
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

English
spoken - Hier spricht man Deutsch
Dringt een ontbinding van de wereldkaart zich op?
Johan Sanctorum
1/7/2007
Wie
Italië bezoekt, kan zich niet permitteren om Rome over te slaan. En wie Rome
aandoet, zou een barbaar zijn als hij het Colosseum misloopt, de plek waar
gevangenen voor de leeuwen werden gegooid: de liefde voor klassieke cultuur
heeft haar morbide kantjes. Aan de overblijfselen van die antieke arena speelt
zich bovendien elke zomer een merkwaardig schouwspel af,- en dat is de echte
reden om de Eeuwige Stad op te zoeken: overdreven bruingeschminkte, als
gladiator verklede inwoners stellen toeristen voor om op de foto te gaan, met de
imposante ruïne als achtergrond. In sommige poses gaan ze zover, om bij de
bezoeker in kwestie het (plastic) steekwapen in het lijf te priemen, als was die
zo’n terdoodveroordeelde op het moment dat de duimen omlaag gaan. Merkwaardig
genoeg zijn het meestal vrouwen die zich zo fotogewijs laten doorsteken. Symbool
van het verlangen om door die gebruinde zuiderling gepenetreerd te worden, of…
gaan wij allen op reis om te sterven? Is de plezierreis ook een boetetocht? Eén
ding is zeker: achter haar rug wordt de Amerikaanse troela, die zich tot de
sinistere fotosessie liet verleiden, stevig uitgelachen. Heel de charade rond
het Colosseum is een van subtiele ironie doordrenkte beschimping van het leger
blanke bleekscheten dat jaarlijks het Zuiden onder de voet loopt: de Romeinen
haten toeristen.
Meteen is ook de
dubbelzinnige toon gezet van heel dit reis- en vacantieverhaal: het
massatoerisme is een mengelmoes van Westers hedonisme, neokoloniale fantasieën,
verdrongen schuldcomplexen en de daaraan verbonden zelfkastijding, restanten van
een oude nomadische cultuur, sporen van vroegmiddeleeuwse volksverhuizingen, en
natuurlijk de hopeloze zoektocht van de moderne mens naar zichzelf, die hij
thuis heeft achtergelaten en dus elders niet vindt… tot hij thuiskomt en
constateert dat hij zichzelf vergeten is. Hopeloos, maar niet ernstig.
Sacco di Roma
De Romeinse toeristenhaat,
verborgen achter een façade van glitter en theatrale ironie, moet ergens aan het
begin van de 16de eeuw ontstaan zijn, toen Karel V (onze
Keizer Karel dus) heel Europa onder de voet liep en met paus Clemens VII in duel
ging om de heerschappij over het Heilig Roomse Rijk.
In mei van het jaar 1527 grijpt de beruchte Sacco di Roma plaats: Duitse huurlingen van Karel’s leger gaan zich te buiten aan plundering en verkrachting op een zelden geziene schaal. Alleen de paus, waar het allemaal om te doen was, kon zich met zijn gevolg via een onderaardse gang in veiligheid brengen op de Engelenburcht, vlakbij het Vaticaan. De stad zelf werd het toneel van een wekenlange blasfemische orgie waarvan de sadistische fantasieën die van de antieke Colosseumspelen ver overtroffen. Nonnen en paters waren verplicht om in het openbaar dagenlang standjes te beoefenen, tot ze bezweken: er werd gewed wed op de non die zich het langst liet bespringen, aan het stelsel van drie broeders per zuster uiteraard. De hosties werden met vrachten tegelijk aan varkens en ezels gevoerd, terwijl hoge prelaten gedwongen werden ermee te copuleren. Doopvonten veranderden in schijtpotten en vomitoria. De schedel van Sint-Johannes werd als voetbal gebruikt (men situeert hier de oorsprong van het Catenaccio), het zweetdoek van Sint-Veronica werd in een herberg verkocht, terwijl soldeniers erop urineerden en ejaculeerden. Op de weg naar de St.-Pieterskerk stond het leger al vanaf de Tiber aan te schuiven om non-stop meisjes en vrouwen van 7 tot 77 jaar te verkrachten op het hoogaltaar,- het was dé topattractie die dagen. Aansluitend werden ze verminkt, onthoofd en opengesneden (tripa of ingewanden vormen nog steeds een Romeinse specialiteit). Na vier weken terreur knipte Keizer Karel vanuit Madrid eens met zijn vingers en trok de horde verder.
Wat een schandelijke zwijnerij, hoor ik U mompelen. Ach, er zijn verzachtende omstandigheden. Het leger was al in maanden niet meer uitbetaald en de plundering werd als soldij in natura beschouwd. En daarbij: waren de Romeinen zelf al niet 500 jaar terug met een wereldwijde, gewelddadige kolonisering begonnen, gekend als de Pax Romana? Men zou ook de plunderingen van Rome in de 5de eeuw, achtereenvolgens door de Visigoten en de Vandalen, als een vergelding kunnen beschouwen voor de expedities van Julius Caesar. Wie is begonnen? Nemen mensen niet altijd dat, wat hen voordien al was afgenomen?
De Sacco is in het collectief geheugen gegrift. De Romeinse Dienst voor Toerisme lees ik als een diplomatieke poging van de weerloze stad om met de barbaren- wij allen dus- tot een modus vivendi te komen, en de slachtpartij te vermijden, in het besef dat een kleine overgave beter is dan gemolesteerd worden...
De citytrip van de Duitse landsknechten is hoe-dan-ook in het collectief geheugen van de stad gegrift en heeft de attitude tegenover vreemdelingen drastisch veranderd. De Romeinen spreken van voor en na de sacco, het is het begin van een nieuwe tijdrekening. Sindsdien wordt de vreemdeling met open armen maar met afgewende blik ontvangen: het gespleten bewustzijn van de hoer die zich laat pakken terwijl ze de krant leest. De stad heeft zich een overlevingsstrategie eigen gemaakt, die weldra het paradigma van het moderne toerisme zal worden, en misschien zelfs van alle externe relaties in moderne gemeenschappen: niet de ouderwetse gastvrijheid is van tel, wel het zoenoffer aan de overmacht. Het kan de wolvin Luperca niet meer schelen wie er over haar kruipt,- een lakonieke onverschilligheid die men naar believen als opportunisme, elastische levensfilosofie of als passief verzet kan opvatten.
De Romeinse Dienst voor
Toerisme is dus ontstaan als een diplomatieke poging van de weerloze stad om met
de barbaren- wij allen dus- tot een modus vivendi te komen en de
slachtpartij te vermijden, in het besef dat een kleine overgave beter is dan
gemolesteerd worden. Vergelijk het op kleinere schaal: als Uw dochters
binnenshuis zo’n zes à zeven keer door passanten genomen zijn via verschillende
ingangen, zult U ook wel een tapkast installeren met prijslijst, en Uw vrouw
erachter.
Het fenomeen van het toerisme als ‘stille oorlog’ heeft zich sindsdien wereldwijd uitgezaaid over alle places-to-be: de toerist wordt beschouwd als een te bezweren vijand, potentiële terreur, daarom wordt hij verwend én bedot. Allerlei krijgslisten doen zich voor in de verhouding tussen ‘bezetter’ en het ingenomen gebied. In Venetië bv. hebben alle inwoners doodeenvoudig de stad verlaten. U kan ze wel bezoeken, er duur en slecht eten, door de gondeliers afgetroggeld worden, maar Venetianen krijgt U niet te zien: die bestaan namelijk niet, de stad is een louter decor en consumptiepark, één grote hinderlaag voor Uw portefeuille. Romeinen zijn er in Rome nog wel, maar ze vermijden elk oogcontact met vreemdelingen en antwoorden niet als U de weg vraagt. Pane e coperto, hang het zwijn uit, betaal en spaar onze dochters. Zo ontstond er een subtiel evenwicht tussen xenofobie en tolerantie: de stad laat de invasie haar gang gaan en schermt zich mentaal af. De Romein verwaarloost daarbij ook opzettelijk het eigen patrimonium en laat zijn hond plassen tegen de antieke zuilen, om aan te geven dat dit Disneyland zijn stad niet is, maar die van iets of iemand anders. Er lijken zo in toeristische toplocaties twee steden op onzichtbare wijze door elkaar te lopen of naast elkaar te bestaan,- het ‘bezet gebied’ en de ‘vrijstad’ der autochtonen.
In Brugge, zo blijkt uit een onderzoek van tripoloog Jeroen Bryon (KUL), beschouwt een meerderheid van de bewoners het toerisme als een noodzakelijk kwaad. Brugge, samen met Rome en Parijs dé Europese toplocatie voor city-trips! Zo’n 15% van de bewoners gebruikt zelfs uitdrukkelijk de termen ‘leger’ en ‘invasie’, om aan te geven hoe men zich dubbel plooit en slikt. De ‘gouden driehoek’ in het zuidwesten is een voor de stedelingen te mijden plek, een stuk grondgebied dat om strategische reden lijkt te zijn opgegeven. Geen Bruggeling waagt er zich nog. Toerisme is terreur,- maar diezelfde Bruggeling neemt in andere steden zoals Rome natuurlijk op zijn beurt een attitude van arrogante bezetter aan. Uit weerwraak om wat zijn stad ondergaat? Wie is ooit begonnen? Toerisme is mondiale vendetta op een planeet waar sowieso iedereen voor ieders voeten loopt.
Santenboetiek

Onlangs een boeiende lezing beluisterd van cultuurfilosoof Lieven De Cauter, over heterotopie en de Disneyficatie van de stad. In zijn op Foucault geïnspireerde visie zou het eindstadium van de stad een soort themapark zijn, essentieel op de kick van bezoekers gericht. Toch vermoed ik dat De Cauter de subversiviteit van de getraumatiseerde stad onderschat. De commercialisering en transformatie tot pretpark behoren tot een bovenlaag, waaronder allerlei xenofobe tendenzen broeien, die tot aanpassingsgedrag kunnen leiden, maar die ook kunnen kunnen escaleren tot en echte stadsguerilla.
De Amerikaanse giechelmeiden die zich symbolisch laten doorsteken, zitten er dus niet ver naast: de ‘open stad’ is maar een decor, waarachter vergelding wordt gezocht voor de overlast van het heden en het lijden van het verleden. Steden zijn in hun diepste wezen gesloten entiteiten die zich aangepast hebben. De Sacco, de ontmaagding van Veronica en de ontwijding der relikwieën is nog niet afbetaald en zal het ook nooit zijn. Gelukkig maar, denkt de elastisch geworden Romein verder: hoe groter de schuld, hoe langer de rij betalenden. Elke toerist veroorzaakt nieuwe schade die weerom moet vergoed worden: elke plezierreis is ook een boetetocht.
Kort na de Sacco wordt met de bouw van Rome’s grootste attractie begonnen: de St. Pieters-Basiliek, exact op de plek waar het maagdenbloed vloeide, compleet gefinancierd met aflatenhandel,- een gebakken-lucht-product zonder weerga. Op dezelfde plaats waar de wachtrij ontstond voor de grootste groepsverkrachting aller tijden, de huidige Via della Conciliazione, staan nu de massa’s aan te schuiven om in de Basiliek een glimp van de Pièta op te vangen. Maar de stemming is helemaal anders dan in 1527: de agressor wacht geduldig zijn beurt af om tegen betaling afgewerkt te worden. De toerist is een bordeelganger. Alles kost geld, zelfs de elektrische kaarsen voor de tentoongestelde kunstwerken. Het maagdenleed en het hoerenverdriet is helemaal opgegaan in de briljante cosmetica van de wereldstad, gegrondvest op pronkerige monumentaliteit en religieus massatheater. De barokperiode lijkt wel uitgevonden om de Romeinen hun finale elasticiteit te bezorgen: de gekwelde vesting-stad wordt definitief iets tussen een bedevaartsoord, een bordeel en een themapark. Alles wordt onecht en verhandelbaar; alles is te koop, maar alles is ook fake. Uit de strategische overgave ontstond in het Rome van de 16de eeuw een mercantiel totaaldenken en een barokke anti-moraal die ook heel het religieuze domein opslorpte. Santa Boutica. De schedel van Johannes en het zweetdoek van Veronica vonden hun weg in miljoenen exemplaren naar de souvenirwinkeltjes, waardoor ze natuurlijk ook waardeloos werden en onvatbaar voor heiligschennis. Ultieme wraak, of finale zelfvernietiging? Of hebben we hier gewoon te maken met de rituele geboorte van de moderniteit, waar alles in een getal kan uitgedrukt worden en in balansen terechtkomt?
De barokperiode lijkt wel uitgevonden om de Romeinen hun finale elasticiteit te bezorgen: de gekwelde vesting-stad wordt definitief iets tussen een bedevaartsoord, een bordeel en een themapark. Elke toerist veroorzaakt nieuwe schade die weerom moet vergoed worden: de plezierreis is ook een boetetocht.
Sight-seeing
gaat dus over méér dan over reizen, vacantiegevoel of ontdekken: het gaat over
een algehele ontwijding van plekken en hun recuperatie in een economisch
consumptienetwerk. In de mondiale vermarkting van verhalen, dingen en plekken
wordt alles met alles verbonden, waardoor niets nog op zichzelf een betekenis
heeft. De transformatie van sacrale zone naar plek-van-de-uitwisseling is een
van de hoofdkenmerken van de moderniteit: het rendez-vous is overal. Elke
plaats, zowel de St. Pietersbasiliek als de autostradeparking van Wetteren,
krijgt het karakter van een baken, passage, een trefpunt en een place-to-be.
Hier en daar is er nog een ‘witte vlek’, een voor buitenstaanders
ontoegankelijke plek, zoals ook de meest vulgaire en gewillige hoer haar
verboden spots heeft (de anus, maar soms ook een onverwachtse taboezone
zoals het oorlel of de kleine teen, dan begint ze te grommen en te bijten). In
Rome is de sombere Castel Sant’Angelo nog altijd zo’n weinig populaire
locatie voor bezoekers: het is, naast de (stinkerige) lagergelegen Tiber-oever
en het (voor toeristen te vuile) Ostiastrand, een van de zeldzame
places-not-to-be voor allochtonen, waar alleen inwoners komen. In Brugge is
dat bv. Café Craenenburg op de Markt, in Antwerpen het Conscienceplein.
Ik aarzel deze enclaves te benoemen, want alleen al daardoor is het reklame en
komen ze op de kaart (zoals het de natte droom is van elke toerist, om een plek
te ontdekken ‘waar geen toeristen komen’).
De snelheid van de wereldeconomie vernietigt alle ritmes, mentale tegenstellingen en emotionele spectra: alles gebeurt in de duizelingwekkende synchronie van de carrousel. Plekken zijn er niet om te rusten maar om uit te wisselen, door te geven, af te lossen.
Natuurlijk sterven deze betrekkelijk ongerepte plekken in snel tempo uit, net omdat iedereen ze wil bezoeken, opgejaagd door de trendsettende media. Recent gehypte steden zoals Barcelona en Lissabon weten wat het betekent om toeristische topattracties te worden. Elk jaar komt er een nieuwe ‘culturele hoofdstad van Europa’ op de kaart, waarna de overrompeling plaatsgrijpt en de geciviliseerde Sacco zich herhaalt, met alle capitulatiekenmerken vandien. Is dit enkel een stedelijk probleem? Allerminst. Op de weg naar de top van de Mount Everest –de heilige berg der Tibetanen- is er constant een kuisploeg in de weer om de rommel van de aanschuivende klimploegen op te ruimen. English spoken, hier spricht man Deutsch. Snel worden talen geleerd, routes gemarkeerd en vuilnisbakken geplaatst. Overal verlagen de drempels, rolt het geld, en versmallen zich de ogen van inboorlingen tot loense spleten: wie het moderne kapitalisme wil begrijpen, moet de vacantie-industrie bestuderen.
Uiteindelijk
v
erdwijnt ook elk gevoel van ‘ergens anders’ te zijn, of het verlangen om in een
andere rol te kruipen: we zijn overal en nergens thuis. De snelheid van de
wereldeconomie vernietigt alle ritmes, mentale tegenstellingen en emotionele
spectra: alles gebeurt in de duizelingwekkende synchronie van de carrousel. De
toerist is een metafoor voor de postmoderne consument die geconsumeerd wordt, de
geëconomiseerde mens die leeft én geleefd wordt. Plekken zijn er niet om te
rusten maar om uit te wisselen, door te geven, af te lossen.
De barokke metamorfose van de Heilige Maagd in La Cicciolina is het allerlaatste kunstwerk, waarna de wereld herboren wordt als een posthistorisch bordeel, waar iedereen klant en hoer is. Ik heb het voelen aankomen, toen ik op de cupola, helemaal bovenaan de St. Pieters-Basiliek, een lokaal hoertje in een hoekje fellatio zag beoefenen bij een dikbuikige toerist, die vanuit zijn panoramisch standpunt druk kiekjes aan het maken was. Achteraf vertelde men mij dat dit regelmatig op openbare plaatsen gebeurt, in de metro, publieke toiletten, of biechtstoelen (vooral die van de Santa Maria del Popolo is berucht). Amor vincit omnia, de liefde overwint alles, ook zichzelf. Hoeveel netto-wereldgeluk zal dat niet opleveren?
Ground Zero
In ‘Platform’ (2001) ontleedt de Franse schandaalauteur Michel Houellebecq de ambivalente en psychoanalytisch uitermate zompige ondergrond van de moderne vacantiehysterie. Met het sextoerisme als metafoor, ontwikkelt hij de diepe samenhang tussen uitbuiten en uitgebuit worden, in een globalistisch universum waar de intensieve geldcirculatie een herverdeling oplevert. Dat is althans de mythe. Elke Euro die U verdient, moet U zo snel mogelijk weer uitgeven: geld moet rollen. Net doordat genot puur materieel en koopbaar wordt, zal rijkdom als vanzelf naar de arme vloeien, die begeertes vervult. In die optiek is sextoerisme de ideale vorm van ontwikkelingshulp, en wordt de wereld rechtvaardiger door het bezoeken van Thaise bordelen. Zo gezegd zo gedaan…tot in Houellebecq’s roman een Islamitische terreuraanslag heel de genotsconstructie aan diggelen slaat en de auteur cynisch concludeert dat daarmee ook aan de herverdeling en dus de mondiale rechtvaardigheid een einde komt.
‘Platform’
suggereert eigenlijk nog veel meer dan dat er geschreven staat. Want waarom gaan
we eigenlijk op vacantie? Niet alleen om te genieten (dat is het argument van de
reisbrochure), maar vooral om af te zien, te vervreemden, ons te laten bedotten,
ziek te worden. Het genot van de toerist is dubieus en zelfs paradoxaal. Achter
elk plezier van het ontdekken en het consumeren, schuilt een masochisme van de
zelfhaat en de zelfbestraffing, het willen lijden en bedrogen worden.
Begeerte wordt afgewisseld of zelfs dooraderd met schuldgevoel, waardoor het consumeren buitengewoon intens, maar ook vluchtig, short-term en doodsdriftig wordt. Aan het einde van deze masochistische ketting staat de executie,- denk aan de Romeinse namaakgladiatoren. De aanslag heeft dus haar eigen redelijkheid. Alleen de dood kan ons verlossen van die dwangmatige carroussel, heel het vendetta-circuit van verbruiken en verbruikt worden. Op het punt waar we door een absurde bomaanslag om het leven komen, ontstaat er weer zoiets als een ‘witte’ (of zwarte) vlek op de planeet, een onherleidbaar, sakraal moment dat we niet fotograferen, met niemand delen, waarover we nooit verder zullen vertellen. In ons diepste binnenste gaan we dus op vacantie naar een onbereikbare plek om niet meer terug te keren. Ground Zero. Dit verlangen naar het enkele-reis-ticket maakt van het vliegtuig een transcendent vehikel en van het terrorisme haast een verlossingsbeweging.
Op het punt waar we door een absurde bomaanslag om het leven komen, ontstaat er weer zoiets als een ‘witte’ (of zwarte) vlek op de planeet, een onherleidbaar, sakraal moment dat we niet fotograferen, met niemand delen, waarover we nooit verder zullen vertellen. Ground Zero.
Houellebecq wist zijn moment te kiezen: de Franse editie van ‘Platform’ wordt voltooid net op het moment dat twee vliegtuigen de Twin-Towers op Manhattan doorboren. Sindsdien zouden de kortsluitingen tussen vacantieliefde en dood elkaar opvolgen. In 2002 wordt het Balinese vacantiedorp Kutu (What ’s in a name…) getroffen door een terroristische bomaanslag. Maar vooral de Tsunami van 28 december 2004 in Zuid-Oost-Azië leek wel de epiloog van Houellebecq’s roman: een zondvloed die sextoeristen én prostituées verzwolg in een postmoderne apokalypse. Vele beschaamde familieleden op het thuisfront vroegen zelfs niet meer naar een verdwenen vader, nonkel, of opa, goed wetende dat mannen zelden naar Thailand gaan voor de Tempel van de Smaragden Boeddha.
De Thaise overheid trachtte na de zondvloed in recordtempo de bordelen van Phuket terug overeind te krijgen, Freya Van den Bossche ging er zelfs trouwen, met heel haar administratie in het zog,- maar de dubieuze charme van het erotisch paradijs is weg. Ondanks de pogingen om Ground Zero te promoveren tot nieuw urbanistisch-commercieel cultoord met grootse bouwprojecten en sterarchitecten, bestaat er in New-York en heel de V.S. een algemene terughoudendheid om deze plek te exploiteren en te herintegreren in de toeristische cataloog. Het schijnt een spot te zijn die zich niet meer laat koloniseren door het marketingdenken, de hypecultuur en de consumptieroes. En het lijkt erop dat dit soort witte of zwarte plekken zal toenemen: eilanden of distopieën, die tot geen enkel netwerk meer behoren, mentale kraters die trauma’s oproepen maar die misschien weer een heiligdom kunnen worden, zonder souvenirkraampjes of santeboetiek. Was die Castel Sant’Angelo ooit geen mausoleum?
Eigenlijk gelooft sinds 2001 geen zinnig mens meer dat de wereldhandel alles en iedereen beter maakt, dat de planetaire communicatienetwerken mensen dichter bij brengen, of dat reizen ‘verrijkt’. Veeleer blijkt het om collectieve dwangneuroses te gaan waar we niet van af raken, hardnekkige tics of zelfsturende mechanismen die mentaal én fysisch vervuilend werken, en die alleen kunnen stopgezet worden met een soort shockterapie. Distopia: een ontbinding van de wereldkaart, 500 jaar na Mercator, dringt zich op.
In het Westvlaamse gat Watou organiseert ene Gwy Mandelinck elk jaar een ‘poëziezomer’, waarbij de koeiestallen tot museumruimtes getransformeerd worden, vol moderne kunst die smeekt om aandacht en toeloop. Ooit was dit dorp een godvergeten gat,- nu is het een bedevaartsoord en trefpunt voor het bobo-toerisme uit de vier windstreken, enfin, dat is toch de bedoeling. Ooit was dit een nietszeggende en allesbetekenende witte vlek, nu is het een alleszeggende en nietsbetekenende hot spot. Tot overmaat van ramp heeft de man goeie persconnecties, en werd de plek ook nog eens mediagewijs op de kaart gezet, via het VRT-nieuws en De Standaard.
De kans, hoe klein ook, dat Bin Laden of een van zijn trawanten hier meeluistert of -kijkt, is het enige zinnige perspectief in deze toename van onzin. Er is nog hoop, ook voor Watou. ■