
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

God
is helemaal terug,- hij staat midden de mensen
en is een Beerschotsupporter.
Over geloof, communicatie, cultuurvirussen en de geluksfactor
Johan Sanctorum
25/12/2006
Na de post die geen brief op tijd kan bezorgen, de
Belgische voetbalbond met een ploeg die nooit wint, en de uitgebluste VLD, is
het nu de beurt aan de leeglopende Kerk om haar communicatie op te vijzelen. In
‘Communicatie kan tot hersenstilstand leiden'
hebben we dat fenomeen al uitvoerig uit de doeken gedaan: overal waar de dingen
niet werken duiken de dag van vandaag ‘communicatiespecialisten’ op, om een
stront met een strikje errond te verkopen, zoals dat heet. De katholieke
geloofsleer is bij ons niet echt trendy en kan dus best wat marketing
gebruiken,- dus togen de creatieve genieën uit die sector aan het werk.
Er circuleren via de pers al ideeën rond de kerkcampagne: hij zal niét draaien
rond ethische waarden zoals soberheid en waarachtigheid (daar koop je niets
voor), of ook niet rond de bonte santeboetiek van engelen, duivels en het
laatste oordeel (‘onwetenschappelijk’ zeggen de bedenkers, alsof dat iets met
wetenschap te maken heeft); en nog veel minder rond Jezus, de eigenzinnige rebel
die achterstevoren op een ezel reed en de pingelaars de tempel uitjoeg (te
subversief, en vervelend voor de marketeers zelf). Neen, niemand minder dan God
zelf ligt in de etalage. De mysterieuze vaderfiguur dus, de oerpatriarch van de
Joden die door het Christendom van zijn scherpe kantjes ontdaan werd...
Theologisch permitteren de marketeers zich nogal wat,- je merkt ook dat ze het verschil niet goed kennen tussen de bijbel en het nieuw testament, of tussen Christendom en katholicisme. Maar dat deert niet: een reclameslogan is in se altijd hetzelfde en werkt met dezelfde trucs. Of het nu om een potje yoghurt gaat, een wasmiddel, een GSM-abonnement, een politieke partij of het Ware Geloof.
De vraag, wie een boodschap heeft aan deze kerkelijke promotiestunt, is weer een andere. De stuitende oppervlakkigheid van de slagzinnen (‘Gij zult niet stelen, wacht liever op de wintersolden’ is er zo eentje) zal wellicht menig diepgelovige de boom in jagen. Terwijl de campagne voor de atheïsten het ultieme bewijs is dat God niet bestaat: hoe kan het Absolute, het begin en het einde van alle dingen, nu behoefte hebben aan een opkrikbeurt voor zijn imago? Dat is pas de dood van God, quod erat demonstrandum.
Een politiek ideaal-ego?
De campagne richt zich dus tot de vlottende massa en bedient zich van de baseline ‘dicht bij de mensen’ die verdacht veel lijkt op de oude CVP-slogan ‘midden de mensen’,- waarmee die partij zo slecht scoorde dat ze van naam moest veranderen, dit geheel terzijde. Het populisme is hoe dan ook, in navolging van de Amerikaanse showpredikanten, het religieus domein van de zieltjeswinnerij binnengeslopen.Wat sinds de 18de eeuwse Verlichting beschouwd werd als een strikte privé-aangelegenheid (naar het woord van Frederik II Van Pruisen: “Jeder soll nach seiner Fasson selig werden”), komt nu opnieuw in de publieke sfeer en dringt zich op als een luidruchtig mediatiek geschal: 3 paginagrote God-reclames in de weekend-editie van De Standaard (2/12), en de campagne is nog niet eens begonnen. Daarmee gaat de zelfverklaarde kwaliteitskrant een vreemde exotische toer op: is deze religieuze barnumreclame geen Westerse versie van het ‘Allah Akhbar’-refrein dat uit de moskeetorens galmt, in landen waar de scheiding tussen kerk en staat onbestaande is? Hebben de marketeers de wierrookversie van het Moslim-fundamentalisme ontdekt? En waarom moeten wij zonodig terug geloven in een alomtegenwoordig opperwezen dat ons doen en laten nagaat, weliswaar als een soort Klaasfiguur, een nonkel die met liefde de nichtjes op schoot neemt?
Le nouveau Dieu is hip maar niet soft. Het lijkt wel alsof de reclamejongens hier het emo-merk van de drie traditioneel-politieke zuilen door de mixer hebben gehaald: een beetje liberaal, een snufje sociaal-progressief, en uiteraard wat melige tsjevenpraat erbij.
De politiek-correcte design van deze Vlaams-Belgische Allah heeft inderdaad nogal wat trekjes van het imago dat elke politicus zich droomt: een fijne kerel met lef, charismatisch, maar dicht bij de mensen, geen fantast en ook geen regelneef, en vooral: een Beerschotsupporter (tiens, is Patrick Janssens dat ook niet?). Dieu, het was tot hiertoe de nickname van PS-potentaten met zwart brilmonturen, genre Guy Spitaels, maar het zou kunnen verkeren. Le nouveau Dieu is hip maar niet soft. Het lijkt wel alsof de reclamejongens hier het emo-merk van de drie traditioneel-politieke zuilen door de mixer hebben gehaald: een beetje liberaal, een snufje sociaal-progressief, en uiteraard wat melige tsjevenpraat erbij. Een averechtse rebel, een dieprooie rakker of een groene fundi is hij zeker niet, en een politieke hooligan à la VB nog minder: de Vlaams-Belgische reclamegod is een pragmatische, princieploze en positief-ingestelde centrumfiguur.
Het ziet er dus naar uit dat we hier te maken hebben met een politiek ideaal-ego, in een tijdperk dat politici smeken om aandacht. De dicht-bij-de-mensen-god is de kwintessens van het politiek populisme. Als men de topdrie van de in Vlaanderen gepeilde ‘populairste politici’ bekijkt –Verhofstadt, Leterme en Janssens-, dan blijken al deze ‘goede bestuurders’ tekort te schieten in de ‘human factor’: de eerste is te streberig, de tweede te droog, de derde te afstandelijk. De vraag naar legitieme autoriteit in de postmoderne, ideologieloze democratie moet dus haast vervuld worden vanuit een fictief super-ego, iets dat een naam en een gezicht moet krijgen en aan al onze primitieve behoeftes aan geborgenheid, structuur en zekerheid beantwoordt. God is de ideale bestuurde mét stijl,- een voorbeeld voor de zieltogende en klungelende Wetstraat-klasse, zie de recente J.M. Dedecker-soap.
De presidentiële campagne van God komt voor onze
binnenlandse politiek dus op het goede moment. Anno 2006 heerst er een
permanente crisissfeer in de kwakkelende Belgische constructie. De anti-Roomse
Verhofstadt-coalitie is op sterven na dood, daar kan geen enkel burgermanifest
iets aan veranderen. God is opnieuw aan zet, maar Leterme blijft met zijn
boerenverstand ver onder het charisma van de gemiddelde dorpspastoor. De
ontluistering van de instellingen (de Vlaamse even goed als de federale) kan
alleen nog gecounterd worden door een religieus réveil rond een onfeilbare,
bovenmenselijke maar tegelijk menslievende roerganger. Daarom werd het prototype
van deze perfecte, joviale goedzak net buiten de Wetstraat-sfeer gezocht en
gevonden: de bedenkers van de campagne hebben zich laten inspireren door de
figuur van Kardinaal Danneels, de reïncarnatie van de goedlachse
zieleherder uit de romans van Ernest Claes.
De street credibility van Danneels,- Vlaming én Belg, traditionalistisch en modern, principieel en tolerant, deskundig én toegankelijk, discreet en charmerend, een leider maar geen doordrammer,- is onbetwistbaar. Hij heeft alles wat ons politiek personeel niét heeft. De achterliggende strategie van het campagne-idee is deze: als mensen naar een nieuwe leidersfiguur verlangen, en de politiek levert ze niet, dan moeten we in het religieuze domein gaan grasduinen. En als de Christelijke God niet populair is en Kardinaal Danneels wel, dan moeten we God maar hermodelleren naar het evenbeeld van de Kardinaal. Waarmee ze het scheppingsverhaal (‘en hij schiep de mens naar zijn evenbeeld’) op zijn kop zetten, maar waarmee wel twee vliegen in één keer zijn doodgemept: autoriteit wordt terug vanzelfsprekend, zelfs beminnelijk,- en het verfoeilijke atheïsme van Voltaire, Freud, Nietzsche en Marx wordt naar de verdoemenis verwezen. Bonus voor de leeglopende kerk in Vlaanderen, allen op naar de zondagsmis.
De promotionele strijd om het merk God is pas begonnen: wie erin slaagt, dit ‘iets’, waar volgens de marktanalyse de meerderheid van de Vlamingen in gelooft, te recupereren tot passe-partout in alle discussies op alle niveau’s, bezit de formule van het politieke goud.
Klein detail evenwel (en dat vertelde De Standaard er eerst niet bij): de nuchtere Danneels had hier helemaal niet om gevraagd en zit met heel het ‘campagnevoorstel’ enorm verveeld. Wellicht omdat hij doorhad dat dit over iets anders ging dan religieuze beleving, namelijk om reclamerethoriek met een onaangename lijfgeur van massamanipulatie.
En inderdaad, enkele dagen nadat het ‘onverantwoord-interessante’ dagblad de hype gelanceerd had, kwam er een schrijven op de opinieredactie aangewaaid, waarin Danneels’ woordvoerder koeltjes opmerkte dat zij hiertoe geen enkele opdracht hadden gegeven, dat ‘de kerk geen product wil verkopen’, en dat ‘de radicaliteit van haar boodschap nooit verdoezeld kan worden achter flatterende reclameboodschappen’. (DS, 4/12/06).
Einde van het verhaal? Dat had U gedacht. De promotionele strijd om het merk God is pas begonnen: wie erin slaagt, dit ‘iets’, waar volgens de marktanalyse de meerderheid van de Vlamingen in gelooft, te recupereren tot passe-partout in alle discussies op alle niveau’s, bezit de formule van het politieke goud. Wat in de Islamwereld als waarheid absoluut vastligt (de Koran), staat in het progressieve Westen echter nog open (de Bijbel is namelijk ‘maar’ een verhaaltjesboek), en kan dus door agressieve marketing ingevuld worden. Zoiets is uiteraard alleen maar mogelijk als mensen zich ook open stellen voor deze marketingcultuur. Het Westerse spiegelbeeld van het Islam-fundamentalisme is de naieve euforie rond de gemediatiseerde promo-boodschappen,- de natte droom van de P.R.-sector én van de media tout-court.
Het grootste imagoprobleem ligt bij de reclame zelf, beseffen de marketeers, en daar moet dus eerst aan gewerkt worden: we geloven niet enthoesiast genoeg in wat ons wordt geserveerd. De modale Vlaamse huisvrouw schilt haar patatten op de God- en andere advertenties,- een echte man gaat naar de frigo als de film onderbroken wordt voor de spotjes. Daarom is er niet alleen reclame nodig, maar ook reclame-voor-reclame. We zijn, volgens deze sector, nog teveel met onszelf bezig, met het zoeken naar de inhoud van het bierblikje, we koesteren onze firewalls en weerbaarheidsreflexen, staan te kritisch tegenover externe prikkels. We moeten open staan voor invloeden, niet overal spoken zien, of denken ‘wat proberen ze ons nu weer wijs te maken’. Minder prakkezeren, minder argwaan koesteren tegen de boodschapper, en dus beter….
‘Communiceren’
Bij nader toezien was heel het gedoe rond de God-campagne inderdaad een ballon gebakken lucht, opgelaten door Vepec (‘Vereniging voor Promotie en Communicatie’), de beroepsfederatie van de reclamesector (met als edel doel, zoals haar website vermeldt: “…communicatie helpen verbeteren, de belangen van het vak in kaart brengen en verdedigen, informatie verstrekken, het communicatieonderwijs steunen, het economisch belang van communicatie bij ondernemers aanpraten, de belevenis van communicatie bij het grote publiek in een juist daglicht plaatsen...”). Deze ‘aanpratende’ belangenvereniging speelde het idee vervolgens door aan het publiciteitsbureau LDV, dat er tenslotte mee naar Kardinaal Danneels trok. Voor 2 miljoen Euro hebt U al een goeie campagne, wist men de opperherder te vertellen. Monseigneur hapte eens naar adem, zeeg neer, en belde dan naar zijn penningmeester om te vragen wat de offerblokken die week hadden opgebracht. De rest van het verhaal kent U.
Er gonst blijkbaar ‘iets’ in alle publieke boodschappen en beelden, een geheime frekwentie die we niét capteren maar wel doorgeven, als een virus. De moderne massamedia versnellen die omloop aanzienlijk. Hun doel is niet meer informatie of amusement, maar het ‘communiceren’ zelf (the medium is the message).
"Vlamingen willen
kennelijk liever met rust gelaten worden op vlak van geloof",
constateert Vepec-voorzitter Jan Bax. "We zullen ze dus moeten stalken
zonder dat ze het in de gaten hebben." (HLN, 14/11/06). Alstublieft, en zeg
niet dat U niet verwittigd was: soms verspreken die marketing-specialisten zich
toch wel enorm. Het idee van een ‘kerkelijk marktmodel’ schijnt overigens
afkomstig te zijn van Guido Fauconnier, de inmiddels overleden hoogleraar
communicatiewetenschappen aan de KU Leuven. Nu Danneels zich gedistantieerd
heeft van de heisa, kunnen we even nader inzoomen op de verborgen agenda van de
reclamesector zelf, voor wie ‘communicatie’ een doel op zich blijkt
te
zijn.
Het is alsof de marketeers van een haast biologische wetmatigheid
uitgaan, die vereist dat mensen boodschappen assimileren en doorgeven, zonder
dat die blijven haperen in persoonlijke filters. Wie zich onttrekt aan dit
circuit is communicatie-onvaardig, asociaal, kansarm, schizo, of gewoonweg dom.
De nadrukkelijkheid waarmee we verplicht worden om te participeren, dingen ‘op
te pikken’ en door te geven, doet vragen rijzen over de dubbele bodem van heel
dat systeem: is ‘communicatie’ het mechanisme van een collectieve dwangneurose
die zich wereldwijd verspreidt? Ligt de reden waarom niemand ‘Hola, stop!’
roept, of ‘Neen dank U, voor mij geen communicatie’, vervat in een soort
zelfsturend infectiemechanisme, waardoor heel de cultuur, alles wat we samen
doen en waar we over spreken, een pathologisch karakter krijgt?
James Ensor had het al zien aankomen in zijn 'Intrede van Christus te
Brussel': waar veel volk bijeen is, dreigt de catastrofe van een epidemie.
Er gonst blijkbaar ‘iets’ in alle publieke boodschappen en beelden, een geheime
frekwentie die we niét capteren maar wel doorgeven. Wàt er gecommuniceerd wordt,
is dan van ondergeschikt belang, als het ‘ding’ maar rolt. De moderne
massamedia versnellen die omloop aanzienlijk. Hun doel is niet meer informatie
of amusement, maar het ‘communiceren’ zelf (the medium is the message).
Daarom is er zoveel brol op TV en lijkt het journaal zijn eigen werkelijkheid te
creëren, onafhankelijk van reële relevantie rond wat zich aandient. Inderdaad:
ook als heel het universum 6 dagen in een diepe slaap zou gehuld zijn, dan nóg
zouden er in ‘De Zevende Dag’ interessante mensen komen discussiëren over
de items van de voorbije week. De gemiddelde Vlaming kijkt drie uur per dag TV:
men kan over een collectieve verslaving spreken. Maar verslaafd waaraan, als er
toch nooit ‘iets’ op televisie is?
Vurige tongen
In ‘The Selfish Gene’ (‘Onze zelfzuchtige genen’) van 1976 lanceert evolutiebioloog Richard Dawkins een opmerkelijke piste: zoals de evolutie van de soorten eigenlijk ten dienste staat van hun erfelijkheidsmateriaal of genen, en niet van de soort zelf –of nog minder van het individu-, zo zouden er ook ‘culturele genen’ bestaan, door Dawkins ‘memen’ genoemd, die zich in alle discretie en buiten onze controle voortplanten via teksten, groepsrituelen, modes, trends,- alles wat onder de noemer ‘cultuur’ valt. Het ‘ding’ is dus subliminaal,- boodschappen zijn maar dragers van die verstekeling: we worden gestalkt zonder het te beseffen. Communicatie is het systeem waardoor het cultuurvirus zich voorplant: elke SMS of elke mail of elk krantenartikel bevat een stuk onzichtbare informatie die van gastheer op gastheer springt,- ook deze tekst die U nu leest trouwens,… te laat!- U bent al besmet, lees rustig verder.
Als Dawkin’s hypothese klopt, is onze instinctieve argwaan
tegen teveel gezever, media-hypes en culturele massaconsumptie volkomen
gewettigd: het tast ons brein wel degelijk aan. Hier en daar bevat onze
hersenstam nog restanten van een archaische immuniteitsreflex tegen deze
communicatie-epidemie. Wellicht hoort ook het zgn. ‘autisme’ tot deze reflex,
die door de communicatiecultuur dan maar als een ‘ziekte’ bestempeld wordt.
Het kluizenaarsschap, het vrijwillig isolement, ‘neen’ zeggen tegen de
agressieve stortvloed van boodschappen, zijn TV-toestel buitengooien, het is dus
nog zo gek niet. Hoe ontvankelijker we worden voor externe prikkels, hoe meer we
open staan, discussiëren, assimileren, compromissen leren sluiten… des te
enthoesiaster copiëren de ‘memen’ zich van brein tot brein, en wordt ons
kritisch reflexievermogen uitgeschakeld. Snelheid is hier essentieel. Wie
aarzelt, hapert, te lang nadenkt, geraakt buiten tijd. Dingdong. Elke vorm van
complotdenken wordt dan als illegitiem, haast iets ziekelijk bestempeld.
Langzamerhand wordt alles mainstream en versmalt het discours tot een
‘politiek-correcte’ consensus. De Roemeense auteur Eugène Ionesco
heeft het fenomeen treffend geparafraseerd in zijn absurdistisch toneelstuk ‘Rhinoceros’,
waar op de duur iedereen iedereen aansteekt met een soort dierlijk geloei.
Alleen zich verstoppen en contact weigeren helpt dan nog. Tijdelijk, want de
welzijnswerkers vinden iedereen.
De Heilige Communie: een
sacrament met toekomst.
In een omgeving waar samenhorigheid de norm is, skepsis en kritische analyse ongewenst zijn (de sekten, maar evengoed een fanatieke wereldreligie als de Islam, of de euforie van de koopzondagen), voelen de memen zich prima. God is geen wezen en ook geen ding, maar wellicht ‘iets’ ertussen, een supervirus.
U vindt dit op de grens van het paranoide? Bio-ethicus Richard Dawkins is wel een van de toonaangevende wetenschappers van onze tijd. Zijn discipel Daniel Dennett gaat overigens nog een stapje verder: voor hem is godsdienst dé ideale communicatiecultuur en het volmaakte infectiemechanisme, omdat de eendracht van een grote massa gelovigen een prima gelegenheid is om ‘tekst’ door te copiëren. Opium voor het volk: Marx had dus toch gelijk! In een omgeving waar samenhorigheid de norm is, skepsis en kritische analyse ongewenst zijn (de sekten, maar evengoed een fanatieke wereldreligie als de Islam, of de euforie van de koopzondagen), voelen de memen zich prima. God is geen wezen en ook geen ding, maar wellicht ‘iets’ ertussen, een supervirus.
En zo zijn we weer bij de religieuze hype
en de mini-campagne van Vepec voor zichzelf. Die toch een campagne voor… God
blijkt. Of juister: voor het geloof. Communicatie is een religie op zich, haar
kerk heet ‘reclame’ en haar virtuele kathedraal ‘televisie’. Plots blijkt de
minzame ironie van een gladde BV als Rik Torfs niet zo onschuldig
als ze eruit ziet: de semi-intellectuele entertainer, die, nader bekeken, rond
volstrekte nulliteiten bakkeleit, is vandaag de ideale ‘tussengastheer’ voor een
virus dat onze neo-cortex (de plek in ons brein waar kritisch bewustzijn
en skepsis ontstaan) verder platlegt. Torfs is nergens tegen en ook nergens
voor; hij praat maar door in zijn ‘lankmoedige’ stijl,- een zelfgekozen etiket
dat subtiel uitdrukt waar het om gaat: een meta-politiek restauratieproject
gericht op de ontmanteling van het Ik, als bewust, eigenzinnig en weerspannig
individu. De ‘lankmoedigheid’ van onze kerkjurist moet zich vertalen in de
apathie van de kijker. ‘Slaafsheid, dociliteit, immobilisme, en onbereidheid
of onvermogen zich in te zetten voor een zaak’,- zo karakteriseert
psycholoog Eric Rosseel de keerzijde van het fenomeen Rik Torfs treffend.
De praatgrage en mediageile professor is dus, op zijn manier, exact bezig met
dezelfde mentale ontmanteling van het collectief bewustzijn als onze
reclamejongens. Onder de vlag van de ‘ironie’ wordt een ‘gelijkmoedigheid’
geëtaleerd die de weg voorbereidt voor nieuwe vormen van ondiscutabele
autoriteit.
En daar missen Dawkins en Dennett nu net de clou van het verhaal: als het ‘virus’ bestaat, gaat om een overlevingsstrategie van pure macht. Geen gepersonaliseerde macht van het politiek personeel, maar ‘macht’ die zo oud is als het ontstaan van de grote samenlevingen zelf, die moeten gestroomlijnd en gecementeerd worden (‘sociale cohesie’), anders vallen ze uiteen. Politici zijn er maar ‘dragers’ van,- het is de communicatie zelf die de massa homogeniseert en elke individuele immuniteit sloopt. Via religie, cultuur, een praatprogramma, het warenhuisorgasme, een karaoke-avond, het maakt niet uit.
Moeten we onze immuniteit tegenover de stortvloed van boodschappen dan niet dringend heropbouwen en het kritisch bewustzijn cultiveren, misschien zelfs de eenzaamheid opzoeken? Ook als hét complot en hét netwerk niet bestaan, toch zijn het zinnige werkhypotheses die ons waakzaam houden. De grote skepsis, die bij ons al te vaak met ‘verzuring’ wordt verward...
Was het Pinksterwonder, -waarin de apostelen collectief door de H. Geest werden bezocht, in de gedaante van vurige tongen,- een metafoor voor de wereldwijde mentale besmetting die ons in de nadagen van de moderniteit zou te wachten staan? De filosoof Ludwig Wittgenstein vermoedde het al: alleen een totale zuivering van de taal en de media kan ons redden, het wegbranden van alle ‘memen’. Maar die zuivering zou ook een onthechte, subculturele samenleving opleveren, zonder autoriteit en zonder manipulerende rethoriek.
Moeten we onze immuniteit tegenover de stortvloed van boodschappen dan niet dringend heropbouwen en het kritisch bewustzijn cultiveren, misschien zelfs de eenzaamheid opzoeken? Ook als hét complot en hét netwerk niet bestaan, toch zijn het zinnige werkhypotheses die ons waakzaam houden. De grote skepsis, die bij ons al te vaak met ‘verzuring’ wordt verward. Iets waar wij al jaren op hameren, nl. dat echte democratie gegrondvest is op een gezonde burgerlijke achterdocht, werd recent bevestigd door de Franse politoloog Pierre Rosanvallon (‘La contre-démocratie. La politique à l’âge de la défiance’). Zo hoort U het ook eens van een ander. Ondertussen blijkt dat 89% van de TV-kijkers het fameuze RTBF-nepjournaal van 13/12 klakkeloos geloofden. Wie die avond gewoon niét keek, of na vijf minuten de knop omdraaide, of geamuseerd de grap bleef volgen, was een witte raaf. Verwondert het U nog dat de media en de reklame het geloof herontdekt hebben?
Good Luck!
Voor ons ligt het reclameblad van de Nationale Loterij,
‘Good Luck’ getiteld. Een opmerkelijk stukje literatuur. Heel subtiel wordt
de dubbelzinnigheid van
het woord geluk uitgespeeld: men moet ‘zijn geluk
beproeven’ (dan gaat het over kans), maar het ‘geluk ligt ook in de kleine
dingen’ (dan gaat het over welzijn en goed gevoel). De Nationale Loterij heeft niet alleen
het staatsmonopolie op kansspelen (bizar in een vrijemarktsysteem), maar
grossiert ook in ‘geluk’, dat steeds weer in een context van sociale cohesie
wordt gepromoot (Happy People). Ook als U niet wint, is er namelijk niets
om U ongerust te maken. Wat is de
onderliggende boodschap? Dat we content moeten zijn met
wat we hebben en met wat er is; en als er iets leuk uit de lucht
valt –het groot lot winnen bijvoorbeeld, of terugtrekken van de belastingen- nog
contenter. Maak U nergens druk over en pluk de dag. Het politiek-reactionair
karakter van deze boodschap is evident: mensen moeten niet zeuren maar het
toeval laten spelen. Het toeval…. is dat geen andere naam voor God?
Hij weer.
De goeie loebas met een Danneels-look, waarmee de reclame de Opperste Autoriteit identificeert als een politiek super-ego, is inderdaad maar een tussenstap, want hij is niet onbeperkt distribueerbaar. Immers, als we vanachter onze kalkoenmaaltijd de gruwelbeelden in Darfur zien, wie kan nog geloven dat een ‘humane God’ dit alles samen houdt ? En hoe kan mijn God dezelfde zijn als deze van de deurwaarder die mijn huis komt leeghalen? De Nationale Loterij van die goede mijnheer Tuybens lost dat probleem op: God is geen wezen maar een principe dat zich overal en altijd ‘copieert’ als een kans. Het leven bestaat uit krasbiljetten, 99,99999% wint niets en heeft gewoon pech, volgende keer beter. Het is misschien de krachtigste ‘meme’ van allemaal, sterker dan het gezag van de Bijbel of de Koran: het geloof in een ‘toeval’, een geluksfactor waar niets tegen te beginnen valt. Het toeval is de absolute oermacht (het ‘noodlot’ in de oude Griekse tragedie) die in de postmoderne politieke orde terug zijn intrede doet als Good Luck-mentaliteit. De staatsloterij is er niet om iemand rijk te maken, en ook niet om de kas van goede doelen te spijzen: ze is er vooral om het lot te distribueren, het publiek te leren berusten, en de aanvaarding in te lepelen van een volstrekt neutrale machine die de balletjes doet rollen.
In de postmoderne, mondiale marktplaats is God een pure kans, en dus niet meer voor discussie vatbaar. Vandaar is het maar een stap om mensen ook te leren inzien dat de spelregels van onze maatschappij eerlijk zijn: het systeem is ‘eerlijk’, objectief en blind. Zo wordt de neoliberale laisser-faire-doctrine een statistisch dogma...
De hogepriesters van de statistiek en de waarschijnlijkheidsberekening beheren in stilte deze discrete, objectieve vorm van machtslegitimatie. De postmoderne macht is een vormeloos, ongrijpbaar plasma. Er is geen enkele opstand mogelijk tegen de wetten van het toeval,- daarom usurpeert de Belgische staat tot op heden resoluut het kansspel en regulariseert het de gokverslaving. Vandaar is het maar een stap om mensen ook te leren inzien dat de spelregels van onze maatschappij eerlijk zijn en dat we niet naar ‘netwerken’ of complotten op zoek moeten gaan: het systeem is ‘eerlijk’, objectief en blind. Het neoliberale laisser-faire beantwoordt het beste aan dat postmodern idee van de dobbelspelende God: het geluk is aan de durvers, en wie fout gokt moet niet komen klagen maar herbeginnen.
Het politiek-correcte ‘gelijke-kansen-principe’ is dan een
verdere stap in de promotie van het maatschappelijk systeem, als ‘het spel met
de juiste regels’. En omdat het complotdenken ridicuul is geworden, krijgt het
ook sceptici en non-believers tegen zich: heeft er ooit iemand een ‘meme’
gezien? Weg ermee! Koning Albert in de Rose Balletten? Een fabel. Geheime
cenakels en parallelle netwerken? Flauwe kul. Ooit was skepsis synoniem
voor kritische achterdocht, nu staat ze aan de kant van het systeem. Als je
asbestkanker krijgt, scheld dan niet op Karel Vinck en Eternit, maar hoop op de
medische vooruitgang. Als je kind doodgereden wordt, zeur dan niet over het
verkeersbeleid en de autocultuur, maar rouw en zoek troost. En als we geen
winters meer hebben, geniet dan in januari van een caféterras en ga niet zeuren
over supergeheime klimaatwapens en global warming (twee jaar geleden
bestempelden weerman Frank Deboosere en moraalprofessor
Etienne Vermeersch het broeikaseffect nog als een paranoïde kwakkel).
Wie op de lotto speelt, imiteert wat God op veel grotere schaal doet: de wereld herscheppen volgens een blind kansbeginsel. Macht is onzijdig, orde en toeval zijn compleet verwisselbaar. Koester het Belgische geluk en aanvaard het Vlaamse ongeluk: het begon met de goedmoedigheid van Kardinaal Danneels, het ontaardde in de ‘lankmoedigheid’ van Rik Torfs, en zie waar we nu zitten.
Morgen plak ik eindelijk toch die sticker op mijn brievenbus: Geen reclame. ■