VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

Het
cirkus der letteren: kan iemand het licht uitdoen?
Onkunstzinnige beschouwingen bij het overlijden van Hugo Claus
Johan Sanctorum
19/3/2008
De dood van Hugo Claus in de
week voor Pasen doorkruiste het schrijven van dit lente-essay, dat na 19 maart
snel evolueerde tot een schotschrift tegen de literatuur en vooral de
verliteraturing. Terecht besliste Vlaanderen’s grootste schrijver om er een
eind aan te maken. Van Claus heb ik echter al afsch
eid
genomen toen hij aan de verkiezingsavond van 8 Oktober 2006 delirisch stond te
brallen op de Antwerpse Grote Markt, nadat Patrick Janssens de verkiezingen had
gewonnen en de Vlaams-Belang-vloedgolf bezworen leek. Toen dacht ik: ziet de
kunstenaar op de barrikaden,- het Verdriet van België is pas begonnen.
Sindsdien is mijn walggevoel voor de artistieke industrie, inclusief het
boekenwezen, niet meer weggeweest. Is het ikzuchtig gefrasel van de dichter al
moeilijk ernstig te nemen, het moment dat de muze haar grote boodschappen achter
laat is helemaal ongenietbaar.
Kunst die ons amuseert
is plat, kunst die beleert is flauw, kunst die er gewoon voor zichzelf is,- daar
is geen kunst aan. Het SMAK mag men voor mij opdoeken en het uitgespaarde geld
uitgeven aan opvang van daklozen, ik zeg maar wat. Sinds Paul McCarthy te Gent
passeerde en in het museum letterlijk en figuurlijk een gat sloeg om er zijn
groteske, egotische grappen in onder te brengen, weet ik dat heel zeker: kunst
heeft niets te vertellen dat verder reikt dan het ego van de kunstenaar en het
publiek voyeurisme.
Toch word ik af en toe persoonlijk gecharmeerd, als ik schrijfster Anne
Provoost met liefde en toewijding dichters rond zich zie verzamelen om de
literaire lente te bedrijven. Hier komen vrouwelijk-empathische golven opzetten
waar we maar moeilijk aan kunnen weerstaan, omdat ze niets schijnt uit te
sluiten en alles mogelijk maakt. Schone letteren, verlangen, liefde, plezier, en
'en passant' nog ijveren voor een betere wereld: als een koningin troont
ze midden de bezige bijen die hun literair nectar offeren.
Zogezegd in Gent. Een deconstructie van het honingdorp.
Zogezegd, zogedaan: de verbeelding aan de macht
Op vrijdagavond 4 April e.k. is het zover, Zogezegd in Gent ‘…hét literaire festival van de verbeelding, een evenement van Radio 1. Veertig jaar na ’68 gaan we op zoek naar wat er is overgebleven van de grote thema’s van toen: de utopie, de verbeelding, het geloof in de toekomst en de seksuele vrijheid.” Een hele pleiade van Vlaamse schrijvers zal gedurende een volle dag zijn licht laten schijnen in de duisternis van deze postmoderne tijd die in het uitgerekte heden leeft, omdat het verleden irrelevant is geworden en de toekomst zich als een apokalyptisch zwart gat aandient.
Allen
daarheen dus, “want het voortbestaan van de mens
zelf is al een utopie geworden”, zo luidt het onheilspellende Norman O.
Brown-citaat. De vraag is evenwel, of
literaire ‘verbeelding’ en de intellectuele horizon van de literator volstaan om
een soort alomvattende diagnose van de tijdsgeest te stellen, in relatie tot de
historische processen waar we uiteraard middenin zitten. Want daar gaat het om:
iets meemaken, en het tegelijk overzien,- de ervaring en de reflexie. De vraag
is zelfs of literatuur binnen het mechanisme van de cultuurmarkt überhaupt een
‘bewustzijnsverruimende’ functie heeft, zodat ze paradigmaverschuivingen (stille
revoluties) zou kunnen detecteren én er mee de impuls aan geven.
En zoekt de lezer een boek dat inzicht biedt, hem verontrust of door elkaar schudt? Zit een gedicht op de polsslag van de tijd, of brengt het iets teweeg buiten de neurolinguïstieke processor van die lezer?
Natuurlijk niet. De literatuur grijpt niet in op de geschiedenis, zelfs niet op de tijdsgeest. Het is niet eens haar echte onderwerp, en voor mij hoeft het dat ook niet te zijn. Ze is puur amusement, Unterhaltung, entertainment, een virtuele realiteit die in wezen de TV-soap niet overstijgt. De lezer wil wegvluchten, wegdromen, wegzakken in de heterotopie, een plek waar alles anders is. Niet alleen vandaag, maar eigenlijk altijd al. Literatuur als ver-voering.
Als schrijvers uitroepen ‘De verbeelding aan de macht!’, is het dus oppassen geblazen. Meestal bedoelen ze daarmee eigenlijk dat de opgesmukte fictie, waarin ze hun eigen ego hebben geprojecteerd, de realiteit kwalitatief overtreft. Maar tegelijk wordt de literaire sublimatie ook een kalligrafisch mistgordijn, het verhaal doet ons vergeten en blokkeert de kritische hersenschors.
Het idee dat ‘Het verdriet van België’ (1983) het Vlaamse collectief geweten eindelijk en definitief zou binnenste buiten gekeerd hebben, is een waandenkbeeld dat ontsproten is uit de publicitaire imaginatie van De Bezige Bij, en dat door heel het universum van letterkundigen en literatuurwetenschappers werd geëchood.
Meer dan welke tijd ook, heeft deze tijd behoefte aan daden. We hebben manifesten nodig, vlugschriften, graffitti, opruiende slogans. Maar romans leiden zelden tot daden, wel tot het consumeren van nog meer romans. Men wordt dan geletterd, belezen, erudiet. Gedichten verwijzen naar zichzelf, de dichter, zijn leefwereld, zijn diepste, oneindig interessante innerlijk, en roepen om méér poëzie. Het existentiële ongemak, het grote ongenoegen, de primaire, dyslectische weigering om te lezen, door de woede om wat rondom ons gebeurt, wordt afgeleid naar een estethisch ‘plaisir du texte’, een mechanisme dat ik vroeger wel eens verliteraturing heb genoemd, en waarbij uiteraard een hele industrie gemoeid is. Het cirkulaire verslavingsproces van boeken die de vraag naar boeken aanscherpen behoort uiteraard tot de elementaire verkoopsstrategie, - niet voor niets is de belangenvereniging Boek.be (Vlaamse boekverkopers, uitgevers en importeurs) hoofdsponsor.
Toch probeert een festival als Zogezegd het literaire universum te linken aan existentiële, maatschappelijke en zelfs politieke thema’s, net om het business-as-usual-karakter van de handel in bedrukt papier te camoufleren. Fictie wordt opgewerkt tot simulacre, een sur-realiteit die pretendeert bewustzijnsverruimend te zijn. En daar schuilt een enorme valstrik: de schone letteren kraken uit hun eigengemaakt estethisch-subliem harnas en meten zich een waarheidsgehalte aan. De boodschappende muze…
Het
idee bv. dat ‘Het verdriet van België’ (1983) het Vlaamse collectief
geweten eindelijk en definitief zou binnenste buiten gekeerd hebben, is een
waandenkbeeld dat ontsproten is uit de publicitaire imaginatie van De Bezige
Bij, en dat door heel het universum van letterkundigen en
literatuurwetenschappers werd geëchood.
‘Het Verdriet van België’ is gewoon een goed verhaal, meeslepend
verwoord, met een moraliserende nasmaak,- waarna het boek is opgegaan in zijn
eigen pseudo-politieke hype en daardoor een publiek object is geworden, een
bestseller. De natte droom van elke uitgever. Velen hebben het echter in hun
boekenkast staan, zonder het gelezen te hebben. En terecht: Hugo Claus’ Opus
Magnum is onderhoudend maar maakt ons niets wijzer,- in interviews geeft de
schrijver zelf aan dat het hier primair om een familiale afrekening gaat. Een
jaar voordien had Maurice De Wilde op TV eigenlijk al het proces van de
collaboratie gemaakt, met veel meer zin voor ontrafeling, zelfs met meer gevoel
voor drama, met een intens publiek debat in zijn zog. En eigenlijk was er in de
late jaren ’60 al intellectueel afgerekend met het Vlaamse kerktorencomplex.
Maar met de wedervaren van Louis Seynaeve werd die katarsis opnieuw in een
semi-fictieve mythologie gegoten, die vrij snel als visionaire wereldliteratuur
werd verkocht.
Zogezegd wordt dus ongetwijfeld een plezante avond, maar gaat over een dubbel misverstand inzake fictie en realiteit. Een ontologisch misverstand, als het ware. De lezer wil geen werkelijkheid zien, maar een fantastische verdubbeling ervan. Iets dat hem boeit, in alle betekenissen van het woord. En het boek heeft eigenlijk geen ander onderwerp dan zijn schrijver, wiens taal de grenzen van zijn wereld aangeeft, zoals Ludwig Wittgenstein het al stelde. Binnen deze dynamiek van de verbeelding gebeuren leuke dingen, die op lawaaierige boekenbeurzen, exquisite boekenbals en literaire happenings allerhande worden gecelebreerd. Toch mag men nooit vergeten dat literaire fictie altijd berust op het Narcisme van de auteur en het escapisme van de lezer-consument. Wie die twee bij elkaar brengt, regisseert het cultureel cirkus, en meteen ook heel de handel in utopieën, distopieën en heterotopieën.
Fictie, chocolade en erotiek: het lustbeginsel in de literatuur
Verliteraturing
heeft dus te maken met het wissen van geheugen, en het inplanten van een soort
cultuurchip die ons een gevoel van intellectuele bevrediging geeft, die soms
zelfs echt libidinaal wordt. Het quasi-bewustzijn, verkregen door het lezen van
veel boeken, ze te bezitten en er ook over te praten, verdringt andere niveau’s
van werkelijkheidsbeleving, want ook onze hersenen werken volgens economische
principes, en het uitschakelen van pijn blijft een topprioriteit. Lezen is
vergeten en de pijn verdoven. Het zogezegde ‘literaire geheugen’ is misschien
wel een ankerplaats voor drijvende luchtkastelen, fenomenale visioenen, een
eeuwigdurende fall-out van woorden, komma’s en frasen, die in essentie onze
aandacht voor de wereld afleiden, omdat die wereld onverdraaglijk is.
De eenheid van fictie, chocolade en erotiek binnen het Zogezegd-festival
is perfect gekozen: door het lustbeginsel in de literatuur te poneren, wordt elk
thema een alibi en het geluksgevoel het ultieme doel,- iets dat in de
leer van het hedonisme besloten ligt. Het boek deelt de
ontspanningseconomie met TV, film, video, games, internet,- met dat verschil dat
het leesgenot een cultureelbonus inhoudt, het zou ons slim maken, geïnformeerd,
bewust, mee met de tijdsgeest, en dus ook sociaal-aanvaardbaar, suksesvol, in
tegenstelling tot het ‘domme’ TV-kijken.
In een hoekje met een boekje. Lezen en genieten, verbeelding en lust: onvermijdelijk raakt dit samengaan een erogeen register. De zogenaamde stationsroman schijnt daarbij complementair aan het pornoblaadje,- het zijn de twee archetypes van de belletrie. Mannen schijnen meer gericht op ontknopingen en beelden die snel exploderen, vrouwen meer op langdurige prikkeling, wat verklaart waarom vooral vrouwen graag ellenlange, softe romans tot zich nemen, op de sofa liggend en de benen lichtjes gespreid, één hand op het onderlichaam.
De Vlaamse literaire wereld heeft in het prentenkabinet van de masturberende socialist een mogelijkheid gezien om L.P Boon's engagement te herleiden tot een sexverslaving. Wat er uitziet als een libertijnse manifestatie, is misschien wel een tamelijk politiek-reactionair gebeuren...
De relatie tussen literatuur
en genotscultuur werd uiteindelijk zeer expliciet, via de expositie van
Louis-Paul Boon’s fenomenale feminatheek, een door de schrijver met veel
zorg uitgebouwde verzameling blootprentjes met een voorliefde voor jong tot zeer
jong vlees. Het is een vreemde historie die in een Clausroman niet zou misstaan,
en die veel weg heeft van een posthume karaktermoord. Boon heeft het nooit
bedoeld als iets dat voor de openbaarheid bestemd was, en in se heeft ook
niemand uitstaans met deze vieze-plaatjes-collectie,- alleen de versteven
zakdoeken ontbreken nog. Maar
de Vlaamse literaire wereld heeft in het prentenkabinet van de masturberende
socialist een
mogelijkheid
gezien om L.P. Boon's engagement te herleiden tot een sexverslaving.
De 22.000 prentjes vormen het materiaal voor een peepshow waarin de politiek
betrokken auteur vereenzelvigd wordt met zijn hobby, en waarin alle rebellie
gedesublimeerd is tot een pornografische microkosmos vol maagdjes en hun eerste
dons.
Zo blijkt, wat er uit ziet als een libertijnse manifestatie, eigenlijk een
tamelijk politiek-reactionair gebeuren: Boon werd verliteratuurd,
ingehaald door zijn eigenhandig opgebouwde imago van viezentist.
Leidt een open-en-bloot-cultuur tot inzicht, onrust, revolte? Het was een van de grote filosofische mantra’s van Mei ’68, maar ook filosofen kunnen zich vergissen. Het misverstand dat een libertijnse moraal hand in hand zou gaan met een sociale en politieke emancipatie, werd o.m. door de Frankfurter worsten W. Reich en H. Marcuse de wereld in geholpen, in navolging van peetvader Marquis de Sade. De losse zeden in het decadente Rome en onder het 18de eeuwse Ancien Régime wijzen veeleer op het tegendeel: een oversexte samenleving zit vast in haar eigen genotscultuur en stelt zichzelf niet in vraag. Zoals de roman enkel de behoefte aan meer romans oproept, vraagt het orgasme om meer orgasmes, tot de walging toeslaat. De flower-power-beweging heeft zich kapotgeneukt, trok vervolgens een maatpak aan en begon toen aan haar Lange Mars door de Instellingen. Op een bepaald moment behoort de universele erotisering tot de strategie van het systeem zelf. In de door de 68-ers zo verguisde consumptiemaatschappij is de sexuele verleiding trouwens overal aanwezig: de reklame is de grootste gangmaker van de libertijnse moraal, goed beseffende dat heel het materialistische verslavingsproces met zijn warenfetisjisme slechts overeind kan blijven via een permanent appèl aan het libido. Vrouwen die tijdens het ophangen van de was verrast worden door de viriel-zachte Mr. Dash, mannen die een auto kopen omdat de reklame een halfnaakte babe op de motorkap toont. Ziedaar de essentie van het beeld, misschien zelfs van de taal op zich.
Dat de Antwerpse provinciale député voor cultuur Ludo Helsen (CD&V) het nodig vond om de tentoonstelling van Boon’s blootcataloog in het Fotomuseum te verbieden, en dat het Vlaams Belang enorme heisa maakt rond dit staaltje van zedenverwildering, is natuurlijk een enorme publiciteit voor de ‘collectie’, en maakt de expositie ervan op zich tot een stunt, een schandaal waar heel de literaire industrie zich aan optrekt. Waarmee ik bedoel dat die fenomenale feminatheek op zich nooit meer kan zijn dan een collector’s item, een fetisj dat eerder de aandacht afleidt van de kernthema’s en de levensvragen. Verre van de collectie als smakeloos of obsceen te willen bestempelen, vind ik hem eenvoudigweg irrelevant, en van het zelfde niveau als had men het gebruikte toiletpapier van Boon kunnen recupereren en tentoonstellen. Ideetje voor een volgende uitgave misschien, met de medewerking van Wim Delvoye.
Suzanne Churchot alias Mme Necker: het literaire salon en zijn dubbele bodems
Dat brengt ons bij het volgende kernwoord van Zogezegd: de utopie. Om aan te tonen hoe het artistiek-literaire universum om zijn eigen as draait, kunnen we misschien even teruggaan naar een periode waar er wel degelijk een sterk geloof in een betere toekomst was,- nl. het 18de eeuwse Europa aan het einde van het ancien régime. Het was, niet toevallig, ook een tijd waarin fictieliteratuur een betrekkelijk marginale rol speelde (de bloeitijd van de roman zou in de 19de eeuw komen, tijdens de restauratie, na Napoleon’s nederlaag en het Wener Congres van 1815). De bekend gebleven boutade van Louis XVI, dat het eigenlijk de subversieve geschriften van Voltaire, Rousseau, Montesquieu, de encyclopedisten, en C° waren die hem genekt hebben, moet men niet onderschatten: het proza van de manifesten, de essays en de satires beet als vitriool doorheen de geledingen van het establishment. De non-fictie domineerde het prerevolutionair momentum. In het Parijse café Procope kwamen geen bevlogen dichters bij elkaar, wel de échte critici van het regime die in de diaspora en de illegaliteit de blauwdruk van een nieuwe samenleving uittekenden. Vandaar het café, als informele, anonieme rendez-vous-plek, steeds met één oog op de achterdeur gericht, voor mocht de politie binnenvallen. Deze politieke filosofen hielden zich met luchtspiegelingen of intieme zieleroerselen niet bezig. Integendeel waren ze zeer concreet, én met fanatisme aan het brainstormen over bijvoorbeeld de grondwet van wat een republiek moest worden, de res publica, de grootste gemene deler van burgerlijke rechten en plichten.
Voltaire cultiveerde zijn legendarisch cynisme als een soort zelfbescherming tegen het romantisch geschwärm. Hij had daarbij een duidelijke minachting voor de utopie, en meer nog voor de zich rond deze utopie slingerende literaire ‘verbeelding’, door hem gekarakteriseerd als een tamelijk belachelijk symptoom van taalpathologie en mentale (zelf)vergiftiging
Heel
"Candide, où l'optimisme" is één grote satire op het utopisch denken en
op het (literair geconcipieerde) Eldorado, een soort luilekkerland dat
wel al onze begeerten en wensvoorstellingen samenvat, zonder theorieën te
formuleren, wegen te construeren of acties te plannen.
De onnozele hals Candide moet op het einde vaststellen dat dromen bedrog zijn,
de poëtica van het paradijs een politieke leugen, en het serveren van
fantastische verhalen als een reactionaire strategie werkt. Exit de schone
letteren.
De dromers, dichters en fantasten ware ondertussen de vedettes in de literaire salons van die tijd. Elke adelijke of hoogburgerlijke dame hield er wel zo’n semi-intellectuele harem op na: favoriete schrijvers die voor een select publiek uit hun werk mochten voorlezen, afgewisseld met klavecimbelmuziek, koppen hete chocola, tot aan het uitgebreide souper zo rond tienen. Een vaag, onbestemd geluksgevoel, afgewisseld met melancholische buien en frivole ondergangsstemming (après nous le déluge), overheerste deze séances. Er werd onderling nogal wat gescharreld in dit libertijnse milieu (‘Behoud de begeerte’), de relaties tussen artiesten en gastvrouw waren in regel Platonisch, enkele nymfomanes die hun tieteratuur ter beschikkings stelden, niet te na gesproken.
Zeer zeker waren de filosofen ook van de partij in dit lustoord voor intellectuelen. Nadat ze in het café hun serieuze agenda hadden afgewerkt, gingen ze maar wat graag gratis schranzen en zuipen bij Mme. Geoffrin, Mme. d'Epinay, Mme. de Graffigny, of Mme. de La Fayette. In tegenstelling tot de echte Lees het artikelen namen de filosofen en encyclopedisten het spektakel niet au serieux. Vrouwenhater en Diogenes-fan Denis Diderot wilde met de wufte salonfeestjes zelfs niets te maken hebben, tot hij ingepakt werd door Mme. d'Epinay die hem de voordelen in natura deed inzien. Voltaire speelde het spel voluit mee en hing de briljante geest uit, maar schold diezelfde Mme d’Epinay achter haar rug uit voor domme koe (‘Naarmate ze ouder wordt en haar schoonheid verbleekt, komt haar onnozelheid naar boven’). Enfin, schijn en charade overheersten deze nobele cultuurparty’s.
Voor Voltaire was de utopie iets lachwekkend. De onnozele hals Candide moet op het einde vaststellen dat dromen bedrog zijn, de poëtica van het paradijs een politieke leugen, en dat het serveren van fantastische verhalen als een reactionaire strategie werkt. Exit de schone letteren.
In het 18de eeuwse salon kregen het tafelgesprek en de uitdijende conversaties zo een dubbel, gespleten karakter: aan de ene kant debiteerden de dichters, met veel pathos kwijlend in het decolleté van de gastvrouw; aan de andere kant kletsten de filosofen maar raak, roddelden, lieten pseudo-filosofische proefballonnetjes op om de aandacht af te leiden van het echte dynamiet, en deden tussendoor aan netwerking. In die middens en rond die tijd is het ‘romantische’ boudoir-idee ontstaan dat fictie en non-fictie twee helften zijn van één groot literair bewustwordingsproces, samengevat als ‘L’imagination au pouvoir’ .
Maar de pragmatische
structuur van de ru
imte
was corrupt en zat vol verborgen agenda’s. De eerste valse bodem van die
saloncultuur bestond er in, dat de verbeelding werd gecultiveerd
als het vehikel naar een andere, betere wereld, terwijl het geëxalteerd
taalgebruik en de erotiserende sfeer veeleer het ongenoegen afremden en de
emoties versuikerden.
De tweede valse bodem ging erom dat alleszins de filosofen zich van dat reactionair aspect min of meer bewust waren, en het gebeuren als een nuttige, amusante charade beschouwden, zelfs een vorm van sociale mimicry, zie het cynisme van Voltaire en het opportunisme van Diderot.
De derde dubbele bodem tenslotte zat hem in de status van het salon als observatorium en de gastvrouw als lokaas. Want achter die verlichte dame stond natuurlijk altijd een heerschap dat nauwe banden onderhield met de échte elite, de gesloten aristocratische klasse, het hof en de monarchie, het politie-apparaat. Hoewel de microfoons toen nog niet bestonden, lijkt het me evident dat er informatielijnen liepen tussen deze hooggestemde literaire conclaven, waarbinnen een “vrijheid van meningsuiting” heerste, en de Sûreté d’état.
Een van de bekendste salonmadammen was Suzanne Curchod, echtgenote van de steenrijke bankier Jacques Necker, een van de steunpilaren van het ancien régime, en minister van financiën onder Louis XVI. De zeer ontwikkelde en zich tegelijk steendood vervelende Mme Necker leefde onder een stolp en was de spil van een zelfgeschapen cultureel chocoladekasteel, terwijl er buiten iets helemaal anders gaande was. Van de godgezonden poëet Marmontel tot de sprookjesprins Grimm, ze passeerden allemaal de revue om zich aan de gulle boezem van deze muze te laven. Het was een duidelijk geval van symbiose: de gastvrouw kon haar saai bestaan opfleuren, de letterkundigen verwierven status en onderhielden hun netwerkjes.
Haar echtgenoot, de
beminnelijk strateeg Jacq
ues
Necker zelf speelde een dubieuze rol in het prerevolutionaire Frankrijk. Vast
staat, dat hij via kleine en geleidelijke hervormingen het wankelende regime nog
heeft getracht te consolideren. Vast staat eveneens dat de gasten van Mme
Curchod een lobby hebben gevormd om hem in 1788 te laten herbenoemen tot
Minister van Financiën, teneinde de broeiende rebellie te bezweren.
Uiteindelijk moet men zelfs besluiten dat het echtpaar Necker het
literair-filosofische salongebeuren met min of meer voorbedachte rade heeft
opgezet,
om de intellectuele elite van het moment te observeren, te sturen, en
een sluier van flou artistique te leggen over het politiek activisme.
In het zwoele salon verdampt de rebellie en ontluikt de idylle: de literatuur an sich was de intellectuele fabriek waarin dit transformatieproces zijn beslag kreeg, en die de Franse Revolutie met glans zou overleven. Tot ver in de19de eeuw, hét tijdperk van de restauratie en de postrevolutionaire katers, zouden deze hoogburgerlijke kunstconclaven in zwang blijven. Gaandeweg zou de idealistische cultus van de verbeelding overgaan in cynische dédadence en het literaire estheticisme (l’art pour l’art) van o.m. Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, waaruit dan uiteindelijk zelfs het 20ste eeuwse surrealisme zou voortkomen, tot en met… de blije literaire happenings, Saint-Amour, de poëzienachten, of de decadent-exclusieve boekenbals zoals dat van Amsterdam.
Inspiration Day
Dat brengt ons weer naar
Gent, de fictie en de chocolade. Ten laatsten male. ‘Zogezegd’-curator
(curatrice?) Anne Provoost, een van de intelligentste vrouwen die ik
nooit heb ontmoet, is eigenlijk een perfecte replica van de 18de
eeuwse salondame. Neen, haar man is geen rijke bankier, maar zij is groen als
gras, empathisch, sociaal, verzoenend. Zij zorgt, bezorgt, ontvangt, ensceneert.
Ze is de absolute domina van het gebeuren, door boek.be gecharterd om met haar
élegance fictie en non-fictie in elkaar te weven rond een erotisch-
evasief
programma.
De sex broeit overal in de Vooruit, maar zelf neemt ze geen deel aan de orgie; ze heeft het statuut van muze, wat zeg ik, een koningin omgeven door literaire werkbijen. En ziet: de nectar wordt honing. Fundamenteel investeert en transformeert ze de beschikbare sexuele energie in lyrisme, waardoor alle destructieve en centrifugale krachten, nodig om het socio-politiek systeem in vraag te stellen, geneutraliseerd worden. De verbeelding vervangt de negatie, de utopie het complot, het genot het onbehagen. Heel het intellectuele woordenspel, de estafettedebatten, het voorlezen met warme dekens en jenever, de signeersessies, de chocoladen boeken en natuurlijk de feminatheek, waarop loopt dit anders uit dan op een algehele ontwapening?
Met het 18de eeuwse salon als archetype, de flower-power-beweging als inspiratiebron, en de soft-porno als smaakmaker, lijkt het festival van fictie, chocolade en erotiek een gemediatiseerde en postmoderne vorm van liefdesdood, dat wat de Grieken omschreven als ‘verzuipen in het honingvat’. Mei ’68 leed in hoge mate aan dat Californisch syndroom. Men dacht de wereld te veranderen, terwijl men vooral het eigen geluksgevoel (make love, not war) en het vals bewustzijn cultiveerde, met alle mogelijke chemische hulpmiddelen. Beweren dat de hippiecultuur het einde van de Vietnam-oorlog heeft bewerkstelligd, is niet alleen historisch onjuist maar ook een cultuurfilosofische verdichting, die de simpele, prozaische waarheid onrecht aandoet: op 30 januari 1968 startte het Tet-offensief van de Vietcong en op 30 april 1975 werd Saigon ingenomen. Zonder woorden.
"Langzaam maar zeker maakte de woede plaats voor een idyllisch besef van rechtzinnigheid. Het goed gevoel was het Literatuurhuis Passa Porta binnengeslopen, en het zou ons niet meer verlaten. Gezamenlijk ademden we het grote gelijk in en uit, tot een dikke rookwolk ons in trance bracht en de oorlog in Irak nog slechts een nare droom was..."
Tja, het boek, de taal, de letteren, wat moeten we ermee in oorlogstijden als deze. Uiteindelijk vraag ik me zelfs af of de filosofen de Franse Revolutie wel ‘gemaakt’ hebben. Waren ze er bij toen de hongerige en moegetergde meute op 14 juli 1789 de Bastille bestormde? Iemand zou het eens moeten uitzoeken. Voltaire (die in zijn jonge tijd de gevangenis wel van binnen gezien heeft) en Rousseau waren al dood, maar dat de levende schrijvers, dichters én filosofen op dat moment in het nabijgelegen Café des Phares het liedje “ça ira” zaten te zingen, is een Parijse urban legend geworden.
Het is frappant hoe
poëzie
de stemming kan doen omslaan. Op 19 maart organiseerden de literaire vereniging
Het beschrijf en het BRussells Tribunal van
mijn goede vriend Lieven De Cauter een ‘Literaire Wake’ n.a.v. de vijfde
verjaardag van de inval in Irak. Ik ben absoluut tegen dié oorlog en
de kliek die hem ensceneerde, dus erop af, in de heimelijke hoop dat we tegen
het einde van de avond de Amerikaanse ambassade zouden bestormen. De stemming
was behoorlijk strijdlustig, maar van zodra de dichters aan het woord kwamen
viel er een soort romantische mist van zelfmedelijden en utopisch gezucht over
het publiek, door de estetiek van het taalspel, het gefrasel, de zaalecho’s, de
gewijde stilte rond de
monomanie van de voorlezer. Hoe‘geëngageerder’ de dichters zich opstelden, des
te holler klonk hun poëzie; hoe
‘dichterlijker’ de filosofen met het publiek omgingen, des te softer werd de
politieke stemming.
Langzaam maar zeker maakte de woede plaats voor een idyllisch besef van
rechtzinnigheid. Het goed gevoel was het Literatuurhuis Passa Porta
binnengeslopen, en het zou ons niet meer verlaten. Gezamenlijk ademden we het
grote gelijk in en uit, tot een dikke rookwolk ons in trance bracht en de oorlog
in Irak nog slechts een nare droom was. Mannen begonnen te drinken,
jointjes gingen van hand tot hand, vrouwen maakten hun bovenste knopjes los.
Toen de Iraakse luitspeler Osama Abdulrasol begon te tokkelen en iedereen
ademloos luisterde, wist ik het zeker: de wachten aan de American Embassy
mochten in alle vrede hun sigaretje verder roken.
De concurrentie is groot in de Epicureïsche sector, vooral als de bomen botten. Ik rond deze verkenning van de literaire lente dan ook af met een evenement dat alle genoemde happenings samenvat en overtreft. Op Paaszaterdag 22 Maart kan U deelnemen aan de Dag van het geluk, ook genoemd Inspiration Day in de Leuvense Faculty Club, een initiatief van de Academie voor Levenskunst. “De bedoeling van de dag is mensen in één dag overvloedig inspiratie geven om na te denken over zichzelf en hun geluk” zegt de uitnodiging. Het motto staat dichter bij de 18de eeuwse salonfilosofie en zijn poëtisch chocolade-universum dan men denkt. Alleen is de verbeelding hier herleid tot wat ze in wezen altijd geweest is: de moeder van alle wensgedachten en de vader van alle genotsmiddelen..
Alleen een gezonde dosis cynisme kan deze handel in het Goed Gevoel counteren. Het besef dat al het schone, goede en ware in ons, uit een aangeslibt overschot van endorfines bestaat, gelukshormonen die we zelf naar believen kunnen aanmaken, zolang er chocolade, fictie en erotiek geserveerd wordt...
Geluk, genot, plezier, tevredenheid en zelfbevrediging vallen samen in de neo-Darwiniaanse overtuiging dat ongeluk het gevolg is van een verkeerde levenswijze en een gebrek aan zelfkennis. Op het einde maakt de literatuur zichzelf overbodig. De gelukkige mens is de excellente, unieke lezer van zijn eigen ongeschreven boek. Zijn ‘inspiratie’ leidt niet meer tot tussenproducten zoals een gedicht of een roman, maar naar de onmiddellijke staat van zelfvervulling. Hij straalt de beste der mogelijke werelden uit en geniet, ondanks of net doordat de andere niet geniet. De SM-standjes wenken. Mijn vriend Jan Braeken schoot in een colère en gaf de organisatoren hun vet: “…het zijn niet de gelukkigen die een zegen zijn voor de omgeving. Ze zijn een vloek voor hun omgeving, omdat zij die omgeving gewoon niet zien en niet kennen. Zagen ze die omgeving wel, dan zou hun geluk al heel snel veranderen in ongeluk, omdat hun natuurlijke empathie met ongelukkigen, of hun mede-lijden, dat geluk onmiddellijk zou doen omslaan in ongeluk.”
Voltaire
zou hetzelfde gezegd hebben. Met het Kantiaanse inzicht dat men niet gelukkig
kan zijn bij het ongeluk van de andere, vervalt eigenlijk alle poëtische schijn
en elke vorm van taalkundige zelfbevrediging. De literatuur, de kunst, de
cultuurindustrie trachten ons heel de tijd te betrekken bij allerlei muzische
evocaties van de humane mens, de deugdzaamheid van het goede geweten, en de
intrinsieke onoverwinbaarheid van het goede.
Alleen een gezonde dosis cynisme kan deze handel in het goed gevoel counteren.
Het besef dat al het schone, goede en ware in ons, uit een aangeslibd overschot
van endorfines bestaat, gelukshormonen die we zelf naar believen kunnen
aanmaken, zolang er chocolade, fictie en erotiek geserveerd wordt.
Tot zover de leut van de literaire lente. De literaire zomer wil ik niet meemaken, ik val nog liever tijdig en met opzet dood zoals Claus. Het verschrikkelijk interessante dichtersdorp Watou, gerijmel tot op de hoerenvitrines in het Antwerpse Schipperskwartier, dijkpoëzie tussen Knokke en De Panne, aahgghrrr.
De hersenen van Lord Byron
vielen bij autopsie uiteen als een rotte biefstuk, doordrenkt van alcohol.
De euthanasie van Vlaanderen's grootste levende schrijver
volgt misschien wel uit het ultieme besef dat de poëzie an-sich een verklede en
cultureel-aanvaarde vorm van senilitas praecox uitmaakt. Het gedicht als
reutel, grimas, gekwijl. De schrijver, van jongsaf flirtend met zijn eigen staat
van dementie. Het woord, zogezegd "de kleren van de gedachte", blijkt een
cancerogeen verschijnsel, iets dat woekert op het leven en ons ontglipt als een
zieke zucht. Wat rest er een 78-jarig literair icoon, in een moment van
luciditeit, dan nog anders dan zich waardig van dat leven te ontdoen?
Vanaf dan sluit ook deze tekst zich kort en wordt het ook voor ondergetekende
een zinloze wedren tegen de ontbinding. Want wat als bovenstaand proza zich
evenzeer gedraagt als een vermomd Alzheimer-symptoom? Ook filosofen kunnen nooit
slimmer zijn dan hun eigen hersenen. Vanuit deze absurditeit het leven
volhouden, en de taal wetend en willend hanteren als een leugen, ja, dat is
sterk.
The rest is silence.
■
Links
http://radio1.be/programmas/zogezegd/
http://www.dagvanhetgeluk.be/dag_inhoud.html