Terug naar archief
Terug naar startpagina
Openen in PDF-formaat
Reageer via het Webforum

'Kunst,-
ze weten niet wat erachter zit'
Over politieke peptalk en artistieke
zwendel
Johan Sanctorum
22/08/2006
De nieuwskanonnen van de zomer 2006 stonden helemaal in
het teken van geweld en terreur: het staatsterrorisme van Israël in Libanon en
Gaza kon dankzij Bush ongestoord zijn gang gaan (Premier Olmert bij de foto’s
van een dode peuter die vanonder het puin in Beirut werd gehaald: ‘We hebben
een PR-probleem’. Misschien Noël Slangen eens naar ginder sturen? ). Vreemd
leger overigens, dat van Libanon: komt pas in actie als de vijand verdwenen is.
Of was dat ook een stukje van het door het Witte Huis uitgedokterde scenario?
Europa pruttelde zwak tegen maar deed niets: de ijver om de joodse lobby ter
wille te zijn, én de bekommernis om de eigen Moslimbevolking te paaien,
resulteerde in een lachwekkende pseudo-diplomatie van de kool-en-de-geit.
Zo heet als de maand juli was, zo nat en kil was augustus:
ideaal moment om de horden toeristen met hun last-minute-ticket eens ferm
de stuipen op het lijf te jagen, d.m.v. een goed-geregisseerde ‘verijdeling van
geplande vliegtuigaanslagen’, mooi in de picture gebracht in volle
komkommertijd. Hier duidelijk geen PR-probleem: Blair’s liberaal-conservatieve
regering (alleen in naam nog ‘labour’), die elke dag haar draagvlak
i.v.m. de Irak-oorlog ziet verdampen, kan deze opstoot van paniek wel gebruiken.
In zoverre zelfs, dat onze vermoedens rond een gemanipuleerde psychose, -zie de
tekst ‘We
neither confirm nor deny’,-
bevestigd lijken: dit ruikt naar institutionele vormen van angstmanagement. Want
twee weken na de ontdekking van het ‘vliegtuigcomplot’ is er nog geen sluitende
uitleg gekomen over wie wat zou beraamd hebben, en blijken er met een grof
vuilblik in het wilde weg wat ‘verdachten’ opgeschept, hoofdzakelijk van
Pakistaanse makelij. Hypothetische daders van een virtuele aanslag: terreur
werkt ook als puur gerucht. Alarmfases conditioneren beter en sterker dan
effectieve catastrofes. Wordt dit echt de eeuw van de waan?
Ambiance in Herford
Het grappige is, dat deze vermenging van realiteit, fictie en virtuele realiteit maar in zijn volle omvang kan begrepen worden, via kantelingen en turbulenties die zich in de achtergrond van het nieuws afspelen. Het hilarische verhaal van Jan Hoet en het failliete Marta-Museum in het Duitse Herford is zo’n draaikolkje.
Zowat vier jaar geleden streek de flamboyante kunstpaus
met veel bombarie neer in dit Noordduitse provincienest, vergelijkbaar met
Poperinge of E
eklo. Herford vond dat het dringend toe was aan een drastische
vorm van city-marketing,- de moderne variant van de middeleeuwse
rivaliteit tussen steden en stadjes. Hoe kunnen we die van Kassel of Dingsda een
hak zetten? Met welke bezienswaardigheid lokken we heel de planeet naar onze
stek, zodat, wie-weet, de vastgoedprijzen de hemel induiken? Een clubje van
toplui uit de Westfaalse meubelindustrie (waaronder riante luxemerken als
Poggenpohl en Interlübke) had de vroede vaderen weten te overtuigen
om zwaar te investeren in een kunsttempel met ‘internationale uitstraling’,
inclusief een congresruimte waar veel stoelen en tafels aan te pas komen. Iets
tussen een museum en een showroom dus. Het komisch aandoende letterwoord
‘Marta’ (Möbel-Art-Ambiance) drukt deze deal tussen
commerce en kunst (met de overheid als geldschieter…) helemaal uit:
Hoet moest, met zijn moderne kunst in de vitrine, meubelen en keukens verkopen
en liet zich daarvoor vorstelijk betalen. Met uiteraard een genereus werkbudget
daar bovenop, want het artistieke ons-kent-ons-clubje komt voor een
habbekrats zijn bed niet uit. De Herfortse stoelenlobby ging echter
helemaal door het lint, toen ze op aanraden van de Marta-intendant (voor het
gemak ook voorzitter van de wedstrijdjury) scheep ging met de allerduurste
architect uit de galerij, Frank Gehry. Diens Guggenheim-museum in
Bilbao zou het model worden voor het gloednieuwe Marta-gebouw: een spektakulaire,
hypermoderne constructie die de stad cultureel gewicht, toeristisch aanzien en
economische voorspoed moest opleveren.
Hoet moest, met zijn moderne kunst in de vitrine, meubelen en keukens verkopen en liet zich daarvoor vorstelijk betalen. Met uiteraard een genereus werkbudget daar bovenop, want het artistieke ons-kent-ons-clubje komt voor een habbekrats zijn bed niet uit.
Gehry ging aan de slag, en spoedig daarna kwamen de Pappenheimers met hun twee voeten weer op de grond. De gigantische financiële put, veroorzaakt door uit de pan rijzende architectenhonoraria, onvoorziene meeruitgaven (het gebouw kost met zijn 30,1 miljoen Euro het dubbele van wat begroot was) typisch voor het werken met een ‘sterarchitect’, en het eigen wanbeleid van Hoet (158.000 Euro in ’t rood voor 2005), maakte de artistieke werking zelf quasi-onmogelijk en plunderde de stadskas tot onder de bodem. De lokale pers begon te morren, de gewone man begon zich af te vragen of Gehry’s futuristische reuzentaart echt wel op maat van Herford gemaakt was. En of het allemaal niet met wat minder kon. Hoet griende dat hij het uit zijn spaarpot zou betalen, als een kleine die een vaas gebroken heeft. Dat deed hij vroeger ook al, wetende dat de deurwaarder toch nooit bij hem aan huis komt, in tegenstelling tot bij gewone mensen die over de schreef gaan. Maar weinige tijd later herpakt hij zich en schimpt op het publiek dat zijn escapades betaalt maar de boodschap niet begrijpt: ‘Dit is een klein stadje dat heel weinig ervaring en traditie heeft met beeldende kunst. Ze weten niet wat erachter steekt. Hier zijn nog altijd mensen die Joseph Buys schroot vinden’, aldus onze kunstpaus.
‘Straks maken ze er nog een Heimatmuseum van’, schamperde Hoet verder. Wat ik eigenlijk, terugdenkend aan de historische TV-serie ‘Heimat’, en in het licht van de recent ontdekte doofpotliteratuur, bijeengeschreven door het moderne Duitse geweten Günter Grass, niet eens zo’n slecht idee zouden vinden. Maar zo’n bescheiden museum dat zich van binnenuit definieert, de stedelijke sfeer aftast, tot nadenken stemt en context aanbiedt,- dat is buiten ridder Jan Hoet (dat najagen van adelijke titels is op zichzelf merkwaardig voor zogenaamde ‘rebellen’) en zijn potverterende gabbers gerekend.
Black Low
Eén anekdote om het Narcisme te illustreren van de artistieke jet-set die in Herford neerstreek.
In April 2002, kort na Hoet’s aanstelling, kwam de
‘installatie’ Black Low van de Noor Bjarne Melgaard in de publieke
discussie: een bonte verzameling van satanische symbolen, verminkingsrituelen en
realistische uitbeeldingen van moord- en zelfmoordscènes. Daar bovenop
live-mishan
deling van dieren (o.m. een in latex verpakte geit, waarschijnlijk een
verwijzing naar de zondebok of ‘scapegoat’…). Ambiance verzekerd. Dat alles
verpakt in een no future-boodschap onder het motto: ‘Zelfmoord is het
beste wat ons kan overkomen’. Het publiek reageerde geschokt, en niet zomaar in een opwelling van fatsoenrakkerij: twee
weken voordien had in een school van het naburige Erfurt een massaslachting
plaats gehad, waarbij een jongeman zo’n twintig leerkrachten en kinderen had
geëxecuteerd, om dan zichzelf een kogel door het hoofd te schieten. Wellicht het
beste wat hem kon overkomen, om Melgaard te parafraseren.
Het had in die traumatische omstandigheden de curator en de kunstenaar gesierd,
om alleen al uit piëteit deze groteske santeboetiek even af te blazen tot
iedereen van de schok bekomen was. Maar Hoet ging daar niet op in: kunstenaars
moeten nu eenmaal hun ding kunnen doen, overal en altijd. Toen de jeugdbescherming, met het Duitse oorlogsverleden en
de opkomst van de neo-nazi’s in het achterhoofd, de installatie karakteriseerde
als ongeschikt voor min18-jarigen en kwalificeerde als een ‘Menschen
verachtende Darstellung von Gewalt’ (‘een mensonwaardige voorstelling van
geweld’), daarin gesteund door een groot deel van de bevolking, spande Hoet
prompt een kortgeding in om alsnog zijn gelijk te halen. Uiteindelijk overdekte
de pruilende Melgaard zijn werk met doeken, om vol zelfmedelijden de
tentoonstelling te herdopen tot 'Ruine einer
Ausstellung’. Kwestie van toch nog een
ereloonnota te kunnen uitschrijven.
Het had in die traumatische
omstandigheden de curator en de kunstenaar gesierd, om alleen al uit piëteit
deze groteske santeboetiek even af te blazen tot iedereen van de schok bekomen
was. Maar Hoet ging daar niet op in: kunstenaars moeten nu eenmaal hun ding
kunnen doen, overal en altijd.
'Kunst, jullie weten niet wat erachter zit...'.
Een ruïne inderdaad: Marta behoort tot een voorbij tijdperk waarin een select clubje kunstbroeders zich rond de grote subsidiepotten verzamelde om het misbegrepen genie uit te hangen, ver van alle ethische en sociale preoccupaties. Dit soort ‘artistieke vrijheid’ is gebaseerd op een perverse alliantie tussen kunst, macht en kapitaal. Het geeft in wezen nergens om, behalve om geld en status. Telkens weer duikt hier ook ‘grote architectuur’ op, omdat de ultieme apotheose van de artistieke ego’s uit steen en beton bestaat (en niet uit levende, spontane, momentane gebeurtenissen). Maar vooral ook omdat de instellingen en de politieke macht zich in die tijdeloze prestige-architectuur spiegelen en er hun legitimiteit aan ontlenen. De moderne zonnekoning Georges Pompidou creëerde met het naar hem genoemde Centre Pompidou het absolute model voor dit monumentalisme,- de Herfordse burgermeester Thomas Gabriel, tevens voorzitter van de beheerraad van Marta, is er zowat het karikaturale eindpunt van.
Op naar Eschwege
Ondertussen heeft Jan Hoet al een uitwijkpiste voor moest het met zijn horrorkabinet in Herford echt misgaan: zo verward en idealistisch als de kunstgoeroes lijken, zo uitgekiend is hun carrière. In het nóg kleinere Eschwege (21.000 inwoners, het equivalent van Overijse of Erembodegem) nabij Kassel, hebben ze hem namelijk eveneens aangezocht om hun stad ‘op de wereldkaart te zetten’. Het geld is er nog niet, de plannen wel. Bilbao en New-York, vreest Eschwege! Gehry, Calatrava, Libeskind, Meier en Koolhaas, de big five van de wereldwijde vedette- architectuur, mogen hun potloden al aanscherpen.
Alle kritiek omtrent schaamteloze profileringsdrang,
spilzucht en megalomanie wordt door de neo-modernisten genadeloos weggeveegd, in
hun mateloze verachting van het plebs. ‘Kunst,- ze weten niet wat erachter
zit’. Wel, ik waag me aan een kleine hypothese. Er zijn momenteel bijna 5
miljoen werklozen in Duitsland. Dat is 10 procent van de beroepsbevolking. In
Herford, met zijn kwakkelende meubelindustrie, ligt dat ongetwijfeld nog een
stuk hoger: de middenklasse verarmt, dat wat eronder ligt geraakt in de
marginaliteit. Het weekblad ‘Unsere Zeit’ berichtte onlangs dat
nauwelijks 1 procent van de Duitsers bijna 70 procent van het totale vermogen
bezit, namelijk 2.913 miljard dollar (het gaat hier enkel over waardepapieren,
aandelen, cash geld enz...). Een vermogensbelasting van 1 procent hierop zou
meer dan 29 miljard dollar of 25 miljard euro opbrengen, maar de regering neemt
het geld liever af van de werklozen en organiseert belastingverminderingen voor
de hogere inkomens. In
deze terugkeer naar het brute oerkapitalisme spelen prestigeprojecten als Marta
de cruciale rol van mistgordijn.
Hoet’s dolle fratsen moesten o.m. dienen om de Duitse ‘hervorming van de
arbeidsmarkt’ te verpakken,- het beruchte Hartz-plan genoemd naar de
personeelsdirecteur van Volkswagen. Dit plan, opgestart onder de
socialist (!) Gerhard Schröder en nu voortgezet onder Angela Merkel (CDU/CSU),
voorziet o.m. een afbraak van het sociale zekerheidsstelsel, waarbij werklozen
na één jaar met een aalmoes van 345 Euro hun gezin moeten onderhouden. Een en
ander kadert in de blauwdruk van het liberaal-kapitalistische Europa zoals dat
in Lissabon 2000 boven de doopvont werd gehouden: privatisering van
gemeenschapsvoorzieningen, afbouw van publieke gezondheidszorg, minder
milieubekommernis, meer ‘flexibiliteit’ op de werkvloer en profijt voor de
aandeelhouders. De meubelfabrikanten willen snel hun personeel kunnen ontslaan,
en daarvoor willen ze best een stijlvol afscheidsfeestje organiseren,- ze zitten
tenslotte in de design-branche.
In deze terugkeer naar het brute oerkapitalisme spelen prestigeprojecten als Marta de cruciale rol van mistgordijn. Hoet’s dolle fratsen moesten o.m. dienen om de Duitse ‘hervorming van de arbeidsmarkt’ te verpakken,- het beruchte Hartz-plan genoemd naar de personeelsdirecteur van Volkswagen.
Hoet de sandwichman van het Duitse grootkapitaal? Ach, het zou ‘populistisch’ zijn om te suggereren dat het opgesoupeerde geld voor Marta beter door die vermogende één percent zou betaald worden dan door de werklozen, en dat met de uitverkoop van gebouw en inboedel heel Herford riant kan gaan wonen. Het zou zelfs niet helemaal intellectueel eerlijk zijn, om te stellen dat de ‘gewone man’ geen boodschap heeft aan de installaties van Melgaard en consoorten, afgezien van het feit dat ze zich tactloos, verwaand en wereldvreemd opstellen. De essentie van het verhaal zit dieper: Marta is een offerblok, een rituele plek waarop concrete verwachtingen rond levenskwaliteit ingewisseld worden voor de hype van een mateloos overroepen cultuurtempel, volgestouwd met artistieke nonsens. Het museum symboliseert in zijn pretentieuze monomanie de onaanraakbaarheid van de neoliberale wereldeconomie, door Bush en Blair op de sporen gezet. Men hoeft Marta niet te verstaan, men moet ze ondergaan, als een wetmatigheid, gelijk aan de spelregels van de vrije markt zelf. En dàt noem ik ook terreur, maar dan van het subtiele soort: groots-opgezette, irrationele mistgordijnen die de kritische massa van een samenleving smoren. Deze kunst is ongrijpbaar, onbegrijpbaar en transcendent,- ze kan niet in vraag gesteld worden, enkel becommentarieerd, zoals het incident met Melgaard’s installatie aantoonde. Dààrom gaan de Duitsers, van nature al geneigd om rattenvangers te volgen, urenlang geduldig in de rij staan voor dit ‘ambiance-museum’. Via de dure hersenkronkels van Gehry en Hoet wordt ongelijkheid op een listige manier gemythologiseerd: je bent arm/dom omdat je het spel niet goed speelt (en niet omdat de regels zelf niet deugen).
Dromenvangers
De twee laatste jaren is het verzet in Duitsland tegen de Hartz-plannen echter toegenomen, - en tegelijk ook de onvrede met de stedelijke face-lifts à la Herford. En het is een kwestie van tijd tot de twee convergeren in één brede beweging tegen de politieke zwendel, de vermarkting van alle waarden en het mateloze opbod van inhoudloos mediaspektakel. Nu gaan de ‘maandagbetogingen’ nog over sociale eisen, binnenkort worden ze cultureel-politiek, en dan heeft Hoet écht een P.R.-probleem.Want het Herfordse ongenoegen gaat allang niet meer alleen om het honorarium van Gehry en het clowneske aanmodderen van de curator met gemeenschapsgeld. De essentie is, dat mensen op zoek zijn naar waarheid en authenticiteit, die ze in deze aan het establishment gelinkte cultkunst niet vinden.
De affaire Melgaard bleek achteraf een kantelpunt. Onze kunstpaus beseft nu dat de melkkoe aan het leeglopen is, en demoniseert de critici, een klassieke truc: ‘Er groeit een klimaat waarin fundamentalisten van allerlei slag - politieke, religieuze, ecologische… - kansen krijgen. De kunstenaars zijn daar het slachtoffer van. Ik hoop dat vooral jonge mensen hiertegen zullen opkomen’ fulmineert hij in de lokale pers. Dat klimaat is er inderdaad, maar het verzet komt –jammer voor Hoet- vooral net van een jonge generatie die zich ‘fundamentalistisch’ opstelt, d.w.z.: naar de kern, doorheen de façades, buiten de Spielerei van de beeldcultuur. De corrupte generatie van Jan Hoet, Gerard Mortier, Joseph Beuys en Günter Grass is finaal uitgespeeld. Mensen gaan op zoek naar waarheid en vinden die niet in het midden, de structuren, de beeldtaal, de architectuur, maar in de marge, de okselholtes, hoekjes, de schaduw, de hiaten, de restruimtes.
De partijpolitiek heeft nauwelijks vat op deze nieuwe
subversiviteit. In Duitsland keren socialistische en groene partijleden zich
en masse af van hun leiding en van het politiek-correcte denken, dat net
vanuit het midden en de middelmatigheid het exces vergoeilijkte. De oppositie
verhardt en duikt onder in buitenpolitieke netwerken, zoals internet en de
wereld van de bloggers-gemeenschappen. Of ze gaan op straat in gekke plunjes en
mengen zich onder de massa. Op kermissen, in biertenten, dikwijls ook rond de
musea zelf. Om aan te geven dat ze de politieke peptalk én de artistieke zwendel
beu zijn, noemen ze zich Traumfänger (‘dromenvangers’), naar een oude
Indiaanse mythe. Hoet stigmatiseert deze ethisch- en ecologisch- geïnspireerde
burgerlijke ongehoorzaamheid als ‘fundamentalisme”,- en dat is de nagel op de
kop: een dood kind is onherleidbaar en kan nooit een kunstwerk worden, zelfs
niet via een foto. Een levende geit, ingepakt in latex, bevat geen enkele
boodschap, tenzij het lijden zelf dat vraagt om gestopt te worden.
Ook rond de surrealistische installatie die ‘België’ heet komt er eindelijk wat beweging, en duiken er individuen en groepen op die het systeem en zijn grammatika écht in vraag durven stellen. Zonder twijfel is het Vlaams Belang een belangrijke middelpuntvliedende kracht tegen de tirannie van het normenloze midden,- waarbij het cordon sanitaire deze kracht vooral beschermde tegen infecties vanuit het centrum. Maar ook het nieuwe initiatief van Jef Sleeckx om een échte linkse partij op te richten, is een boeiend en verademend gegeven. Niet zozeer het feit zelf, dan wel de onderliggende motivatie: een koppeling van sociale bewogenheid aan het besef dat onze cultuur zot draait en dat de politiek alleen nog met beeldvorming bezig is. Het is goed dat dit ‘fundamentalisme’ –een radicale politieke visie, gegrondvest op echte ethische principes en vertrekkend van een globale filosofie- na 15 jaar VB ook een linkerpool krijgt. Sleeckx en Annemans, ik kan me voorstellen dat beide, elk in hun taal en vanuit hun eigen ideologische premissen, brandhout zouden maken van Hoet en heel zijn Herford-cirkus. In dat perspectief van de katarsis wordt elke vorm van ‘extremisme’ een weldaad, van welke kant het ook komt. Al was het maar om de tegenstellingen terug zichtbaar te maken voor de publieke opinie. En om aan te tonen dat politiek over waarden gaat, niet over woorden.
Het Herfordse ongenoegen gaat allang niet meer alleen om het honorarium van Gehry en het clowneske aanmodderen van de curator met gemeenschapsgeld. De essentie is, dat mensen op zoek zijn naar waarheid en authenticiteit, die ze in deze aan het establishment gelinkte cultkunst niet vinden.
Blijft tenslotte de vraag of Günter Grass zijn Nobelprijs moet terugggeven, zoals een op doping betrapte atleet zijn medailles. Ik zou dat zeer bekrompen vinden: kunstenaars mogen nu eenmaal liegen, het is hun vak,- aan de dichterlijke vrijheden mag niet geraakt worden. Men zou toch moeten weten dat een fictie-auteur van zijn fantasie leeft en niet zozeer van zijn denkvermogen. Entertainers zijn geen profeten, men moet zijn geweten niet uitbesteden aan de literatuur.
Gelukkig is er nog Daniel Barenboim en zijn West-Eastern Divan Orchestra,- die is écht met politiek bezig, kunst op het scherp van de snee, waar de extremen elkaar raken. Geen melige vredeslyriek en ook geen horrorsensatie, maar wel een aan het leven en de werkelijkheid gelinkt laboratorium van Joden en Palestijnen die Beethoven spelen tussen het prikkeldraad. Barenboim, telg van Russisch-Joodse ouders, veroordeelt de inval van Israel in Libanon, omdat hij wél weet wat 'erachter’ zit. Namelijk een collectief zelfmoordproject dat in een Marta-installatie niet zou misstaan hebben.■
Reageren op dit artikel? Bezoek ons webforum