'Menzo-magazine', 1 Juli 2006
Terug naar archief
Terug naar startpagina
Openen in PDF-formaat
Reageer via het Webforum

'Al wie dit leest is een racist'
Over collectieve etiketten en historische stigma's
Johan Sanctorum
23/06/2006
De
recente aanvaring, begin juni 2006, tussen NVA-voorzitter Bart De Wever
en Jozef De Witte, directeur van het Centrum voor Gelijke Kansen en
Racismebestrijding, toonde weer eens aan, hoe smal de speelruimte is voor
politici en opiniemakers die even buiten de lijntjes van de political
correctness kleuren. Aanleiding was de fameuze ‘praktijktest tegen
discriminatie’, voorgesteld door PS-minister Dupont: nep-sollicitanten stappen
undercover een bedrijf binnen, om te zien of ze niet ‘gediscrimineerd’ worden.
De Wever vond het bepaald een onzindelijk idee, want men moet zich de situatie
op de werkvloer voorstellen: iedere sollicitant met een Noordafrikaanse look
of met homo-achtige maniertjes kan een acteur zijn, een soort ‘mol’, er door de
overheid op uitgestuurd om Uw reflexen te testen. Dàt is pas de universele
achterdocht, de onverdraagzaamheid en de verzuring bevorderen. Maar Jozef De
Witte –eigenlijk een overheidsambtenaar met een uitvoerende taak- begon alvast
het idee publiek en in de pers te promoten. In zijn ijver,- en daar liep het pas
echt fout-, bestempelde hij De Wever, die het systeem gewoon in vraag durfde te
stellen- als iemand met een ‘schokkende, verontrustende en kwetsende mening’,-
lees: een racist, lees: een vermomde Vlaams-Belanger. Binnenkort is dus niet
alleen het verbanvloekte V.B. racistisch, maar ook al wie maar even morrelt aan
de steunpilaren van het regime en institutionele kritiek levert. Wat voornoemde
partij alleen maar meer proteststemmen oplevert. ‘Een mens zou stilaan gaan
denken dat ze het erom doen’, aldus De Wever. Een bijzonder veelzeggende en
verreikende uitspraak, die een brede nabeschouwing verdient.
Het 'Centrum' als bewaker van political correctness
Wereldwijd lijkt er met het woord ‘racist’ iets vreemd aan de hand. Naarmate rechts en extreem-rechts in Europa aan invloed winnen, lijkt er vanuit de tegengestelde hoek een vervolgingsdrift op gang te komen die ik moeilijk anders dan als postmodern fascisme kan omschrijven. Ze bedient zich van termen als ‘racistisch’ en ‘xenofoob’ om maatschappelijke controlefuncties in te planten die doen denken aan Huxley’s Brave New World. In die mate zelfs, dat de begrippen ‘links’ en ‘rechts’ helemaal hun inhoud verliezen. Zo ontwikkelde een groep ‘progressieve’ Spaanse wetenschappers de racismomaton,- een straatcomputer die U kan testen op ‘onbewust racisme’. Na de automatische schoenenpoetser, de publieke gewichtscontrolemachine, de snelle HIV-test, nu dus de racismomaton,- ik dacht dat het een grap was, maar neen, surft U even naar www.racismomaton.org en overtuig Uzelf.
In
België heeft dit verschijnsel een speciale institutionele dimensie.
Het idee van de ‘praktijktest’ toont hoe gulzig de
zgn. rechtsstaat de geest van de democratie aanvreet: het doolhof van regels en
regeltjes en de daarbij behorende schemerzones van juridische spitstechnologie
volstaan blijkbaar niet meer om het establishment in zijn hengsels te houden; nu
wordt op het sociale veld zelf een spel van uitlokking en betrapping gespeeld,
waarbij elke burger een potentiële verklikker is. Dat begint verdacht veel op
staatsterreur te lijken: het systeem wacht niet meer tot U iets mispeutert, het
legt zelf valstrikken en lokt potentiële incivieken uit hun tent. Bij dit
Big-Brother-syndroom hoort ook een inquisitorisch apparaat dat waakt over de
ideologische correctheid, dissidenten opspoort én als aanklager optreedt. Het ‘Centrum
voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding’ heeft daarin een
indrukwekkende staat van dienst. Sinds zijn oprichting in 1993 – het toenmalig
Vlaams Blok zag het als een paniekreactie van de politieke klasse op haar eerste
grote overwinning in 1991, en is er waarschijnlijk niet ver naast-, als openbare
dienst toegevoegd aan toenmalig premier Jean-Luc Dehaene, speelde het de
repressieve kaart en creëerde zondebokken aan de lopende band, waardoor het zijn
publiek draagvlak stelselmatig verkleinde en meer als een gedachtenpolitie en
vervolgingsapparaat werd gepercipieerd.
We herinneren ons o.m. het geval Siegfried Verbeke: een geschifte neo-nazi, door het Centrum gedagvaard wegens ‘negationisme’, een pseudo-wetenschappelijke these over onbestaand gaskamers die elke historicus kan weerleggen; of de affaire Feryn (een kantelpoortenfabrikant die beweerde dat zijn klanten allochtone monteurs niet graag zien komen); of nog zo’n trofee: de zaak De Bleecker (een 77-jarige bietenkweker uit Rixensart die zijn huis niet wilde verhuren aan een homokoppel en daarvoor op zijn oude dag een strafblad én een boete van 100 Euro aan zijn broek kreeg). De gewone man begreep de heisa niet, maar het Centrum triomfeerde. Ook toen het toenmalige Vlaams Blok in April 2004 door het Hof van Beroep werd veroordeeld wegens ‘racistische uitspraken’,- een vonnis dat hen een klinkende overwinning opleverde in de Vlaamse Parlementsverkiezingen van datzelfde jaar (+ 9 zetels). Dankuwel, Centrum. Als Jozef De Witte en zijn voorganger Johan Leman de Vlamingen tot meer kleurgevoel moesten aanzetten, dan waren ze wel heel slecht bezig. Of gaat het eigenlijk daar niet om?
Het 'Centrum' is uitgewoekerd tot een conservatief machtsapparaat dat, onder voorwendsel van de discriminatie te bestrijden, de stigmatisering op zich heeft genomen van al wie zich niet kan vinden in het principeloos surrealisme van de Belgische compromissencultuur. Het heeft een systeembevestigende opdracht en een repressieve slagkracht, dankzij een aantal uitzonderingswetten, geschreven op maat van een half buiten de wet gestelde separatistische oppositiepartij.
Want er is meer aan de hand. In zijn 13 jaar werking heeft het Centrum het sleutelwoord ‘racistisch’ (en de daaraan gelinkte begrippen ‘xenofoob, ‘ondemocratisch’ en ‘extreem-rechts’) zodanig verbreed en uitgehold, dat het meer een stoplap en passe-partout is geworden, van toepassing op alles wat als ‘politiek-incorrect’ wordt beschouwd. In de schaduw van de eerste ‘Zwarte Zondag’ van November ’91 en de daarop volgende Belgische regimecrisis van heel die laatste decade, is het Centrum zich m.n. eerder gaan gedragen als een parallelle Staatsveiligheid die jacht maakt op on-Belgische activiteiten, om het McCarthisme uit de VS van de jaren ’50 te parafraseren. Het Centrum schijnt zich dus meer bezig te houden met afwijkende meningen dan met discriminatie. En wel precies met die geluiden uit de samenleving, die de Belgische constructie in vraag stellen. En die zijn er nogal wat aan Vlaamse kant. Naarmate de koning zich zorgen begon te maken over het ‘openlijk of omfloerst separatisme’ (nieuwjaarstoespraak voor de Gestelde Lichamen, Januari 2006) van zijn onderdanen uit het Noordelijk landsgedeelte, en dus over zijn eigen job, werden alle meningen uit die hoek ‘extremistisch’, ‘ondemocratisch’, ‘verontrustend en schokkend’. Niet alleen de ‘mestkevers’ van het VB dus, maar ook de al bij al beschaafde en bedaarde flamingant Bart De Wever. De manicheïstische logica, die hieraan ten grondslag ligt, roept herinneringen op aan het woord ‘entartet’ onder het nazi-bewind: een verzamelwoord voor alles wat als ongewenst, ziekelijk, kwaadaardig, pervers wordt beschouwd en met wortel en al moet uitgeroeid worden.
De linkse pers, die dit stigmatiseringsproces als verschraling van het politiek debat en als
democratisch deficit zou moeten signaleren, stapt kritiekloos mee in de hetze.
Tot de heksenjacht op de uitdijende schare Vlaamse incivieken behoort ook het
rondneuzen in familierelaties (als je zelf geen Vlaams-Belanger bent, dan is je
vader, broer of neef het misschien wel –aldus Tom Cochez in ‘De Morgen’
van 3/6/06). Om die reden vond de Staatsveiligheid (de officiële dan) het in
2003 nodig om het zangeresje Soetkin Collier
van Urban Trad als
staatsgevaarlijk element te ontmaskeren… omdat haar vader ooit een donkerbruin
café in Antwerpen had uitgebaat. De nieuwe rassenleer heeft zich in het
‘progressief’ discours genesteld. Al wie geen 100% cleane stamboom kan
voorleggen, is gewaarschuwd. Vanuit die fascistoïde zwart-wit optiek is het maar
een stap naar de criminalisering en zelfs de medicalisering van de ontaarden (m.n.
ze te beschouwen als ‘verzuurd’, ‘verbitterd’, mentaal ontwricht, sociaal
nutteloos).
Het onderliggende systeem van deze heksenjacht wijst in de richting van de instellingen en het establishment zelf. De onvermijdelijke conclusie is, dat het ‘Centrum’, dat deze uitstotingsdynamiek beheert en kanaliseert, in 1993 vanuit een verborgen agenda is opgericht. De bewering van De Wever dat‘ het Centrum de plaats inneemt van de politiek en het gerecht’ blijkt dan nog een understatement. In werkelijkheid is het een conservatief machtsinstrument dat, onder voorwendsel van de discriminatie te bestrijden, de stigmatisering op zich heeft genomen van al wie zich niet kan vinden in het principeloos surrealisme van de Belgische compromissencultuur. Het heeft een systeembevestigende opdracht en een repressieve slagkracht, dankzij een aantal uitzonderingswetten, geschreven op maat van een half buiten de wet gestelde separatistische oppositiepartij. Dat de PS de drijvende kracht was achter dit vervolgingsapparaat, evenals trouwens achter het cordon sanitaire, is algemeen geweten: voor het economisch slabakkende, maar ‘on-racistische’ Wallonië is België een zaak van leven of dood, dat erkennen ook nuchtere Waalse politici zoals prof. Robert Deschamps (Université de Namur). Maar discreet fluistert de francofiele monarchie mee in dit verhaal, dikwijls via de Koning Boudewijnstichting, nog zo’n speerpunt tegen de om zich heen grijpende ‘verzuring’ en het ‘racisme’. De manier hoe het hof op de zaak Remmery sprong (November 2004; bedrijfsleider uit Ledegem krijgt dreigbrieven omdat hij een allochtone werkneemster in dienst heeft) en zich vervolgens weer behoedzaam maar zonder commentaar terugtrok (de auteur van de brieven werd nooit gevonden, men fluistert over een amoureuze intrige rond de zaakvoerder zelf) spreekt boekdelen.
Zo wordt de schutskring rond het VB, via subtiele semantische verschuivingen rond het woord ‘racisme’, geleidelijk aan verbreed tot alle kritische, middelpuntvliedende (lees: anti-Belgicistische) krachten, mede dankzij het discours van het politieke establishment zelf. Wie tegen de monarchie is, is dus een racist. Wie vindt dat België als structuur niet functioneert, is ‘ondemocratisch’. Zoals in mijn studententijd aan de VUB al wie met de Maoisten of Marxistisch-Leninisten in discussie durfde gaan, een ‘fascist’ was. Het is van een simplistisch schuttingniveau dat doet denken aan het opschrift ‘Al wie dit leest is zot’.
Gefrustreerd door slechte peilingen,
doet VLD-minister Karel De Gucht dan de uitspraak van het jaar, door alle
Vlaams-Belang-kiezers collectief verantwoordelijk te stellen voor de ‘dubbele
racistische moord’ (zo staat het nu eenmaal geboekstaafd) van 11 Mei 2006 in
Antwerpen. Met de klap worden één miljoen Vlamingen gecriminaliseerd. Echt
omwille van die moord? Of omdat ze kozen voor een partij die kotst op de
Belgische staat, het politiek establishment en dus op het nette pak van De Gucht?
En waarom ook niet iedereen in staat van beschuldiging stellen, die de intentie
had, of ook maar ooit overwoog om ‘fout’ te stemmen? Even later komt Abu Djadja
van de Arabisch-Europese Liga dan ook De Gucht’s uitspraak nog aandikken: ‘Heel Vlaanderen
is racistisch’, tout-court. Gevolgd door, jawel, weerom Jozef De Witte in
‘De Morgen’: ‘Het Vlaams Belang zit in elk van ons’. Bij wijze van
sofisme zou men kunnen replikeren: ‘Als iedereen een racist is, dan is niemand
het’. Maar neen, dat is te optimistisch,- we zijn tot in ons merg vervloekt. De
Palestijnen mochten hetzelfde meemaken: ze hebben voor Hamas gestemd en fout
gekozen, ze zijn
dus, zoals de Vlamingen, politisch-unfähig. Ontneem ze gewoon het
stemrecht, ze verdienen het niet.
"Le mal des Flandres" - De Vlaamse underdog: beknopte stamboom
Het label ‘racist’, als stigma dat elk discours rond het einde van België onbespreekbaar moet maken, komt natuurlijk niet uit de lucht gevallen, zo dom is Jozef De Witte nu ook weer niet. Tegelijk cultiveert het Vlaams Belang tot op vandaag zeer bewust het discours van de misbegrepen slechterik en underdog. Om dat te begrijpen moet men de geschiedenis van de Vlaamse Beweging bestuderen, als een fatale wisselwerking tussen een verinnerlijkt minderwaardigheidscomplex, een ongunstig historisch gesternte, en foute strategische keuzes. Een kleine terugblik.
Sinds de annexatie in 1795 van de Zuidelijke Nederlanden aan het Frankrijk van het Directoire was het Frans bij ons de voertaal van het nieuwe burgerlijk-revolutionaire regime geworden. Het Vlaams werd beschouwd als archaïsch, feodaal, en symbool van de voorbijgestreefde waarden zoals die vooral nog op het katholieke platteland werden beleefd (om dezelfde reden onderdrukte de nieuwe republiek bv. ook de Bretoense taal). Na de nederlaag van Napoleon in 1815 en de aanhechting bij Nederland is er even hoop op beterschap, maar een monsterverbond tussen conservatieve katholieken (die de protestantse Willem I afwijzen) en de liberalen (die meer burgerlijke vrijheden eisen) mondt uit in de ‘Belgische Revolutie’ van 1830. Een eerste repressiegolf degradeert de Vlamingen meteen tot tweederangsburgers, om het beladen woord ‘Untermenschen’ niet te moeten gebruiken. De taalwetten van Willem gaan naar de prullemand, de politieke, economische en culturele elites kiezen voor het Frans als voertaal van de geëmancipeerde staat. Via het cijnskiesstelsel (hoe rijker, hoe meer stemrecht) bezet dit francofoon establishment (Franstaligen, maar ook verfranste Vlamingen) alle sleutelposten in politiek en administratie. Het Vlaams wordt eigenlijk vanaf dan als een vervelend residu beschouwd, om niet te zeggen een incivieke en subversieve valse noot in het publieke patriottische discours. Het liefst wou men Vlaanderen zo snel mogelijk helemaal verfransen: Nederlands spreken in het openbare leven was compleet not done, nu zouden we zeggen: 'politiek-incorrect.' Kleine toegevingen inzake taalwetgeving verhinderden niet dat zich doorheen de 19de eeuw een breed Vlaams underdogcomplex ontwikkelde, iets wat de allochtonen van vandaag zeker bekend zal voorkomen: een ambigu gevoel van verzet en berusting, rancune en zelfkleinerend terugplooien op een subcultuur. Tot op vandaag leeft dat complex voort in onze cultuur: ik denk aan in de platte humor van de dialect-sprekende kluns (Gaston en Leo), de cultus van de knutselaar-knoeier (Panamarenko, Fabre), de literaire pose van de eeuwige loser (Lanoye).
De 19de eeuwse katholieke kerk speelde in dit conditioneringsproces een uitermate dubbelzinnige rol. Enerzijds bevorderde zij een soort vroom-Vlaamse peudo-identiteit, introvert en traditionalistisch (‘Voor outer een heerd’), tegen het wereldse liberalisme en het opkomende goddeloze socialisme (beide toonden overigens geen enkele interesse voor de bestaande taaldiscriminatie,- dat is een constante in de Belgische geschiedenis). Maar anderzijds was diezelfde kerk een steunpilaar van het Belgische regime en de francofiele, roomsgezinde monarchie. Het was voor de alliantie tussen vorst en kerk dus ook belangrijk dat Vlaanderen een beetje achterlijk en in zichzelf gekeerd bleef. We hebben er ons dicht spoorwegnet aan te danken: tram en trein moesten het Vlaamse fabrieksproletariaat na de dagtaak snel weer naar de dorpen afvoeren, om grote stedelijke arbeidersconcentraties en het daarmee gepaard gaand politiek bewustzijn te verhinderen. Ons gebrek aan mondigheid en taalvaardigheid is terug te voeren tot dit door de Belgische elites welbewust geconserveerde parochialisme. De xenofobie sloop als vanzelfsprekend onder deze kerktorenmentaliteit: de Vlaamse subcultuur op het platteland werd, vooral dankzij de dorpspastoors, doordrongen van een mentaliteit die we vandaag ‘rechts-conservatief’ zouden noemen. De doorsnee-Vlaming aanvaardde zijn lot, werkte hard, wantrouwde het vreemde en onbekende, maakte veel kinderen, sprak weinig en bad. De culturele achterstelling ging gepaard met echte materiële verpaupering: door mislukte oogsten wordt Vlaanderen in de jaren 1845-48 door hongersnood geteisterd en breekt de mentale veer: de armoede, gecombineerd met het prediken van berusting, heeft ons mak gemaakt. "Le mal des Flandres" wordt zelfs een medische bijnaam voor een algemene lichamelijke degradatie door ziekte en ondervoeding. Af en toe kristalliseerde het underdogcomplex tot een stedelijke oprisping van politiek verzet (zoals de Antwerpse ‘Meetingpartij’ uit de jaren 1860, die qua ‘drive’ nogal wat gelijkenissen vertoonde met het huidige VB), maar de traditionele partijen slaagden er telkens in om die te recupereren.
In de Franco-Belgische elitestaat van 1830 was het Nederlands not done en gedegradeerd tot dorpsfolklore. De xenofobie sloop als vanzelfsprekend onder de kerktorenmentaliteit: de Vlaamse subcultuur op het platteland werd, vooral dankzij de dorpspastoors, doordrongen van een mentaliteit die we vandaag ‘rechts-conservatief’ zouden noemen. Noch de liberalen, noch de socialisten hadden oog voor deze achterstelling...
Tot de 1ste wereldoorlog
uitbrak. Met de slogan ‘Vlamingen, gedenkt de slag der Gulden Sporen!’
trommelde Koning Albert I het Vlaamse voetvolk op om het vaderland te
verdedigen, bewust inspelend op de romantiek van hun subcultuur, en met de
impliciete belofte dat ze daarmee hun status van tweederangsburgers
konden afkopen. De realiteit was anders: een ééntalig Frans legerkader stuurde
in een uitzichtloze loopgravenoorlog een meerderheid van Vlaamse (ca. 80%)
infanteristen de dood in. Sommigen werden gefusiljeerd wegens insubordinatie,
omdat ze de Franstalige bevelen niet begrepen. De koning –de laatste, haast
mythische reddingsboei voor de vernederde Vlamingen- negeerde alle smeekbeden en
‘open brieven’. Langzamerhand groeide het besef dat het Belgisch
establishment de Vlaamse offers nooit zou honoreren, en ontstond het idee dat
men de vergeefs bevochten burgerrechten (‘Hier ons bloed, wanneer ons recht?’)
misschien wel via de bezetter kon bekomen. Met dat zgn. ‘activisme’ komt het
Vlaamse underdogcomplex in een nieuwe fase, en bijt het voor de eerste keer in
de verboden appel van de collaboratie. Het vijanddenken richt zich vanaf dan op
de binnenlandse onderdrukker, de hulp moet van buitenaf komen. Haast heel de
frontbeweging stapt mee in die fantaisistische piste. De prijs wordt betaald na
de Duitse nederlaag in 1918: een grootscheepse zuivering en een terugkeer naar
het Franco-Belgisch nationalisme doet alle Vlaamse eisen in de koelkast
belanden. Onderhuids broeit, vooral onder de gebroodroofde en uit alle
opleidingsniveau’s geweerde oud-activisten, een haat tegen het Belgisch
establishment, door hen gezien als de perfide kracht die hen zelf in de armen
van de vijand had gedreven. De verkiezing van de ter dood veroordeelde activist
August Borms in 1928 betekent een kantelpunt. Vanaf dan gaat de Vlaamse
Beweging met tromgeroffel en zwaaiende vendels regelrecht de rechts-totalitaire
toer op: de geslagen hond vond een nieuwe meester.
De xenofobe
kerktorenromantiek vloeide naadloos over in de Germaanse
eenheidsgedachte, inclusief racisme en antisemitisme, dankzij figuren als
pastoor Cyriel Verschaeve. Ondanks tegenstrijdige tendenzen en
veel gepruttel in de interne keuken, wordt het flamingantisme vanaf dan zonder meer
een tak van het Europese fascisme, met het Duitsgezinde VNV als politieke motor.
De 2de wereldoorlog breekt uit, en weer ronselen dorpspastoors kanonnenvlees vanaf de kansel, ditmaal voor het Duitse Oostfront. De collaboratie wordt nu echt
gezien als een hefboom tot emancipatie: Vlaanderen levert een SS-legioen. De
gevolgen na 1945 lijken die van 1918 in het kwadraat: een nieuwe, veel ergere
repressiegolf, nieuwe marginalisering, nieuwe verzuring, weer zoveel families
waarin het donkerbruin bezinksel gist. In de economische boom van de jaren ’60
overvleugelt Vlaanderen economisch Wallonië, en in 1968 wordt Leuven zelfs het
toneel van een kleine cultuurrevolte. Maar wanneer de Vlamingen voor de derde
keer bij de neus worden genomen d.m.v. het ‘Egmontpact’ van 1977, en de
Volksunie –in collaboratiemiddens ontstaan, maar groot geworden als
gematigd-federalistische formatie- hiervoor door de kiezer wordt afgestraft,
ontstaat de partij die de afscheuring van de Belgische staat tot haar hoofdpunt
maakt, maar die ook alle ideologische en emotionele grondstromen meeneemt waardoor de Vlaamse
Beweging in 150 jaar is gepasseerd: op 17 november 1978 vindt de eerste
verkiezingsmeeting van het Vlaams Blok plaats,- de rest van het verhaal
is gekend. Vanaf dan houdt het
Belgische politieke establishment zich eigenlijk alleen nog bezig met een
discours van uitsluiting, discrete censuur en realiteitsontkenning, beter bekend
als het ‘politiek-correcte’ denken. Binnen deze objectieve neurose van de
bovenbouw moeten actoren als het ‘Centrum’ gesitueerd worden.
Wat moeten we uit deze saga nu besluiten? Dat het ‘Vlaamse racisme’ een Belgisch probleem is en het verhaal van een self-fulfilling prophecy dat al in 1830 begon. Het gaat er natuurlijk niet om, fenomenen als de collaboratie te vergoeilijken of de Vlaamse Beweging martelaarsallures toe te dichten, zoals bv. het Servisch nationalisme dat met zich doet. Wel integendeel. Maar men moet weten waar de dingen vandaan komen, voor ze kunnen bemeesterd worden. Binnen de Belgische context is de Vlaamse underdog ongeneeslijk,- alleen onafhankelijkheid kan deze negatieve spiraal nog keren. Dat is niet eens een politieke conclusie, het is de logica der feiten.
De republiek als witte vlek
Op 22 Mei 2006 bestormde cineast en
beroepsanarchist Jan Bucquoy het Koninklijk Paleis te Brussel en bezeerde
daarbij zijn rechterhand. Hij werd protocolair ingerekend, gaf vervolgens een
interview weg, en keerde terug naar zijn stamcafé De Dolle Mol. De vorst zal het
tafereel ongetwijfeld met zijn verrekijker hebben gadegeslaan, en gezien hebben
dat het goed was. Die gekke Vlamingen toch! Ooit kreeg de Waalse communist
Julien Lahaut de kogel voor het uitroepen van ‘Vive la République’. De
tijden zijn veranderd.
Voor wie echt begaan is met het einde van de monarchie en met het post-Belgische tijdperk, laat de door vorst en vaderland gesmaakte Bucquoy-grap een wrange nasmaak: is dat nu de actuele armslag van de republikeinse beweging? Een onschadelijke nar die zich ludiek te pletter loopt op een koninklijk hekken? Of is dit de schaduw van de laatste incarnatie van de Vlaamse underdog?
Door de historische wetmatigheid staat het uiteenvallen van dit land voor de deur –een natie die nooit had mogen bestaan-, maar ik zie weinig constructief denkwerk over de politieke structuur van de toekomstige Vlaamse staat, een ontwerp van grondwet bijvoorbeeld. Zelfs het Warandemanifest is maar een schemerblaf, een economische nota zonder veel politieke dimensie. De ‘Vlaamse Republiek’ blijft een verzwegen issue, een witte vlek.
Die stilte heeft zijn reden. De contradictie is namelijk dat ‘links’ (SPA, Groen, zelfs klein-links) zich vastklampt aan de Belgitude, de monarchie en het status-quo, terwijl ‘rechts’ rebelleert en de verandering predikt (het VB wijst overigens het predikaat ‘extreem-rechts’ af, zo liet partij-ideoloog Gerolf Annemans me weten). Het racismediscours van het Centrum en aanverwanten heeft deze politieke vertekening veroorzaakt, gijzelt de linkerzijde en houdt de verwarring welbewust in stand om de doodsstrijd van de monarchie te rekken, maar het is aan de intelligentsia en de kritische massa van wat zich ‘progressief’ noemt zelf, om het mechanisme van de stigmatisering te doorzien en het begrippenkader terug op poten te zetten.
Het politiek debat, van links tot rechts, over een grondwet voor de Vlaamse republiek is primair aan der orde, méér dan alle economische manifesten samen. Laat er terug duidelijkheid zijn in wereldbeeld en maatschappijvisie,- herover de republiek als progressief concept, of ‘links’ zal vreemd opkijken als het zich overslaapt en wakker wordt in een Vlaamse staat die alleen door de vermaledijde ‘racisten’ is afgedwongen...
Historisch hoort het republikeinse
gedachtengoed niet in het rechts-autoritaire kamp thuis. Zeker niet exclusief.
Het is in oorsprong en in wezen progressistisch, democratisch en sterk op
algemeen welzijn, bewustwording en burgerparticipatie gericht,- vandaar dat het
Vlaams Belang zelfs aarzelt om het woord ‘republiek’ in de mond te nemen. Het
zou de perfecte staatkundige doctrine voor een partij als ‘Groen!’ kunnen zijn,
wat houdt hen tegen? Het opgeheven vingertje van Jozef de Witte? Zoals de
Amerikaanse politiek filosoof Michael Sandel terecht opmerkte in een academische
lezing van 24 maart 2006 te Leuven, is het liberale laisser-faire-denken
evenmin authentiek ‘republikeins’, omdat het door zijn dwangmatige focus op
individuele vrijheid nooit tot een Gemenebest-concept komt, zoals de
filosofen van de Franse Revolutie, Rousseau en Montesquieu dat formuleerden.
Voor hen was het absurd om belastingen af te schaffen, omdat het innen en
herverdelen juist de immanente rechtvaardigheid van de Republiek ritualiseert.
De Vlaamse Groenen laten hier een gouden kans liggen. Ook milieubewustzijn is
bij uitstek ‘republikeins’: het besef dat wat uit Uw uitlaatpijp komt, door
anderen weer wordt ingeademd, overstijgt het individu en ziet de wereld en de
samenleving als een stelsel van communicerende vaten. Tenslotte is ook het
publiek debat ‘republikeins’: geen geënsceneerde ‘open debat cultuur’, maar een
echte partijgrens-overstijgende brainstorming rond gemeenschappelijke waarden,
zoals De Wever dat onlangs wou inleiden en hiervoor werd gebrandmerkt. In de
Belgische context durft links dus niet, en wil rechts niet...
De Vlaamse republiek is niettemin een must, psychologisch, sociologisch en politiek,- het zal ons mentaal bevrijden, Europees doen voelen en mondiaal doen denken. Het zal ons bevrijden van het juk der dorpspastoors dat, ondanks economische voorspoed en culturele grootspraak, het collectief onderbewustzijn is blijven beheersen. Het wordt dus tijd om de dingen bij hun naam te noemen. Om dit herstelproces een kans te geven, moet het ‘Centrum’ zo snel mogelijk opgedoekt worden, liever vandaag dan morgen. Eén Liga voor de Mensenrechten volstaat ruimschoots, als signaalgever en sensibiliserende factor. Het Belgicisme van de linkerzijde is aberrant en tegennatuurlijk. Het politiek debat, van links tot rechts, over een grondwet voor de Vlaamse republiek is primair aan der orde, méér dan alle economische manifesten samen. Laat er terug duidelijkheid zijn in wereldbeeld en maatschappijvisie,- herover de republiek als progressief concept, of ‘links’ zal vreemd opkijken als het zich overslaapt en wakker wordt in een Vlaamse staat die alleen door de vermaledijde ‘racisten’ is afgedwongen.
En om de ‘onderzoeksjournalisten’ van De Morgen in hun stamboomonderzoek de moeite te besparen: mijn vader is een teleurgestelde flamingant met VB-sympathieën, mijn moeder een klassiek-blauwe matrone, mijn zussen zijn rooie meiden, mijn vrouw is een braaf Rooms meisje, en mijn zoon een fervente groene. Kies maar uit. Dat is pas diversiteit, en we komen nog goed overeen ook. Ikzelf blijf een overtuigd politiek-dakloze, evenals mijn hond trouwens. Want ook in de toekomstige Vlaamse republiek is dissidentie nodig: ik wil wel meeschrijven aan de nieuwe grondwet, maar hem gehoorzamen, dat is nog iets anders. ■
Interessante links: