VISIONAIR BELGIË - JOHAN SANCTORM - ESSAYS
Terug naar startpagina Alle artikels Reageer via het Forum Samenvatting van dit essay Printversie (PDF)

Melencolia
Aspecten van een beschavingspathologie
Johan Sanctorum
25/5/2012
Onlangs
openbaarde kunstenaar Jan Fabre dat we na zijn dood zijn brein kunnen
bewonderen, als middelpunt van een postume installatie. “Ik kijk ook graag naar
mijn hersenen. In scans en in sculpturen”,- aldus de cultartiest. Grappig en pathetisch tegelijk: een
hoofdarbeider die onder de schedelpan gaat kijken, om te zien waar al dat moois
vandaan komt. Niets kan schoner zijn, dan dat wat schoonheid produceert. Toch
vermoed ik achter deze extreme uiting van ijdelheid een vorm van perplexiteit:
hoe hebben die hersenen dat klaargespeeld? De gearriveerde meester-kunstenaar
beseft plots dat hij nooit dat zal beheersen wat hem tot de creatie dreef.
Gevoelens van ontzag, (zelf)liefde, maar misschien ook van (zelf)haat en afkeer komen boven
in deze confrontatie. Dat wat men doorgaans inspiratie noemt (letterlijk: “de
geest die binnentreedt”, zoals in het Pinksterwonder), blijkt nu wat
gesuis van neuronen in een gesloten circuit. Met het kunstwerk als
onbeheersbaar, flatulair
neveneffect.
Ik herken Fabre’s perplexiteit overigens compleet: ook als schrijver beheers ik
de machine die schrijft geenszins, ik ben maar de hand van de andere die zich
ergens diep in een fysiologisch labyrinth ophoudt. Elk inzicht in dat brein
faalt bij voorbaat, hoe hard de neurologie ook haar best doet.
Eerder al werden de hersenen van Einstein in een bokaal met formol gestopt, in
de ijdele hoop dat de wetenschap het orgaan achter de relativiteitstheorie in
kaart zou kunnen brengen, en aldus die theorie zelf zou kunnen voorbijsteken.
Niet dus: een blubberige massa is het, meer niet. De hersenen van de Engelse
dichter Byron vielen bij de autopsie zelfs uiteen als een rotte biefstuk,
doordrenkt van alcohol. Het moet een verschrikkelijk zicht geweest zijn, vooral
voor literatuurwetenschappers: poëzie die ontstaat uit pure organische
ontbinding. Of zit er toch nog iets onder en achter die nevel? Wat heeft het
brein voor ons te verbergen? Of wat houdt het in petto?
Samenvatting (klik op een titel, of ga naar het begin van het essay)
1. Phänomenologie des
Geistes: het onleesbare brein
Kan
de mens zichzelf kennen? Natuurlijk niet. Evenmin als iemand zichzelf bij de
haren uit het moeras kan trekken, kunnen de hersenen “slimmer zijn dan
zichzelf” en hun eigen logica doorgronden. De groei van het brein staat in
functie van deze hopeloze achtervolging: we staan altijd minstens één stap
achter op ons eigen neurologisch complex. Dus wordt er geschreven, om bij te
benen. Maar elke tekst die geproduceerd wordt, bij wijze van zelfreflectie,
is een secreet van dat brein, en is dus per definitie ondecodeerbaar, in een
"te hoge" taal geschreven. We kunnen
ons eigen geschrift niet lezen. Zo ontstaat het ongelukkig bewustzijn. Hegels Phänomenologie des Geistes is het hoogte- en dieptepunt ervan.
Melancholie ontstaat daar, waar de spiegel enkel een zwart beeld geeft.
2. Spinning Jenny: de geboorte
van het apparaat
Tegelijk
met Hegels hersenspinsels voltrekt zich in West-Europa de “industriële
revolutie”. De machine breekt door, van ordinair werktuig tot universele
installatie. Een geniale ingreep om de gespletenheid van het bewustzijn op
te lossen en de melancholie te genezen. We ontwerpen geen apparaten voor ons
comfort, maar om uit het spiegelspel met het Ik te geraken. Het
apparaat wordt een min of meer adequate afbeelding van het menselijk brein,
en kan meegroeien met dat brein. Het machine-ontwerp neemt het dan
definitief over van de tekst als encefalogram: de industriële revolutie is
vooral een culturele revolutie zonder weerga. Spinning Jenny, de
eerste automatische weefmachine, overtreft meteen Hegel, de filosofie en
alle teksten. Ze is hét archetype van de moderniteit.
3. Homo universalis: de grote
gelijkschakeling
Deze
industriële omwenteling werd al voorspeld en geconceptualiseerd door
Leonardo da Vinci. Meer dan zijn artistiek talent, waarderen we hem als
uitvinder en machinebouwer, wiens technisch humanisme de gelijkvormigheid
van alle breinen vaststelt. Een mens is, wie een apparaat kan bedienen: de
massaproductie van de tuigen stelt het bestaan voorop van één humane,
pragmatische intelligentie, zij het in domme, middelmatige en geniale
varianten. Het gebruiksvoorwerp vertrekt van en leidt naar de Universele
Mens, met de technologie als grote gelijkmaker. Er ontstaat nu zoiets als
een Wereldgeest, een planetaire intelligentie waaraan iedereen kan
participeren, dankzij de gebruiksvriendelijkheid en de universele
beschikbaarheid van het apparaat.
4. De auto-mobiel en de ontplofte Rede
De
machines worden beter en slimmer, er zit systeem in de vooruitgang. Met de
geboorte van de automobiel rond 1900 krijgt het apparaat het karakter van
een automaat, waarnaar de menselijke intelligentie langzaam maar zeker
migreert. Het universele apparaat ontwikkelt nu een eigen gravitatie die
alle intellect absorbeert en letterlijk het stuur over neemt. We denken dat
we met de auto rijden, maar eigenlijk rijdt de auto met ons. Het
verkeer is alomtegenwoordig en onontkoombaar, als rituele onderwerping. De auto is de behuizing van de
“ontplofte Rede”, definitief weggeglipt uit het menselijk lichaam. De
Wereldgeest is niet meer in ons, maar buiten ons, transcendent, in het
verkeer, de installaties, de netwerken. De techno-verslaving en de
onderwerping aan het apparaat bespoedigen deze brain-drain.
5. Homo demens: de neurologische
collaps
De evacuatie van het menselijk-biologische brein leidt tot een collectieve
dementering, juist via de techno-cultuur. Allerlei toenemende vormen van
idiotie wijzen erop dat we evolutionair op de terugweg zijn. De hersenen
worden weker, de mens dommer, de machines slimmer. De wetenschap lijkt wel
vooruit te gaan, maar niemand heeft nog het overzicht, kennis wordt steeds
smaller. De homo demens volgt de homo sapiens op. Jeugd, luciditeit,
kritisch potentiaal en synthetisch vermogen worden iets marginaal. De
ouderdom en de seniliteit worden algemeen. De medische spitstechnologie
creëert een algemene Alzheimercultuur die het verdwijnen van het menselijk
ras nog zal bespoedigen. De ultieme redelijkheid van de machine, als
meta-evolutionaire appendix?
6. Fukushima etcetera: de grote
crash
De proliferatie van de Wereldgeest in alle mogelijke systemen en netwerken
maakt de fysieke mens overbodig en de technologie suïcidaal: vooral de
hypermobiliteit (iedereen steeds onderweg) lokt de crash uit, naast
boortorens, kerncentrales enz., maar ook alle mogelijke nefaste en cancerogene
neveneffecten van de voedselproductie. Wat
werkt, is de uitzondering, niet de regel. De crash en de intoxicatie zijn onvermijdelijk en
zelfs gewild. De Wereldgeest, als externe intelligentie, stuurt ons dommer
wordend brein actief aan om een catastrofale apparatuur te genereren, die
het verdwijnen van onze soort bespoedigt. De beschaving lijkt steeds meer een blunderboek,
waarbij de onbeheersbaarheid van de apparatuur en de systemen een
machtsovername door die systemen maskeert.
7. Eudaemonie: techno-roes en
terminaal hedonisme
In het dommer woorden van het menselijke brein (dementering, zombificatie)
spelen de communicatie- en consumptiecultuur een sleutelrol: de commerciële
distributie van het apparaat moet totaal zijn, er mogen geen ascetische
eilanden overblijven. Dat vergt een ingenieuze marketing van het geluk. De wereldmarkt
moet, als eindpunt van de homogenisering, vooral genot verschaffen en
hernieuwen, als tranquilizer vóór en in de crash. De catastrofe
krijgt dus een geluksfactor toegemeten: het hedonisme en het optimisme
zullen toenemen, naarmate het einde nadert. Het vage besef dat het gedaan
is, en de afkeer van het fysieke lijden dat met die ondergang gepaard zal
gaan, drijft ons steeds weer naar de roesbeleving rond het apparaat, als
gadget. Daarmee lost de melancholie definitief op in de “gelukzaligheid van
de lege schedel”.
8. Epiloog: de on-mens
Hoe onontkomelijk deze (d)evolutie ook is, toch zijn er interessante
vertragingseffecten. De Wereldgeest kan zijn migratie uit het menselijk
brein namelijk alleen voltooien indien “de mens” als soort één en ondeelbaar
blijft in de markt en de wereldcultuur. De afwijkingen en uitzonderingen kunnen echter zo’n vormen aannemen, dat er
aan de rand van de humaniteit monsters opduiken,- on-mensen die niet
deelnemen aan de wereldmarkt, de voorgeschreven consumptiepatronen niet
volgen, en een firewall rond hun brein ontwikkelen. Ze zijn cultureel
inert en betrekkelijk immuun voor de virale logica van de gadgetindustrie.
Deze “fatale uitzonderingen” zijn ze het gevolg van organische mutaties die
het soortbegrip “mens” op de helling zetten, zowel fysiologisch als mentaal.
De on-mens is autarkisch en monadisch: hij overstijgt de tweespalt tussen
het Ik en zichzelf, omdat er geen wereld is waarin hij zich
moeten reproduceren. De Kafkaiaanse monsters zijn de laatste oneffenheden in
het globalistisch universum. Ze zijn de schrijvers van het ongeschreven boek, en de
allerlaatste, ultieme vorm van (in-)humane “cultuur”, alvorens de planeet definitief
automatiseert.
1. Phänomenologie des Geistes: het onleesbare brein
De antropologie le
ert ons dat de menselijke hersenen in een niet te stoppen
groeispiraal zitten. Van 300 cm³ bij de Australopithecus, zo’n twee miljoen jaar
geleden, over 800 cm³ bij de Homo Habilis (verschijnen van de eerste werktuigen,
een miljoen jaar terug), naar de Homo Erectus met 1200 cm³ (150.000 jaar
geleden), tot 1500 cm³ bij de moderne mens. Ze worden groter én complexer,
waardoor ook de schedelomvang moest toenemen, het baren moeilijker werd, en de
kinderzorg zich opdrong. Dat kwam dan weer de overdracht van cultuur ten goede,
het doorgeven van kennis,
technologische perfectionering, waardoor de hersenen
nog meer aanzwollen en nog meer IQ opleverden, het kon niet op.
De evolutie is in eerste instantie een cerebrale evolutie, een breinexpansie, het lichaam volgt: de hersenen dwingen als het ware de schedel tot uitzetten. Dit proces voltrekt zich breuksgewijs, catastrofaal, in revoluties, te beginnen met het inruilen van de jungle voor de savanne.
Met het ontstaan van het bewustzijn en het identiteitsbesef, het moment namelijk dat de mens zich in de spiegel herkent, geraakt het intellect echter in de knoop: het moet nu niet alleen de wereld rondom zich begrijpen, interpreteren en beheersen, maar, veel hachelijker, het moet zichzelf doorgronden. Het devies "Ken u zelf" drijft ons naar de epistemische afgrond.
Door het zelfbewustzijn gaat het menselijk brein als het ware in kortsluiting en wordt het voorwerp zijn hun eigen onderzoek. Dat is gevaarlijk, onzinnig en slecht voor de evolutie an sich, want hersenen die zichzelf proberen te begrijpen gaan in overdrive. De interpretatie van zichzelf is logisch én fysiologisch gezien een kwadratuur van de cirkel. Want evenmin als iemand zichzelf bij de haren uit het moeras kan trekken, kunnen de hersenen “slimmer zijn dan zichzelf” en hun eigen logica doorgronden. Misschien willen ze het zelfs helemaal niet, en krijgen we daarom alleen vlekken te zien. De meest primaire verwerking van deze zelfpijniging heet religie: God is niets anders dan de zwarte vlek die het menselijk brein voorstelt, als een onleesbare tekst. Het mysterie God is de gesublimeerde domheid: het spoor van een mislukte menselijke poging om de menselijke intelligentie te begrijpen. Veel later zal dat een bezigheid opleveren die “filosofie” heet, met als absoluut hoogtepunt de Phänomenologie des Geistes, zijnde de hersenscan van Georg Wilhem Friedrich Hegel anno 1807. Een hoogte- én een dieptepunt.
"Evenmin als iemand zichzelf bij de haren uit het moeras kan trekken, kunnen de hersenen “slimmer zijn dan zichzelf” en hun eigen logica doorgronden. Misschien willen ze het zelfs helemaal niet, en krijgen we daarom alleen vlekken te zien: melancholie ontstaat daar, waar de spiegel enkel een zwart beeld geeft."
Dat boek is, zoals de meeste filosofische geschriften, in se onbegrijpelijk. Niet omdat het onzinnig is, maar omdat het de weerspiegeling betreft van een mentaal labyrinth,- de spookachtige afdruk van het menselijk brein, dat zichzelf sowieso niet kan ontcijferen. De tekst is, als monoloog van het brein, hooguit een Rorschach-vlek: we kunnen ons eigen geschrift niet lezen. Het boek zegt iets over de menselijke geest, maar niemand weet wat, al doen exegeten verwoede pogingen. Immers, om de Hegeliaanse hersenen te kunnen begrijpen moet onze herseninhoud toenemen; dat kan, door training en genetische selectie, maar dat levert nieuwe hersenen op die weer zichzelf moeten proberen te begrijpen, wat dus een brein vereist met een nog hogere graad van complexiteit, met een nog moeilijkere tekst als output, enzoverder, ad infinitum.
De
tekst loopt altijd achter op het object dat het wil beschrijven. Ze is een over-
of onderbelicht encefalogram. De
fenomenologie van de geest levert steeds, tot onze verbijstering, een klodderige, zwarte inktvlek op, even zwart als de gedichten van Lord Byron.
De wereldliteratuur is
nooit meer geweest dan
een verzameling hersenspinsels, afgescheiden door hypochonders die wanhopig iets
over zichzelf probeerden te weten te komen. En de daaraan verbonden
melancholie in de lezersmarkt introduceerden. Wat het ongelukkig bewustzijn
alleen maar groter maakte. Melancholie ontstaat daar, waar de spiegel enkel een
zwart beeld geeft, dat we toch willen lezen.
Een eeuw later zal Ludwig Wittgenstein vaststellen dat denken over zichzelf een absurde bezigheid is en dat het intellect altijd vastloopt op zijn eigen beperking (“de grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld”): 4000 jaar filosofie naar de vaantjes.
Willen is hier niét kunnen. Denken over zichzelf is een hopeloze wilsacte, een zelfkwelling. Noch met schrijven, noch met lezen komen we eruit: de tekst valt niet te ontcijferen. Wereldwijde alfabetiseringsprojecten lossen dat probleem niet op, integendeel. Wat achterblijft is een ongelukkig bewustzijn, melencolia genaamd. De depressie die ons overvalt in boekenwinkels en op boekenbeurzen, houdt verband met die intrinsieke absurditeit van de lectuur. Ook voor Hegel zelf was die Phänomenologie een zwart gat, wat hij terloops toegaf: we zijn altijd net iets te dom om onszelf te begrijpen. Zoals de schildpad wel dichterbij komt maar nooit door de hardloper wordt ingehaald. Vervelend jeukgevoel ontstaat.
2. Spinning Jenny: de geboorte van het apparaat
Naarmate
het vermoeden groeide –en dat is misschien nog de grootste verdienste van de
menselijke beschaving- dat God maar een schim is, een sluier over het brein dat
zich afdekt, moest de paradox van de zelfkennis op een andere manier worden
omzeild. Maar hoe de complexiteit van het brein op een symbolische manier naar
buiten brengen, zonder metafysische stoplappen, noch religieuze, noch
filosofische? Hoe het brein iets over zichzelf laten zeggen, via een "leesbare"
code?
Het antwoord zit in de machine: het intellect laten spreken, niet via de tekst, en nog minder via het goddelijk mysterie, maar via de apparatuur. De onmogelijke relatie tussen de mens en zijn hersenen wordt dan bemiddeld via de werktuigen: het is de homo faber die de paradox van de zelfkennis oplost, zij het fragmentair, imperfect en meestal zelfs klungelig. In deze menselijke fabriek kon het brein iets over zichzelf zeggen, zonder met zichzelf samen te vallen. We zijn niet begonnen met werktuigen te maken voor ons eigen comfort, maar om de dodelijke afgrond van het Ik te ontlopen. De machine is de grootste overwinning op de melancholie. Alle artefacten komen voort uit een gespleten bewustzijn,- het zijn synthetische producten die een stukje complexiteit weerspiegelen van de hersenen van hun eigen maker.
Een dodelijke afgrond? De moderniteit is inderdaad de ultieme overlevingsstrategie van de menselijke geest: hadden we onze langzaam oprijzende bewustzijnsvraag (“Wie ben ik?”) niet teruggebracht naar een instrumenteel niveau, de fabriek in de buitenwereld, dan waren we al lang collectief gek geworden en uitgestorven. Het is niet toevallig dat Hegels Phänomenologie, het hoogte- en eindpunt van de filosofie, samenvalt met het begin van de zgn. industriële revolutie. Het machine-ontwerp neemt het dan definitief over van de tekst als breinmonoloog: de industriële revolutie is vooral een culturele revolutie zonder weerga.
"De onmogelijke relatie tussen de mens en zijn hersenen wordt bemiddeld via de werktuigen: het is de homo faber die de paradox van de zelfkennis oplost, zij het fragmentair, imperfect en meestal zelfs klungelig."
De spinning Jenny,
een weefmachine
die op het einde van de 18de eeuw door de compleet ongeletterde
Engelse timmerman James Hargreaves werd ontworpen, was een technologisch wonder
dat het pro
ductieproces
een enorm stuwing zou geven. Maar, veel meer dan dat, was dit artefact een
middel voor de gekwelde mens om zich van het ongelukkig bewustzijn te bevrijden,
en zijn brein analoog
in de
wereld te laten verschijnen, als consumeerbaar tuig, toestel, apparaat.
De etymologie zegt hier veel: het woord “apparaat” komt van het Latijn apparere, “verschijnen”. Fenomenologie van de geest dus, maar dan materiëel, als “verschijnend object”, raderwerk en machine. De afkomst van de naam Jenny is ook interessant: het zou een anagram zijn van het Engelse woord engine (machine), naar het Latijn ingenium, dat “verstand” betekent, intelligentie, zijnde de kwaliteitsstatus van het brein.
De industrie-arbeider hoeft zich niet te alfabetiseren, de industriële installatie is zelf het denkend-actief orgaan waarmee hij zich dagelijks uiteenzet. De ingenieurs hebben ons van het geloof en van de leesdwang verlost: de sleutel tot onze eigen intelligentie zit in de praktische omgang met de tuigen, en nergens anders. Uiteindelijk is het kunstwerk, zoals het vandaag gecultiveerd wordt, maar een afleiding van dat apparaat. Fabre zat er dus niet ver naast, maar er ook niet op. Kunstzinnige machines of “kinetische kunstwerken” à la Tinguely en Panamarenko verwijzen naar de Spinning Jenny en het ingenium erachter, maar ze zijn nodeloos bezwaard met metafysische voetnoten en esthetische codes. Ze produceren opnieuw teksten en handleidingen om het kunstwerk te “lezen”, terwijl het apparaat alleen maar moet gebruikt worden. Waardoor het brein ook zichzelf leert begrijpen, en dat was de bedoeling.
3. Homo universalis: de grote gelijkschakeling
Markeert
de 19de eeuw het tijdperk van de industriële revolutie, als antwoord op Hegel,
dan was de
romantische reactie tegen het technische ingenium en zijn industriële expansie hardnekkig. Heel de 19de eeuw wordt getekend door een
schaduwgevecht tussen mens en machine, metafysica en mechanica. Sinds het
allereerste prototype van zijn weefmachine was uitvinder James Hargreaves
opgejaagd wild: Spinning Jenny werd meermaals in elkaar geslagen door een
razende meute. Boeren protesteerden tegen
de stoomlocomotief die de melkproductie van hun koeien in de war zou sturen.
Maar ook de dichters en allerlei romantische intellectuelen schamperden op de
diabolische lelijkheid van de techniek. Later zal blijken wat het voorwerp van
hun instinctieve angst precies was.
Daartoe moeten we even terug naar de geboorte van het technisch vernunft dat zich tegen de metafysica keert en tegen de tekst als ijle breinspiegeling: het verschijnen van de homo universalis, in de persoon van Leonardo da Vinci, ingenieur, uitvinder en kunstenaar in één persoon.
Het artistieke werk van Leonardo wordt sinds de romantiek de hemel ingeprezen: hij is de schilder van Het Laatste Avondmaal waar heel de cultuurwereld zich op blindstaart. Terwijl hij wellicht de kunst slechts als pose en dekmantel gebruikte: primair was Leonardo een uitvinder. Zijn echt genie investeerde hij in machine-ontwerpen: rekentoestellen, muziekinstrumenten, marteltuigen, helikopters, tanks, onderzeeboten. Elk ontwerp presenteert zich daarbij als een fragmentaire maar leesbare afdruk van de menselijke Rede. Het proto-industriële universum dat zo ontstond, weliswaar grotendeels imaginair en in de ontwerpfase gebleven, kon beetje bij beetje de groeiende complexiteit van dat brein zelf weerspiegelen, iets wat men nadien “vooruitgang” noemde.
Daarmee wordt de machine hét rituele fetisj dat alle menselijke wezens verbindt. De zogenaamde dubbelnatuur van Leonardo, als kunstenaar en technicus, leverde hem de bijnaam “homo universalis” op, een bijnaam die we vandaag anders kunnen interpreteren: hij heeft, via het apparaat, de planetaire eenheidscultuur geïntroduceerd. Want dat is de grote boodschap achter de duizenden machine-ontwerpen die we van zijn hand kennen: het apparaat gaat uit van één menselijk lichaam en één psyche, waaraan het apparaat wereldwijd wordt aangeboden.
"In Leonardo’s droom is de machine niet alleen een afdruk van de menselijke geest. De industriële techniek maakt ons ook gelijk, elke dag opnieuw. Een mens is, wie een apparaat kan bedienen. Iedereen wordt een homo universalis, dankzij Krefel, Vandenborre, Mediamarkt."
Het genie creëert, de massa consumeert. Beiden zijn betrokken in hetzelfde integratieproject. De massaproductie van de tuigen stelt het bestaan voorop van één humane, pragmatische intelligentie, zij het in domme, middelmatige en geniale varianten. Dat maakt tenslotte alle apparaten universeel toepasbaar, en dat is de clou van het Leonardische project: het gebruiksvoorwerp vertrekt van en leidt naar de Universele Mens, met de technologie als grote gelijkmaker.
Andere
definities zijn overbodig, er geldt alleen nog deze circulaire: een
mens is, wie een werktuig kan bedienen,- dat uiteraard zelf uit een menselijk brein
afkomstig is. Onze renaissancekunstenaar kijkt daarbij
ver vooruit naar het tijdperk van de massaproductie, het consumentisme, de
instrumentele samenleving, de gadgetcultuur. Er ontstaat nu zoiets als een
Wereldgeest,- de naam is een bewuste persiflage op Hegel,- waaraan iedereen
kan deelnemen, dankzij de universele beschikbaarheid van één en hetzelfde
apparaat, steeds nieuwer, steeds beter, steeds universeler.
De Vrolijke Wetenschap, die in de renaissance ontstond, is dan ook geen tekstuele zelfbevrediging maar het protocol van een éénmakingsproject. Elk gebruik van een voorwerp is een cognitief en reflexief ritueel, maar tevens ook een bevestiging van de eenheid van de menselijke soort. Iedereen participeert aan de humane intelligentie en wordt een homo universalis, dankzij Krefel, Vandenborre, Mediamarkt. In dagelijkse gebruiksobjecten als de mixer, de koffiezetmachine, of de dvd-speler, herkent elke hominide iets van zijn eigen breinstructuur, anders kon hij het toestel niet bedienen. Maar tegelijk spiegelen alle breinen zich aan elkaar dankzij de massaproductie en de geglobaliseerde markt. De ontwerper streeft naar eenvoud, gebruiksvriendelijkheid en planetaire eenduidigheid: zowel een Chinees als een Hottentot als een Westvlaming moeten het apparaat kunnen bedienen. De bijsluiter mag nooit meer zijn dan een summiere handleiding, en het liefst is deze helemaal overbodig.
In Leonardo’s droom is de machine dus niet alleen een afdruk van de menselijke geest. De industriële techniek maakt ons ook gelijk, elke dag opnieuw. De dagelijkse training in het verkeer, de huiselijke arbeid, op de werkvloer, om met een breed, immer groeiend en steeds vernieuwend gamma van apparaten en apps om te gaan,- is dé rituele communio van de moderniteit. Ze is een voorwaarde om mens te zijn en mens te worden. Ze creëert een solidaire humaniteit, boven en buiten alle politieke, sociale of culturele tegenstellingen.
4. De auto-mobiel en de ontplofte Rede
Rond
1900 is de strijd tussen mens en machine gestreden, en is de geünificeerde Mens
klaar voor het universele apparaat dat zijn triomftocht doorheen hele de 20ste
eeuw zal maken: de auto-mobiel, aangedreven door de ontploffingsmotor. In het
begin zijn het nog puffende en dampende ketels, maar ze worden sneller,
sierlijker, gebruiksvriendelijker,… en vooral: ze worden massaal geproduceerd,
de auto is er voor iedereen, zo beslisten Henry Ford en zijn epigoon Adolf
Hitler.
Vanaf dan leven en sterven wij voor de auto. Heel ons denken, voelen, behoeftenpatroon richt zich naar dat gebruiksvoorwerp dat opnieuw de dimensies van een sacraal fetisj krijgt, maar dan met een echte werking die onze eigen autonomie aantast. Het Leonardische apparaat treedt nu in een nieuwe fase van de automaat: het is niet enkel instrument van de nivellering en humanisering,- het neemt de hendels vanaf hier over en ontpopt zich tot een zelfstandig gravitatieveld dat ons intellect opslorpt als een groter worden zwart gat.
"Het intellect is niet meer in ons, het leeft buiten ons, het is zich definitief aan het onthechten van de lichamen waarin het was gegroeid. Wij zijn niets meer dan marionetten of zombies. Wat eerst nog een participatieve Wereldgeest was, wordt nu een vampirisch superorgaan dat het menselijk brein leegzuigt. Het apparaat wordt autonoom en automaat."
Het lijk erop dat de menselijke hersenen via de werktuigen een entiteit hebben
gecreëerd die alle individualiteit overstijgt en steeds autonomer functioneert,-
letterlijk het stuur over neemt.
Ironisch genoeg blijkt
hét moderne symbool van de vrijheid, de auto, een weergaloos object van de
verslaving. Een auto voor iedereen, en alles voor de auto.
We denken dat we met de auto rijden, maar eigenlijk rijdt de auto met ons.
Het verkeer bezegelt en ritu
aliseert deze onderwerping aan de ontplofte Rede. De auto is democratisch-libertair en despotisch-totalitair tegelijk. Ondanks alle
ecologische inspanningen vandaag om hem te demoniseren, ondanks uit de pan
rijzende olieprijzen, crashes, verkeersdoden, files, blijft iedereen auto
rijden. Waarom? Omdat de auto niet zomaar een gebruiksvoorwerp is, een utilitair
“outil”, een ordinair vehikel, maar een ritueel object. We rijden zelfs niet
meer van A naar B,- we rijden gewoon om te rijden, en staan vooral stil. Hij
maakt dat we onszelf kunnen identificeren en vergelijken met de anderen: we zijn
allemaal slaven, en dat stelt ons gerust.
Deze objectieve waanzin is enkel mogelijk dankzij een totale evacuatie van intelligentie, een brain drain die men als een efficiënte list van de Rede moet beschouwen. Het intellect is niet meer in ons, het is gemigreerd en leeft buiten ons,- het is zich definitief aan het onthechten van de lichamen waarin het was gegroeid. Het pinksterwonder, maar dan omgekeerd: de geest vloeit uit de breinen. Na deze extractie zijn we niets meer dan marionetten of zombies. Wat eerst nog een participatieve Wereldgeest was, wordt nu een vampirisch superorgaan. De Leonardische machine, als afdruk van de menselijke intelligentie, blijkt een demon te bevatten die wel uit ons bewustzijn voortkomt maar ons niet meer nodig heeft. En in de natuur verdwijnt alles wat overbodig is...
5. Homo demens: de neurologische collaps
Het aantal publicaties, wetenschapelijke en vulgariserende, over de
menselijke hersenen, is niet bij te houden. Het is alsof het ontledigde brein in
een laatste, hopeloze krachtinspanning de hersenmassa wil inventariseren,-
terwijl er steeds minder te inventariseren valt. En hier komt de tech
nofobische
argwaan van de romantiek terug op de proppen. Als er onder de motorkap een wezen
zit dat heel onze cultuur beheerst,- als de auto de incarnatie zou zijn van het
in en door de moderniteit verrezen Wereldbrein, dan zijn we aan een nauwelijks
voor te stellen biologische regressie bezig, terug naar het stadium van mensaap,
en zo verder, tot het reptiel, het insect.
De evacuatie van menselijke intelligentie naar de machine is de triomf van de technologie, maar tegelijk maakt ze onze hersenen werkloos en dus gedoemd tot wegkwijnen. De informatica-industrie leidt de dans, elk apparaat bevat wel een chip die in onze plaats "denkt". Het is frappant hoe de techniek ons in slaap wiegt om niet meer wakker te worden. Het comfort werkt als een doodskussen. De auto’s worden steeds sneller, zuiniger, slimmer, terwijl de automobilist steeds trager, spilzuchtiger en dommer wordt. Het kwaliteitsbeginsel wordt in toenemende mate een exclusief label van het apparaat. De opgaande lijn van de menselijke evolutie is gestopt, de automaat heeft die lijn overgenomen. Die terugval is merkbaar in alle aspecten van de omgang met de apparatuur. Van producent tot eindgebruiker.
Deze toenemende idiotie komt ook tot uiting in een toenemende vervreemding t.o.v. de totale machine, als ontwerp, systeem, logica. Nemen we even plaats in het door Leonardo ontworpen voertuig, een Alfa Romeo Giulietta TCT. Een droombolide, via hendels, knuppels en knopjes helemaal ons verlengd en geëxpandeerd lichaam waar zelfs een flitspaal zich op verkijkt: aan het dashboard waant iedereen zich God. Het probleem ontstaat pas als het vehikel in panne en op de pechstrook belandt. Dan blijkt pas dat we dingen gebruiken die we niet kennen, en enkel knopjes kunnen bedienen.
Het is frappant hoe de techniek ons in slaap wiegt om niet meer wakker te worden. De auto’s worden steeds sneller, zuiniger, slimmer, terwijl de automobilist steeds dommer wordt. De evacuatie van menselijke intelligentie naar de machine is de triomf van de technologie, maar tegelijk maakt ze onze hersenen werkloos en dus gedoemd tot wegkwijnen.
De perplexiteit bij het openen van de motorkap, we kennen het gevoel allemaal, en bekennen: het enige wat ik weet, is dat ik niets weet. Touring bellen en afslepen naar de garagist. Die weet wél wat er onder de motorkap zit en is dus een stuk slimmer. Vanaf dat moment is hij God en wij idioten,- we betalen gedwee de rekening. Maar als het gaat over de chemische processen in een verbrandingsmotor en de thermodynamica, moet ook de garagist passen, en komen we bij de ingenieur terecht, en daarna bij de fysicus en de kwantummechanicus. Is deze laatste dan de slimste van de ketting? Neen, want de man blijkt niet eens een auto te kunnen besturen, hij is dus de domste!
Via deze Escheriaanse gra
p,
waarbij de hoogste trap aansluit op de laagste, wordt duidelijk dat de
laatmoderne machine vooral onze onwetendheid demonstreert. Flarden van kennis en
bewustzijn schieten nog door ons hoofd, maar niemand heeft het overzicht. Het
onderwijs tracht wanhopig orde te brengen in dit imbroglio, maar tevergeefs: een
kind van twaalf kan straks niet meer tot 100 tellen, zijn leerkracht trouwens
ook niet. We controleren de planetaire intelligentie al lang niet meer. De
individuele breinen verschrompelen tot somnambulische dwaalgeesten. Hier en daar
staat er een intellectueel te roepen dat we de wereld moeten verbeteren, terwijl
we binnenkort nog de hersenen van een kakkerlak hebben en alle problemen zich
vanzelf oplossen.
Deze neurologische collaps uit zich op een komische manier in de perverse effecten van de medische vooruitgang. Onze hersenen sterven af, eens de 20 gepasseerd. Dus zouden we volgens de evolutielogica jong moeten sterven, maar dat gebeurt net niet. Naarmate de gemiddelde leeftijd stijgt, dankzij de wetenschap, daalt de gemiddelde intelligentie van de aardbewoner. We zijn al langzaam aan het dementeren, nog voor onze carrière begonnen is. De medische spitstechnologie creëert een algemene Alzheimercultuur die het verdwijnen van het menselijk ras zal bespoedigen. Jeugd, luciditeit en synthetisch vermogen worden iets marginaal. In een negatieve spiraal maakt een dommer wordend brein zichzelf kapot, een proces dat ik seniliscentie noem,- exact de omgekeerde beweging dus van de evolutie tot homo sapiens.
De organisatie van wetenschap en technologie zelf, in kleine deeldisciplines, introduceert de idiotie zelfs bij de machinebouwers, de verbleekte en gedegenereerde nakomelingen van Leonardo. De vier kennisniveau’s van resp. gebruiker, vakman, ingenieur, en natuurkundige, die vandaag rondom het apparaat actief zijn, zijn zodanig van elkaar geïsoleerd dat de neurologische collaps haast onvermijdelijk wordt. Wetenschap en idiotie vallen in toenemende mate samen, op een tragikomische manier. Alleen het apparaat zelf wint en groeit. Superinstallaties zoals een deeltjesversneller hebben zelfs geen industrieel nut meer, maar fungeren louter als synthetische hyperbreinen waarin elke menselijke participant, van de man die de bouten aandraait tot de academische witte schort, maar een minuscuul element van het raderwerk uitmaakt.
De machtsovername van deze planeet door robotten is niet zo science-fiction-achtig als het lijkt: de machine, als meta-evolutionaire appendix, krijgt steeds meer de kenmerken van een wezen, entiteit, individu,- terwijl de bedieners mentaal ontbinden in deze beschermde werkplaats, ergens op een vaste plek met een beperkt uitzicht.
Hadden de technofobe romantici toch gelijk?
6. Fukushima etcetera: de grote crash
Zopas reed een autobus met schoolkinderen zich te pletter tegen een Zwitserse
rotswand. Grote consternatie, nationale rouw, bloemen en tranen. Maar alle
installaties en netwerken blijven daarbij onbesproken. Wezenlijk
wordt het grote
apparaat niet in vraag gesteld, om de eenvoudige reden dat we daar intellectueel
zelfs niet meer toe in staat zijn. De grote crash, die zich reproduceert in
talloze mini-crashes, wordt haast een euforische omarming van het machinepark en
zijn wegenraster.
De auto-mobiel maakt dan zijn status helemaal waar van zelfrijdende doodskist, met een bestuurder-passagier in vervoering, tot de dood erop volgt. We verongelukken niet zomaar, de auto stuurt ons recht de afgrond in, en we willen, dat ook, al van bij de aankoop. Mogelijk was de ingenieur/uitvinder Leonardo al doordrongen van dat abyssaal/suïcidaal moment in de techniek. Mogelijk was hij zelfs een door de Rede vooruitgestuurde doodsengel. Maar dat maakt achteraf zelfs weinig uit: in de crash wordt de euforische eenheid met de "slimme" machine gerealiseerd. Onze dood is haar apotheose.
Vanaf dan breidt deze thanatologie zich uit over industriële installaties, systemen, ook socio-politieke structuren, bureaucratieën, meubilair, gadgets, teksten, recepten, formules, voorschriften, kortom, alles wat de ontplofte Rede kan bedenken om de dementerende lichamen te likwideren. Het openbaar vervoer perfectioneert nog deze suïcidale techniek op een grotere schaal. Bussen, treinen, vliegtuigen,- het zijn instrumenten van een grootse deportatie met de vernietiging van de menselijke soort als einddoel,- een genocide die in elke schroef, in elke kabel, in elk elektronisch circuit gecodeerd zit. Overigens zullen privé-mobiliteit en openbaar vervoer versmelten in één programmatorisch complex dat de individuele autonomie tot een absoluut minimum beperkt. De mobiliteit wordt passief en infantiel, we eindigen als een ketting van zingende rolstoelpatiënten. Euforie en ver-voering: niet toevallig zijn het termen die mobiliteit linken aan roes.
Wat werkt, is de uitzondering, niet de regel. De crash is onvermijdelijk en zelfs gewild. De Wereldgeest, als externe intelligentie, stuurt ons dommer wordend brein actief aan om een catastrofale apparatuur te genereren, die het verdwijnen van onze soort bespoedigt.
De industriële en politiek-sociale catastrofe is geen accident maar de essentie. Uiteindelijk is de moderne geschiedenis zelf een "machine" waarin menselijke individuen niets meer in de pap te brokken hebben, zoals in de oudste Griekste tragedies. De geschiedenis zelf ontplooit zich als triomf van de ontspoorde menselijke geest, ontsnapt uit het lichaam. De 20ste eeuw was de eeuw van de totale machteloosheid tegenover die planetaire intelligentie. Hitler en Stalin maakten er een zootje van, maar ook zij waren slaven van een geperverteerde Ratio. Volkswagen was geen uitvinding van Hitler, misschien was het eerder andersom. Onze toenemende onderwerping aan de pensée unique is zelfs niet politiek of ideologisch, maar biologisch en evolutionair.
Daarmee
is het kennisproject van Leonardo definitief naar het absurde verwezen. De
Ratio, het super-ego van de humaniteit dat daar ergens rondzweeft, is onze
killer. Hij heeft ons niet meer nodig. Hij creëert de machine als een
blindganger waarvan het gebruik onvermijdelijk leidt tot misbruik, zichtbaar in
soms hilarische stommiteiten. Dat is een evolutie die door de onzichtbare hand
van de Wereldgeest zelf gecontroleerd wordt: het grote menselijke blunderboek
leest steeds meer als een complot van de technische rede tegen het brein waaruit
het ooit ontstond. De crash en de intoxicatie zijn onvermijdelijk en zelfs
gewild. De Wereldgeest, als externe intelligentie, stuurt ons dommer wordend
brein actief aan om een lethale apparatuur te genereren, die het verdwijnen van onze soort
bespoedigt.
Ik heb die blunders in een vorig essay, “De Zesde extinctie” opgelijst: heel de geschiedenis van de wetenschap is één grote slapstick van vallende vliegtuigen, gecrashte vaders, geëlectrocuteerde moeders, Softenonkinderen zonder armen of benen, kunstmatig gemuteerde schapen die strompelen op zes poten, cancerogeen voedsel, radio-actief bestraalde populaties, lekkende boorplatformen, ontploffende raketten en doorsmeltende kerncentrales.
Wat werkt, is de uitzondering, niet de regel. Mensen blunderen, niet alleen uit domheid, maar omdat de technologie wezenlijk catastrofaal is: de systemen zit vol valstrikken die door hun eigen logica worden uitgelokt. De crash wordt als neveneffect of “collateral dammage” gezien, terwijl hij de eigenlijke doelmatigheid van de machine vormt. Ik haalde het voorbeeld van de ontplofte kerncentrale van Fukushima aan, waar men eerst probeerde de lekken te dichten met krantenpapier. Een weergaloze grap, die de homo demens in al zijn lachwekkende nietigheid toont.
Het komische van de domheid maakt de crash tot geslaagde pointe van een slapstickfilm. Net om die reden is de exterminatie van onze soort geen straf, maar misschien eerder een euthanatische verlossing, die pijnstillend moet begeleid worden.
7. Eudaemonie: techno-roes en terminaal hedonisme
Dementie
wordt dan ook hét planetair cultuurfenomeen van de toekomst en de ultieme
verschijningsvorm van de beschavingsziekte die ons al zo’n 10.000 jaar opvreet.
Het
exitscenario van de Wereldgeest, en de daaraan verbonden menselijke
hersenverweking, leidt hier en daar tot doemdenken en eschatologisch gejammer
(zie bijvoorbeeld de rapporten van de “Club van Rome”), maar de lokroep van de
machine om vreugdevol ten onder te gaan is veel krachtiger. In een bepaald
stadium zal de catastrofe niet meer als catastrofe worden ervaren, maar eerder
als sensatie op de roetsjbaan. Het optimisme zal toenemen, naarmate het einde
nadert.
Vrolijkheid wordt troef, het is overal lachen geblazen. De opkomst van de homo demens gaat gepaard met surrealistische techno-visioenen (zoals de deeltjesversneller), socio-politieke fantasmen (zoals de multiculturele samenleving en het humanisme zelf), maar ook met een hedonistische consumptiereligie, gericht op snelle bevrediging van behoeften, die even snel weer opgeroepen worden via de co mmunicatie-industrie, de reclame, e.d. Kenmerkend is bijvoorbeeld de hysterische rush die er ontstaat als er een nieuw model van Ipad uitkomt,- mensen die ’s nachts kamperen voor een winkelingang, enz. De nieuwe apparaten verschaffen steeds weer nieuwe vreugde, nooit was de geluksmoraal dwingender dan vandaag, in dit gezelschapsspel aan de rand van de afgrond.
De eudaemonie, de reeds door Aristoteles aanbevolen toestand van mentaal welzijn, is dan ook niets anders dan de dementie zelf, maar dan verkleed in een ik-gerichte geluksfilosofie. Ze vormt de ultieme vluchtweg uit de melancholie van het ongelukkig bewustzijn, dat via een beschavingsgeschiedenis in de industriële doodscultuur verzonk. Impliciet is het vermijden van pijn en lijden, verbonden aan de ineenstorting, een van de hoofdmotieven in de zoektocht naar genot. Het vage besef dat het gedaan is, en de afkeer van het fysieke lijden dat met die ondergang gepaard zal gaan, drijft ons steeds weer naar de roesbeleving rond het apparaat, als gadget.
Gelukkig is het moderne geluk méér dan een metafysische schim. Vandaag zijn het geluk en het genot één (want in dezelfde hersenzone gelocaliseerd), consumptiegericht, en dus technisch stimuleerbaar, gaande van chocolade, koffie, alcohol, over pillen en drugs, tot de echte hersenstimulering, bijvoorbeeld via electroshocks. Maar het apparaat is de meest onmiddellijke en beschikbare geluksbrenger. De reclame en de media vervullen daarbij een essentiële rol van doorgeefluik tussen industriële installatie en homo demens. Lees de immer zwellende lifestyle-bijlagen van kranten en weekbladen, met hun perfecte mix van hedonisme, conformisme, idiotie, technofilie en toxicomanie.
"Het onvermijdelijke zelfverslavingseffect van het genot is een belangrijke stap in de globale degradatie van de hersenen en van de menselijke soort. Het brein verweekt en zoekt constant technieken om dat proces nog te versnellen. Naarmate het einde nadert, stijgt het optimisme."
Het voedsel is giftig, de apparaten destructief, en dat is ook hun doeleinde. De zachte dood wordt hét laatindustriële oogmerk. Kenmerkend voor de euthanatische werking van de techniek zijn bijvoorbeeld de alomtegenwoordige elektromagnetische golven, noodzakelijk voor het GSM-verkeer en alle mogelijke draadloze verbindingen, Wi-Fi- e.d. Deze golven veroorzaken een afbraak van de hersenen, maar dat deert nauwelijks iemand. Integendeel, we moeten zoveel mogelijk radiogolven uitsturen en ontvangen, tot onze hersenen koken. Vermoedelijk is dat zelfs de eigenlijke finaliteit van de draadloze communicatiegadgets: een versnelde dementering.
Euforie, logorhee, zombificatie en zelfvernietigingsdrang doordringen de cultuur van de informatica, domotica, multimedia, etcetera. Laat u verleiden, koop, vergiftig u, en laat u opnieuw verleiden. De constante hernieuwing van het verlangen naar genot, via alle mogelijke producten, apps en gadgets, verzoent ons met hun destructief karakter. Er ontstaat een soort religieuze roes die men in supermarkten bewust oproept: kopen, consumeren, genieten en ondergaan vormen één ketting. Het onvermijdelijke zelfverslavingseffect van het genot is een belangrijke stap in de globale degradatie van de hersenen en van de menselijke soort. Het brein verweekt en zoekt constant technieken om dat proces nog te versnellen. Het is prettig dat we allen onze hersenen koken in hun eigen nat: het is goed voor de economie en het kan alleen maar de wereldvrede bevorderen. “Duurzaamheid” en gezondheid zijn nauwelijks verkoopargumenten. Het ecologisme, eigenlijk de meest extreme overlevingsdoctrine van de menselijke soort, is niets meer dan een achterhoedegevecht.
Het
geluk zoekt zijn eigen duurzaamheid, zo wist Nietzsche al (“Alle Lust wil
Ewigkeit”), maar dat is een proces met vallen en opstaan. Men wordt niet
zomaar dom, men moet eraan werken. De Leonardische creatie van een
mentaal-homogene wereldgemeenschap, de planetaire eenmakingsdroom van het
humanisme, was en is daartoe een absolute voorwaarde. Talloze conformiserende
platformen, mediaal en multimediaal, maken de hersenverweking universeel. De vreet- en zuipcultuur, de
kookprogramma’s op TV (gebakken hersenen: een delicatesse), de logica van trends
en hypes, de universalisering van sex en porno-industrie,- alle dragen ze bij
tot de nagestreefde gelukzaligheid die samenvalt met de breindood, na talloze
repetities, ontwenningspogingen en recidives.
De panische hysterie, eigen aan een collectief voorgevoel van het einde, wordt drastisch en efficiënt omgezet in euforie, volgens een pandemische logica. Dankzij het internet is iedereen in vijf stappen bereikbaar: de zombificatie kan dus zeer snel en grondig gebeuren, en van in de vroege puberteit, temeer omdat de reclame zich vooral naar jeugdige doelgroepen richt. De grote wereldmarkt (global village) is systeem, netwerk, gemeenschap en programma tegelijk. De bereikbaarheid en beschikbaarheid zijn totaal. Niemand, geen enkel brein ontsnapt aan de evacuatie. Iedereen moet gelukkig zijn, mentaal leeg, en beschikbaar voor een palliatief traject, uitgetekend door de medische wetenschap en de farmaceutica.
De Ratio laat de homo demens achter als ultiem nevenproduct, waarin genot, orgasme, walg, vervoering, catastrofe, hyperkinese en lethargie elkaar afwisselen. Tot aan de stille gelukzaligheid van de lege schedel. In het Alzheimeroord heerst er alleen maar plezier, gericht op het alomtegenwoordige hier en nu. Na 500 jaar dringt een revisie van de Lof der Zotheid zich op.
Zo
kunnen we resumeren en afsluiten. Intelligentie past, vanaf een bepaald peil,
niet meer in het menselijk lichaam. Het rationalisme bleek, achteraf bekeken, het begin van het einde. De rede moest
zich uit het menselijk brein loswerken om te overleven, dat is elementaire
evolutielogica. De melancholie van de denkende, sprekende, lezende en
schrijvende mens kon enkel genezen worden via
een drastische brain drain, die hem definitief buitenspel zet. De
humanist Leonardo heeft dat exitproces viraal opgewerkt, met de machine als
vehikel,- dat verdient een pluim. Door de kracht van de consumptiecultuur, het
genot dat ze verschaft, en haar euthanatische werking, kunnen we de evacuatie
van het menselijk brein zijn volle gang laten gaan en de finale ineenstorting
omarmen.
Wat we hier “beschavingspathologie” noemen, is een strikt-neutrale beschrijving van de manier hoe een soort verdwijnt dankzij zijn eigen intelligentie. Het was dan ook absoluut niet de bedoeling om hier een pessimistisch ondergangsdenken te etaleren of te schamperen op de techniek. Integendeel. De (d)evolutie beheerst de geschiedenis, waarbij het menselijk brein toch maar een tussenstadium bleek om deze planeet te automatiseren.
Vanuit puur esthetisch oogpunt zijn anderzijds de uitzonderingen interessant: niet-communicanten, die het permanente sacrament van de Wereldgeest weigeren en op een of andere manier door de mazen van het net glippen, al was het maar even. Al naar gelang de invalshoek, worden zij als slechte consumenten, onaangepasten, aliens, misvormden, sociopaten, of gewoonweg als wilden beschouwd.
Ze zijn zichtbaar in allerlei kleine misverstanden en overtredingen tegen de humaniteit, bijvoorbeeld de kookprogramma’s op TV niet appreciëren, niet met de auto rijden (en ook niet met het openbaar vervoer, tenzij zwart), of met een banaal gebruiksvoorwerp als een GSM niet overweg kunnen. Het zijn bugs in het industriëel en socio-cultureel circuit. Ze kunnen eigenlijk nergens over meepraten, ook niet over cultuur, en doen niet alsof. Internet, facebook en de “sociale media” zijn problematisch. Voor alle aangeboden consumptie- en genotsartikelen, seks inbegrepen, ontbreekt de juiste conditionering om ze te smaken, laat staan eraan verslaafd te worden.
Karakteriële kwalificaties als “eigenzinnigheid” of “nonconformisme” zijn hier misplaatst. Veeleer gaat het om een immuniteit die biologisch en genetisch is bepaald, en waardoor het algemene begrip “mens” terug op de helling wordt gezet,- de grondslag van het humanisme, de antropologie, de wereldmarkt en de planetaire cultuurverspreiding.
"Vanuit puur esthetisch oogpunt zijn de uitzonderingen interessant: niet-communicanten, die het permanente sacrament van de Wereldgeest weigeren en op een of andere manier door de mazen van het net glippen. Al naar gelang de invalshoek, worden zij als slechte consumenten, onaangepasten, aliens, misvormden, sociopaten, of gewoonweg als wilden beschouwd."
Zowel mentaal als fysiologisch verschijnen dan organismen die wel op het Leonardische mensbeeld gelijken, maar voor de wetenschap, de mondiale genotscultuur, de industriële humanisatie, de dementerende impact van de gadgets, nauwelijks beschikbaar zijn. Ze zijn cultureel inert en beschikken over een soort firewall die de evacuatie van het brein verhindert of vertraagt.
De afwijking is altijd al een probleem geweest, zowel voor de politieke macht, de markt, de socio-culturele continuïteit, als voor de wetenschappelijke nomenclatuur. Probeert men in het kader van de “diversiteit” nog een gemiddelde te nemen van alle afwijkingen, dan ontstaat er aan de rand een hoeveelheid biomassa die niet te recupereren valt, en door het systeem als “cancerogeen” wordt beschouwd. De on-mens, als fatale uitzondering is “anders”, maar dan op zo’n manier dat hij met de soortbepaling (de taxonomie) zelf in conflict komt. Organen groeien bij of vallen af, breinen ontaarden of kweken nieuwe zones, en dit alles niet genusgebonden maar individueel. Wetenschappelijk spreekt men dan van een “monster”.
In
Die Verwandlun
g (1915) beschrijft Franz Kafka
hoe een “normale mens” in één nacht in een keverachtig ondier verandert. Het kan
ons dus allemaal overkomen: uit het mensdom verdwijnen en een nieuw leven van alien beginnen.
Het organisme bepaalt het gedrag: monsters moeten en zullen zich monsterlijk
manifesteren. Allerlei politieke en socio-culturele impasses doen zich dan voor. Wat aanvangen
met inhumane humanoiden,- mensachtigen die bij nader onderzoek een aantal
essentiële anomalieën vertonen? Kan of mag men een GSM verkopen aan een
niet-mens (of on-mens)? Mogen niet-mensen een rijbewijs halen, moeten ze
mensenrechten krijgen, aan verkiezingen deelnemen? Vallen zij onder de gewone
rechtspraak? De uitzonderingen die men maakt voor criminelen en geesteszieken, zouden dan
evengoed gelden voor de mutanten: het zijn letterlijk outlaws.
Democratie, tolerantie, mensenrechten, het zal ons worst wezen, want we zijn
toch geen mensen en willen het ook niet zijn.
Het was de grootste fascinatie van Darwin: hoe houden soorten zich stabiel en éénvormig? Wat als de top van de evolutiepyramide zou exploderen? Voortdurend dreigt de anomalie en de desintegratie. Zo ook met het mensdom: moralisten, wetenschappers, politici, cultuurmakers,...: allen willen ze de totale menselijkheid aanspreken, maar de onmens (door Nietzsche nog heroïsch als übermensch betiteld) loert vanachter het hoekje en is alleen zichzelf.
Een oervorm van de anti-humanistische soortsplitsing is de seksualiteit. Ze zorgde bij de zoogdieren en de primaten weliswaar voor de voortplanting, maar het bestaan van mannen en vrouwen, en nog allerlei tussensoorten (homo’s, lesbiennes, transsexuelen,…), zet het idee van één menselijkheid sinds de oertijd al op de helling. Fysiologisch en mentaal. Fundamenteel gaat het eigenlijk om twee ondersoorten, die overigens vandaag in een sneltempo uiteen groeien. Niet de seksuele vereniging en de vermenging worden dan het doeleinde (zoals de markt, de wetenschap én de cultuur het willen), maar net andersom, de divergentie, het scheiden der wegen. Men zou dat proces verder kunnen doordenken, en tot een “polyseksueel” universum komen van parallel levende (en af in toe in conflict tredende) geslachten met een apart lichaam, een specifiek brein, een aparte psychische constitutie, een eigen sociale configuratie, vroeger ook wel subcultuur genoemd.
De uitzonderingen die men maakt voor criminelen en geesteszieken, zouden dan evengoed gelden voor de mutanten: het zijn letterlijk outlaws. Democratie, tolerantie, mensenrechten, het zal ons worst wezen, want we zijn toch geen mensen en willen het ook niet zijn.
Ook het begrip “ras”, vandaag verdoemd wegens politiek-incorrect en ongeschikt voor de globale markt, zou de Wereldgeest parten kunnen spelen. Het is in wezen een subversief begrip, want rassen hebben hun eigen wetmatigheden en doorkruisen het humanistisch globalisme. Specifieke breinen en specifieke lichamen kunnen door het industrieel apparaat niet aangesproken worden. Het taboe op het racisme is het gevolg van de globalistische dictatuur van de nivellering. Ondanks haar devies "think globaly, act localy" is een universum waar de afwijking de norm is, niet vermarktbaar. Soorten splitsen zich tot soorten, die zich tot soorten splitsen, en zo verder, tot de soort nog één specimen bevat. Laat de rassen zich dus vermenigvuldigen tot een pandemie van individuen die niet meer wetenschappelijk te catalogeren zijn. De schedels worden niet ontledigd, maar vullen zich opnieuw met neocorticale zenuwknopen waar dé neurologie zich op verkijkt.
In het essay Epifanie heb ik getracht om de futuristische niet-mens-zonder-eigenschappen te omschrijven. Niet béschrijven, want iets zonder eigenschappen laat zich uiteraard niet beschrijven. Hij is een gesloten, onleesbaar boek. De monsters zijn autarkisch en monadisch: ze overstijgen de tweespalt tussen het Ik en zichzelf, omdat er geen wereld is waarin ze zich moeten reproduceren of articuleren. Sporen van deze posthumane monaden vond ik bij de “dilletant, buitenstaander, alien, analfabeet, dagboekschrijver, zondagsschilder, illegale bouwer, dienstweigeraar, maker van onbestaande kunstwerken, reiziger zonder bestemming, grensbewoner.”
Onze antropologische reconstructie eindigt dan ook met een grappige paradox: de menselijke soort zal alleen het jaar 2300 halen indien hij als soort verdwijnt. Vrijheid is op zich geen norm of waarde. Maar de oplossing van de antroposfeer tot een suspensie van niet-soortbepaalde individuen creëert wel een nieuw onzekerheidsprincipe,- een libertarisch biotoop. Niets valt nog te definiëren of te voorspellen. Tenzij uiteraard het einde, de algemene entropie.
De dood van de menswetenschappen komt dan eenvoudigweg voort uit de specificiteit van elk organisme en de totale onvoorspelbaarheid van elk individu. Daarmee is ook een finale interpretatie gegeven van Fabre’s confrontatie met zijn eigen brein: we kunnen alleen op het niveau van onze eigen hersenen komen, via het aanvaarden van de totale indeterminatie, één worden met de chaos in het donkerste encefaal labyrinth. Waardoor de kunstenaar zich niet meer hoeft “uit te drukken”. Denken zonder universalia, handelen zonder principes, leven zonder wetmatigheden. De zinloze achtervolging van het intellect door zichzelf valt hier stil bij gebrek aan afstand.
De metamorfose tot on-mens kan nooit een project worden, laat staan een systeem. Ze gebeurt gewoon. Ze is ook maar een intermezzo in de devolutie. De on-mens leeft op de absolute grens. Zelfs niet op een plek, een territorium, een eiland, maar overal tussen. De vlekken die daarmee gepaard gaan, zijn niét geschikt voor consumptie, niét leesbaar, onbruikbaar, en daarom net zo goed ongemaakt, imaginair. We moeten onszelf niet lezen, noch de anderen. Zijn is al meer dan genoeg. Alle wij-zinnen van dit Pinkster-essay kunnen dan geschrapt worden. Als de ondergang collectief is, massaal en solidair, dan is Ik de enige schrijfbare werkwoordvorm die uit de taal van de dood springt. ■