een wereldwijde technologische ramp, tenzij men kiest voor een langzame toename van onleefbaarheid zoals verwoestijning, of demografische catastrofes à la Malthus. Cultuur, in de breedste zin, kan men dus opvatten als collectief-suïcidaal gedrag. We hebben nooit iets anders gedaan dan het einde gezocht, ook als we het tegendeel beweerden én geloofden. De waanzinnige bedragen die gespendeerd worden aan de CERN-deeltjesversneller in Genève, overtreffen elke rationaliteit (met dat geld zouden al enorme voedselprogramma’s voor de derde wereld kunnen op poten gezet worden). Zogezegd hoopt men hier micro-partikels zoals het Higgsboson te ontdekken, maar waarschijnlijker is dat er een zwart gat gecreëerd wordt waarin wij allen, de planeet incluis, verdwijnen. Kan men zich een komischere pointe van het antropoceen voorstellen?

 

Finis terrae

Het enige wat men met vertwijfelde humanisten als Vermeersch of de Duve zou kunnen doen, is hen op een ruimtetuig zetten, in de hoop dat de menselijke beschaving een buitenaards verlengstuk krijgt. Maar is een mens buiten de aarde nog een mens? Is ons aardse kompas vervangbaar door een ander? En vooral: wat hebben wij, zelfmoordpiloten, het universum aan te bieden?

Volgens bepaalde complottheorieën wordt alleszins de buitenaardse exodus voorbereid, in de grootste discretie, door een elite die zich momentaal verzamelt in geheimzinnige clubs zoals de Bilderberg-groep, de Cercle de Lorraine, de loges, of de Marnixring. Sommigen willen zich na hun dood laten invriezen, om alsnog het vertrek te kunnen meemaken. Via een interplanetaire Ark zou een ultieme keur van menselijke genen,- een selectie waarvoor beide hogervermelde professoren, in tegenstelling tot u en ik, zeker een kans maken,- ergens in de kosmos kunnen neerstrijken om de soort opnieuw te laten floreren. Het latente isolationisme van schrijvers, geleerden, Nobelprijswinnaars, is gericht op een hypothetische ontsnappingsroute, een idee dat er ergens op een kritiek moment een ruimteschip zal klaarstaan om hen op te pikken. Na de bijbelse Ark en de christelijke apokalyps, twee religieuze procédés om de uitverkorenen te selecteren, bestaat er nu een atheïstische heilsverwachting, die des te sterker is, omdat ze tot een ongeschreven code behoort. Wie schrijft die blijft, en krijgt een ticket. Plaats noch tijdstip van vertrek staan vast, maar men moet zich klaarhouden, en oefenen in het afscheid. Werken, schrijven, mediteren... De ascetische roeping, de zelfgekozen eenzaamheid en onthechting van schrijvers, de grote contemplatie,- zogezegd om geen zaad en energie te verspillen aan de vrouw, relaties, de kroost,- mikt vooral op dag nul, de dag dat de beste genen mogen vertrekken.

Het klinkt hilarisch, en dat is het ook. Vijf minuten common sense volstaan immers om door te hebben dat ook het geheime ontsnappingsproject van de ingewijden nu al tot de slapstickhumor mag gerekend worden. Captain Kirk, Doctor Spock en hun Enterprise zullen de Hindenburg en de Challenger achterna vliegen, tenzij ze niet eens van de grond komen.  Ook de binnenwegen naar buiten lopen dood, en leveren hooguit een zwart gat op. We kunnen er alleen maar om lachen, en laten we dat dan ook voluit doen, met Kamagurka, Herr Seele en Eddy Wally, onder het refrein: “In het heelal is ’t alle dagen carnaval!”.

De kosmos is geen optie, de ruimtevaart zal ons niet redden. Want laat ons eerlijk zijn: om écht de zwaartekracht te overwinnen en van deze aardkluit te springen, zijn we gewoon veel te dom.  Het is anderzijds ondenkbaar dat buitenaardse beschavingen zich met deze tot uitsterven gedoemde planeet zouden moeien. Waarom zouden ze? Best mogelijk dat er ergens een troepje uitverkorenen met hun koffers staat te wachten, maar er zal niets uit de lucht vallen, tenzij het eigen schroot. De twee professoren zijn als Vladimir en Estragon uit “Wachten op Godot” van Samuel Beckett. We zijn de risée van het heelal, hooguit figureren wij ooit als stof voor een intergalactische soapserie.

De kosmos is geen optie, de ruimtevaart zal ons niet redden. Want laat ons eerlijk zijn: om écht de zwaartekracht te overwinnen en van deze aardkluit te springen, zijn we gewoon veel te dom. 

En zo concentreert de grap zich steeds meer rond de verborgen agenda van de culturele en wetenschappelijke happy few, als immoreel schijngeweten. Het zijn juist de excellente genen van de Duve en consoorten die ons gebracht hebben waar we nu staan, en toch zoeken ze nog een uitweg. Voor zichzelf althans. Men zou veeleer imbecielen, primaten of Neanderthalers planetair moeten exporteren om een beschaving lang te laten groeien, maar die hebben we al uitgemoord, en al wie vandaag op een Neanderthaler lijkt, behoort beslist tot geen van deze clubs.

Men zou het als een absoluut eindpunt kunnen zien van een ontwikkeling die Sloterdijk beschreef in zijn “Kritik der Zynischen Vernunft”: de sluwheid van de moderne intellectueel die, onder filantrope alibi’s, alleen om zijn eigen vel bekommerd is. Niets is nog wat het lijkt. De dapperen zijn de grootste schlemielen. De moraalfilosofen de grootste egotici. Het ressentiment van de massa tegen de elites is volkomen terecht: het keert zich tegen de waan van de wetenden en de lafheid van de machtigen. Het intellect dat, onder de vlag van de homo sapiens, de boel versodemieterde, staat stiekem maar vergeefs naar het uitspansel te turen. De elites zijn belachelijk geworden, juist omdat men, in de nadagen van de menselijke beschaving, instinctief aanvoelt dat ze de plaat proberen te poetsen.

En ja, ik beken: ook ik heb daar als ambitieuze jongeman in geloofd,- in het idee dat de besten zullen overleven, dat “iets” op ons wacht. Na menig bananenschil heb ik het komische daarvan echter ingezien, en zijn de koffers allang terug uitgepakt. Terug van nooit weg geweest. Ik kan nu met een gerust geweten mijn energie verbranden, mijn genen verspreiden en mijn zaad verspillen aan het minste en het kleinste, in het besef dat de (d)evolutie haar gang moet gaan en dat vluchten geen optie is. Het doemdenken voorbij.

Dat, beste vrienden, is het echte plezier van het schrijven: dat het nutteloos is, niets teweeg brengt behalve hoofdpijn bij de lezer, en zeker niet naar de onsterfelijkheid leidt.

Op de aarde zal ik leven en sterven. De dood kan ons niet verontrusten, integendeel: het is de meest intense vorm van mislukken, en dus hét moment van medeleven met een verdwijnende beschaving, een stervende planeet, een uitdovend universum. Boem, paukeslag!

 

Terug naar boven