
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

Het
hiernamaals is een muisklik ver
Virtuele realiteit als valstrik en potentie: de mannelijke en de
vrouwelijke kant
Johan Sanctorum
1/4/2007
Is het U ook al overkomen? U
boekt een trip naar Madeira en zit zich een maand lang op te warmen aan de
paradijselijke Club Med-plaatjes. De dag zelf staat U in de vertrekhal
van Charleroi/RyanAir op een ontiegelijk vroeg uur te balen, nauwelijks
geslapen, met een loden maag, een droge keel en het zenuwschijt. Op het
vliegtuig bestelt U in Uw naïviteit een koffie die zoveel kost als het ticket.
De hostessen zijn bot, Madeira valt tegen, het hotel wordt bezet door een meute
Duitsers, het regent heel de tijd en Uw vrouw heeft haar regels. Terug thuis,
zijgt U neer in de sofa en prevelt: ‘dat nooit meer!’.
Tot U drie maanden later terug in brochures zit te bladeren en het spel
herbegint.
De wereld als voorstelling
Het
zijn natuurlijk maar peanuts, zo’n Madeira-debâcle,- de skeletten van Darfour
zullen er eens klappertandend mee lachen. Maar dat maakt het eigenlijk nog erger
en pathetischer: het westers-decadente luxeleventje dat we leiden, maakt ons
overgevoelig voor elke storing of elk conflict tussen wat ons beloofd wordt, en
wat we krijgen. De moraal van het verhaal, en een tip om gelukkiger te leven:
bekijk de wereld zoals de reklame het voorschrijft. Vecht niet tegen de beelden,
maar versmelt ermee. Madeira is leuk. Om ons de periodieke opstoten van
ontgoocheling en walg te besparen, zit er niets anders op dan mee in de illusie
te stappen en de realiteit te beleven zoals de folders en de TV-reportages hem
designen. Zweven in een virtuele bel. Dat lukt de moderne mens aardig: we komen
uit vacantie met fantastische verhalen die bij nader toezien de brochures
napraten. De perceptie is dus de realiteit, wie het anders wil, haalt
zich een boel ergernis op de hals.
De onlangs overleden filosoof
Jean Baudrillard heeft van die ergernis een levenslange inspiratiebron
gemaakt. Hij kwam tot de vaststelling dat heel de stroom van informatie en
onderhoudend amusement, ons door het mediacirkus geserveerd, eigenlijk alleen
tot doel heeft om de moderne mens het bewustzijn te ontnemen en hem te gijzelen
binnen zijn eigen geluksobsessie. Het systeem van verslaving werkt perfect: de
consumptiemaatschappij creëert een onophoudelijke begeerte naar nieuw en
nieuwer, terwijl de media ons overspoelen met een pulpachtige quasi-realiteit,
een goedgemixte cocktail van trends, opinies, hypes en zogezegde objectieve
‘feiten’, die elke kritische afstand onmo
gelijk
maakt.
Het kan ons zelfs niet meer schelen of het echt dan wel fake is, zo indringend werkt het simulacrum,- een verzamelnaam voor algemeen aanvaarde onzin. Zitten die mafkezen echt in dat big-brother huis om elkaar te treiteren of te neuken? Vallen er echt elke dag 100 burgerdoden in Bagdad? (op de grote Amerikaanse netten zijn ze alleszins nooit te zien) Is er echt een mens op de maan geweest in 1969? (sommige complottheorieën stellen nog altijd dat de kiekjes in de woestijn van Arizona zijn genomen) Is België echt ontploft? En… bestaat België eigenlijk wel, of is het ook zo’n algemeen-aanvaarde fictie? Is Sabine Haegedoren echt weer zwanger? Is Bompa Pfaff echt dood? Allemaal nodeloos gepieker, want het beeldscherm geeft het antwoord nog voor U de vraag zou kunnen stellen.
Ontsnappen aan deze collectieve waan lijkt onmogelijk. En toch. Wat zelfs Baudrillard in de turbulente sixties niet kon vermoeden, was de eindigheid van de mediamaatschappij, en de geboorte van een ‘echte’ virtuele realiteit, m.n. het het WorldWideWeb. Een zelfdragende structuur van boodschappen en beelden die kriskras langs elkaar glijden, elkaar overlappen of tegenspreken, zonder dat iets of iemand het laatste woord heeft. Het internet is tegelijk de finale apotheose van de moderne mediacultuur (de eerste computerschermen zagen er ook uit als televisies), én haar antithese. Want in de cybersfeer maakt elk individu zijn eigen realiteit,- of virtualiteit, wat is nog het verschil? Gedaan met mediatieke ensceneringen, verslaggevers-ter-plaatse en BV-opinies.
Met het internet beschikt de homo digitalis eindelijk over een ontsnappingsroute die hem emancipeert uit de 20ste eeuwse televisiewaan, maar ook, veel algemener, uit het oeroude idee van cultuur, als spektakel, spiegel en quasi-venster.
De media zijn op de terugweg, er is geen lievemoederen aan, hoezeer ze ook hun best doen om het web te recupereren of naar de verdoemenis te wensen. Overigens is heel de door Baudrillard ongenadig bekritiseerde maatschappij van het spektakel en het simulacrum een mannenuniversum. Zelfs de surfer is een voyeur en doe-het-zelf-journalist die zijn eigen peepshow maakt; dat is een vooruitgang, maar het blijft een peepshow. Nu al gaan de meeste mannen ’s avonds op internet, terwijl vrouwlief TV kijkt, strijkt, of zichzelf bevredigt. De surfer is de laatste restant van een verfletst jagersinstinct; vrouwen schijnen dan ook met het internet niet overweg te kunnen, het is gewoon hun ding niet. Zoals ze ook geen auto kunnen rijden. De afstandsbediening van de TV, dat lukt nog net, maar regelmatig krijgen dokters op de spoedafdeling gevallen binnen van vreemde voorwerpen in de baarmoederhals, zoals GSM’s en zaptuigen. Wat gebeurt er achter de keukendeur?
Ondertussen bij de meisjes
Onlangs
heeft een Antwerpse school voor kinderverzorgsters een pop in gebruik genomen
die perfect functioneert als een baby: huilen, boertjes laten, plassen, alles
dus. Een perfecte didactische dummy, zo lijkt het. En toch. Ik lees zonet dat de
meisjes de kleine Jacob ook al meenemen op schoolreis en onder elkaar
wedijveren om het moederschap. Jacob doet vergeten dat hij maar als stand-in
fungeert en wordt het echte troetelkind. Deze revolutie is een gender-specifieke
aangelegenheid: ook vrouwen hebben doorheen de 20ste eeuw hun
virtuele omgeving ontwikkeld, vooral door het toeëigenen van plaatsvervangers
die dichter en beter bij hun lichamelijk en psychisch welzijn aansluiten dan het
origineel.
Dat roept vreemde, ongemakkelijke vragen op. Willen vrouwen echt kinderen, of zoeken ze een voorwerp van affectie,… iets dat hun lichaam verrijkt? De leerling-verpleegsters hebben het antwoord al gegeven. De kinderwens zal geleidelijk aan omgevormd worden tot een zoektocht naar de ideale speelpop, en dat is zonder meer een emancipatie van het vrouwelijk lichaam uit het oude biologische verhaal van coïteren, zaadcellen, dracht, baring. De pop is er onmiddellijk en doet wat hij moet doen, vele malen beter dan een baby. Wat de mannen in de auto, de TV en tenslotte het internet zochten, vinden de vrouwen dus in een fetisjistisch universum, gebaseerd op aanraking, intimiteit, prikkeling, koesteren. Eveneens een virtuele realiteit, maar dan in een exclusief vrouwelijk-perspectief. Drie grote uitvindingen van de 20ste eeuw hebben deze gynecologische revolutie begeleid,- ze behoren tot een ongeschreven geschiedenis die misschien minder fictief is dan de officiële uit de schoolboeken: de Barbie-pop, de keukenrobot, en de vibrator. Over deze laatste een woordje uitleg.
De
klassieke dildo was al in de oudheid bekend en geliefd. Maar de op batterijtjes
werkende, zelfvibrerende namaakpenis verscheen pas rond het jaar 1900… als
prothese, een kunstlid voor pechvogels die hun mannelijke trots waren
kwijtgeraakt door een ongeval, spelen met de hond, verkeerd pijpen, enz. Pas in
een tweede fase –we zijn dan al in de jaren ’60, de flower power en de
Dolle Mina’s!- werd dit fantoomorgaan een vrouwelijk hebbeding om de climax
te bereiken die via de klassieke manier niet zo vlot tot stand komt. In een
derde fase, vanaf de jaren ’80 en dankzij de sexshops, werd hij tenslotte een
écht genotsmiddel, dat de herinnering aan het origineel doet vervagen, en… er
ook steeds minder op gelijkt.
Heel de tijd hebben we gedacht dat ze in de keuken stond om diepvriesmaaltijden klaar te maken, maar dat was slechts een alibi. In de keuken is ze alleen met zichzelf en haar hulpstukken: de keukenrobot is de ideale man,- vanaf dan wordt de echte man afgemeten aan de kwaliteit van de keukenrobot.
Ik spreek natuurlijk niet als ervaringsdeskundige, maar vriendinnen beweren met grote stelligheid dat de kwaliteit van het orgasme, bezorgd door een vibrator, het plezier van een klassieke vrijpartij vele malen overtreft. Frappant daarbij is, dat het ding voor hen liefst niet meer naar een echte penis hoeft te verwijzen, maar wel perfect op hun lichaam moet zijn afgestemd. Staan wij even voor lul: de namaak is superieur. De imitatie gaat dus geleidelijk aan over in een ding-an-sich, een zelfsturend lustobject in het rijk der zinnen, onderdeel van een hele massage-uitzet, niet alleen voor genitale prikkeling maar over heel het lichaam. De vrouwenemancipatie heeft dààr plaatsgevonden, nergens anders. Tegelijk is het haar manier om afstand te nemen van het opgepepte consumentisme uit het televisietijdperk. Dat vergt afzondering, opbouw en concentratie. Heel de tijd hebben we gedacht dat ze in de keuken stond om diepvriesmaaltijden klaar te maken, maar dat was slechts een alibi. In de keuken is ze alleen met zichzelf en haar hulpstukken: de keukenrobot is de ideale man,- vanaf dan wordt de echte man afgemeten aan de kwaliteit van de keukenrobot..
Met deze virtuele maar uitermate zinnelijke expansie gaat een heel spel gemoeid van paswerk, experimenteren, vermommingen en transformaties. Vrouwen willen constant aan hun lichaam werken, -iets wat pervers wordt uitgebuit door de gezondheidsindustrie, de vermageringsrage, de cosmetica, de plastische chirurgie, maar dat eigenlijk over een utopische zoektocht gaat naar totale zelfbeschikking en zelfverwezenlijking, in een virtuele maar uitermate fysische context.
Deze zoektocht doen de meisjes onder elkaar, zonder de mannen, die een ander pad volgen via het internet. Hoe komen die twee ooit nog samen? Dat kan alleen in een ruimte waar zowel plaats is voor vluchtigheid als voor vastigheid, de fantasie en het fetisj,- zeg maar de mannelijke en de vrouwelijke ontsnappingsroute uit de 20ste eeuw. Een digitale web-realiteit, waarin het ideale, gedroomde lichaam vaste vorm krijgt.
Cyberpas
Met
Second Life, het ondertussen overbekende internetformat waar U en ik
elkaar kunnen tegenkomen onder een andere identiteit, in een nieuw lichaam, is
er iets compleet nieuw aan de hand. Want nadat het Web de klassieke
mediamaatschappij en zijn manipulatiemechanismen overstegen had, is het nu klaar
voor de echte revolutie: niet alleen de creatie van flodderige blog-identiteiten,
maar de geboorte van een heuse tegen-werkelijkheid die op een zeker moment de
banden met de oude realiteit zal doorknippen.
Volgens naïevelingen als socioloog Steven Malfiet (KUL) is Second Life niets meer dan een geavanceerd on-line-spelletje met een gunstig pedagogisch effect (‘mensen die in het echte leven geblokkeerd zijn, leren er opnieuw communiceren en maken echte vrienden…’) en zelfs met een politiek-correcte missie (‘experimenteren met identiteit is een oefening in verdraagzaamheid’). Ach die sociologen. De afkomst van het woord avatar (Sanskriet voor ‘reïncarnatie’, en nog altijd een courante Hindoe-term) alleen al, wijst op iets veel fundamenteler: dit is het verhaal van de grote oversteek. De nieuwe identiteit die we ons toekennen, is een bouwsteen van een universum-in-constructie, een ‘hiernamaals’ dat heel de oude realiteit langzaam maar zeker zal opzuigen, gedegouteerd als we zijn van de eindeloze beloftencultuur die ons doet werken tot we doodvallen. Onze existentiële conditie is zodanig afgetakeld, dat het tweede Ik wel eens het echte Ik zou kunnen worden, en het origineel als een lege huls achter zich laat in een soort restuniversum, een massagraf van verkommerde lichamen waarvan de doodsstrijd geen enkel belang meer heeft. Zoals de vrouwen de penis dumpten en voor het duplicaat gingen.
Om ‘binnen te geraken’ in het beloofde land moeten uitgemergelde negers dan geen tien dagen meer op een gammele boot zwalpen, tot ze verdrinken of teruggestuurd te worden. Het volstaat om een PC met een internetaansluiting te bemachtigen...
Second life
is dan ook maar de voorlopige naam van een voorlopige, embryonale
cyberarchitectuur die de klassieke ontologie (‘werkelijkheidsleer’) op zijn kop
zet.
De virtuele realiteit komt steeds dichter bij, ze wordt steeds ‘reëler’, op een
manier die heel de planetaire miserie herleidt tot ee
n
soort fatal error in een sputterende machine. Reparatie is zinloos
in deze entropie, de uitweg is een muisklik ver. Om ‘binnen te geraken’
in het nieuwe universum van de vervulling moeten uitgemergelde negers dan geen
tien dagen meer op een gammele boot zwalpen, tot ze verdrinken of teruggestuurd
te worden. Het volstaat om een PC met een internetaansluiting te bemachtigen.
Dat zet de westerse generositeit, waarbij in de derdewereldlanden massaal
goedkope laptops worden uitgedeeld (de ‘100 dollar-computer’), in een totaal
ander perspectief: is dit ontwikkelingshulp,- of…een uitnodiging om te
reïncarneren? Wat zou er gebeuren, moesten
de levende lijken in Darfour
zich via deze binnenweg een nieuwe identiteit kunnen aanmeten, een perfect
lichaam, omringd door spijs, drank en alle geneugten? Welke status hebben de
verbleekte skeletten dan nog in real life? Interessante TV-beelden waar
niemand nog naar kijkt? Restanten van een planetair drama zonder toeschouwers?
Verpletterend bewijs van Westerse onverschilligheid, zonder rechtbank?
Of…schaduwen van individuen die gereïncarneerd zijn en opgingen in een ander
universum?
Heel het mensenrechtenverhaal lijkt hier te kantelen tot één groot, nieuw grondrecht: het recht op cyberruimte. De 100 dollar-laptop als vehikel van de exodus, het moet kunnen.
We vermoedden het al door het toenemend aantal zombies dat hier rondloopt, de afnemende mentale dichtheid in dit tranendal,- de paradox dat de kennis en de hersenmassa kwantitatief toenemen, terwijl de mensheid er steeds minder in slaagt om problemen op te lossen: deze wereld loopt leeg. Steeds meer ‘spelers’ komen niet meer terug, koppels uit ‘real life’ gaan uiteen en vinden als avatar een nieuwe partner in het webparadijs. Second Life is begonnen als spel, is momenteel een medium, en wordt straks een universum. De virtualiteit heeft de realiteit ingehaald: hier speelt zich een ontologische verschuiving af, een collectieve migratie van de menselijke soort naar een andere zijnsstructuur. In mensentaal: we surfen niet meer op het web, we worden het web, en het web wordt onze nieuwe natuur. Wat kan het DNA daar nog tegenover stellen?
Science-fiction-freaks spreken al jaren over de cyberpas –een ludieke verwijzing naar de Hamalaya-doorgang tussen Pakistan en Afghanistan, een mythische plek sinds de hippiebedevaarten naar Katmandoe-, om aan te geven dat een revolutionaire digitale architectuur wel eens de plaats zou kunnen innemen van wat we vandaag als ‘werkelijkheid’ beleven. In de film Matrix wordt die duik als een verval gezien, maar dat is een onderschatting van machinaal bewustzijn: dat de computer ons zal tiranniseren is een geitewollen-sokken-fantasme. Waarschijnlijk is de cyberpas een enkele-reis-ticket naar een chaotisch hiernamaals zonder regels, een apotheose van het vergoddelijkte Ik. Onvermijdelijk komen we in religieus vaarwater: de overgang naar Second Life is een collectieve verrijzenis, perfect compatibel met alle grote wereldgodsdiensten, zoals de New Age beweging ze in elkaar mixt.
Essentieel
is hier ook de vervrouwelijking van het internet: Second Life is een
kosmische architectuur die zoveel mannen als vrouwen aantrekt, net door de idee
van individuele maakbaarheid en de soft-erotische lichaamscultuur.
Talloze vrouwen voelen zich ongemakkelijk in hun lijf, dit is de gedroomde
manier om uit te breken en te transfigureren. Wat vandaag nog broeit in de
omgeving van smachtende vagina’s en zoemende vibrators, is morgen een mondiale
modus vivendi. Het internet keert zich binnenstebuiten. Wat ooit het
webdomein was van een voyeuristisch-Narcistisch personnage dat de wereld vanuit
een camera obscura bekeek (de surfer), wordt nu het biotoop van een
verheerlijkt lichaam (de avatar) met androgyne trekken: in second life
is het zelfs mogelijk om van geslacht te verwisselen. Met deze vervrouwelijking
is de laatste barrière verdwenen om massaal naar de overzijde te emigreren. Het
nieuwe lichaam is niet zomaar een masker of een vermomming, het is integendeel
de meest complete emanatie van identiteit.
Natuurlijk is het zo dat de Californische firma Linden Lab van bedenker Philip Rosedale momenteel hopen (‘echte’) dollars verdient met heel het cybergame. En vanzelfsprekend proberen politici en reclamelui het medium binnen te dringen en te recupereren. Toch zijn dit slechts achterhoedegevechten: ik schat dat heel dit gedroomd universum tegen 2050 min of meer zal wegglippen uit de handen van externe regisseurs, designers, marketeers of wat dan ook. Wat niemand vandaag schijnt op te merken, is de onderliggende tendens van het digitaal superplatform om zichzelf in stand te houden en te groeien. De collectieve uittocht van de menselijke soort, richting virtuele realiteit, schept namelijk de vraag naar een wereld die niet meer van buitenaf wordt beheerd, maar in en vanuit zichzelf kan bestuurd worden. Technologisch schijnt dat te kunnen: via kunstmatige intelligentie zou er een ‘slim’ internet kunnen ontstaan dat in zijn eigen energiebehoeften voorziet en autonoom kan functioneren, zoals er nu ook al PC’s een ‘eigen leven leiden’. Ooit was internet een verzameling kabels, vervolgens werd het een verzameling aan elkaar gelinkte kijkdozen,- nu pas wordt het een superindividu dat zijn eigen dimensies creëert, een zelfstandige realiteit die het woord ‘virtueel’ relatief maakt. Want als iedereen zich aan de overkant bevindt, wat is deze kant dan nog méér dan een fata morgana?
De virtualiteit heeft de realiteit ingehaald: hier speelt zich een ontologische verschuiving af, een collectieve migratie van de menselijke soort naar een andere zijnsstructuur. In mensentaal: we surfen niet meer op het web, we worden het web, en het web wordt onze nieuwe natuur.
Nu zult U zeggen: bwah, geef mij toch maar de échte realiteit, down tot earth, ik blijf wel achter en hoef geen illusoir paradijs. Wel beste, ik moet U teleurstellen: naar alle waarschijnlijkheid is ook de huidige ‘werkelijkheid’ al een virtuele versie van de vorige. Hoeveel werelden zouden er op die manier al geboren en weggedeemsterd zijn? Als we heel dat religieus perspectief van het ‘overgaan’ linken aan de moderne kosmologie, de kwantummachanika en het vermoeden van ontelbare universums, dan is er maar één conclusie mogelijk: werelden muteren periodiek, ze ‘vervellen’ tot andere werelden, op een punt dat hun realiteitsstructuur zodanig schilferig en gedegradeerd is, dat individuen spontaan naar wormgaten en allerlei uitgangen of doorgangen zoeken. De technologie is maar het vehikel van de religie. Werelden beginnen als hemel en eindigen als hel, dat is het oude verhaal van de zondeval. De verkommerde versies blijven dan wel ‘bestaan’, maar… virtueel, als een soort veld zonder energie, een kosmische ruïne. Second life is dus naar alle waarschijnlijkheid een prototype van universum x; er moeten al ontelbare van dit soort big-bangs hebben plaatsgevonden.
Nu ga ik stoppen met schrijven en met de rest van mijn aardse activiteiten, want ik sta op het punt om mijn avatar te creëren: ik exploreer alvast de tekendoos voor de schepping van, wat dacht U, een mannelijk attribuut, mijn pen waardig. Hier eindigt de winter van ons ongenoegen, jullie hebben nog niets gezien, dit gaat vonken geven. De hoegrootte van mijn virtuele pik is essentieel om penneliksters als Saskia De Coster en Eva De Bakker over de schreef te trekken en elk dildogeluk te doen vergeten.
Tot de aanhangers van Baudrillard zou ik zeggen: kom er rustig bij, ontzeg Uzelf de hemel niet, er is genoeg voor iedereen. Want na de orgie wil ik nog wel een gezellige babbel of misschien zelfs een verfrissende ruzie. Op naar Third Life! ■