De Tijd, 7 december 2005                

 

Terug naar archief                Terug naar startpagina                      Reageer via het Webforum

 

 

 

De valstrikken van het optimisme: SAM en Fata Morgana

Met het bekronen van de ‘Grootste Belg’ is er een einde gekomen aan een maandenlange hype rond een volkomen onbenullig en virtueel gegeven dat onder de categorie ‘entertainment’ zou kunnen gerangschikt worden, ware het niet dat het concept kadert in een bredere strategie om ronduit naieve, positieve

groepsemoties uit te lokken rond belegen volkshelden. De uitslag deed eigenlijk niet terzake, de context was hoofdzaak: het zoeken van een vlag voor een volkje zonder identiteit. Mijn indruk groeide gestaag dat ‘de Grootste Belg’ vooral een publieke oefening in optimisme was,- of iets brutaler gesteld: een poging om het collectief bewustzijn te herleiden tot trots, bewondering, het apologetisch discours, de identificatie met grote nationale persoonlijkheden, gaande van een gewiekst pillendraaier tot een Gallisch stamhoofd.

Het probleem van dit soort spelletjes is het maskerend, kosmetisch effect; er ontstaat een saturatie voor geluiden uit de samenleving die minder harmonieus klinken, men groepeert zich rond een ludieke consensus van het non-event: het Romeinse ‘Brood en Spelen’, getransponeerd naar de moderne massamedia. In het verlengde daarvan pakte de VRT recent uit met formats die expliciet gericht waren op het accentueren van de ‘sociale cohesie’, een daadgericht, solidaristisch groepsgevoel in een populistische toonaard. Sergio was met Fata Morgana de trendsetter, terwijl momenteel het nog kleffere ‘Allemaal SAM!’ de Vlamingen een rose bril wil aanpassen. De Koning Boudewijn Stichting die het concept bedacht, verwoordt het zo: ‘SAM wil tonen hoe hip sociaal kan zijn, hoe leuk sommige mensen het kunnen maken met weinig, hoe lekker het loopt als je na een half uurtje mopperen de handen uit de mouwen steekt.’

Het gemediatiseerd optimisme is méér dan een schouderklop: het legt de consensus op, en exorciseert alle vormen van verwikkeling of problematisering, onder het motto ‘niet zeuren maar doen’,- een variant van Rodenbach’s gezegde ‘Nicht raisonieren…’. Vreemd vaarwater.

Afgezien van de hilarische padvinderstaal die aan de wolligste episodes van de sixties doet denken, is deze open oproep een maatschappelijk-culturele valstrik. Ze maakt namelijk iets suspect, wat wezenlijk is voor de kwaliteit van het collectief bewustzijn, namelijk het kritisch discours, dissidentie die niet alleen een recht is, maar in vele gevallen zelfs een plicht. Het gemediatiseerd optimisme is méér dan een schouderklop: het legt de consensus op en exorciseert alle vormen van verwikkeling of problematisering, onder het motto ‘niet zeuren maar doen’,- een variant van Rodenbach’s gezegde ‘Nicht raisonieren…’. Vreemd vaarwater. Ik zou juist denken: wél raisonieren, deconstrueren, en zeuren over dingen die niet kloppen. Steeds opnieuw.

Anderzijds zie ik de kritische, bevragende journalistiek elke dag wat verder afdrijven in de richting van de gezellige kroegbabbel met een genant hoog hoffelijkheidsniveau. Is er een verband met de opkomst van de morele herbewapeningsprogramma’s à la ‘Sam’’? Wie herinnert zich nog rebel Daniel Buyle, of de vierkante inquisitiestijl van Maurice Dewilde? Waar blijft de opvolger van Walter Zinzen? Waarom is alle politieke satire uitbesteed aan eindejaarsconferencier Geert Hoste? Moederziel alleen moet de frele Phara (ironisch genoeg opgevorderd voor de Grootste Belg-show) weerwerk leveren in een landschap dat in toenemende mat het Land van de Glimlach is geworden: alles is bespreekbaar, ieder zijn mening, als we maar eindigen met applaus. Men ziet het ook aan de toenemende vriendschappelijkheid tussen politiek en pers: Ivan De Vadder die, net voor een interview, genoeglijk staat te keuvelen met Premier Verhofstadt. Ontluisterend: ongetwijfeld gaan ze naar elkaars feestjes,- dit soort cameraderie leidt nooit tot journalistiek die spijkers met koppen slaat.

Fata Morgana flopte wel in Antwerpen, Vermaledijd als Vlaanderen's zuurste stad. Er is nog hoop.

 

Verhofstadt in China

Het nieuwe optimisme kan niet losgezien worden van zijn historisch-politieke context: we zitten in het tijdperk van de restauratie dat begon met het aantreden van de bolgewassen rebel Guy Verhofstadt in 1999, na de turbulente ‘Witte’ periode.

Het voortvarend geloof-in-de-goede-afloop van de Premier, binnen zijn eigen omgeving graag als ‘voluntarisme’ betitteld, is bekend. Maar het doet politiek, wat TV-programma’s als SAM! beogen: het tendeert naar ontkenning van de problemen en zelfs ronduit naar een neurotische werkelijkheidsvlucht. Het diffameren van de oppositie is daarvan een onderdeel: kritische lezers van de blijde boodschap worden zuurpruimen of erger, psychisch instabiele galspuwers en asocialen. De analogie met het Bush-discours is overigens opmerkelijk: lach de klokkenluiders gewoon weg. Het broeikaseffect, de opwarming van de planeet, de Kyoto-norm? Ga weg, België is de logistieke draaischijf van Europa; hoe meer vrachtwagens op de wegen, hoe meer welvaart. Doodvriezende daklozen, kinderen die longziektes krijgen in ongezonde woningen, 15% van de Belgen die onder de armoedegrens leven? Ach, mensen moeten leren voor zichzelf opkomen en onze begroting is in evenwicht,- weliswaar via de uitverkoop van publiek eigendom- so what.

In Schopenhauer’s‘Die Welt als Wille und Vorstellung’ herkent men moeiteloos Guy Verhofstadt tijdens zijn Chinese cruisade. Natuurlijk was de Hongkongse zakenman Li Ka-Shing niet in een halfuur door onze premier omgepraat om in België te investeren, zoals de communiqués suggereerden en de camera’s het in beeld brachten. Maar het werd een geldige 'voorstelling' dankzij Guy's wilskracht: we leven in een virtuele realiteit.

Uiteraard heeft dit te maken met een neoliberale besmetting van de politiek door het marketing-denken. Het creëren van een virtuele realiteit behoort tot de logica van de vrije markteconomie: als mensen denken dat het goed gaat, gaat het ook goed. Het geld kan enkel rollen als de begeerte er is om te consumeren. Door een partij als een ‘merk’ te beschouwen en kiezers als klanten, verplicht de politiek zichzelf om de realiteit rose in te kleuren en leugens om te smeden tot self-fullfilling prophecy. Het is het handelsmerk van het huidige politieke establishment geworden: het optimisme als onkruidverdelger en argument op zich. Met behulp van reklamelui die zichzelf tot ‘communicatiespecialisten’ promoveerden, genre Noël Slangen, wordt het optimisme de laatste postmoderne anti-ideologie. Het slechte nieuws is niet meer aan de orde, omdat het verdampt door de warmte van het goede nieuws. Merkwaardige collaps, nooit vertoond sinds Immanuel Kant, de vader van het moderne kritische denken, in 1790 zijn Kritik der Urteilskraft publiceerde en afrekende met elke vorm van wishfull thinking. In zijn zog traden Schopenhauer en Nietzsche aan: twee scherpslijpers eerste klas,- hadden ze een website gehad, het zuur brandde gaatjes in Uw computerscherm. Het is, paradoxaal genoeg, ook in deze context van de afstand en de onenigheid dat dingen als humor, ironie en zin voor relativiteit ontstaan.

En die relativiteit is nu net compleet zoek in de hoera-sfeer van de zgn. ‘actieve welvaartstaat’. In Schopenhauer’s‘Die Welt als Wille und Vorstellung’ herkent men moeiteloos Guy Verhofstadt tijdens zijn Chinese cruisade. Natuurlijk was de Hongkongse zakenman Li Ka-Shing niet in een halfuur door onze premier omgepraat om in België te investeren, zoals de communiqués suggereerden en de camera’s het in beeld brachten. Maar het werd een geldige ‘voorstelling’, het gerucht ging een leven leiden, het werd een Fata Morgana. Alle embedded journalists wisten het en gniffelden: dit is fake,- zonder dat iemand zich verder druk maakte over het trompe-l-oeil.

 

Schopenhauer in Irak

Het echte probleem is uiteindelijk zelfs niet het optimisme op zich, als opgedrongen attitude, maar de uitholling van de taal en het verbannen van de negativiteit via retorische trucs die eeuwenoud zijn,- de sofisten gebruikten ze al, tot ergernis van Plato, nog zo’n azijnpisser.

‘Neen’ is het belangrijkste woord van onze taal, het moet minstens mogelijk zijn om te zeggen dat de keizer geen kleren aan heeft. De uitbanning van het kritisch discours door de nieuwe postmoderne grammatika, zal onvermijdelijk een tegenreactie veroorzaken die zich buiten de taal beweegt, uit noodzaak. In het actionisme en de terreur dus. De eerste Belgische onderdaan is al als een wandelende bom uiteengespat in Irak. De verslagenheid bij de commentatoren is algemeen: ons eigen volk in de kamikaze!

Nu zult U hier niet lezen dat Muriel Degauque zichzelf opblies uit bekommernis om de Kyoto-normen of uit onvrede met Verhofstadt. En het is heel onwaarschijnlijk dat de 34-jarige werkloze vrouw uit Monceau één letter Kant of Schopenhauer gelezen heeft. Toch heeft ze, vanuit een soort vrouwelijke antenne, iets gecapteerd wat onze decadente cultuur steeds meer parten zal spelen: een gebrek aan ernst, die nodig is om zich in zoiets als ‘waarheid’ te interesseren. Het besef dat de taal U bij voorbaat in het ongelijk stelt, omdat de mintekens uit de algebra zijn geschrapt. Nog even hard werken aan de positieve, sociale VRT-Vlaming, en het is in het propere Vlaanderen ook zover. Vrouwen eerst,  want die doen het alvast niet voor de 33 maagden in hun hemelbed.

Misschien toch maar snel filosofie invoeren in het middelbaar onderwijs, niet alleen in de humaniora, maar ook en vooral in het beroepsonderwijs, waar de beste springtuigmakers te vinden zijn.  

 

Interessante links:

 

 Reageer via het Webforum

Terug naar boven