VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  

Terug naar startpagina             Alle artikels             Reageer via het Forum       Contacteer de auteur

 


 No milk today – Saskia bindt haar tepels af

  Is er een vrouwelijke anti-cultuur in de maak?

 Johan Sanctorum

  27/08/09

 

Op 2 augustus j.l. voltrok zich in het Parijse Louvre een microdrama dat men zou kunnen lezen als een kleine cultuurclash. Over het algemeen denk ik trouwens dat ogenschijnlijk onbenullige voorvallen uit de rubriek “gemengde berichten”  intrinsiek veel meer betekenis hebben dan geleerde uiteenzettingen van experten.
Een niet nader genoemde Russische vrouw gooide er met een aardewerken kopje naar Da Vinci’s Mona Lisa. Uiteraard zonder schade (alleen het kopje sneuvelde), de dame werd afgevoerd naar een psychiatrische instelling.
Een zottin die zich vergrijpt aan een halfgodin, zo lijkt het. Nu is de Mona Lisa een duurzaam mikpunt van kunstvandalisme. Ze werd in 1911 ontvoerd, in 1956 overgoten met een bijtend zuur en in dat zelfde jaar gestenigd. Marcel Duchamps gaf haar al in 1930 een snor. Iets zet mensen, dikwijls totale leken, ertoe aan om dit soort in een kunstwerk ingebedde supermuzes te verminken. Pure barbarij? Of willen losgeslagen toeschouwers doorheen de esthetische oppervlakte iets, lelijk, onnozel of walgelijk releveren? En welke vreemde rol spelen vrouwen in het doorprikken van deze mannelijke fantasmes?

Die lelijkheid achter de schone schijn weekt zich overigens vanzelf los, op alle momenten waar de kunstenaar optreedt als carrièremaker, marketeer, charlatan, zwendelaar, zolenlikker. De krantenfoto waarop kunstschilder Luc Tuymans Koningin Paola ontvangt, n.a.v. diens tentoonstelling in Brussel “Against the day”, blijft in dat opzicht fascineren. Het is een meta-icoon waarin kunst enorm veel over zichzelf verraadt. Mannen creëren niet om leven te geven, maar om zichzelf in leven te houden: hun muzes zijn gesublimeerde moederfiguren. Mannelijke kunst is daarom in hoge mate Narcistisch, pathetisch en luidruchtig. Kunstenaars smeken om aandacht, erkenning, lafenis, - volgens de Freudiaanse logica  een signaal van verspeningsangst. Waarom maakt onze gevierde Commandeur in de Leopoldsorde zo’n mooie schilderijen? Heel eenvoudig: om de aandacht te trekken. Zijn blik op oneindig is theatraal en fake. De mannelijke ernst, vol machtswellust en gespeelde zekerheid, verbergt een infantiel verlangen naar materiële en psychische geborgenheid, waarvan de moederborst –en in extremis zelfs de vagina- de focus is.

Het loont de moeite om vanuit die theorie eens andere artistieke topmomenten te evalueren die als werelderfgoed zijn gecatalogeerd: de prehistorische Venus van Willendort , De Schreeuw van Munch, Wagner’s Tristan und Isolde,- zijn ze in wezen iets meer dan aanstellerij, behoefte-expressies, grijpreflexen? Natuurlijk wel, we hebben geleerd om er “kunst” in te zien, diepe boodschappen, grootse spiegelmomenten van de menselijke psyche. Maar wie leert ons dat? Juist, de culturele opvoeding, de dwangmatige codes en canons die “kwaliteit” moeten afbakenen, waardoor we het onderscheid maken tussen Claus’ Verdriet van België en een boodschappenlijstje op het prikbord van de keuken, of een scheidingsvel tussen twee plakjes kaas.

Binnen het kunstenbedrijf en het pedagogisch circuit is er dus een zekere grootsprakerigheid nodig om de cultuurcanon te consolideren, en te beletten dat het kunstwerk zou herleid worden tot wat het is, namelijk een poging om ons moeke te charmeren zodat ze minstens één en liefst twee tepels aanbiedt. Mannen willen return, netto-resultaat, positieve cash-flow. En ook hier verraadt de artistieke melkbrigade zichzelf: onder de bevlogen theorieën lonken begerige oogjes naar de lekkende maar nogal over en weer zwalpende borsten van het cultuurministerie, dat vandaag in Vlaanderen dan nog door een vrouw wordt geleid.

Artistiek pathos en behoefte-expressie lopen perfect parallel. In de Vlaamse kunstbureaucratie worden permanent achterhoedegevechten geleverd omtrent cultuurbudgetten en het te verdelen overheidsgeld. Op een of andere manier wil men artistieke vrijheid, los van politieke willekeur, maar wel betaald met belastinggeld. De kwadratuur van de cirkel, maar het geschrei binnen de ‘kunstensector’ houdt niet op. Dichters die voor de rest in de wolken schijnen te leven, verspillen tonnen papier en inkt aan zeer prozaïsch geëmmer over het hoe, wat en waarom van een letterenbeleid.  Eigenlijk is het een literair genre op zich geworden: luid jeremiëren over geldgebrek, zodat de minister het zou horen.  Een eminente fondsoloog onder de Vlaamse dichters is Dirk Van Bastelaere, die zijn pen ruilde voor de rekenmachine en in het tijdschrift nY driftig op zoek gaat naar plug-ins van het literaire middenveld op de staatskas.

"In de Vlaamse kunstbureaucratie worden permanent achterhoedegevechten geleverd omtrent cultuurbudgetten en het te verdelen overheidsgeld. Op een of andere manier wil men artistieke vrijheid, los van politieke willekeur, maar wel betaald met belastinggeld. De kwadratuur van de cirkel, maar het infantiele geschrei binnen de kunstensector om 'meer middelen'  houdt niet op..."

Als men deze schier onleesbare teksten erop naleest – en ik raad iedereen aan om die oefening eens te doen- valt achter het hermetische jargon een enorme begeerte op, om niet te gewagen van een regelrechte mamofiele litanie. Hebzuchtig, ongerust, klagerig, soms dreigend: heel het strategisch register van de zuigeling komt erin voor. Nu besef ik wel dat iedereen probeert te overleven in deze barre tijden, dichters en anderen,- maar de hulpbehoevendheid die hier geëtaleerd wordt, is gewoon grotesk. Van Bastelaere toont, en dat is verdienstelijker dan zijn poëzie zelf, aan waar het in het kunstenbedrijf echt om gaat: het is de kunst om te krijgen, met alle middelen. Tevens zou men kunnen concluderen dat het artistiek bedrijf er sinds de renaissance op achteruitgeboerd is. Was in Da Vinci’s tijd de verhouding tussen kunstenaar en maecenas gebaseerd op een soort machtevenwicht, dan is de moderne kunstenaar als embedded artist een kind-man die vooral vraagt en materiële afhankelijkheid bestendigt.

Zelfs heel de vermarkting en de pogingen om communicatietechnisch zijn kunst in de etalage te leggen, zoals bijvoorbeeld Tuymans doet, is te herleiden tot  deze spruitjeslucht. Men moet constant in het nieuws blijven en zijn P.R. verzorgen, om niet het risico te lopen van vergeten te worden en de bevoorrading te rateren. Vandaar de verbale drukte, de wind, de theorie, het eindeloze subsidiedebat, de mediatisering, de knieval voor Paola, het kietelen van Joke.

Van daaruit is het ook makkelijk om te definiëren hoe kunst en cultuur zich vandaag tot elkaar verhouden,- twee termen die nogal eens door elkaar worden gebruikt. Kunst is de gestileerde driftexpressie van de kind-man, cultuur is de omzwachteling en inkapseling van dit gebeuren in een maatschappelijke pretekst rond iets dat we “nodig” zouden hebben om ten volle ons menszijn te beleven. Op die manier houdt cultuur het misverstand rond kunst in stand en sacraliseert ze de kunstenaar tot een soort geweten, een morele voorhoede, een orakel. Dat Freud met deze illusie afrekende, wordt hem tot op vandaag zeer kwalijk genomen. De psychoanalyse is dan ook een pretbederver voor de literatuur: wie wil nu nog een boek kopen, in het besef dat de schrijver alleen maar de tepel zoekt?

Zelden, zeer zelden leest men een boek dat genoeg heeft aan zichzelf en uit de volheid is ontstaan, want dan was het überhaupt niet uitgegeven. De beste boeken verschijnen dus nooit of worden zelfs nooit geschreven,- een paradox die elke schrijver minutieus tracht te omzeilen, want als dat inzicht publiek zou worden, stuikt de markt helemaal in elkaar. Wie wil nu nog een boek kopen als hét boek ongeschreven blijft?

 

Keerpunt en anathema: schrijfster begaat fatale schriftvervalsing

Afgezien van de vraag of wij dat veralgemeend artistiek infantilisme niet moeten afwijzen, door bijvoorbeeld minder te gaan lezen en de musea links te laten, interesseert me vooral hoe vrouwen daar zelf mee omgaan. Meegaan in de rol van moederlijke muze, de borst aanbieden, lage decolletés op vernissages? Of zelf de cultuurmarkt infiltreren en als mannin gedoemd zijn tot imitatie, genre Kristien Hemmerechts? Of… de steen in de vitrine en het pathos doorprikken?

Op 20 september 2008 stelt schrijfster en literatuurwetenschapper Saskia De Coster dan de verlossende daad. Zij stuurt een lezersbrief naar De Standaard, ondertekend door Noël Devisch, waarin deze zogezegd de ongebreidelde vleesconsumptie en –productie aanklaagt. Een leeg bord wordt ons geserveerd via een oefening in schriftvervalsing!  Prompt diende ex-boerenbondvoorzitter en baron Devisch klacht in wegens misbruik van zijn naam. Vanzelfsprekend heeft De Standaard onmiddellijk De Coster, die een maandelijkse column in die krant verzorgde, aan de deur gezet. Ze is ondertussen doorverwezen naar de correctionele rechtbank en riskeert een geldboete, zelfs een gevangenisstraf. Tot op heden snapt niemand waarom ze dit deed.

Toch is ook dit fait-divers op verschillende niveau’s betekenisvol: een existentieel, een literair, en een antropologisch-cultureel.

Ten eerste zegt Saskia, via dit Verbrechen, het pact op tussen kunstenaar en systeem. Helemaal tegengesteld dus aan de ambities van het “literaire middenveld” van haar mannelijke collega’s. De schrijftafel wordt een locus delicti, de kunstenares een crimineel, misschien zelfs een terroriste. Ze heeft daarmee een fatale lijn van de street credibility overschreden. Nooit zal De Coster voorgedragen worden voor een koninklijk lintje of de titel van barones, in Vlaanderen nog steeds een ambitie bij vele kunstenaars-van-stand. Nooit zal een deftige krant als De Standaard haar nog met geflatteerde recensies de hemel in schrijven. Ooit een gerespecteerd aankomend talent zoals dat heet, en kernredactielid van het oerdegelijke literaire tijdschrift literaire tijdschrift Dietsche Warande & Belfort, verkeert ze nu carrièrematig in een staat van ontbinding. Zij is sinds 20/11 sociaal-suspect, politiek-incorrect, cultureel-incredibel, mediatiek verbannen. Maakt bijvoorbeeld Jan Fabre furore als een gerehabiliteerde villadief (zo’n verzoening met het establishment, dat staat goed), dan is Saskia net het omgekeerde: een tot de schriftvervalsing bekeerde schrijfster.

Dat brengt ons op de tweede laag van het verhaal: was het proza dat Saskia in het verleden schreef alleen maar “fantasierijk”, in de toekomst zal het getekend zijn door het odium van de leugen.  Ook literair is dat een breekpunt, omdat ze de fictiviteit, het onwaarachtige van de letterkunde ontmaskert, als iets onbiologisch, corrupt en wereldvreemd. Haar sociale zelfmoord is een daad van ontlettering die, zo zal de geschiedenis uitwijzen, navolging zal krijgen en zware consequenties zal hebben voor de manier hoe wij naar cultuur kijken en kunst consumeren. Het model van de vervalste brief zal alle reguliere kunsttakken in zijn valbeweging meesleuren. “Al wie dit leest is zot”, zo luidt het schuttingdevies van het allerlaatste boek, alvorens het als één grote drukfout naar de papiermolen gaat.

"Kunst, als groots opgezette hypostase van een individuele emotie, heeft geen enkele betekenis meer: de dood van de kunstenaar wordt een meta-artistiek project, het kunstwerk zelf een aan de pornografische ontwijding gewijd object."

Ze zet daarbij al haar collega’s-scribenten van dit melkwegstelsel voor schut, ook de recensenten, de media die haar voordien op handen droegen, evenals zuignappen zoals Luc Van Bastelaere. Voor deze arme man is het een absoluut nachtmerriescenario: met de falsificatie van de literatuur komen alle artistieke staatstoelagen op de helling en wordt het cultuurministerie een bureaucratie zonder output, of misschien zelfs een anti-fraude-instelling met bijzondere opsporingsfaciliteiten, teneinde leugenachtige scribenten te sanctioneren.

Nooit mag, ten derde en ten laatste, de organische en sexuele dimensie uit het oog verloren worden: Saskia herorganiseert haar lichaam tot een man-vijandig en cultuurvreemd skelet. Ze is lelijk, benig, bezit boezem noch kont van enige omvang. De verspening krijgt de allure van een manifest en een programma in die frauduleuze brief waar de vleeslobby gehackt wordt. De krijsende baby zal tenslotte verstillen en verkommeren, de kunstenaar zal afsterven als een dode tak van de evolutie.

Inderdaad, als alles draaide om het mannelijk lustbeginsel, in casu het behagen van het wijfje, waarin dan nog een moederfiguur werd geprojecteerd,- is de radicale verspening en de verstoting van de zuigeling de enige remedie. Is Cultuur altijd een teken van mannelijke suprematie geweest, waarachter een infantie-oraal complex schuil ging, dan is het onbarmhartig afbinden van de tepel de enige juiste contra-strategie. En dat is vrouwenwerk: piercings in schaamlippen en tepels, het barrikaderen van de weg naar melk en honing.

Het is een doodsteek voor Cultuur met een grote C, maar tegelijk misschien een breuk die de menselijke beschaving kan redden. De ontluistering van de creativiteitsmythe, inclusief alle dwangvoorstellingen rond genialiteit, originaliteit, vernieuwing,…is daarmee definitief ingezet. Kunst, als groots opgezette universalisering van een individuele emotie, heeft hier geen enkele betekenis meer: de dood van de kunstenaar wordt een meta-artistiek project, het kunstwerk zelf een aan de pornografische ontwijding gewijd object.

Hoe moet het nu verder met Saskia en haar afscheid aan de schone letteren? Zopas lees ik op haar webstek dat ze echt van dat ijle lettergesudder afwil. “Niemand weet dat ze in het grootste geheim werkt aan Het Boek dat Geen Boek zal zijn, maar een voorwerp waaruit men de woorden moet kloppen.”, schrijft ze op haar webstek, in de derde persoon over zichzelf.

Het idee dat je een boek moet mishandelen tot de woorden eruit vallen en het ding leeg achterblijft, moet toch elke rechtgeaarde literatuurliefhebber kippenvel doen krijgen. Zou men het ook kunnen toepassen op de mishandeling van schilderijen, het overstemmen van een muziekwerk, het doorzagen van scupturen? Wie weet. Vanaf nu lees ik alleen nog Saskia De Coster. Nu ja, lezen….

 

Dit essay is een fragment van een nieuwe te verschijnen bundel:  Johan Sanctorum - "Fahrenheit 451  - Pleidooi voor ontlettering"
 

 

Nuttige links:

http://www.saskiadecoster.com/

http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?ArticleID=DMF20090714_024

Facebook - Steuncomité voor Saskia

(de originele "lezersbrief" van Saskia/Devisch bevindt zich begrijpelijkerwijze niet meer op de website van de Standaard...)

 Reageer via het Forum  

 Contacteer de auteur

 

Terug naar boven