
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

Berichten
uit la Flandre profonde
Hoe Vlaanderen 'zwart 'werd,- en bleef
Johan Sanctorum
1/9/2007
Nadat
Yves Leterme met 800.000 voorkeurstemmen (haast zoveel als heel het
VB-electoraat) door de kiezer naar de Wetstraat werd gekatapulteerd, was het
tijdens de formatieonderhandelingen van augustus weer
bon ton in de Franstalige pers om te schamperen op de domme, boertige
Vlaming.
'La Flandre profonde', het benepen, in zichzelf gekeerd nest rond
de kerktoren,- het is een dankbaar cliché om onze numerieke meerderheid te
beladen met een stigma van culturele achterlijkheid. Zo mild men was voor de
kromprater en pseudo-intellectueel Verhofstadt, zo bits waren en zijn de commentaren op
de niet-salonfähige boerenzoon Leterme.
Vreemd genoeg nam onze eigen
zogenaamd ‘progressieve’ pers volop deel aan deze moddercampagne. Men moet de
commentaren in De Morgen (Geert Buelens), De Standaard (Oscar Van
den Bogaard) en Knack (Joël de Ceulaer) er maar eens op nalezen: het leek wel of we
na 10 juni terug in het stenen tijdperk waren beland.
Maar is Vlaanderen wel zo ‘rechts’ en ‘conservatief’ als deze verlichte
bobo’s het voorhouden? Of ging het op 10 juni nu juist om een algemeen
gevoel van ‘genoeg-is-genoeg’, en vormen die commentaren het achterhoedegevecht
van een elite die zelf niet meer op de polsslag van de tijd zit?
En waarom
blijft dat cultureel establishment zo aan de Belgische constructie en de
monarchie plakken?
Een jaar geleden verscheen de interessante studie ‘Op het kruispunt van de politiek – Links en rechts in Vlaanderen’ van Carl Devos, Hilde Van Liefferinge en Dries Verlet. Het boek tracht, aan de hand van veel cijfermateriaal, de klassieke ideologische tegenstellingen (links/rechts, progressief/conservatief,…) te toetsen aan de actuele politieke realiteit in Vlaanderen.
De auteurs stellen dat de links/rechts-tegenstelling in de
hedendaagse politiek zeker niet achterhaald is: ze staat wel degelijk voor
uiteenlopende mensbeelden en maatschappijvisies, die teruggaan op haast
biologische en instinctieve reflexen. En die zich in de hedendaagse politiek
dikwijls op een gesofistikeerde en hybride manier vertalen. Klassiek-rechts gaat
voor
individualisme, een doorgedreven vrijemarkteconomie en
een terugdringen van de verzorgingsstaat. Maar anderzijds verdedigt rechts
(meestal) ook een traditionalistisch wereldbeeld, een autoritair optreden tegen
afwijkend gedrag, een doortastend criminaliteitsbeleid en dus méér staat. Links
ziet de vrijemarkteconomie dan weer ondergeschikt aan een door de overheid
georganiseerd herverdelingsstelsel, maar gaat dan weer op zijn achterste poten
staan als diezelfde overheid het publiek belang zo breed opvat, dat ze onze
telefoongesprekken aftapt. Daarbij kan ik me perfect voorstellen dat iemand noch
de jungle van de vrije markt, noch de betutteling van de verzorgingsstaat
accepteert. En is het ecologisme nu eigenlijk progressief (als pleitbezorger van
maatschappelijke verandering) of conservatief (als herstelbeweging)? Essentiëler
dan de etiketten blijft, hoe dan ook, dat de dingen bij hun naam genoemd worden,
en dat maatschappelijk-filosofische breuklijnen zich blijven profileren.
Oorlog is de vader van alle dingen,- het zgn. centrumdenken is dodelijk Het is
goed dat onze natuurlijke bipolariteit veruiterlijkt wordt in
groepstegenstellingen,- dat is de essentie van elke maatschappelijke dynamiek.
En daar stelt zich in de Vlaams/Belgische context nu net een probleem, dat door Devos en C° wel wordt gesignaleerd maar niet echt ten gronde uitgeklaard. De geschiedenis van de Belgische natie vertoont namelijk een permanente tendens om tegenstellingen te verdoezelen. De fameuze compromissencultuur zit dieper ingebakken dan we denken, en leidt tot een intellectuele impasse die vooral voor Vlaanderen nefast is. Daarbij worden de termen ‘conservatief’, ‘rechts’ en ‘extreem-rechts’ niet als oriënterende begrippen gebruikt, maar veeleer als scheldwoorden voor individuen en groepen die deze compromissencultuur niet toegenegen zijn. De slechte Belgen dus. Wie morrelt aan het status-quo, en een verregaande staatshervorming voorstelt, krijgt het etiket ‘conservatief’ toebedeeld,- een flagrante paradox die moeiteloos overeind schijnt te blijven doorheen het koffiedik kijken van de politieke commentatoren. Tijd om even de vaderlandse geschiedenis in te duiken.
Voor vorst, vaderland en Société Générale: de oorsprong van de Belgitude
Na 1815, de nederlaag van Napoléon Bonaparte en het Congres
van Wenen, was in Europa het herstel van de oude waarden aan de orde (de zgn.
restauratie): dynastiën en adel herbezetten het politieke schaakbord, de
kerk herneemt haar dominante positie in het culturele leven. Een nieuw feit was
evenwel de opkomst van een kapitaalkrachtige burgerij die de industriële
revolutie maximaal verzilverde en ook de politieke macht ambieerde. De
levensomstandigheden van de gewone man waren ondertussen ellendig: de
economische groei in Europa kwam slechts ten goede aan een kleine minderheid van
industriëlen, aandeelhouders, speculanten en grootgrondbezitters. Mislukte
oogsten en aardappelziekten teisterden onze contreien, de werkloosheid nam toe.
In Frankrijk was de kloof tussen arm en rijk dermate gegroeid, dat er in 1830
een mini-revolutie uitbreekt, waarbij de autoritaire despoot Karel X afgezet
wordt ten voordele van de populistische monarch Louis-Philippe. Zijn opdracht
was duidelijk: zich opwerpen als een volkssymbool van eenheid (le Roi de tous
les Français), en ondertussen zoetjesaan de liberale laisser-faire-economie
laten
voortsudderen. Om dat kapitalistisch uitbuitingssysteem
aan het gepeupel verkocht te krijgen, was dus wel enige diplomatie en een
optimistische toonzetting nodig. Vandaag zouden we spreken van ‘goede
communicatie’. Hiervoor schakelde hij een soort intellectuele middenklasse in,
die de vrijheidsidealen van de Franse Revolutie kon omsmeden tot de pijlers van
een liberaal-burgerlijke vooruitgangsgedachte, verwoord in een
romantisch-hoogdravend proza. Het zou allemaal wel goed komen, als het volk zich
maar eendrachtig achter de driekleur schaarde, en als de opkomende bourgeoisie
maar haar gang kon gaan. Het staatsbelang en het privé-belang gingen elkaar
steeds meer overlappen, dankzij de patriottistische rethoriek van de culturele
elite. In ruil voor deze lippendienst kregen de intellectuelen een soort
persvrijheid: het discours libre werd een fetisj die eigenlijk alleen
maar diende om het regime te stabiliseren en de goodwill van de intelligentsia
af te kopen.
Zo ontstond de typische saloncultuur van de 19de eeuw: trefplaatsen van de sociale en culturele beau monde. De intellectuele toplaag gedroeg zich uitermate dubbelzinnig. Als apologeten van de Verlichting –een filosofie die toch essentieel op emancipatie gericht was- verdedigden ze in feite een systeem van uitbuiting en menselijke ontwaarding. Of, in een hedendaagse terminologie: ze steunden een rechts-conservatief regime met een links-progressistisch discours van de vrijheid en de vooruitgang.
Historisch is het een uitgemaakte zaak dat de Brusselse bourgeoisie, met actieve steun van Franse agitatoren, het volk in 1830 het vuile werk liet opknappen, in ruil voor gratis jenever en met een vage belofte dat de levensomstandigheden zouden verbeteren. Toen al was het 'progressieve' verlichtingsideaal een passe-partout voor de heersende klasse om haar macht te consolideren.
De schrijver Victor Hugo
(1802-1885) belichaamde helemaal die paradox. Van huis uit al gespleten, met een
royalistisch-conservatieve moeder en een overtuigd republikeinse vader, zag Hugo
er geen graten in om in allerlei ethische kwesties progressief uit de hoek te
komen,
de
wantoestanden van het kapitalisme aan te klagen (‘Les miserables’), en
zich tegelijk in de effectenhandel te begeven of zelfs de onderdrukking van de
arbeidersopstand in 1848 te steunen. Het hart links, de portefeuille rechts,- in
Freudiaans opzicht een interessant geval met zo’n ouders. Als ‘rebel’ hengelde
hij eindeloos naar status en ereplaatsen (na vijf mislukte sollicitaties
geraakte hij eindelijk de Académie Française binnen). Het doet denken aan
onze eigen modieuze rebel Jan Fabre, die zopas commandeur in de Orde van Leopold
II werd. Louis-Philippe schonk V. Hugo finaal de eretitel ‘Pair de France’: de progressieve intellectueel
was een perfecte steunpilaar van het burgerlijke establishment geworden.
Diezelfde Louis-Philippe –en nu komen we weer iets dichter bij huis- speelde ook een beslissende rol in de ‘Belgische Revolutie’ van 1830. Hier was een gelijkaardige situatie ontstaan: een autoritaire monarch Willem-I, die een soort dirigistisch staatskapitalisme beleed waar de burgerij zich steeds meer aan ergerde. Historisch is het een uitgemaakte zaak dat de Brusselse bourgeoisie, met actieve steun van Franse agitatoren, het volk het vuile werk liet opknappen, in ruil voor gratis jenever en met een vage belofte dat de levensomstandigheden zouden verbeteren als ze van die Hollanders verlost waren. Wat achteraf uiteraard een illusie bleek. De dubbele bodems van het Franse romantisme zouden zich vlekkeloos copiëren op de Belgische situatie. Wanneer op 25 augustus 1830 in het Théâtre de la Monnaie ‘La muette de Portici’ wordt gespeeld, blijft vooral het refrein hangen, gezongen op de tonen van de Marseillaise:
Amour sacré de la patrie,
Rends-nous l’audace et la fierté ;
A mon pays je dois la vie.
Il me devra sa liberté.
Er zal toen wel weinig gewoon werkvolk in het pluche van de
Brusselse opera gezeten hebben: deze aria deed vooral bij de upperclass
een snaar trillen. En let op het laatste woord,- liberté, want dat is de
essentie: de burgerij wou een rechtsliberaal regime naar Frans model, en
gekoppeld aan een links-modieus discours van de Verlichting om de pil te
vergulden.
De verspreking op 21 juli van Leterme zat er dus niet eens zover naast: in 1830 zong men te
Brussel wel degelijk het Franse volkslied. Eens het ongemotiveerde
Hollandse operetteleger verdreven door het opgehitste dronken plebs, nam de
gegoede burgerij resoluut de touwtjes in handen. De door Willem I opgerichte
Algemeene Nederlandsche Maatschappij ter Begunstiging van de Volksvlijt, een
soort economisch ontwikkelingsfonds voor het Zuiden, werd omgevormd tot de
welbekende Société Générale, dé holding waarmee
de Belgische haute finance furore maakte,- en waarvan ene… Victor Hugo
hoofdaandeelhouder zou worden.
Vanaf dan ook beklimmen liberale intellectuelen zoals Louis De Potter, Charles Rogier, Charles de Brouckère, Joseph Lebeau en Jean-Baptiste Nothomb, alle overigens goede vrienden van de beroemde Franse literator, het spreekgestoelte: à la Française zullen zij de constitutionele monarchie ‘België’ aaneenpraten.
Met een republiek die er geen was, en een koning met een beperkte macht, had de Belgische bourgeoisie in 1830 het perfecte institutionele kader geschapen om zaken te kunnen doen en haar netwerken verder uit te bouwen. De royalistische koekendozenromantiek kregen we er gratis bij. Einde mei 1831 wordt Leopold van Saksen-Coburg verkozen door dezelfde lui die de aandelen van de Société Générale in handen hebben. Vanaf dan, en doorheen de tweede helft van de 19de eeuw, wordt de jonge natie met de ‘vooruitstrevende grondwet’ een staat met een democratie die slechts formeel functioneerde, maar die in werkelijkheid door de culturele en economische elites werd gedomineerd. Adel, industriëlen, grondbezitters, speculanten, naast een aantal intellectuelen van goede komaf. Een staat die gedoemd was tot het compromis en de omfloerste paradox. De bourgeoisie sprak Frans om haar moderniteit te affirmeren, maar gedroeg zich als een Herrenvolk in een systeem dat essentieel op ongelijkheid en discriminatie steunde: uitbuiting van de werkende klasse, het cijnskiesstelsel (hoe rijker, hoe meer stemrecht), en uiteraard de onderdrukking van het Nederlands zelf als taal van de paria’s.
De Vlaming als neger
Zo voltrok zich in het België van de 19de
eeuw datgene wat de filosoof Antoni Gramsci als ‘culturele hegemonie’ omschreef:
cultuur als repressiemiddel van de heersende klasse, met een collaborerende
intellectuele elite als smaakmaker. De onderdrukking van de Vlaamse volkstaal
was in heel deze dynamiek een essentieel element,- het maakt van België ook een
geval apart in de politieke geschiedenis van het moderne Europa. Door de Franse
verlichtingsfilosofie voor de kar van het Belgische regime te spannen, creëerden
de ‘liberale’ intelligentsia een klimaat van onverdraagzaamheid jegens andere
cultuursferen, waartoe de taal behoorde die door de meerderheid van de bevolking
werd gesproken.
De haat tegen het Nederlands was cultureel en elitair, maar tegelijk fysiek en
racistisch. Het Vlaams rook naar de aarde, was zwaar, vettig en zwartbruin,
zoals de latere expressionistische kunst van De Smet en Permeke dat zou
articuleren . Het flou van het impressionisme en de
ondraaglijke lichtheid van het surrealisme
zijn ons ding niet. Het Vlaams bekte niet vlot weg en leende zich maar moeilijk
tot de dubbelzinnige façaderethoriek waarachter een in wezen reactionair regime
zich kon verschuilen. Het werd beschouwd als een archaïsch boerendialect van
Ménapiens, maar ook als een taal waarin dubbele bodems niet werken. Bij
uitbreiding werd ook de Vlaming zelf beschouwd als dom, geborneerd,
ééndimensioneel, parochiaal,- het rechts-conservatieve cliché stamt uit die
tijd.
Het VRT-programma 'Man bijt hond' brengt hem nog altijd gniffelend
ten tonele: een goedmoedige maar knullige tuinkabouter, ondertiteling
noodzakelijk.
De Vlaming was het perfecte binnenlandse spiegelbeeld van de neger zoals Leopold
II hem zag: een wilde die zelfs met het grootste missionarissengeduld nooit
helemaal geciviliseerd kon worden, en die hooguit geschikt was voor een
lagere betrekking, op voorwaarde natuurlijk dat hij tenminste de taal en de
goede manieren overneemt van de Bwana.
Het zogezegde rechtse stemgedrag van 10 juni was beslist ook een anti-intellectualistische reflex tegen de ‘progressieve’ bourgeois-bohémiens in Vlaanderen. Ze gedragen zich als parvenus onder een koloniaal regime, en belijden een stuitende vorm van neo-Belgicisme. De 'progressieven' zijn in de Belgische context conservatief en willen vooral het status-quo handhaven...
Vanuit dat stigma was het maar een kleine stap om la Flandre profonde als een zwarte vlek te klasseren op de kaart van het verlichte Europa. Ondanks heel de economische ontreddering van Wallonië vandaag, het institutioneel parasitisme van de PS-staat, en het evenredige Vlaamse suksesverhaal, is het cliché van de domme Vlaming, aan wie de Verlichting voorbijging, blijven voortbestaan. Het is een hardnekkige mythe die de historische realiteit overroept en camoufleert,- we weten nu ook waarom: de taal van het Noorden is te ‘primitief’ om de Belgische paradox te omarmen. Het ‘misverstand’ met Leterme gaat eigenlijk terug op dat syndroom: alleen al zijn voorkomen doorprikt een illusie die al 175 jaar standhoudt.
En jawel, ook zijn 'uitschuiver' in een interview met Libération gaat eigenlijk naar de essentie. Letterlijk stond er: "Apparemment, les francophones ne sont pas en état intellectuel d'apprendre le néerlandais". Dat klopt: ze willen en kunnen niet, niet omdat ze 'te dom' zijn, maar door een cultuurhistorische conditionering die als een echte handicap werkt, en die binnen het Belgisch bestel nooit kan overwonnen worden. Mijn poetshulp uit Oezbekistan is hier vier jaar en spreekt nagenoeg vlekkeloos Nederlands. De francofonen in de Vlaamse rand zitten na 20 jaar nog altijd vast in hun superioriteitscomplex, en zijn duidelijk niet in een état intellectuel om zich de taal eigen te maken van een ongesofistikeerde subcultuur. Leterme was als 'zwarte Vlaming' en kandidaat-premier voor Franstalig België al verbrand voor hij eraan begon. Maar op het ogenblik van dit schrijven, begin september, is de impasse compleet en lijkt een regimecrisis onafwendbaar: de Vlaamse kiezer heeft een bom onder het Belgische kaartenhuis gelegd.
Dat brengt ons tot de hamvraag: heeft Vlaanderen ‘rechts’ gestemd op 10 juni 2007? In het licht van bovenstaande analyse is het redelijk om te veronderstellen dat Vlaanderen vooral communautair, of juister: anti-institutioneel heeft gestemd, via partijen die daar een toegang toe bieden. De Belgitude, als dubbelzinnige bourgeois-cultuur van de 19de eeuw, is op 10 juni definitief in vraag gesteld. De PS-schandalen en de ‘transfers’ vormen niet eens de echte basis van het Vlaamse anti-establishment-gevoel. Wel het vermoeden dat de Belgische constructie sinds zijn ontstaan op een kwaadwillig misverstand berust.
Het
zogezegde rechtse stemgedrag was beslist ook een anti-intellectualistische
buikreflex tegen de ‘progressieve’ bourgeois-bohémiens in Vlaanderen. Ze
gedragen zich als parvenus onder een koloniaal regime, en belijden een stuitende
vorm van neo-Belgicisme,
dat het vooruitgangsdenken blijft vereenzelvigen met een staatsmythologie. Zelfs de
monarchie blijft voor dat ‘progressieve’ cultuurestablishment iets
incontournable: de lobby-club B-plus is druk bezig al deze levende
fossielen te verzamelen. Ik noem er maar een paar: Wim Helsen,
Wannes Van De Velde, Geert Van Istendael, Monica Van Paemel, Benno Bernard (een
onvervalste Hollander, wat doet die in B-plus…). Allen doen ze graag een knieval
voor het Belgique de Papa, om Vlaanderen van de barbarij te redden, maar
beslist ook uit opportunisme, om door het Hof met een eretitel bedacht te
worden. (zie ook: interessante links)
Al wat zich 'progressief' noemt in Vlaanderen, stapt fluks mee
in deze atavistische processie. Wie
hier enig 1.10-parfum bespeurt, vergist zich niet:
dit uitgelezen gezelschap focust vooral op de Antwerpse
bruine vlek om zijn Belgicistische attitude te staven. Het is deze elite die kwaadwillig de etiketten ‘flamingant’,
‘rechts’, ‘racistisch’ en ‘fascistisch’ door elkaar gebruikt. Ze zijn de
eigenlijke erfgenamen van de patriotten uit 1830 die de Belgische bourgeoisie
een goed geweten hebben bezorgd. Zij zijn het ook die de voorbije paarse
regering in het zadel hebben geholpen en die nu hun gal uitspuwen op de gewone
Vlaming, waarvan elke vijfde een Belang-stemmer is. Onverdraaglijk voor de
weldenkende bobo die op een tram zit of in een supermarkt rondloopt: het
ruikt overal naar mestkevers.
België is een blijvende motor van begripsverwarring. Uiteindelijk worden ‘rechts’ en ‘extreem-rechts’ haast geuzentitels en krijgt de zgn. Vlaamse verrechtsing iets van een self-fullfilling prophecy: anti-institutionele tendenzen worden als ‘ondemocratisch’ gebrandmerkt, waardoor ze zich radicaliseren. We werden zwartgemaakt,- en zijn het ook geworden.
Op die
manier bestendigen ze niet alleen een historisch misverstand en een achterhaald
cliché, ze beletten bovendien dat er binnen Vlaanderen een echte linker- en
rechterzijde het politieke landschap kleurt. Het ‘ondemocratische’ VB is in het
cordon terechtgekomen omwille van zijn separatistische kernboodschap, en
voor niets anders. 20% Vlamingen zijn definitief geklasseerd als
politisch-unfähig. Dat de VB-achterban voor een deel bestaat uit
oud-collaborateurs of hun nakomelingen, maakt het voor de politiek-correcte
moraalridders des te gemakkelijker. Het activisme uit W.O.-I, de
autoritair-rechtse bewegingen van het interbellum, en de collaboratie van W.O.
II,
voeden hun Grote Gelijk: Vlamingen zijn, zoals Jacques Brel het zei, “katholiek
in vredestijd en fascisten tijdens de oorlog”,-het blijven zwarten.
(Zie
ook: 'Al wie dit leest is een racist')
België is een blijvende motor van begripsverwarring. Uiteindelijk worden ‘rechts’ en ‘extreem-rechts’ haast geuzentitels en krijgt de zgn. Vlaamse verrechtsing iets van een self-fullfilling prophecy: Anti-institutionele tendenzen worden als ‘ondemocratisch’ gebrandmerkt, waardoor ze zich radicaliseren. We werden zwartgemaakt, en zijn het ook geworden. Zonder deze spiraal echt duidelijk te benoemen, snappen de auteurs van ‘Links en Rechts in Vlaanderen’ wel dat de Belgische politieke logica weegt op een open ideologische profilering in Vlaanderen. Moet men het VB als een ‘extreem-rechtse’ partij beschouwen, als ze het meest radicaal afstand neemt van het burgerlijke establishment (en vooral kiezers uit de sociaal lagere klassen aantrekt)? Kan men Groen! ‘links van het centrum’ situeren, als het zich zeer uitgesproken blijft nestelen in het status-quo van de Belgische monarchie? Het parler vrai van formaties die als 'rechts' gecatalogeerd staan en zich flamingant profileren (het Belang, NVA, LDD) doet vermoeden dat de echte breuklijn hier loopt tussen twee historisch-culturele paradigma’s: de 19de eeuwse elitemaatschappij die het Belgische regime zijn continuïteit gaf, versus de populistische anti-establishmentbeweging die zich tegen dat regime heeft gekeerd.
Conclusie: er is in Vlaanderen momenteel geen volwaardige politieke ‘rechterzijde’. Ze is in hoge mate het product van een negatieve beeldvorming van neo-unitaire makelij. En er is eigenlijk evenmin een echte linkerzijde die het 19de-eeuw salonniveau overstijgt (al wijzen nu bepaalde geluiden uit SP.A erop dat hier misschien iets beweegt). Beide kunnen er sowieso maar komen als we ons eigen politiek landschap vormgeven, los van het beladen Belgische verhaal. Tot zover regeren de clichés, de stigma’s, en het over-en-weer-geroep tussen de witten en de zwarten. De bobo’s of de negers. Als ik toch moet kiezen, dan is er voor de filosoof en zwartkijker eigenlijk geen twijfel mogelijk.■
B-plus is maar één plooi in een
brede waaier van tricoloor reactionisme.
Het gaat deels om folklore, maar deels ook om echte elites die in de coulissen
van de macht het neo-Belgicisme en de monarchie van munitie voorzien.
In het septembernr. van Doorbraak deed Jan Van de Casteele
eens de oefening om heel dit amalgaam van patriottistische lobby's in kaart te brengen:
Jan Van de Casteele: 'Belgicisten verdedigen het
verleden'
Zie ook: Joost Ballegeer,"Vlamingen, volk zonder bovenlaag" (uitgeverij Groeninghe, Kortrijk)