Startpagina "Visionair België"                              Reageren op deze tekst                 Terug naar 02-colloquium              

 

O2-Colloquium Brussel, 30/1/10

"Grens en begrenzing als mogelijkheid en morele opdracht"
Noodzaak tot een Vlaamse krachtenbundeling in een performante, open en republikeinse volkspartij

Julien Borremans
 

Ondanks de herhaalde beloften van armoedebeperking die in het laatste decennium van de twintigste eeuw zijn gedaan, zijn volgens Joseph Stiglitz het feitelijk aantal mensen dat wereldwijd in armoede leeft, met bijna honderd miljoen toegenomen. Dit gebeurde in dezelfde periode waarin het totale wereldinkomen met gemiddeld 2,5 procent per jaar toenam. In 1990 leefden 2,7 miljard mensen van minder dan 2 dollar per dag. In 2008 werd het aantal armen dat met minder dan 2 dollar per dag moest rondkomen, op 2,8 miljard geraamd.
Als we ons even focussen op Vlaanderen, dan zien we dat de internationale tendensen zich uiteraard op regionaal vlak doorzetten. Volgens de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt is het aantal mensen dat de elektriciteitsrekening niet meer kan betalen, het voorbije jaar met 75% gestegen. Onze pensioenen behoren tot de laagste in Europa en werken verarming in de hand. De stijgende gezondheidsfactuur brengt tal van gezinnen in financiële problemen, waardoor ze zich de primaire gezondheidszorg moeten ontzeggen.
Onze samenleving verpaupert. De toenemende armoede wordt een uitgesproken maatschappelijk probleem. Om de situatie toch een beetje recht te trekken, deelt de overheid de laatste jaren allerlei doekjes voor het bloeden uit: extra kinderbijslag bij het begin van het schooljaar, stookoliecheques, cultuurcheques, een maximumfactuur voor medische zorgen… Het zijn goedbedoelde maatregelen, maar ver kom je er niet mee.
Er zijn intussen genoeg cijfers beschikbaar, die duidelijk aantonen dat de sociale uitsluiting structurele proporties begint aan te nemen. In Vlaanderen leeft 11,3 procent van de bevolking onder de armoedegrens. In Wallonië loopt dit cijfer op tot 17,7 procent en voor Brussel – hoofdstad van Europa – is dat 20 tot 25 procent. In België leeft gemiddeld 15 procent (1,5 miljoen mensen) onder de armoedegrens, wat indrukwekkend is voor een land dat in een van de rijkste regio’s van de wereld ligt.
Uit de werkloosheidsstatistieken valt duidelijk af te leiden dat 55 procent van de werkzoekenden in Vlaanderen kansarm en laaggeschoold is, een stijging van meer dan 8 procent. Voor Brussel en Wallonië zijn de cijfers een stuk schrijnender. Ondanks de inspanningen op het veld blijven de resultaten erg mager.
Niettegenstaande de stijging van het onderwijspeil van de bevolking en de hoge kwaliteit van het Vlaamse onderwijs, wordt de kloof tussen kop en staart groter. Ongelijkheid en uitsluiting dienen zich doorheen het hele onderwijstraject aan en leiden – ondanks de democratisering van het onderwijs – tot een sterke ongekwalificeerde uitstroom. De bepalende factoren zijn sinds heel lang gekend: de zwakke sociaaleconomische positie van de ouders, het verschil tussen waarden en normen thuis en op school, sterke taalachterstand, maatschappelijke en culturele isolatie en de werking van het onderwijsbestel gericht op de middenklasse.
Bij onze allochtone medemens is de situatie dramatisch: 42 procent van de schoolverlaters is laaggeschoold; 54 procent van de allochtonen spreekt thuis geen Nederlands en loopt zo een cruciale achterstand op; 70 procent brengt het secundair door in het BSO; slechts 9 procent van de allochtone jongeren heeft een diploma hoger onderwijs; de werkloosheidsgraad onder de allochtonen loopt op tot 40 procent. Er is een etnostratificatie van de arbeidsmarkt: terwijl de toplagen haast ‘hagelwit’ zijn, zijn de onderste lagen veelkleurig. We kunnen gewag maken van een opkomst van een multi-etnisch subproletariaat.
Het is een illusie te denken dat die verpaupering zonder gevolgen blijft. De hoge concentratie werklozen en de vele slecht betaalde en minderwaardige jobs in bepaalde segmenten van de samenleving leiden tot een vernietiging van het sociale weefsel en tot sociaaleconomische en culturele gettovorming. Er ontstaan eilanden van armoede en integrisme in onze samenleving.
De kloof tussen laaggeschoolden en beter geschoolden wordt aangevuld met die tussen allochtonen en autochtonen. Die breuklijnen vormen de kern van de nieuwe sociale kwestie. Zij tekenen zich reeds af in het onderwijs en zetten zich door in domeinen als tewerkstelling, gezondheid en woningmarkt. Uit tal van studies blijkt dat dit uiteraard ideologische implicaties heeft: mensen die in dergelijke uitputtende en frustrerende omstandigheden leven, zijn veel ontvankelijker voor geestelijk en fysiek geweld, het gebruik van roesmiddelen en vervallen makkelijker in maatschappelijke en sociale lethargie, materialisme en integrisme.
Ook bij allochtonen zien we dat de polarisering toeneemt. Meer en meer Turkse en Marokkaanse jongeren halen hun huwelijkspartner uit het land van herkomst. Het gaat om een jaarlijkse instroom van duizenden laaggeschoolde allochtonen, die de Nederlandse taal niet machtig zijn, amper kunnen lezen en schrijven en die het leger van multi-etnische subproletariërs komen aanvullen. Ze worden gedreven door een toxische contracultuur, een cultuurpatroon dat ontstaan is door de vele conflictsituaties en de frustrerende sociale omgeving. Dit vertaalt zich in een onwil om zich aan te passen aan de mainstreamcultuur en actief deel te nemen aan het maatschappelijke leven. Deze onwil uit zich soms in een radicale verwerping van onze Westerse waarden en normen.
Ook bij de autochtonen ontstaat er een contracultuur, gericht tegen het bestuurlijke onvermogen van de leidende klasse om de wezenlijke samenlevingsproblemen aan te pakken. Begrippen als een ‘sterk staatsgezag’, duidelijke ‘normering’, welvaart voor ‘eigen volk’ en een sterk ‘natiegevoel’ staan centraal.
Daarnaast is er de communautarisering van het debat: in Vlaanderen groeit het besef dat Wallonië en Brussel handenvol geld kosten en dat ze zelf te weinig doen om de situatie te veranderen. Een voorbeeldje maar: hoewel per leerling de uitgaven in het Franstalige onderwijs dertig tot 40 procent hoger liggen dan in Vlaanderen, geraakt 32 procent van de Franstalige jongeren niet verder dan maximaal een diploma van lager middelbaar onderwijs, dat eigenlijk waardeloos is. Uit recent onderzoek blijkt eveneens dat Wallonië en Brussel – samen 40 procent van de bevolking – goed zijn voor 70 procent van het totaal aantal leefloontrekkers in België. Eens over de taalgrens zakt het welvaartsniveau met meer dan 20 procent.
Wat is eigenlijk het verschil tussen de oude en de nieuwe sociale kwestie? De oude sociale kwestie was er één van uitbuiting van arbeid door kapitaal. Het was de tijd van het fordisme: massaproductie en standaardisatie, grote aantallen arbeiders aan de lopende band, die in min of meer dezelfde omstandigheden en met een zelfde statuut en beloningsvoorwaarden werkten. Daarboven stond een controlerend management. De arbeiders waren louter een instrument en werden onderbetaald. Het verzet werd door de vakbonden georganiseerd. De achtergrond bij dat alles was een cultuur van verzet en confrontatie, gevat in het woord ‘klassenstrijd’. De oude sociale kwestie valt samen met de tweede globaliseringsgolf, gekenmerkt door een veroveringskolonialisme met maximale exploitatie en hard centraal gezag. Binnen de oude sociale kwestie werd gestreefd naar voldoende hoge sociale uitkeringen en pensioenen en naar een aangepaste financiering van de gezondheidszorg. In België heeft dat zijn uitwerking gevonden in de organisatie van de federale overheid met zijn sociale voorzieningen.
De nieuwe sociale kwestie is er één van het falen van het integreren van nieuwkomers, de nieuwe armen, het multi-etnische subproletariaat, mensen met een fundamenteel gebrek aan arbeidscompetenties, allochtonen die zich brutaal en verbitterd van onze samenleving afkeren... Deze mensen zijn doorgaans niet in staat om voor hun eigen leven verantwoordelijkheid te nemen. Hun leven wordt meestal gedomineerd door geweld, misdaad, antisociaal gedrag, vernedering en een ongezien vlucht in roesmiddelen en zelfbevrediging. De geestelijke, culturele, emotionele en spirituele verarming van de westerse onderklasse is meer dan zorgwekkend en wordt in de hand gewerkt door de immense leegte van de media. De nieuwe armen hangen meestal de ideeën aan van een intellectuele bovenlaag die onder deze mensen een onvoorstelbare ravage hebben aangericht. Dit is het onmiddellijk gevolg van de sociale ontwikkelingen waarbij het gedrag van mensen verklaard worden uit omstandigheden. Daarbij wordt de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid weggeredeneerd. Mensen plegen geen misdrijven omdat ze daarvoor kiezen, maar omdat ze het slachtoffer zijn van een onrechtvaardige maatschappij, verkeerde vrienden of ouders hadden… Volgens Dalrymple is de onderklasse de gevangene geworden van het morele en culturele relativisme van de afgelopen veertig jaar. De co-existentie van het multiculturalisme leidde eerst tot contactvermijding en vervreemding tussen mensen en gemeenschappen en uiteindelijk tot een toxische tegencultuur bij sommige migranten. Zo floreren in Brussel bijzonder gewelddadige Oost-Europese en Afrikaanse bendes, gesopt en gekookt door het geweld in land van herkomst. Indiërs en Pakistani hebben de lucratieve netwerken van mensenhandel in handen genomen. Enzovoort, enzovoort.
Er is sprake van een nieuwe tweedeling. Mensen met voldoende competenties, mogelijkheden en een stevige sociaaleconomische achtergrond leven in een nieuwe economie, het postfordisme, waar de nadruk ligt op de kwaliteit van het product, op klantvriendelijkheid, creativiteit en inventiviteit. De werknemers leven in comfortabele omstandigheden en genieten heel wat voorrechten. Er is een verregaande individualisering van de arbeidsverhoudingen. Bij de werknemers is er eerder sprake van een coöperatieve cultuur dan van verzet. Er is een veel grotere schandaalgevoeligheid: het imago is kwetsbaar, de consumenten hebben macht. De industrie is van louter producerend naar anticiperend geëvolueerd. De marketing is van veel groter belang en moet – veel meer dan vroeger – anticiperen op de gevoeligheid van problemen. De nieuwe sociale kwestie gaat over de vraag of in de kennissamenleving de kansen gelijk worden gebruikt in het onderwijs en in het stevig aanbod in diverse opleidingen, op de arbeidsmarkt, in de cultuurparticipatie, in de sociale integratie en de inburgering…
In ons land was de oude sociale kwestie een opdracht van de federale overheid, maar wat de nieuwe sociale kwestie betreft zullen de onmacht en het nakende politieke en economische failliet van de federale overheid de opdracht meer en meer bij de deelstaten leggen. De federale overheid heeft haar onmacht om de sociale problemen op te lossen duidelijk bewezen. De deelstaten staan vanuit sociaaleconomisch en democratisch oogpunt dichter bij de burger. Een staatshervorming is daarom in eerste instantie een sociale opdracht. De deelstaten zijn het best geplaatst om zowel de oude als de nieuwe sociale kwestie aan te pakken.
Vlaanderen heeft duidelijk te weinig beleidsinstrumenten en centen om de ‘nieuwe sociale kwestie’ – en naar de toekomst toe de ‘oude’ – aan te pakken. Het verpauperde Wallonië leeft met scheidingsangsten en vreest – zodra België ophoudt te bestaan – een derdewereldland te worden. Wallonië klampt zich aan België vast. Vlaanderen vraagt meer beleidsruimte en wordt daardoor egoïsme en etnocentrisme verweten. Het debat gaat over attitudes en gevoeligheden, niet meer over inhoud. Vlaanderen en Wallonië zijn twee zeer verschillende maatschappijen, waarbij de grote sociaaleconomische verschillen nog niet eens de opvallendste zijn.
Een zelfde beleid voor die twee maatschappijen willen voeren is niet alleen om meningsverschillen en conflicten vragen, maar is vooral onzinnig omdat een halfslachtig beleid de grote problemen van de 21ste eeuw – zoals de brutale globalisering, de internationale migratie, de vergrijzing en ontgroening, het dreigend failliet van onze sociale zekerheid, de mislukking van de integratie – niet aankan.
‘De Vlaamse beweging – ooit een sociale beweging – zou het best geplaatst moeten zijn om in Vlaanderen een breed draagvlak te creëren voor een consensus over een verregaande sociale staatshervorming. Maar hoewel het communautaire hoogtijdagen zijn, tanen de uitstraling en impact van de Vlaamse beweging. Ze is niet in staat om brede lagen van de bevolking te mobiliseren voor een wervend project.
Na de Tweede Wereldoorlog, vooral na de wereldtentoonstelling van 1958 tot het begin van de economische crisis in 1974, ondergingen de economische structuren in Vlaanderen snelle en ingrijpende veranderingen. Als drijvende kracht van de economie moesten de Belgische holdings plaats ruimen voor het Amerikaanse monopoliekapitaal. Er ontwikkelde zich een Vlaams ‘managerskapitalisme’, dat gekenmerkt werd door een uitgebreid netwerk van overheids- en parastatale instellingen, zelfstandige beroepen, kleine en middelgrote ondernemingen… Vlaanderen werd een succesregio die gaandeweg zijn eigen politieke en institutionele structuren ontwikkelde.
Tegen deze achtergrond evolueerde de Vlaamse beweging tot een spreekbuis van de Vlaamse ondernemers en beter bemiddelde burgerij. Het gros van wat de Vlaamse beweging momenteel nog voorstelt, spreekt de taal van de ‘vrije markt’ en het ‘centenflamingantisme’. Vlaanderen als eiland van welvaart en kmo’s vormt zowat het ideaalbeeld.
De Vlaamse beweging kampt met een dubbele breuk: enerzijds heeft de brede Vlaamse beweging zich nooit kunnen doorzetten als een sociale beweging. Ze is geëvolueerd van een taalflamingantistische beweging naar een verzameling van organisaties en partijen die streven naar meer soevereiniteit. Het gros van de eisen werd sterk communautair en institutioneel vertaald, maar legitieme sociale eisen bleven veelal uit.
Anderzijds spreekt de Vlaamse beweging zeker niet de taal van de macht. De weinige keren dat ze aan de macht participeerde, beviel het haar slecht en liep dit steeds op een sisser af. Bij de opeenvolgende staatshervormingen strompelde het Vlaamse volk van vernedering naar uitverkoop. Maar als bijvoorbeeld José Happart in de jaren tachtig van de vorige eeuw zonder stemverheffing ‘non’ zei, dan traden alle Franstalige politici hem bij en werd het ‘non’. Eenvoudigweg omdat Franstalige politici de stem van de macht spreken. Dat kan bezwaarlijk van het eigen Vlaamse volk worden gezegd. We denken zelf ons de luxe te kunnen permitteren ons Vlaams-nationaal streven naar een vergaande autonomie over drie partijen te kunnen verdelen. De Vlaamse Beweging heeft haar rol als voorhoede en klokkenluider perfect gespeeld. Ze heeft al die tijd de vinger op de wonde gelegd en oplossingen aangereikt. We zijn in fase gekomen waarbij het Vlaamse zelfbeschikkingsverhaal in ernstige beleidsdaden moet worden omgezet. Dit is het werk van de Vlaamse partijen. De Vlaamse partijen moeten zich bewust zijn van hun vernieuwende, stichtende rol in de post-Belgische republikeinse en Europese context. Frontvorming van de drie V-partijen is daarom erg essentieel. Het is de ultieme springplank voor de greep naar de macht. Maar niettegenstaande de V-partijen ongeveer 40% van het electoraat vertegenwoordigen, slagen ze er niet in om in de kortste keren een politieke macht van formaat uit te bouwen, erg noodzakelijk om een vergaande staatshervorming te forceren en om Vlaanderen als staat op de wereldkaart te plaatsen.
Zolang we niet in staat zijn om de Vlaamse macht te concentreren in een frontvorming van alle Vlaamsgezinde partijpolitieke krachten, zullen we niet in staat om het democratische en bestuurlijke vacuüm op federaal niveau in te vullen, of op zijn minst belangrijke bevoegdheidspakketten naar de gemeenschappen over te hevelen. Dit is immers meer dan noodzakelijk, want het is intussen 5 seconden voor twaalf. Het federale niveau bevindt zich in een ernstige crisis en is verworden tot een strijdtoneel tussen groepen en partijen om macht en status. De Belgische democratie is duidelijk een illusie, een onwerkbaar geheel van elkaar bestrijdende clans en ondoorzichtige, ingewikkelde beleidsstructuren, waardoor heel wat kiezers ontgoocheld afhaken.
De macht in dit land ligt al lang niet meer bij het parlement, maar bij de federale regering, de partijvoorzitters – kijk maar naar de rol van de Waalse partijvoorzitters tijdens de communautaire onderhandelingen van afgelopen jaar – en de sociale partners, zoals ABVV, ACV, VBO… Beslissingen worden genomen door onderhandelingen, geheime agenda’s en overleg, ver weg van de kiezer en het parlement.
Het democratische deficit wordt verder aangedikt door het onwerkbare kluwen van onze staatstructuren. Daarbovenop komt nog een hele stortvloed aan beslissingen van de Europese Unie, waar het beslissingsproces nog moeilijker om te volgen is, met een duidelijke impact op het dagelijkse leven.
Zo komen we tot de ‘ultieme’ contradictie. België wordt steeds meer als een ‘failed state’ ervaren, maar hoewel de Belgische constructie in een ernstige crisis zit, weegt de Vlaamse politieke voorwacht te licht op de politiek om haar communautaire programma door te drukken. De V-partijen kunnen hun bonus aanwenden om een meer autonoom en sociaal Vlaanderen te creëren. Een krachtenbundeling is noodzakelijk. Een breed gedragen volkspartij dient een afspiegeling van de maatschappij te zijn, waar diverse strekkingen aanwezig zijn. Enkel door een breed gedragen en uitgesproken Vlaams en sociaal programma kan de rol van de CD&V worden overgenomen. Enkel op die manier kan een antwoord worden geboden op de grote uitdagingen die ons staan te wachten:

• In de steeds complexer wordende samenleving groeit het aantal overheidsvoorzieningen en overheidsbemoeienissen zienderogen. De opdracht van de staat is fel toegenomen en vooral pluriform geworden. Toch leeft bij de bevolking sterk het gevoel dat de staat met al haar verzuchtingen de nieuwe uitdagingen van de burger niet aankan. De echte verwachtingen van de burger raken niet ingelost: de gestoorde relatie tussen de bevolkingsgroepen, de verloedering van de leefomgeving, de onveiligheid in onze grote steden en agglomeraties, de gerechtelijke achterstand, de manke werking van het gerecht en het gevangenissysteem, de communautaire en institutionele problemen... Paul Andersson Toussaint berekende dat in Nederland slechts 1,25% van de delicten wordt bestraft. Ik mag er niet aan denken dat het cijfer in België nog lager ligt. We kunnen alleen maar concluderen dat de overheid steeds meer haar regulerende opdracht niet meer aan kan en steeds meer de functie van reddingsboei en vuurtoren verliest.
• Het verlies aan impact van de overheid gaat gepaard met een toenemende agressieve globalisering die wereldwijd zorgt voor een felle dualisering van samenlevingen maar ook voor kortetermijnpolitiek gericht op spectaculaire winsten.
• Er stelt zich een toenemende afhankelijkheid van de internationale instituten en de geglobaliseerde markt, waardoor de interne markt meer en meer een speelbal op de internationale golven wordt.
• We staan voor een spectaculair verval van de verzorgingsstaat, die binnen enkele jaren niet meer in staat zal zijn om bijvoorbeeld de ouderlingen een menswaardig pensioen uit te keren. Dit gaat gepaard met een verarming van de staat en een ongeziene kapitaalsaccumulatie in de dienstensector, wat hand in hand gaat met een sterke liberalisering van de sociale geesten.
• De afname van het belang van de nationale staat, en de crisis die daarmee gepaard gaat, gaat hand in hand met de fundamentele crisis van onze democratie. De erosie van het belang van de nationale staat gaat gepaard met de uitholling van de politieke democratie en de toename van grote ondemocratische organisaties zoals de EU.
• Zoals reeds gezegd: de Belgische democratie is een illusie. In het zog van Dewachter is het belangrijk om de particratie – als struikelblok voor de echte democratie – af te bouwen. Enkele suggesties: afschaffen van de 5 procent-kiesdrempel, afschaffen van de opkomstplicht, invoeren van de rechtstreekse verkiezing van de regering (wat Guy Verhofstadt al voor het jaar 2000 had voorgesteld) en invoeren van het referendum, reeds aangekondigd in het Vlaams Regeerakkoord van de regering-Dewael I in juli 1999. De beslissingsmacht moet veel dichter bij de gewone mensen worden gebracht, naar het niveau van de regio’s, waardoor de betrokkenheid veel groter zal zijn en de afkeer bijgevolg kan worden tegengegaan.
• De verdere ontmanteling van het ouderwetse Belgische kapitalisme is noodzakelijk. Het is een negentiende-eeuws soort kapitalisme, zoals we dat ook kenden bij de Société Générale de Belgique. In dat ouderwetse Belgische kapitalisme treedt nog steeds het oude Brusselse establishment op als referentieaandeelhouder… Dit oude Brusselse establishment, met tentakels in de politiek, de loge, de administratie en zelfs in de vakbonden, probeert zich nog steeds in stand te houden. De ontmanteling van de Belgische staat is daarom niet alleen een democratische strijd, maar tevens een afrekening met de oude belgicistische en kapitalistische machtsstructuren, kortom een Vlaamse en sociale strijd.
• De afwezigheid van een volwaardige Vlaamsnationale volkspartij maakt de crisis compleet. De politieke wanvertoning van de afgelopen maanden heeft duidelijk aangetoond dat Vlaanderen nog lang geen politieke elite heeft die het heft in eigen handen kan en durft te nemen. Het gebrek aan visie over waar Vlaanderen wil staan binnen pakweg tien jaar, is stuitend. Het oeverloze gezwets over halfslachtige compromissen en weinig inspirerende strategieën verraadt een inhoudelijke leegte. De dagjespolitiek werkt een enorme apathie bij de bevolking in de hand. Leterme heeft de afgelopen maanden meer bochten genomen dan Eddy Merkx in al zijn deelnames aan de Ronde van Frankrijk samen. Gezwind heeft hij alle beloftes en principes overboord gegooid.

Tot slot wil ik terugkomen op de werktitel: ‘Grens en begrenzing als mogelijkheid en morele opdracht’. Uit mijn betoog kan ik enkel concluderen dat Vlaanderen op een belangrijk keerpunt staat. Het heeft reeds lang de grens van het aanvaardbare en – vooral – het politiek fatsoen overschreden. Het is dan ook onze morele plicht om de Belgische constructie te verlaten en te streven naar een middelgrote, performante en open natie. Maar zoals iedereen intussen dagelijks aanvoelt, heeft een open natie duidelijk nood aan begrenzing en een duidelijk beleid.
In een civiele staat gelden duidelijk omschreven burgerplichten en zoals Dominic Schrijer (PvdA-wethouder te Rotterdam) duidelijk poneert: “je moet hard durven optreden tegen mensen die zich niets aantrekken van burgerplichten”. Ook beschikt een performante en open natie best over een duidelijke identiteit en een helder stelsel van waarden en normen. De globalisering heeft in heel de wereld de markten geopend. Vooral kleine landen profiteren ervan, omdat ze zich razendsnel kunnen aanpassen. Kijk maar naar Zwitserland en Singapore. Het zijn twee wereldspelers met een duidelijke identiteit, sterke structuren, duidelijke beleidslijnen, krachtig normen- en waardestelsel, maar met een open geest.
Ook heeft een open en performante natie nood aan een doordacht migratiebeleid aangevuld met een stevig inburgeringsbeleid. Welk integratiebeleid kan succesvol zijn als je bij elke generatie opnieuw moet beginnen? Uit mijn ervaring met het werken met allochtonen en mensen met achterstand heb ik geleerd dat niet alle culturele waarden kunnen worden verenigd of verzoend door banaliteiten te verkondigen. Het idee dat we allemaal wel met elkaar overweg kunnen, zonder dat de wet onderscheid moet maken ten gunste van een bepaald stelsel van culturele waarden slaat nergens op. Het is wel zo dat een open natie moeilijk haar grenzen kan sluiten of permanent kan bewaken. Wel kan de toegang tot onze sociale zekerheid worden ontzegd voor mensen die zich weigeren in te passen.
Ook heeft een open en performante natie nood aan een sterke democratie, waarbij de macht in het parlement ligt en waarbij niet de vakbonden en allerlei drukkingsgroepen de lakens uitdelen. Maar vooral hebben we de morele plicht om de Vlaamse krachten te bundelen tot een performante, open en republikeinse volkspartij met een breed gedragen programma om van Vlaanderen een open, sterke en performante natie te maken, dat ook een oplossing biedt voor de vele sociale, maatschappelijke en ecologische problemen. Daarbij dienen persoonlijke grieven en ambities te wijken. Vlaanderen kan zich niet langer meer permitteren om de Vlaamse krachten te versnipperen over drie partijen. Ook daar is reeds de grens van het toelaatbare overschreden.

Ik dank u.
 

Terug naar boven