VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF Reageer via het Forum Contacteer de auteur

Ceci
n'est pas un poisson
Omtrent verdrongen
identiteit en excuuscultuur
Johan Sanctorum
1 november '08
Op
22 september 2008 ontplofte het kartel van het katholieke CD&V en het
flamingante NVA,- een combinatie die door de francofonie unaniem als een
duivelspact werd beschouwd. Champagne op de hoofdkwartieren van de concurrerende
formaties en in het paleis van Laken: België was gered, de Vlamingen hadden niet
eens een parlementaire meerderheid meer binnen de federale regering. Twee dagen
later verscheen de roman van Dimitri Verhulst, 'Godverdomse dagen op een
godverdomse bol',- een titel die door een
aantal commentatoren klakkeloos op de actualiteit werd geënt.
Veel belangrijker is, zo zal later blijken, het oer-Vlaamse karakter van dit
boek, dat meer verklaart dan duizend politieke analyses. Een barokke taal die
zich in het slijk van dit tranendal wentelt, sinds Claus niet meer gezien. Toch
werpt Verhulst zich in alle interviews op als een overtuigde Belg die, bij wijze
van statement, als pseudo-banneling in Wallonië is gaan wonen en het ‘Vlaamse fascisme’
hartsgrondig vervloekt. Alsof de schrijver zich wil verontschuldigen voor de lucht die
hij heeft ingeademd en de grond waarop hij als kleuter heeft gepoept. Ik heb in
elk geval te doen met de vertaler die het proza van Verhulst ooit naar het Frans moet
omzetten. Is dat palet, zwemend tussen donkerroze en zwartbruin, alle geuren en
kleuren dus van de dikke kont van een polderkoe of een kleinsteedse matrone, wel ver-taalbaar in een Franstalig dubbel? Geldt hier
nog de symmetrie van de
bladspiegel zoals de uitgevers van het Belgisch Staatsblad het onverdroten
demonstreren? Is dit gedrongen Aalsters geneuzel-van-het-urinoir wel compatibel
met een verlicht-modern eenheidsdenken dat lucht blaast tussen alle plooien en
kloven van de godverdomse bol?
Cultureel en politiek-correct Vlaanderen
loochent zijn bruinzwart pigment. De enige reden waarom België überhaupt nog
bestaat na een kleine 180 jaar cultuurclash. De reden ook, waarom het gros van
de Vlaamse intelligentsia de stap niét zet naar een politiek-revolutionair
discours van de ontvoogding: altijd blijven de Brusselse salons wenken.
Opmerkelijk is ook, dat Verhulst dat allemaal weggaf voor de prijs van één Humo,
en zo meteen ook het Vlaamse underdogcomplex perfect illustreerde. Een toonbeeld
van bescheidenheid, een excuusgebaar voor een vies boek, smerige handen, een
platte tongval, een zuur verhaal, een bevlekte ziel. Ik zie een gelijkenis met super-underdog Bart De Wever, die eerst de knieval van Patrick Janssens voor de
Joodse gemeenschap contesteerde, maar vervolgens aan die gemeenschap zelf zijn
verontschuldigingen aanbood.
Oei pardon, onze adem stinkt, onze taal
ruikt naar de richel, maar de
deodorant is steeds binnen handbereik. Warm en koud blazen, vloeken en bidden.
Wat een vermoeiende bezigheid toch, dat Vlaming-zijn.
Le mal des Flandres,- de Vlaming als slijkmensch en “Belgische neger”
“Geef
ons een vette vis en echte patatten met botersaus!” ,- zo riepen de Vlaamse
onderhandelaars, terwijl ze de menukaart door de eetzaal keilden. Maar zo zit de
Belgische keuken niet in elkaar: wat je ziet is niet wat je krijgt, groteske
pièces montées blijken hol of zelfs puur geschilderd. Onverhoeds
uitklappende luiken en ingenieuze trompe-l’-oeils stellen de maaltijd
steeds uit,- en voor hij er erg in heeft zit de Vlaming ergens onder tafel te
pruilen tot er een brok naar beneden valt. Het kookboek is dan ook geen écht
receptenboek maar een artistieke spielerei, getekend René Magritte en
Paul Delvaux.
Binnen de Belgische context is de Vlaming het perfecte spiegelbeeld gebleven van de neger uit de Leopold-II-periode. We zijn ook echte boeren, laag-bij-de-gronds, zonder enige intellectuele artistocratie. Het slijk heeft ons gevormd, meer dan wij de aarde. Maar met die identiteit is iets vreemd aan de hand. Ze wordt door de Belgische francofonie altijd afgemeten aan een vaag gallofiel Verlichtingsideaal, waardoor de Vlaming de "slechte leerling" blijft. We zijn wel met meer en zelfs rijker, maar dat doet er niet toe, we zijn gewoon dommer en, wat erger is, ook kwaadaardig. Hoe meer de underdog steigert, des te sterker wordt die claim. De Verlichting is aan ons voorbij gegaan, in de limiet blijkt het Vlaams zelfs als taal niet geschikt om een subtiele constructie als België te kunnen vatten. De Vlaming moet dus werken, bijleren, zijn best doen, centjes afdragen ook. In de limiet gaat hij zijn identiteit ontkennen, en zich gedragen als een evolué, zoals de negers-in-maatpak uit de koloniale periode. Het gros van de politici én de culturele elites lijdt aan dit syndroom. Die koloniale trek is amusant, alleen al door de kleurassociatie: de politiek-zwarte Vlaming en de etnisch-zwarte neger hebben in de Belgische context dezelfde underdogrol gespeeld. Beiden zijn ze wat ze zijn en ontkennen ze wat ze waren. Beide schamen ze zich voor hun afkomst en staan zich constant wit te wassen.
Deze diepgewortelde minderwaardigheidsattitude is zonder enige twijfel het product van een bewuste francofone minoriseringsstrategie. Binnen de Belgische constructie blijkt de Vlaming zijn economisch overwicht en numerieke meerderheid niet in politiek-culturele dominantie te kunnen omzetten, omdat hem sinds 1830 door de Brussels-Belgische elite een rol van underdog is aangemeten, een tweederangsburger die altijd naar stront bleef ruiken, hoe goed hij zich ook waste. Reële identiteitskenmerken, door de media gecultiveerde clichés, en sociale stigma’s lopen hier door elkaar. Vanuit de verknechting van de 19de eeuwse plattelandsproleet, de naar de aarde gekeerde ‘slijkmens’, ontwikkelde zich doorheen de 20ste eeuw een stigmatiseringsproces van de domme, zure, maar ook kwaadaardige Vlaming. Het activisme en de collaboratie, wanhoopspogingen om zich van het Belgisch keurslijf te ontdoen, vormden de bevestiging van die self-fullfilling prophecy.
De lofzang op het onvatbare surrealisme, als “handelsmerk” van francofone makelij, speelt daarin een dubieuze rol. In de jaren '20 van vorige eeuw (de "années folles") recupereerde de Brusselse bourgeoisie het surrealisme en de esthetica van het absurde, als een beeldtaal die voor de simpele noorderling per definitie ontoegankelijk bleef. Het was licht, speels, complex, ondoorzichtig. De haat tegen het Vlaams was cultureel en elitair, maar tegelijk fysiek en racistisch. Het Menapisch rook naar de aarde, was zwaar, vettig en zwartbruin, de Vlaamse kunst was klodderig en onaf, compositie-arm. Onnodig te zeggen dat de ‘politiek-incorrecte’ Vlaamse expressionisten uit diezelfde jaren ’20 (Permeke, De Smet, Van den Berghe…), met hun in aardekleuren gedrenkte, brute schildering van het platteland, in die Brusselse salons geen voet aan de grond kregen. Iemand als Delvaux daarentegen werd door Wallonië en Brussel uitdrukkelijk op handen gedragen als ‘un messager de la culture latine’.
Achter de valse pijp van Magritte schuilt een duurzaam intellectueel suprematisme. België, dat is een voor simpele geesten niet te vatten modern meesterwerk. De onbestaande pijp van Magritte lacht vooral met de toeschouwer, althans diegene die meent tóch een pijp te zien, en dat is zonder twijfel de Vlaamse neger. Hij lult maar wat over “goed bestuur”, omdat hij de ludieke esthetica van de vaderlands politiek theater niet snapt, en er zich dan ook constant in laat rollen.
De
mediacampagnes van Le Soir en aanverwanten, waar ronduit gepleit wordt
voor een Endlösung van Vlaamse separatisten, maken duidelijk hoe België
mentaal in elkaar zit. Uit
al de francofone tirades tegen Leterme, De Wever, en andere Vlaamse herkauwers
spreekt een haast viscerale afkeer tegenover de Flandrien die geen
boodschap heeft aan surrealistische rethoriek, en die écht eten op zijn bord wil
(de “vette vis” van De Wever die maar niet kwam), in plaats van een
luchtspiegeling. Het tweetal De Wever-Leterme, de dikke en de dunne van het
kartel, had fysiek de perfecte uitstraling van straattuig in een
vijfsterrenrestaurant, de ene als papperige veelvraat, de andere als pezige
geitenkweker. Ze zien eruit als twee stoute, domme deugnieten die een streek
hebben uitgehaald en aanstonds zullen betrapt worden. Het feit overigens dat beiden onberispelijk Frans spreken,
bevestigt hen nog in hun underdogpositie. Leterme is nooit ernstig genomen als
premier, op de duur speelde hij zijn eigen karikatuur. Alleen al door zijn
lichaamstaal drukte hij, vanaf het moment dat hij in de Wetstraat 16 kwam
kamperen, voor de Brusselaars een weerzinwekkend soort handicap uit, een fysiek
en mentaal defect waaruit het Vlaams idioom emergeert, als een dierlijk brallen,
snuiven of knorren (het Vlaams volkslied weerspiegelt heel dit gamma aan animale
geluiden). Pas toen het kartel verleden tijd was, milderde de toon in de
Franstalige pers en mocht de underdog weer voor nuttige idioot spelen.
Via het dubbelmechanisme van intellectuele én morele stigmatisering, bezit de Vlaming dus binnen de Belgische culturele en politieke context tot op vandaag de status van wat in de Grieks-Romeinse wereld als een barbaros gold (van het woord barbarikon, ‘brabbelaar’, ‘stuntel’, maar ook gevaarlijk beest, woesteling, crapuul). Deze cultuurimperialistische definitie is inherent aan het Belgische kader en wordt in alle variaties steeds opnieuw ingevuld binnen de francofone media én binnen de Vlaams subelite die haar trouw aan België betuigt. Het Vlaamse barbarisme kan alleen bezworen worden via een permanent heropvoedingsproject dat België heet.
Stout, ongemanierd, lomp, lelijk…: de Vlaming kan nooit een goede Belg worden
Terugkerend naar Verhulst en de
Godverdomse dagen, moeten we nu constateren dat de Vlaamse culturo’s zich in
een hachelijke positie bevinden. Als zelfv
erklaarde
“rebellen” van overwegend links-progressieve gezindheid, zouden ze moeten sympathiseren met een kwalitatief geminoriseerde
bevolkingsgroep, waarvan ze nota bene zelf het “barbaars” karakter literair
cultiveren. Maar vermits ze zich daarmee sociaal en politiek binnen het
Belgische referentiekader zouden uitsluiten, doen ze net het tegendeel en
ontkennen retorisch die identiteit. Het luidruchtige “anti-fascisme” van het
Vlaams cultureel establishment heeft iets pathetisch, omdat het een strenge
mentale hygiëne toepast op zijn eigen psychisch landschap en thematisch
register.
Het onderbuik-gehalte van de Vlaamse kunst en letteren is immers absoluut on-Belgisch en onverlicht. We zijn noch democraten, noch vredelievend, noch rationeel, om de simpele redenen dat kinderen, honden, dwergen, mestkevers, … en al wat dicht bij de aarde leeft, dat ook niet zijn. Het slijk van de IJzervlakte, met alles wat daaraan voorafging en erop volgde, hangt aan ons vel als een tweede huid en vrat zich een weg naar binnen. We zijn ‘fascisten’, in de infrapolitieke zin die L.P. Boon, Claus en Verhulst er onbedoeld aan gaven: stout, ongemanierd, lomp en lelijk. En zelfs bepaald agressief, anaal gefixeerd, crapuleus, scabreus. Deze volksaard, ten dele Antwerps-stedelijk, ten dele Menapisch-ruraal, verspreekt zich constant op literair en artistiek vlak. Het werk van bv. Jan Fabre is mannelijk, agressief, gewelddadig, roezig, megalomaan en irrationeel. Ik weet niet welke adjectieven nog meer toepasbaar zijn op de term ‘fascisme’. Het zit in onze genen, zoals Jacques Brel over les flamingants hoonde. We waren het al voor de helft, als genotype, en zijn het voor de andere helft geworden als fenotype, via de sleur en de martelgang van het leven, het onrecht van de geschiedenis, het verdriet van de politiek en het gekonkel van de media.
De paradox dat cultuurvlamingen zoals Claus, Verhulst, Fabre, Lanoye, Jan Lauwers, Erik Vlaeminck, Tom Barman – en ik sla er een pak over-…het on-Latijnse, onverlichte, zompige irrationalisme literair cultiveren en daar behoorlijk wat succes mee oogsten, terwijl ze het tegelijk politiek ontkennen, er zich voor excuseren en als “anti-fascist” of “goede Belg” proberen door het leven te gaan, maakt het underdogmechanisme compleet.
De
literaire thema’s van deze witgekalkte zwarten spreken nochtans voor zich: het
platteland of de kleinsteedse milieus, het (onverwerkte) verleden, het zoeken
naar roots, het eindeloos opwarmen van familiehistories, maar ook een
eindeloze voorliefde voor het ranzige, de sanseviera's en de pissijnen, en dat alles in een soort Nedervlaams en
met veel krachttermen en drieletterwoorden gekruid. Tom Lanoye en Herman
Brusselmans, de twee zelfverklaarde jonge goden uit de jaren ’80 die ondertussen
ook kalend en met hangkaken rondlopen, zijn nooit verder geraakt dan het
exploreren van de Vlaamse onderbuik. Het was en is zelfs hun handelsmerk.
In de beeldende kunsten is de onverlichte barbarij nog frappanter. Op het Gothisch karakter van straatcrapuul en gewezen inbreker Jan Fabre wees ik hogerop al. In zijn zog en in de marge opereren een hele rist epigonen die van dood, geweld, pijn en roes hun core-business maakten. De undergroundkunstenaar Danny Devos (“Club Moral”), intimus van Mauro Pawlowski en Tom Barman (Deus), is zelfs gespecialiseerd in gruwelinstallaties, begeleid door nazi-fanfaremuziek. Streuvels, Claes en Timmermans,- om maar die drie te noemen die aangebrand uit de 2de wereldoorlog kwamen,- zijn er brave koorknapen tegen. De Vlaamse literatuur hanteert een Dionysisch mestkever-idioom met een sterke rioolgeur, maar geen skribent wil dat ook geweten hebben. Het Vlaamse kunstbedrijf is niet ‘progressief’ –hoe hard dat ook geroepen wordt- maar eerder regressief, zurig, sterk Oedipaal, coprofiel, zelfs Narcistisch-theatraal. Allemaal psychopathologische voorvormen van het zo gehate fascisme. Net daarom worden semi-politieke reinigingsrituelen georganiseerd zoals de “0110-concerten”. Of worden met enthousiasme pro-België-petities ondertekend, met hoofse knikjes naar de monarchie. Ondanks -of juist omwille van…- de onloochenbare zwartbruine basistonaliteit die zich uit in alle mogelijke Vlaamse expressievormen, begeeft het legertje cultuurkobolden zich in een neo-Belgicistische en zelfs francofiele travestie. De Vlaamse cultuur heeft het karakter van een verspreking die zichzelf in de volgende zin weer moet rechtzetten. Hoe meer stank, hoe meer parfum. Jacques Brel voelde zich naar eigen zeggen een Vlaming, maar haatte zijn rasgenoten tegelijk. Ik zie het als de ultieme pose van de onderdanigheid en het excuus voor eigen afkomst en geaardheid.
De metafoor van het getatoueerde varken: de kosmetische cultuurvlaming
Men
moet dus enige ironie aan de dag leggen tegenover die verlichte bovenlaag van
onze Vlaamse samenleving, die zich distantieert van “het nationalistische virus”
(dixit theatermaker Jan Lauwers). Een cultuur die rationeel haar eigen emoties
en onderbewustzijn ontkent, dat is bij mijn weten een unicum. De Vlaamse culturo is een parvenu die
zijn afkomst uitstraalt én ontkent.
De installatie-artiest Wim Delvoye, bekend van de getatoueerde varkens en de kakmachine, bakt het in dat opzicht heel bruin. In een kranteninterview (De Morgen 27 september 2008) beklaagt hij er zich onomwonden over dat er in Vlaanderen nog Vlaams gesproken wordt, “anders had een francofone Hugo Claus allang de Nobelprijs kunnen winnen.” Deze uitspraak is des te opmerkelijker, omdat Delvoye de meest onder-aardse, coprofiele, necrofiele en anaal-sadistische onderstroom vertegenwoordigt van het Vlaams-bruin expressionisme. De paradox dat een Bruegheliaan-in-het-kwadraat de stront aan zijn schoenen aflikt en zijn moedertaal afzweert, kan alleen Freudiaans verklaard worden als de uiting van een diepgeworteld minderwaardigheidscomplex. Het was ook Freud die het verband vaststelde tussen kak, kunst en geld: Delvoye cultiveert ze alledrie en transformeert ook de ene in de andere.
De symboliek van het getaoueerde varken en de stront-met-strik-rond spreekt voor zich: het gaat om ontkenning en camouflage van een tellurische identiteit. Een dwerg die zich vleugeltjes aannaait en van kluit tot kluit springt, in de hoop dat de gewichtloosheid toeslaat. Klap op de vuurpijl was, toen deze évolué een kasteel had gekocht in het Waals-Brabantse Corroy-le-Château, en ex-eigenaar Markies Ollivier de Trazegnies de koop probeerde te herroepen, toen hij verbijsterd vaststelde dat hij zijn stulpje aan een Vlaming had verpatst die in kakmachines grossiert. Het interview in De Morgen zal de markies weinig getroost hebben: een Vlaming blijft een Vlaming, een fascist een fascist, een stront een stront, een varken een varken, met of zonder tatouages. Delvoye’s pogingen tot denaturatie zijn even grotesk als zijn anaal-sadistische installaties zelf. In het geheel genomen gaat het om een politiek-onderontwikkelde proleet die de artistieke pose gebruikt om zijn lijfgeur te maskeren en sociale rangverhoging af te dwingen.
Het is het dubbelzinnige universum van Pietje de Leugenaar (“Terug naar Oosterdonk”): een neurotisch complex van ontkenning en verspreking, politiek-correcte retoriek die nooit meer is dan een deksel op een beerput. De onvervalst-Vlaamse archetypes van boer, soldaat, leurder, clown, huurling, dief, lijkenpikker, straatvechter, worden in het cultureel universum constant getransformeerd tot handzame, mediagenieke, financieel ook lucratieve tussentypes van de slagerszoon-met-bril, de literaire voetballer, het “opera” schrijvend crapuul uit de Seefhoek, de kiekenboer op zoek naar de oerkip, en dus ook de varkensmarchand die zijn waar tatoueert en aan 75.000 Euro ‘t stuk verkoopt. Il faut le faire, om het in de favoriete taal van Delvoye te zeggen.
Hier en daar slechts is er eentje, zoals de komiek Urbanus, die de cosmetica weigert en de vettige bodem van zijn ziel niet toedekt met Belgisch pluche. Hij wordt dan ook door de culturele elite verketterd als een… fascist. Met veel liefde heb ik hem getypeerd, tijdens mijn laudatio n.a.v. de Prijs van de Vrijheid die hij ontving in december 2007, als een perfecte autochtoon én een absolute allochtoon: een aardvark in een maanlandschap.
Plat préféré
Onder de vraag “Wanneer kiezen de Vla
mingen
écht voor onafhankelijkheid?” zit dus een andere vraag verscholen: “Wanneer lost
het underdogcomplex zich op?”. Concreter gesteld: “Wanneer houdt Bart De Wever
op, zich te excuseren, en wanneer koppelt de culturele elite haar taal en
thema’s aan een identiteitsbesef?” Of, in de meest simpele vorm gesteld:
“Wanneer erkent Dimitri Verhulst te zijn wat hij is, namelijk een fascist?”
In dat opzicht is het recente verhaal van de verboden TV-forel tamelijk uniek: het VRT-programma plat préféré wilde in een ludiek kookprogramma het favoriete kostje van Hitler serveren, zijnde blauwe forel in botersaus, maar stuitte op een veto van de raad van beheer, wellicht gestuurd door de VLD, de loge en de immer waakzame Joodse lobby.
Was het verbod terecht? Vanuit politiek-correct standpunt: zeer zeker. Maar laat die francofoon-verlichte political correctness (P.C.) nu juist het keurslijf zijn dat ons, barbaren, enorm parten speelt. Natuurlijk was Hitler helemaal geen forellenfanaat: eerlijk is eerlijk, stoute jongen Jeroen Meus wilde absoluut de führer op TV en verzon daartoe het forellenverhaal. Doch zoals onze TV-kok wellicht niet weet, is de forel nu net een zeer dubbelzinnig symbool van roes, doodsdrift en een flinke portie Germaans irrationalisme, de beruchte Wanderlust, zie ook Schubert's Forelle. Had hij ons er even bijgehaald, we hadden hem dat haarfijn kunnen uitleggen.
Michael Freilich van Joods Actueel heeft dus, vanuit zijn visie, helemaal gelijk. Alleen: ons drama is het Joodse niet. Het kokkerellen met forel op onbetamelijke hoogten zou voor ons, Vlamingen, juist een verzoening kunnen zijn met ons zwart verleden, onze moderne geschiedenis die zich in en onder de grond afspeelt (eerst de Waalse mijnen, dan de modder van de IJzer, en dan zelfs die van Stalingrad), en een interessante poging van cultureel Vlaanderen om uit het identiteitstaboe weg te geraken. Niet via een nieuwe Hitlercultus, wel via een vorm van bruinzwarte humor die bevrijdend werkt en ons slijkvormig denken in ere herstelt. Noem het een postmoderne, komische versie van Maurice De Wilde. Het is een gewaagde denkpiste, maar voor één keer waren de VRT-programmamakers nu eens niét behept met het P.C.-virus. Het programma had dus wel degelijk moéten uitgezonden worden, waarna de francofone pers ons weer als fascistisch volk kon betitelen, wat het einde van België alleen maar bespoedigt.
En jawel, ondertussen bood ook TV-maker Jeroen Meus zijn excuses aan. De excuuscultuur onderdrukt elk bezinnings- en bewustwordingsproces rond collectieve identiteit. Al sinds 1840 klauwt de Vlaamse leeuw in het ijle, als een geslagen hond. Het is algemeen geweten dat de tekst ervan geïnspireerd is op het Duitse volkslied uit die periode:
Sie sollen ihn nicht haben, den freien deutschen Rhein,
...in die tijd al fameus geparodieerd, en ook nu weer vatbaar voor enorme persiflages zoals:
Sie sollen sie nicht haben, die blaue Bachforel’.
Neen, Morelleke Forelleke moet haar mondje houden en haar benen toe, en dan nog ruikt het in Vlaanderen overal naar rotte vis.
Conclusie: echt beschaafd zijn we niet, waarom dan nog de schijn ophouden? Weg excuuscultuur vol verdringingsmechanismen en witwasneuroses, weg boekenbeurs met naar zeep ruikende rioolratten: alle scheldnamen moeten tot geuzentitels omgesmeed worden. Racist, fascist, xenofoob, boche, en-weet-ik-nog-meer. Van slijk zijn we, en tot slijk zullen we terugkeren. "Bleibt der Erde treu" bezwoer Nietzsche, wat ook hem uiteraard het stigma van proto-nazi opleverde. En toch,- wat rest er ons nog meer dan die onooglijke kosmische kluit? Wroeten moeten wij, wroeten zullen wij in de aarde, steeds weer, tot het laatste gebeente van de laatste begraven hond is verpulverd. De rest is literatuur.
Interessante links: