Startpagina "Visionair België"                                       Reageren op deze tekst                

 

Op 9 december 2008 vond in het Gemeenschapscentrum De Markten te Brussel de uitreiking plaats van de erepenning
Albert De Cuyper aan cineast Jan Verheyen.
Op uitnodiging van het Vlaams Comité voor Brussel, organisator en initiatiefnemer, sprak Johan Sanctorum onderstaande lofrede uit.

 

"Ode aan de wansmaak

Johan Sanctorum

 

Geachte laureaat, waarde genodigden, beste vrienden,

Ik zou u op deze koude winteravond kort willen rondleiden in het universum van cineast Jan Verheyen, die hier zodadelijk de Erepenning Albert De Cuyper in ontvangst mag nemen. En ik wil dat, heel wetenschappelijk en systematisch zoals het een filosoof past, in vier korte luikjes doen: achtereenvolgens Jan Verheyen. als zelfgemaakte televisievlaming, vervolgens (veel interessanter nog) de donkere kant van Jan Verheyen, daarna Jan Verheyen in de Dansaertstraat, en tenslotte Jan Verheyen als republikein. U zult zeggen: waarom niet Jan Verheyen als filmmaker? Omdat ik van cinema niets ken, en ook de schijn niet wil ophouden. 

Des te meer kan ik U echter onderhouden over Bekende Vlamingen, hun donkere kanten, het leven in de Dansaertstraat, en dodelijke ongevallen met republikeinen.


 

Jan Verheyen, spijbelaar en televisievlaming

Als ik de biografie van onze laureaat onder de loep neem, valt me vooral een hobbelig, om niet te zeggen chaotisch parcours op, waarin één motto centraal staat: “Vlucht voor het te laat is”. Jan Verheyen is geen man van de vaste stek en de lineaire loopbaan. Alles begint in het slaperige Scheldestadje Temse, zijn geboorteplek, waar je nooit komt als je er niet moet zijn, ondanks de smekende affiches van de lokale middenstand aan de Rijksweg: “Temse, Uw bezoek meer dan waard”.  Echt waar, ik heb daar nog nooit iemand de afslag zien nemen. Bepaalde complottheorieën op het internet stellen zelfs dat Temse gewoonweg niet bestaat, en enkel een muurschildering is langs die rijksweg. Hetgeen ook onze laureaat, hier aanwezig, tot een schim zou herleiden, en meteen ook heel dit achtbaar gezelschap in de spiegelzaal tot een luchtspiegeling. Quod non.

Temse dus. Hier moet, denk ik, ene Jan V. al heel vroeg gedacht hebben: “Fugo, ergo sum”,- vrij vertaald: “Maken dat we hier wegkomen”. Ik spreek hier nu wat apothekersLatijn, om episode twee van The Fugitif te localiseren: het Sint-Jozef Kleinseminarie van Sint-Niklaas. Ik dacht dat er op zo’n Kleinseminarie alleen pastoors werden gemaakt, maar blijkbaar dus ook cineasten. Een schitterend college, overigens, met oud-leerlingen wier namen klinken als klokken. En bijna allemaal fijn afgestudeerd en later goed terechtgekomen, ik citeer er een paar voor de vuist weg:

- Filip De Pillecyn, bekend Vlaams romancier en Doctor In de Germaanse filologie

- Raymond Ceulemans, biljartgenie, door Koning Albert II tot ridder geslagen

- Tom Lanoye, gediplomeerd suksesauteur en zaakvoerder van de NV Lanoye

- Dr. August Borms, gefusilleerd activist

- Wouter Van Bellinghen, zwarte schepen, tijdelijk onzichtbaar, wegens in een politiek zwart gat gevallen.   

En ga zo maar door.  Allen zijn ze gezegend door Sint Jozef, patroon van de gediplomeerde vaklieden. Alleen Jan Verheyen verdween tijdens zijn laatste collegejaar geruisloos in de natuur, zonder ooit nog ergens in een school op te duiken, onder het motto: “Vluchten voor het te laat is”.. Daarna zou hij nog met evenveel gemak uit Vlaanderen weglopen, uit Europa, uit Amerika, uit de VTM, uit de VRT, en binnenkort, wie-weet, uit het Gravensteen.

Dat vluchten en de deur achter zich dichtslaan,- beste vrienden, we doen het veel te weinig. We willen niet, we durven niet, we kunnen niet, we zitten vast aan dit en aan dat. We durven niet migeren, uit schrik voor het onbekende, maar misschien nog meer uit vrees voor de verwijten van het thuisfront.   Partir c’est mourir un peu, het is een beetje sterven, de Styx oversteken, de rivier uit de Griekse onderwereld,- maar het is ook weer herboren worden. We vrezen die “kleine dood”, The Little Death zoals een van zijn eerste films is getiteld. We blijven dus bij voorkeur in ons hok. We zijn rechts of links, VTM- of Canvas-kijker, De Standaard of De Morgen-lezer, Knack of Humo, homo of hetero, honden- of kattenliefhebber. Niet zo Jan Verheyen: ik wil uit de loopgraven komen en in het niemandsland rondlopen, zo zegt hij in een interview.  Sommige critici zien het als een gebrek aan beginselvastheid, ik zie het als een dwaaltraject van iemand die het zelf allemaal wil uitzoeken, zonder handleiding, zonder regels, zonder wegwijzers.

De autodidakt, beste vrienden, is vandaag inderdaad opgejaagd wild.  “Levenslang leren”, allen op cursus, iedereen een kast vol diploma’s. Spijbelaars worden door de politie van straat geplukt, in naam van de kennismaatschappij. Hoera voor onderwijsminister Vandenbroucke, ratelen mijn sociaal voelende linkerhartkleppen. Maar als ik wat verder ga snuffelen, ruik ik muffe luchtjes. Wat als de Jan Verheyens van vandaag aan de schoolbanken worden vastgeketend? Wat als zij, knetterend van energie, moeten zuchten en zweten boven saaie cursussen? Wat als zij, met een diploma in de hand en een stropdas om de nek, zich netjes presenteren op de “arbeidsmarkt”, en ’s morgens bij een tas koffie Vacature en Job-at gaan uitpluizen? Maakt het onderwijs misschien ook iets kapot? Moét iedereen wel zonodig naar school? Is de jacht op de spijbelaar echt ingegeven door pedagogische bekommernis, of is het toch ook wel een beetje een strategie om de plantrekkers, schuinmarcheerders en Einzelgangers van deze wereld op het rechte pad te houden?

In een interview zegt Jan Verheyen schalks: Voor mezelf ben ik wel blij dat het zo is verlopen. Ik had zelfs een aantal jaren voorsprong op de mensen die eerst heel keurig naar de filmschool zijn gegaan! Maar dat is een understatement. Het gaat niet om de voorsprong in de tijd. Doe-het-zelvers doen er misschien juist langer over, maar ze ontdekken andere dingen en exploreren een groter, ongekender universum, niet gehinderd door kompassen en atlassen die hen op de schoolbanken worden aangereikt. “Im Anfang war die Tat”, zie Goethe.  De autodidact, de man die de handleiding weggooit, de knutselaar die, zoals Murat Kaplan, planken voor zijn kiekenkot gaat sprokkelen in Londerzeel, in plaats van een prefab-setje in de Ikea te halen,- het is misschien wel de laatste vorm van subversiviteit in deze over-onderwezen brave new world.

En jawel, het is ook de geest van de doe-het-zelver en de plantrekker die Jan Verheyen naar de televisiestudio’s voerde. Omdat ook hier natuurlijk dingen te leren vallen voor een autodidact, na een half dozijn films gedraaid te hebben. Dus stak hij met een kwinkslag over, richting VTM, en dan nog eens, richting VRT. Iedereen die mij een beetje kent, weet hoe moeilijk ik het heb met de verkleutering van het medialandschap, en de om zich heen slaande terreur van het virtuele pretpark dat televisie heet, waar steeds weer dezelfde mensen dezelfde charades opvoeren.  ‘Wie van de drie’, ‘Sterrenconnectie’, ‘De Commissie Wyndaele’, ‘De Rechtvaardige Rechters’, De Zoete Inval’, en vooral ‘De Slimste Mens’…,- stuk voor stuk stuitende vormen van Narcistische BV-cultuur en televisie-exhibitionisme. Nochtans zijn er tal van goeie redenen om voor het BV-schap te gaan en wekelijks op TV te komen. Aan een lief geraken bijvoorbeeld, de reden die Dirk Draulans, de lelijkste journalist van het westelijk halfrond, ooit opgaf aan het Laatste Nieuws. Sindsdien heeft Draulans naar eigen zeggen veel lieven, maar zijn stukjes worden steeds slechter, zo is onlangs gebleken.

Voor de self-made-man Jan Verheyen was het animeren van TV-kwissen, naar hij beweert, gewoon een middel om zich als filmmaker te promoten. Een perfect legitiem argument: gebruik het medium zoals het jou, ons en iedereen gebruikt. Maar ook dat liep verkeerd, zo liet onze laureaat zich ontvallen: op de duur kende iedereen Jan Verheyen, maar niemand wist nog dat hij ook films maakte. De BV had zichzelf genekt, de filmmaker was ei-zo-na- verdampt tot televisievlaming.  Moraal van het verhaal, andermaal: vlucht, eer het te laat is. Is het wetenschappelijk bewezen dat TV-kijken geestdodend is, op TV komen is nog veel dodelijker. En op TV blijven komen, beste vrienden, is fataal. Het verandert mensen, het zuigt ze leeg. Het is dus zoals met Temse, het Kleinseminarie van Sint-Niklaas, Vlaanderen, Europa en de wereld: er te lang blijven is slecht voor de gezondheid. En zo verdween Jan weer van het kleine scherm, om opnieuw de grote rivier over te steken en van leven te veranderen. De veelgehoorde opmerking, dat Jan Verheyen een gladde jongen is, die zich overal weet te handhaven, vind ik dan ook niet helemaal eerlijk. Want met evenveel gladheid als hij verschijnt, verdwijnt hij ook. Dikwijls met een lege kas, zonder batig saldo.  We leven op een ronde planeet, in een geglobaliseerd universum, alles hangt met alles samen, iedereen kent iedereen, leve de grote netwerken, maar dat maakt het ook veel moeilijker om uitgangen te vinden. Voor iemand die dat af en toe wel probeert, heb ik alle respect.

Aan allen hier aanwezig, zou ik dan ook dringend willen aanraden, te vluchten voor het te laat is. Niet nu, maar straks, na de drink. Vlucht weg uit de zekerheid, uit de routine, neem een Sabatjaar, verander, verdwijn, verschijn. Het is een wondermiddel tegen oud worden.

 

De donkere kant van Jan Verheyen

Dat zou een goeie afsluiter kunnen zijn, maar dan zou U het verhaal moeten missen over de donkere kant van Jan Verheyen, die zich nog eens dwars doorheen die vluchtroute manifesteert. Jan heeft namelijk zelf een dubbelganger in het leven geroepen, die hem zonder pardon in een modderbad dompelt, zodra hij gaat zweven. Ook dat vind ik een opmerkelijke afweerreactie.

Onlangs bracht ik in een essay, getiteld “Ceci n’est pas un poisson”, hulde aan de Vlaamse slijkmens, de boertige, onverlichte barbaar die door Permeke werd geschilderd, de smakeloze en cultuurloze ploeteraar die zich opwarmt aan de mesthoop. Vlamingen hebben iets met slijk en stront. Het zit in ons, het valt niet af te wassen,- daarom haat de verlichte Belgische francofonie de naar de aarde gekeerde, bruinzwarte Menapiër.  Politiek blijven we spijbelaars en slechte leerlingen. Waarom het nog ontkennen? We zijn noch democraten, noch vredelievend, noch weldenkend, om de simpele redenen dat kinderen, honden, varkens, dwergen, mestkevers, … en al wat dicht bij de aarde leeft, dat ook niet zijn.

De Vlaming als varken, barbaar, zwartzak. De Waalse mijnputten waar de sales flamands in afdaalden, het slijk van de IJzervlakte, en al het bruinzwart gemodder dat daarop volgde,- het hangt aan ons vel als een tweede huid en vrat zich een weg naar binnen. De Vlaamse culturele elite lijdt daarom aan een witwascomplex, daarover straks meer. Maar Jan Verheyen volgt eens te meer een afwijkend pad: op een zeker moment doet hij het licht uit, laat zijn alter-ego los (of zijn echte, eerste ego, wil zal het zeggen), en dan, beste vrienden, begint het serieus te stinken.

De donkere kant van Jan Verheyen, die zich manifesteert als de schijnwerpers uitgaan, heeft ook een naam,- hij heet Max Rockatansky, alias zotte Max. Jan beschrijft hem nauwgezet, ze lijken twee personen in één lichaam, of zo U wil, Dr Jekyll and Mr Hyde.  Max vernietigt alles bij nacht, wat de kunstenaar Jan bij dag geduldig opbouwde. Het is een destructief proces, maar ook een terapie, een genezingsritueel: Max Rockatansky is een zelfremedie tegen teveel salonparfum, de nette walsjes op het openingsgala van het Gentse Filmfestival, de waan rond Cultuur met een grote C, heel de zelfgenoegzame cultus van de “goede smaak”. Het groteske als antigif.

En raar maar waar: door middel van een fictief-fantastische biografie van zijn alter-ego, maakt Jan Verheyen contact met het slijk van de IIzer, de eerste wereldoorlog, en de massaslachting onder het analfabeten-voetvolk. Ik citeer even uit deze quasi-autobiografie:

Max Rockatansky bracht zijn jeugdjaren door in een streng weeshuis in de omgeving van Ieper, in de Vlaamse westhoek, een bar en relatief geïsoleerd gebied, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog het toneel was van één van de gruwelijkste loopgravenoorlogen uit de geschiedenis. Max is erg zwijgzaam over zijn jaren in het weeshuis, maar in een zeldzaam interview met een Brugse krant verklaarde hij ooit : "Het was verschrikkelijk. De lange, koude, altijd in het schemerduister gehulde gangen. De stilte. De eenzaamheid. Onze enige ontspanning was op woensdag- en zaterdagnamiddag, als we in kleine groepjes skeletten van gesneuvelde soldaten mochten opgraven van de broeders. Ik denk dat ze die verkochten aan verzamelaars. Alleen lag er in die knekelvelden ook veel onontplofte munitie. Ik heb meer dan een lotgenootje kermend terug naar het weeshuis gesleept, zijn arm een bloederige stomp, of met zijn afgerukt been onder mijn arm...". Het is niet ondenkbaar dat in deze periode de obsessie van Max voor de donkere kanten van het bestaan is ontstaan.

De donkere kanten van het bestaan. Het begint als een inferno, waarin herinneringen aan het Sint Jozef-Kleinseminarie zich vermengen met demonische offers van Vlaams kanonnenvlees. Maar dan krijgt Max Rockatansky de smaak te pakken. Aan de drempel van de volwassenheid komt hij terecht in een Brugse volkscinema, de “Eden” genaamd, de hemel dus, waar geen plaats was voor kwaliteit of goede smaak. Ik citeer verder:

“Door de concurrentie met de grotere bioscopen was de 'Eden' verplicht te overleven met sexfilms, horror, kung-fu, alles wat de grotere, 'sjieke' bioscopen niet wilden draaien. De jonge, beïnvloedbare Max werd dus dagelijks geconfronteerd met de Italiaanse en Spaanse zombie- en kannibalenfilms, de talloze 'Mondo'-exploitationfilms, slecht gedubde kung-fu en meer sexueel getint gejodel dan goed kan zijn voor een weesjongen van die leeftijd.”

En zo, beste vrienden, ontdekt Max Rockatansky, alias Jan Verleyen, de kracht van de wansmaak, de karikatuur van het leven, maar ook van de kunst, als een wilde, parodische energie die de “goede smaak” ver overtreft. Het contact met de vulgariteit, waarvan elk weldenkend pedagoog beweert dat het afbot en dom maakt, wordt voor Verleyen/Rockatansky een punt van herbronning en bevrijding, uit de wereld van het witwassen, de schone schijn, het fatsoen, de political correctness.  En zo komt het dat Jan Verleyen, in de huid van Max Rockatansky, sinds 2001 met een reizend cirkus tourneert, waarin het degoutante, het lachwekkende, het stuntelige, de norm wordt. In de ondertussen legendarisch geworden “Nacht van de wansmaak” rekent de slijkvlaming af met alles wat hem wil verheffen, door zich te wentelen in een iconoclastische orgie, een echte beeldenstorm die met talloze barbaarse lachsalvo’s gepaard gaat.

Een naar excrementen ruikende cinema-mix van slechte porno, hilarische horror, infra-politiek fascisme, klungelig gooi- en smijtwerk, dat alles overstemd door een bloedstollend weerwolfgeloei. De politiek-incorrecte dialogen tussen ranzige personages worden niet geschuwd. Hier wordt de succesvolle kunstenaar zijn muze ontrouw, gaat vreemd, opent zijn lange regenjas in de bosjes, en confronteert ons, wandelaars, met een onzindelijk opgericht penseel vol weerhaken.Ik citeer enkele titels: Ilsa de wolvin van de SS; Anatomie des orgasmus; De Weerwolf contra de Yeti; All Women Have Periods; Ontucht achter kloostermuren; Ilsa, Harem Keeper of the Oil Sheiks; en niet te vergeten, de meest wansmakelijke onder de cinematische gedrochten “Borsten als dodelijke wapens”.   Pas op, dit is veel méér dan een selectie van bloopers, en zelfs nog meer dan een daad van zelfterapie. De Nacht van de Wansmaak is een subversief semi-undergroundgebeuren, een beeldenstorm met een anarchistisch karakter, gericht tegen wat hij de “smaakpolitie” noemt.

Inderdaad, beste vrienden, sinds Steve Stevaert, vanuit het gezellige Hasselt, de straatbarbecues begon te subsidiëren en de “Week van de Smaak” lanceerde, is het begrip “smaak” een papperig containerbegrip geworden, waarin meligheid, populisme, cultus van de politieke correctheid, en brood-en-spelen-taktiek met elkaar versmolten.  Emo-politicus en cultuurminister Bert Anciaux begreep onmiddellijk de enorme mogelijkheden van dit smaakfestival, onder het motto: een Vlaming met een volle maag pruttelt niet. Eigenlijk is het een van de vele anti-verzuringspillen, ten voordele van de sociale cohesie maar eigenlijk vooral tegen burgerlijk ongenoegen en, jawel, tegen het slijkinstinct van de zure Vlaming, die zich geen appelen voor citroenen laat verkopen.  In de Week van de Smaak wordt cultuur een tafeltje-dek-je-sprookje. Niks mis mee, zult U zeggen. Toch wel. Want tegelijk wordt alles afgewezen wat zich als onorthodox, onfatsoenlijk, en politiek-incorrect aandient. Dingen die onder de tafel gebeuren. “Smaak” is het maskerbegrip geworden, waarachter een mechanisme van censuur en zelfcensuur schuilgaat. Dingen mogen niet gezegd worden, omdat ze “niet stroken met de goede smaak”. De Vlaming moet leren met twee woorden spreken, niet boeren tijdens het eten, geen racistische moppen vertellen en zeker niet op foute partijen stemmen.  Door dit principe onder te stoppen in een Bruegheliaans bad van telegeleid volksplezier, wordt de gehoorzaamheid letterlijk met de paplepel ingegeven. En geen kat die protesteert.

Een goeie maand geleden, half november, was het weer zover. Toevallig greep in dat weekend ook het Festival van de Politiek plaats, een ‘laagdrempelig’ open-deur-gebeuren, waarbij de modale Vlaming eens kon voelen hoe zacht de kussens van het parlementair gestoelte wel zijn, die doorgaans onbezet blijven. Hoe slaapverwekkend het Vlaamse Parlement zich het ganse jaar voordoet, des te feestelijker kwam het dat weekend voor de dag. Tot overmaat van ramp tenslotte kreeg een of ander communicatiegenie het idee om van twee één te maken. En zo konden wij in het Vlaams Parlement en elders te lande politici bewonderen in kokstenue, terwijl ze normaal, naar eigen zeggen, thuis nog geen ei koken.  Het geheel werd afgerond met de inwijding van een smaakvol hedendaags kunstwerk aan het Vlaams Parlement: een straatbrede hoop planken, kostprijs 387.000 euro, binnen vijf jaar te vernietigen, en 4m hoog opgehangen boven de Leuvense weg, opdat de Brusselse daklozen er niet mee aan de haal zouden gaan. 

Sorry, beste vrienden, bij zoveel Goede Smaak gulpt het zuur bij mij naar boven. Hier moet dringend een karavaan van de wansmaak passeren, hier zijn de Rockatinsky’s van deze planeet hard nodig.  Beeldenstormers, ondergravers en parodisten. Kinderen, die uitroepen dat de keizer geen kleren aan heeft. Kunstenaars die met vitriool om kunnen, zonder zichzelf te verbranden. Of misschien dat Murat Kaplan er wel weg mee weet, als hij nog eens aan een kiekenkot begint.

 

Jan Verheyen in de Dansaertstraat

 

 Goede Smaak en political correctness, dat brengt ons naadloos bij de trendy Dansaertstraat, hier achter de hoek. In 2007 ging de film “Los” in première, naar de gelijknamige roman van Tom Naegels. Naar mijn gevoel tot hiertoe Jan’s beste film. Het boek én de film vloeken in de politiek-correcte kerk, omdat zij een probleem aankaarten dat decennia lang onder de mat werd geschoven, namelijk de samenlevingsproblemen tussen wat ik maar gemakshalve autochtonen en allochtonen zal noemen. Jan Verheyen hekelt in dat opzicht de zgn. Dansaert-Vlaming: de modern-Vlaamse culturo die zich breeddenkend en cosmopolitisch voordoet, Brussel idealiseert als een nieuw veelkleurig en multicultureel paradijs, alle nieuwste trends achternaloopt, maar ondertussen  hopeloos achterloopt op de politiek en sociale realiteit, zich haast excuseert voor zijn Vlaamse afkomst, en het oude tricolore patriottisme omhelst.

Ik citeer Jan Verheyen in een recent Standaard-interview:

'Wat de multiculturele samenleving betreft, heeft het ook mij lang gestoord hoezeer de VRT, De Morgen en De Standaard aan zelfcensuur deden. Er mócht gewoon geen probleemkant zijn aan het samenleven tussen allochtonen en autochtonen. Ik heb zelfs even gedacht dat het succes van het Vlaams Belang (…) misschien wel zijn nut zou hebben, om sommige punten op de agenda te plaatsen. Maar het had een averechts effect: Om zeker niet in dat foute kamp te worden geplaatst, gingen de media en de politiek nog harder doen alsof er niets aan de hand was. Uit een krampachtige anti-Vlaams Belang-reflex schaart die artistieke kliek uit de Dansaertstraat zich nu zelfs achter het koningshuis. En ik die dacht dat artiesten per definitie iets rebels en kritisch hadden, en dus zeker niet voor een verwerpelijke traditie als erfelijke macht zouden zijn.'

De nagel op de kop. De “progressieve” cultuurvlaming leeft in een multiculturele zeepbel, die op en neer danst in een Belgisch/Brussels Disney-decor, een Neverland waar ook het aristocratische en monarchistische operettetheater deel van uitmaakt. Het is een Babylonische fantasie die niet verder reikt dan de hippe etalages van de Dansaertstraat.  Een paar honderd meter verder begint het echte leven: het Sint-Jans-Molenbeek van de socialistische burgemeester Philippe Moureaux, waar complete wijken tot ghetto’s zijn verworden, waar geen bezoeker zich nog waagt, en ook de politie zich niet meer vertoont.  Tot op vandaag schemert die neo-Belgicistische koekendozen-neurose door in de grote media, zowel De Standaard als De Morgen. Onlangs mocht de grote rebel Jan Fabre zijn grote liefde voor het “schone België” én voor het koningshuis nog eens etaleren in een speciale editie van de Standaard. In zijn spoor volgen andere ridders, jonkvrouwen, baronnen en baronessen, zoals Eva Bal, Stijn Coninx, Jan Fabre, Anne Teresa De Keersmaeker, Frie Leysen, Gerard Mortier, Monika Van Paemel, Jan Hoet, en Luc Tuymans. Ook Mevr. Els Witte, van die zeer vrijzinnige en verlichte universiteit Brussel, ontbreekt niet in dit lijstje. Allemaal zéér progressieve lui die zich gewillig laten naaien door het Belgische Ancien Régime. .

Fabre, Tuymans en C° vormen in alle opzichten het evenbeeld van de goede, welopgevoede neger uit de koloniale tijd, de évolué in maatpak, die goed Frans sprak, zijn negritude zo goed mogelijk trachtte te verbergen, en blij was om de aktentas van de Bwana te mogen dragen. En ik moet hier opletten wat ik zeg, want het woord “neger” gebruiken kan U tegenwoordig een klacht opleveren van het Centrum voor anti-racisme. Onterecht, want ik heb het enorm voor negers, en voel er mij zelf ook één, zonder dat ik de behoefte voel om mij wit te wassen. Ik ben namelijk, naast een enthoesiaste fan van Jan Verheyen, ook een bewonderaar van Patrice Lumumba, die op 30 juni 1960 in een historische speech Koning Boudewijn de mantel uitveegde, en daarmee zijn doodvonnis tekende. Dat laatste wens ik Jan niet toe, maar het is goed om weten, waar dit regime toe in staat is, als het zich écht beledigd of bedreigd voelt. Overigens, weet U waarom negers zwart zijn?  Omdat je anders niet zou kunnen zien dat het negers zijn. Ik zie dat U er maar met moeite mee kan lachen, het is dan ook een mop die op de Nacht van de Wansmaak, editie 2006, werd verteld. Neen, U bent er nog niet helemaal klaar voor, dit kon beter.

Door te breken met de monarchie, én met de club van weldenkende culturo’s, bevinden Jan Verheyen en ik zich aan dezelfde kant van de barrikade. Bien étonné de se trouver ensemble, zoals men dat in het Frans zegt. En het is een barrikade. We moeten breuklijnen durven zien, kloven, tegenstellingen, we moeten durven afstand nemen, een kassei in het idyllische filmscherm gooien. België zal niet zomaar verdampen of “verwasemen”, ik geloof niet in dat fluwelen scenario. We zullen er voor moeten gaan, we zullen die autonomie moeten bevechten. Daarom niet met zwaarden of de goedendag, maar toch met grote hardnekkigheid en de bereidheid om brokken te maken. Of zoals een Vlaams spreekwoord zegt: Men kan geen omelet bakken zonder eieren te breken. Hier ontmoeten de gepassioneerde autodidact, de gore Max Rockatansky, en de luis in het pluche van het paleis elkaar opnieuw. En ja, dat verdient een onderscheiding. Géén decoratie, geen koninklijk erelint, geen baronstitel voor Jan. Ik hoop van harte dat hem dat bespaard blijft. Wel een gebaar van erkenning, een knipoog, die zegt: “Goe bezig, Jan”. Tot, hopelijk niet te snel, op TV.

Beste vrienden, laten we onszelf niet al te ernstig nemen. En laten we ons vooral bewust zijn van de ironie, het grappige, verbonden aan deze ceremonie in deze barokke spiegelzaal.  De laureaat van vanavond, de straathond van de Dansaertwijk, weze een bescheiden “erepenning” gegund, die men als een parodie zou kunnen opvatten van de jaarlijkse lintjesregen in Laken.  Een spiekmadolle, zoals wij in Antwerpen zeggen.

Leve Jan Verheyen, leve de Vlaamse film, leve de Vlaamse neger, leve de wansmaak, hoera voor de failliete kassen, ja aan de beeldenstorm, op naar de Vlaamse omelet, of, als ik toch mag eindigen in de taal van ons geliefde vorstenhuis: Vive la république!

Ik dank u.

 

  Reageren op deze tekst

Terug naar boven