'Forum', Maart 2006
Terug naar archief
Terug naar startpagina
Reageer via het Webforum


Sinds de tweede helft van de 19de eeuw gelden verandering en vooruitgang als dé kenmerken van onze beschaving. De homo sapiens beschouwde zichzelf min of meer als de apotheose van een trage, biologische evolutie over miljoenen jaren,- tot ‘cultuur’ een parallel proces op gang had gebracht, vele malen sneller dan de evolutie: de geschiedenis. Zo ontstond de 18de eeuwse liberale maatschappijvisie: vooruitgang dankzij suksesrijke beheersingsmodellen van de soort die deze planeet domineert en ook onderling oorlogjes blijft uitvechten. Wat in de natuur nog als een ‘blind’ selectiemechanisme gold, wordt bij de mens een systeem van het maatschappelijk optimum, dat zich realiseert in efficiënte netwerken van de ruil, uitwisseling en wedijver.

Cultuur is dus, in de gedachtengang van het ‘sociaal Darwinisme’ (Herbert Spencer), een permanent adaptatie- en manipulatieproces van het geciviliseerde roofdier tegenover zijn omgeving. Rivaliteit is de weg naar kwaliteit,- een bij uitstek mannelijk-sportief uitgangspunt: moge de beste winnen en zich voortplanten. Snelheid, explosie, impact worden de sleuteltermen van het liberaal-modernistisch paradigma, dat zich in toenemende mate afspeelt in de context van de moderne grootstad… die langzamerhand door de auto wordt ingenomen. De stad werd de nieuwe jungle, het verkeer een afspiegeling van de ‘survival of the fittest’. Het volstaat om twee data naast elkaar te leggen: de publicatie van Darwin’s Origin of Species (1859) en Lenoir’s patent op de ontploffingsmotor (1860). In de jaren ’20 van de vorige eeuw zou deze mannelijke cultus van strijd, beweging en snelheid een expliciet fascistisch karakter krijgen, via het futurisme en het beruchte manifest van Marinetti.
Decamerone: tijd winnen om te…

Twee Franse wetenschappers, Marie-Josephe Deshaye en Anne Dambricourt –wellicht niet toevallig twee vrouwen-, hebben in het voorbije jaar dat wereldbeeld van een ‘trage natuur, voorbijgestoken door een dynamische, progressieve cultuur’, een flinke deuk gegeven. Deshaye, een orthodontiste, hield zich bezig met de oorzaak van afwijkende kindergebitten; Dambricourt, een paleontologe, onderzocht de evolutie van fossiele schedels over een periode van 60 miljoen jaar. Ze kwamen onafhankelijk van elkaar tot de vaststelling dat de moderne mens zich organisch-constitutioneel op een hellend vlak bevindt,- letterlijk dan. Onze schedelbasis ‘kantelt’, zonder uitwendige oorzaak, van vertikaal naar horizontaal, en dat heeft verreikende gevolgen: niet alleen steeds meer kinderen met scheve gebitten en tandbeugels, maar vooral méér plaats voor hersenmassa.
Tja, wat nu. We worden slimmer omdat ons lichaam het wil.
Heel de tijd hebben we ons verkeken op de geschiedenis, als een macho-theater
van het roofdier dat de natuur in snelheid nam, en nu blijkt het allemaal binnen
een soort innerlijke doelmatigheid van ons gestel te gebeuren. Naar het waarom
van die kantelende schedelbasis blijft het overigens gissen. Is het proces
spontaan en toevallig begonnen of heeft iemand de hefboom overgehaald?
Aanhangers van de ‘intelligent design’-theorie zullen er een bevestiging
in zien van hun overtuiging dat een ‘hand’ van bovenaf deze transformatie
stuurt. Maar de twee vrouwen laten zich niet verleiden tot theologische
speculaties; verrassend spelen ze de bal terug in de richting van de menselijke
verantwoordelijkheid: als de kromming van het wiggenbeen een grotere
schedelinhoud, meer hersenen en dus meer intelligentie oplevert, dan zal het
superintellect op een zeker moment zijn eigen evolutie overnemen en
manipuleren,- die tijd is niet ver meer af. Dàn
begint
de geschiedenis pas echt. Welke keuzes zullen er gemaakt worden? Het
stamcellenonderzoek vordert met rasse schreden, maar willen we wel 500 jaar oud
worden? Wat gaan we doen met dat enorm waterhoofd, eens het in staat is om de
toekomst te bepalen op elk niveau, van het eigen lichaam, over de
collectiviteit, tot de (inter-) planetaire architectuur? Plots blijkt dat de
groeiversnelling, waarin we ons bevinden (de ‘kanteling’ schijnt inderdaad
steeds sneller te evolueren), wel eens een valversnelling zou kunnen zijn, recht
de afgrond in. De twee vrouwen pleiten dus voor een sterke, reactieve cultuur
die de mallemolen afremt,- net het omgekeerde van het modernistisch credo. Een
cultuur van de bezinning en de problematisering dus, vertragen, stilstaan en
vragen beginnen stellen. Terwijl Bush, Blair en Verhofstadt nog steeds in de 19de
eeuwse euforie van de ontploffingsmotor vertoeven, hebben wetenschappers én
‘gewone mensen’ al begrepen dat er aan onze cultuur van de snelheid en de
verandering iets niet klopt. Deshaye en Dambricourt propageren traagheid omdat
we onze hersenmassa nog moeten leren gebruiken, de grijze blubber moet zich
vullen met iets ‘zinnigs’, een antwoord op de vraag wie we eigenlijk zijn en
waarom we hier rondlopen. De schedel maant ons tot bescheidenheid, zoals in de
talloze geschilderde vanitas-taferelen: een vrouw die zacht maar
behoedzaam over een schedel streelt, haast hetzelfde gebaar als Anne Dambricourt
op de foto.
Misschien hebben we, nu het kantelmoment nabij is, wel meer
dan ooit tijd
nodig om na te denken en te overleggen,- tijd die ons respijt
gunt. Misschien moeten er, net omdat alles zo snel gaat, uitstelstrategieën
worden ontwikkeld onder de verzamelnaam ‘cultuur’. Zoals in Bocaccio’s
Decamerone een handjevol mensen in een kelder samenhokt om verhalen te
vertellen terwijl buiten de pest woedt, wordt cultuur in het transmodern
perspectief een subversieve én meditatieve vorm van tegencultuur, een middel om
de dodelijke tijd te ‘doden’ of minstens uit te rekken.Tijd waarin de Kantiaanse
levensvragen worden herformuleerd: wie ben ik, waar ga ik naar toe?...,-
maar ditmaal ook vanuit het collectief gesteld, de mensheid, het leven, de
planeet aarde. Als dat mankeert, zal de evolutie van de menselijke soort op haar
kantelpunt naadloos overgaan in de machtslogica van een technocratische
oligarchie, een select clubje dat de wetenschappelijke sleutels van de
menselijke en planetaire architectuur op zak heeft. De ‘blinde’ evolutie van
Darwin wordt dan gewoon voortgezet als een even blinde vooruitgangsobsessie waar
U en ik nooit meer greep op zullen krijgen, eenvoudigweg omdat ook alle
politiek-democratische en cultureel-pedagogische ontwikkelingslijnen zijn
doorgeknipt als hinderlijke, vertragende complicaties.
Misschien hebben we, nu het grote kantelmoment nabij is, wel meer dan ooit tijd nodig om na te denken en te overleggen,- tijd die ons respijt gunt. Misschien moeten er, net omdat alles zo snel gaat, vertragingsstrategieën worden ontwikkeld onder de verzamelnaam ‘cultuur’...
Cultuur is dus geen franje van het bestaan, een luxeproduct voor als er wat geld overschiet, of een gezelschapsspel zoals Bert Anciaux het ziet, maar een levensnoodzakelijke collectieve zoektocht naar identiteit, vol particuliere momenten: het is de enige manier om vernuft om te zetten in reflexief bewustzijn (of wie de antieke term verkiest: wijsheid, sapientia), het vermogen om zichzelf in vraag te stellen, denken in de n-de macht,- iets wat bij de meest geavanceerde kunstmatige intelligenties of triomferende schaakcomputers maar niet wil lukken.
Steden hebben behoefte aan ‘vrouwelijkheid’
De kerntaak van de oude Griekse Polis is nooit iets
anders geweest: met z’n allen discussiëren over waarden en doelstellingen,
hypotheses formuleren,
werelden simuleren, denkbeelden confronteren. Dit gaat
dus wezenlijk over democratie. Omdat elk menselijk wezen hier stem- en
spreekrecht moet krijgen, zowel Nobelprijswinnaars als mijn buurvrouw, is de
organisatie van een fijnmazig communicatienetwerk cruciaal. De paradox is
bovendien dat, hoe kleiner en meer particulier we denken en argumenteren, hoe
meer kwaliteit het grote geheel zal krijgen. Hoe meer stemmen in het debat, hoe
langer het zal duren en hoe beter de slotsom wordt: kwalitatieve groei is
gelinkt aan diversiteit en fragmentatie.
De antropologische zoektocht van Marie-Josephe Deshaye en Anne Dambricourt krijgt dus een politiek staartje en wijst ondubbelzinnig in de richting van stedelijkheid: we hebben de stad nodig om tijd te winnen. De sexueel-feministische ondertoon van hun attitude is al even duidelijk: het fallisch-evolutionaire denken van de efficiëntie heeft behoefte aan iets complementair, dat afremt en kwaliteit zoekt. Een trage kracht die het snelle mannelijk orgasme van de ontploffingsmotor uitstelt. De vrouwelijke sexualiteit is polymorf, topologisch, subjectief en traditioneel: haar lichaam is een geheugen vol geheugenplekken en plekjes, enkel bereikbaar voor fietsers, voetgangers en het betere vingerwerk. De polis is vrouwelijk, steden zonder boezems en inhammen zijn oorden des doods (Rome is ethymologisch ontstaan uit het Etruskische Ruma, dat… moederborst betekent!).
Een week geleden werd in St. Jans-Molenbeek een jongeman op straat doodgestoken, het voorval haalde vooral het nieuws omdat de daders van Marokkaanse origine waren. Afgezien van het onmiskenbare feit dat de Islam dringend behoefte heeft aan meer vrouwelijkheid, is de locus delicti pure restruimte van een grootstad die zich in zo’n mannelijk-formalistische boulevard-rethoriek heeft gehuld (de Wetstraat, Europa…), dat de hoekjes smerig zijn geworden, en de subculturen overgeleverd aan de onderwereld. Molenbeek bestaat allang niet meer, het is verzwolgen door de Brusselse agglomeratie en vervolgens terug uitgespuwd als een achterlijke PS-baronie, beheerst door macho-straatterreur die zelfs de hoeren van de stoep verdrijft.
Stedelijke identiteit heeft niets te maken met folklore, maar alles met sexueel rafinnement op microniveau. Boeiende steden zijn hermafrodiet, mannelijke rasters met vrouwelijke inhammen, en dat straalt af op de menselijke chemie van de stad zelf...

Het zijn nochtans net de borghi, de volksbuurten zoals El Raval en de Barro Gotic aan weerszijden van de Ramblas in Barcelona, die voor een romantisch-informeel, zeg maar ‘vrouwelijk’ tegengewicht van de monumentale rasterstad zorgen. Stedelijke identiteit heeft niets te maken met folklore, maar alles met sexueel rafinnement op microniveau. Zo kwamen we tot het inzicht dat de architectuur van de mensenstad, zoals ze ca. 20.000 jaar geleden opdoemde, ontstaan is uit een erotische dialectiek van twee fundamentele bioritmes: een ‘mannelijk’ raster van de kwantiteit en het Grote Gebaar, waartussen altijd weer vrouwelijke enclaves ontstaan, corners, okselholtes, erogene zones, quasi-verloren plekken die doen mijmeren, slenteren, stilstaan en appeleren aan kwaliteit.
Het is in dat perspectief dat men de fascinatie van hedendaagse urbanisten-ontwerpers als Aldo Rossi (1931-1997) moet begrijpen voor de stedelijke ‘plek’ (locus), en het vermogen van die plek om een eigen verhaal te ontwikkelen, betekenissen vast te houden, die zichtbaar worden als ‘sfeer’ en die passanten doen stilstaan, verwijlen. De stad wordt leefbaar en een ‘gezochte plek’ omdat ze dé-centraliseert en haar diversiteit koestert, daar mag zelfs een stuk wijkchauvinisme bij.
Op een moment dat het architecturale modernisme ontploft tot een beeldbezeten orgie van het grote gebaar en de institutionele megalomanie genre Centre Pompidou –we spreken over de dolle jaren ’60 en ’70-, voortgezet in de huidige Brusselse ‘Europa-wijk’, pleit Rossi in zijn L’Architettura della Città (1967) voor een meditatieve stadscultuur die gericht is op herbronning, urban legends en specificiteit. Voor hem ontstaan stedelijke weefsels niet zomaar als uitgewoekerde verkeersknooppunten of als designmatige bedenksels van grote architecturale ego’s, maar als historisch gegroeide, rituele plekken, doordesemd van spiritualiteit en symboliek, waar mensen, onder het voorwendsel van met iets nuttigs bezig te zijn, het collectief geheugen toetsen aan existentiële behoeftes en maatschappelijke verwachtingspatronen. Het verhaal van Decamerone en de kantelende schedel dus.
De inzichten van Rossi waren hun tijd ver vooruit en blijken nu cruciaal in het actuele discours rond stadsherwaardering. Rossi’s schetsen tonen trouwens aan, nog veel meer dan zijn geschriften, hoe belangrijk het is voor een architect om, ver weg van de bouwwerf, te fantaseren en te dromen over het stedelijk lichaam en zijn innerlijke finaliteit.
We vroegen ons tenslotte
af, hoe een stedelijke architectuur van de 21ste eeuw zou kunnen
fungeren als ‘cultural engineering’ én ars amatoria: het
empathisch exploreren van dat stedelijk lichaam, haar kwartieren, str
aten,
plekken, met zin voor de samenhang en respect voor diversiteit,- eerder dan een
big business van ster-architecten, promotoren en betonboeren. Architectuur als
collectieve meditatie. Bouwen wordt dan de laatste stap –mogelijk maar niet
noodzakelijk- van een louterende psychoanalyse: het proces is zo belangrijk als
de output. Mega-steden die vanuit het centrum stervormig willen domineren,
zullen het daar heel moeilijk mee hebben. Wellicht is de toekomst daarom eerder
aan de kleine stad, en is het goed dat een Grieks provincienest als Patras,
in alle toeristische catalogi gemeden, zich als culturele hoofdstad durft te
tonen.
We hebben in Vlaanderen alleen al, tussen Veurne en Genk, zo’n 30 ‘centrumsteden’, betrekkelijk kleine maar karaktervolle entiteiten van zo’n 100.000 inwoners. Vreemd genoeg willen ze, in plaats van te zoeken naar wat hen onderscheidt, allemaal dezelfde ‘gezellige winkelstad’ worden met dezelfde ketens en hamburgertenten, vooral sinds reclamebureau’s deze ‘identiteitsmarkt’ ontdekt hebben. Voor twee van die karaktersteden, Leuven en Tongeren, hebben we de oefening van een identiteitsanalyse gemaakt, meer als voorbeeld, om te tonen hoe je diep in de particulariteit moet gaan om positieve vibraties te ontdekken waarop een stedelijk weefsel kan gedijen.
Enerzijds Leuven, als fusiestad van mannelijk academisme en vrouwelijke zorgtraditie (het Begijnhof, de ziekenhuizen), waarbij de brouwerij, tegelijk fabriek en geheime keuken, als gemeenzaam icoon fungeert en voor de ‘chemie’ zorgt. Anderzijds Tongeren, sinds de Gallo-Romeinse tijd een logistiek centrum en militair bolwerk, waarin een oeroude Mariale vegetatiecultus rond sprokkelen en oogsten is blijven zinderen. Met het museum als bindteken, herdacht als hybride schuur: een economische ruimte van de stockage, maar ook een ‘romantische’ plek, zolder en schatkamer waarin mensen lezen, hebbedingen koesteren, zich verstoppen, stoeien of vrijen.
Twee steden, twee werelden; het zijn complexe analyses zonder veralgemeenbare schablonen of vuistregels,- alleen het idee van de gezochte stad, als hermafrodiete ruimte, blijft hardnekkig overeind…
Tien jaar later
Met veel toeters en bellen werd zopas het nieuwe Antwerpse
Justitiepaleis te water gelaten: het grootste en duurste in de Belgische
geschiedenis. De ontwerpers zelf gewaagden van een ‘architectuur waar de mens
centraal staat’, een gebouw ‘dat de geest van het post-Dutroux-tijdperk
vertolkt’, enz. In werkelijkheid gaat het om een van de meest groteske vormen
van institutionele grootheidswaanzin, helemaal op de maat van het Brusselse
Poelaertpaleis uit de 19de eeuw. Met stedelijke identiteit heeft
Richard Rogers zich niet beziggehouden, zoveel is zeker. Maar ‘het duurste
frietkot aller tijden’ (zo wordt het bouwsel onder Sinjoren genoemd, verwijzend
naar de omgekeerde puntzakken op het dak) staat er, en Antwerpen zal het ermee
moeten doen: een overmaat aan mannelijk exhibitionisme, heel symbolisch
neergeplant op het kruispunt van een snelweg met een boulevard die de stad
doorsnijdt. Ook trauma’s en littekens behoren tot het stedelijk lichaam…
De deugd van de traagheid zal dus elders moeten beoefend worden,- misschien nabij de getijdenfontein van Cristina Iglesias aan het Museum voor Schone Kunsten.Tien jaar deden de Antwerpse vroede vaderen erover, om zich te verzoenen met een fontein die niet ejaculeert maar horizontaal kabbelt, en het maanritme van ebbe en vloed evoceert. De grenzen van de tijd verwijden: de stad van het 3de millenium is een vrouwenverhaal, zoveel is zeker.
Europa zal steeds meer een verhaal worden van steden en regio’s, de natiestaten hebben afgedaan. Het ontdekken van onderscheid wordt dan essentieel, om bruggen te leggen en netwerken op te bouwen. Wegen hebben altijd al steden verbonden, zelden of nooit staten. De zoektocht naar identiteit is pas begonnen. ■