Overgenomen door De Standaard, 17 December 2005
Reageren
Terug naar archief
Terug naar startpagina
Reageer via het Webforum


Eerst zag het ernaar uit dat de luitjes van het landelijke Hoegaarden, en ook het personeel van de brouwerij zelf, zouden berusten in de locale tap-toe, m.n. de overheveling van ‘hun’ bier naar Jupiler, door de multinational InBev die het streekbier had opgekocht. Een week geleden echter, halfweg December, kwam ineens drieduizend man op straat –met alle respect, in een gat van niemendal-, en sterker nog: er gingen stemmen op om ter plekke terug de ‘echte Witte’ te gaan brouwen.
Zijn we op weg naar de confrontatie? Wat als de Belgisch-Braziliaanse kloon en de échte Hoegaardse elkaar tegenkomen? Als men mij op café de keuze laat, ik zou niet twijfelen. Is er überhaupt plaats voor beide, of wordt dit oorlog? En vooral: hoe groot is de symboolwaarde van het conflict tussen grootschalige moderniteit en kleinschalige traditie, zeg maar de grijze cellen van de boekhouders versus de magie van de gistcellen?
Gistcellen versus macro-economie

Eerste
vaststelling: InBev is niet eens slim volgens de marktlogica. Puur
rationeel en marketingsgewijs is het onverstandig om
een product dat zo gelinkt is aan eigenheid zoals een streekbier, aan zijn roots
te onttrekken. De faam van het Belgische bier is onlosmakelijk verbonden met
traditie, diversiteit, specificiteit en dus ook met een zekere schaarste (ook al
eens, na uren ronddolen in Heuvelland, van
Westvleteren terug weggereden zonder een bak abdijbier?),- maar dat laatste is
natuurlijk onverenigbaar met de wetten van de markt, de globalisering, en de op
kwantiteit gebaseerde productiewijze. Bier is nu eenmaal emotie en beleving, het
flesje, het etiket, het verhaal, de plek van oorsprong. Ironisch genoeg
claimt de multinational InBev juridisch alvast de plaatsnaam ‘Hoegaarden’, en
abstraheert zo het product letterlijk van zijn bodem. Een stap die de
hoofdzetel zich misschien nog zal beklagen: van alle globaliseerbare en
universeel-vermarktbare consumptiewaren is het gerstenat misschien de meest
weerspannige. InBev zou wel eens kunnen uitglijden in de mistige legende van
zijn eigen product. En uitgerekend de oude universiteits- en brouwersstad
Leuven, standplaats van de vennootschap, is van die legende doordrongen.
Het bier als stadslegende

In ‘Passione Urbana’ (Roularta Books, Feb. 2006) maak ik een diepte-analyse van de stad Leuven, om aan te tonen hoe economie en cultuur met elkaar verweven zijn. En hoe een consumptieproduct meer is dan de som van zijn bestanddelen: het is inhoudelijk verweven met de plek waar het gemaakt wordt. Want hoe is Leuven een bierstad geworden? Omdat het gerstenat mannelijke en vrouwelijke eigenschappen heeft: het weerspiegelt de duale stad. Een woordje uitleg.
De stichting van de universiteit in 1425 luidde een
eeuwenlange bloei in van de Brabantse stad Leuven in,
als tertaire groeipool én als werkplek van de mannelijke ratio, de zichtbaarheid
en ontleedbaar
heid
van de natuur, het opensnijden van lijken, het vooruitgangsdenken, het briljante
gebaar van een burgerlijke, soms hilarisch-extraverte
stad. Leuven is Vesalius. Van de universiteit loopt
een rechte weg naar de fabriek en de groot-industriële productiewijze:
hier is een sterke mannelijke energie actief. Parallel en vrijwel
gelijktijdig echter ontstonden er in het Leuven van de 15de eeuw
vrouwelijke leefgemeenschappen, gericht op kleinschaligheid, zorg, intimiteit:
de begijnen. Ze waren niet de suffige, preutse meetjes zoals ze later in de
Vlaamse stadsromans worden voorgesteld, maar sterke, onafhankelijke vrouwen die
zich organiseerden in een collectieve sociale architectuur met nadruk op privacy
én op solidariteit. Het Begijnhof ademt de sfeer van de stookplaats uit, het
fornuis, heksenwijsheid, vroedvrouwen, mondelinge traditie … De kotmadam
is een verre pendant van deze matriarchale stadslegende.
Leuven, de stad waar de Stella ontstond, is de bodem van een rijk, complex karakterprofiel, halfweg tussen mannelijke wetenschap en vrouwelijke kruidenkunst. Het is evident dat de boekhoudkundige logica van een multinational geen blijf weet met deze stadslegende die de geboortevlekken van haar product tekent. Dus moesten alle bieren zoveel mogelijk geneutraliseerd en aan hun roots onttrokken worden...
Leuven is dus hermafrodiet en dubbelzinnig. De mannelijke wetenschap is schriftgebonden, analytisch, cerebraal, uitbundig en theatraal, soms zelfs sadistisch, zoals Fabre’s kever suggereert. De vrouwelijke kennis is oraal, intuïtief, mystiek, sober, discreet en helend. Maar nu komt het: Leuven is ook de unieke plek waar de twee werelden
samenkomen via een uit het Dijlewater geëxtraheerd
brouwsel, dat tegelijk elementen van magie én van wetenschap bevat. Het bier
is mannelijk én vrouwelijk, esoterisch én rationeel; de productie is gebaseerd
op een geheim, overgeleverd recept, maar tegelijk op hygiëne, meetbaarheid en
controleerbaarheid. Het bier is wetenschap, het bier is magie. Het bier is par
ticulier,
het bier is universeel. Het bier is modern, het bier is traditie.
De stad waar de Stella ontstond is dus wel degelijk de bodem van een rijk, complex karakterprofiel, halfweg tussen mannelijke wetenschap en vrouwelijke kruidenkunst. Leuven is de stad van de osmose tussen ratio en gevoelsmatigheid, met het bier als medium en Dirk Bouts' Laatste Avondmaal (1467) als mystiek icoon. Het is evident dat de boekhoudkundige logica van een multinational geen blijf weet met deze complexe stadslegende die de geboortevlekken van haar product onmiskenbaar tekende. Dus moeten alle bieren zoveel mogelijk geneutraliseerd en aan hun roots onttrokken worden. Het bier wordt mondiale limonade, gealcoholiseerde Cola, of een Belgische versie van Heineken. Maar geen smaak die de identiteit van een plek uitdraagt. Het InBev-bedrog, dat zich vroeg of laat ook in een economisch debâcle zal vertalen, is nu precies dat de multinational de essentie van zijn product miskent. Daarom is het Hoegaardse fenomeen zo betekenisvol.
Hoegaarden als anti-globalistisch bedevaartsoord?

De syndicale acties aan de Leuvense hoofdzetel van InBev, én de merkwaardige protestbetoging in het landelijke Hoegaarden, gaan dus niet alleen over herstructurering en afdankingen, maar ook over ongenoegen rond kwaliteitsverlies en afvlakking van identiteit. Dat is een nieuw gegeven: het besef, ook bij heel gewone mensen, dat door de wetten van de wereldmarkt alles eender wordt, gelijk(s)makend, en niets nog de moeite om te ontdekken. Het besef van onderuit dat grote structuren schadelijk en identiteitsbedreigend werken, wordt voor regeringen, staten, supranationale instellingen en multinationale ondernemingen steeds meer een probleem. Dit gaat dus over ‘politiek draagvlak’, dat niet kan hersteld worden met een simpele communicatiecampagne. Het ongenoegen zou met de Hoegaardse hold-up wel eens een politieke wending kunnen te krijgen. Ik heb het dan niet alleen over de communautaire dimensie (een Waalse fabriek die de productie toegewezen krijgt van een Vlaams bier, hoe durven ze) maar over een meer algemeen, diffuus ongenoegen rond grote instellingen en complexen die in besloten cenakels beslissingen treffen over het ontvreemden van iets wat we als wezenlijk ‘van ons’ ervaren.
In de Vlaams-Belgische context kan de bieropstand een politiek gegeven en zelfs een cultuurfenomeen worden: het samengaan van anti-globalistische, regionalistische en ecologische motieven, in een protestbeweging rond een ontvreemde totem, gestolen recepten, en verminkte verhalen...
De Koning Boudewijn-Stichting, altijd in de weer voor
sociale cohesie, zal dit wel niet SAM genoeg vinden: de Hoegaardse opstoot is
namelijk subversief geladen, het komt recht uit de
buik, ongeregisseerd, en bovendien heet een van de
InBev-bestuurders… Jean-Luc Dehaene. Het is ook opvallend stil in de federale
regering, rond dit symboolgeladen dossier, onmiddellijk verbonden met nationale
uitstraling. Geraakt Verhofstadt niet uit het dilemma tussen de
neoliberaal-globalistische logica van de drankengigant
en de verzuchting van de regionalistische, kwalitatieve identeiten? Kiezen we
voor het grote geld of voor de kleine merken, expansie of
herbronnen, kwantiteit of kwaliteit? De vraag keert in laatste instantie
weer terug naar de levensgrote politieke hamvraag of de Europa-moeheid van de
Europeanen niet de voorloper is van een nieuw streven naar kleinschaligheid,
niet gebaseerd op engheid of xenofobie, maar op herkenbaarheid en
authenticiteit, ja, ook een zekere ‘warmte’ van de dingen en plekken, die totaal
verdampt scheen in het grote macropolitieke s
chimmentheater.
Dit gaat niet zomaar over wat folklore en nostalgie, maar over onuitroeibare
urban legends die mentale weerbaarheid activeren en mensen zelfs in gang
zetten, van binnenuit, zelfzeker, onder het motto ‘small is beautiful’.
Oergezond dus, santé. Misschien hebben oudere mensen daar meer feeling voor. Het
was ontroerend om de bejaarde Pierre Celis, Urheber
van de Hoegaardse Witte, hakkelend en onglad voor de
radio te horen zeggen dat hij ‘herbegonnen was van nul’, met een tiental
flessen. Alsof hij nog een eeuwigheid voor zich had. Waar blijft het jonge
geweld, de risico-investeerders? Of duurt het rijpen van een
goed bier te lang voor het short-term-denken van het
snel-rijk-liberalisme?
In de Vlaams-Belgische context kan de bieropstand een politiek gegeven en zelfs een cultuurfenomeen worden: het samengaan van anti-globalistische, regionalistische en ecologische motieven, in een protestbeweging rond een ontvreemde totem, gestolen recepten, en verminkte verhalen. Is dat ‘links’ of ‘rechts’, progressief of conservatief? Of laat het nieuwe ongenoegen zich niet meer in die zwart/wit-termen vatten? De trappisten van Westmalle, die elke naasting afwijzen, beseffen de ernst, de aandeelhouders van InBev niet. Het volk zal oordelen, in de kroeg. Eindelijk nog eens een echt plebisciet. Of toch niet? Alle café’s hangen contractueel vast aan InBev, er valt dus niet echt te kiezen, evenmin als in het stemhokje. Het kan ons ongenoegen alleen maar sterken. ■
Kroniek: