De Standaard 13 Januari 2006               

 

Terug naar archief                Terug naar startpagina                          Reageer via het Webforum

 

 

 

 

Uitgerekend aan de vooravond van de opening van het 84ste Autosalon, was het weer prijs: op een boogscheut van de Heizel zat heel de Brusselse Ring compleet dicht door een aantal slippartijen. Brokkenmaker van dienst was deze keer een Franse vrachtwagenchauffeur die het wegdek tussen Zaventem en Peutie met een flinke laag zonnebloemolie had overgoten. Men is begonnen met een raming voor de interventies van politie en brandweer,- de economische kost van de avondfile is nagenoeg onbecijferbaar. En dat is misschien ook niet nodig, want als Jan Fabre met sla-olie morst, noemt men het Grote Kunst, die evenwel in het niets verzinkt vergeleken met de surrealistische happening van 11 Januari 2006. Overigens zal dat Autosalon zelf een substantiële bijdrage leveren aan het fileprobleem en de milieuvervuiling: er worden zo’n 750.000 bezoekers verwacht die, wat dacht U, voor het overgrote deel met de wagen zullen komen.

Milieu en veiligheid zijn er nauwelijks een thema, ondanks de ronkende openingsspeech van de Premier. Het semi-officieel karakter van deze manifestatie, steevast geopend door Prins Filip en een sliert excellenties, brengt ons meteen in herinnering dat België zich internationaal wenst te profileren als land van auto’s, parkings, vrachtwagenverkeer, snelwegen en opritten: ‘het logistiek centrum van Europa’, zo heet het. Ondertussen betwijfelen steeds meer deskundigen de zin van deze oud-industriële mythe die vooral door bewindvoerders van neoliberale signatuur wordt gehuldigd. Ze leven nog in het 19de eeuwse paradigma van de ontploffingsmotor, waarvan de technologie sinds 150 jaar niet fundamenteel veranderd is, en die gebaseerd is op goedkope aardolie, onbeperkte ruimte en een onbestaande notie van globale ecosystemen. Dit achterhaald wereldbeeld van de blinde vooruitgang, het gladde en gezwinde, de dampslierten die achter ons optrekken, de uiterlijkheid –ook psychoanalytisch gelinkt aan het opvallende haantjesgedrag van VLD-politici genre J.M. De Decker- blijkt meer en meer haaks te staan op bestuurlijk vooruitzien en ecologisch verantwoorde lange-termijn-visies: het ‘logistiek’ verhaal is simpelweg onhoudbaar. We moeten investeren in duurzame, tertiaire en quartaire sectoren: brains, onderwijs, zorg, research, kenniseconomie, technologische innovatie. Maar zo hebben de vrienden van Febiac, de oppermachtige federatie van de Belgische automobielindustrie die het Salon organiseert, het niet begrepen. Vlaams mobiliteitminister Kathleen Van Brempt, die het joyriding van twintigtonners aan banden wil leggen, is in de ogen van de donkerblauwe diesellobby een kip die iets te traag voor ons rijdt en maar niet aan de kant wil gaan staan. Een prachtpolitica, alle respect. Het moment dat ze door diezelfde lobby politiek in de berm wordt gereden is niet ver meer af.

Als er al een ‘Belgische identiteit’ zou bestaan, dan wordt ze op deze hoogmis van het kleinburgerlijk individualisme in al haar groezeligheid geëtaleerd: de Belg is behoudsgezind, statusgevoelig, op het heden en het Ik gericht, zuurzoet, en meer vanuit de buik bezig dan vanuit het hoofd.

Men moet het ritueel karakter van dat Salon, als breed publiek platform waarop private mobiliteit wordt geconsacreerd, inclusief alle maatschappelijk-conservatieve waarden die daaraan vasthangen, dus niet onderschatten. De auto is niet alleen een gebruiksvoorwerp, maar vooral een symbool van onderlinge rivaliteit én consensus rond een maatschappelijk laissez-faire model. Het Salon is de plek en het tijdstip van de grote verzoening tussen politieke klasse, economie en volkscultuur. Het verenigt op een surrealistische manier het establishment en het klootjesvolk, van de rijken tot de lage middenklasse, veel sterker dan enige 21-Juli-viering. De Koning Boudewijn Stichting zal het allemaal wel SAM vinden: zoveel Belgen die zich, mits een duur toegangsticket, solidair vergapen aan schaars geklede meisjes op glanzende bolides. Maar schijn bedriegt: eens achter het stuur, worden iedereen iedereens vijand. Als er al een ‘Belgische identiteit’ zou bestaan, dan wordt ze op deze hoogmis van het kleinburgerlijk individualisme in al haar groezeligheid geëtaleerd: behoudsgezind, statusgevoelig, op het heden en het ik gericht, zuurzoet, en meer vanuit de onderbuik bezig dan vanuit het hoofd. Via de auto worden allerlei attitudes en gedragingen die anders als inciviek of zelf krimineel worden gekenmerkt, plots vergoeilijkt als ‘assertief’. Heel de reclame rond de terreinwagens is erop gebaseerd: een quasi-gepantserd vehikel dat iedereen van de weg rijdt, de boodschap is niet mis te verstaan. Het archaische meerderwaardigheidscomplex van de ruiterij tegenover het voetvolk, waarop de aristocratie van oudsher gebaseerd is, heeft zich met Henri Ford en de massaproductie omgezet tot suprematie van de gemotoriseerde tegenover de voetganger, waarbij de auto zelf een bepaalde sociale status vertegenwoordigt en pikordes creëert. De autocultuur en de bijbehorende verkeersroes vormen zo een afspiegeling van de bellum omnium contra omnes ('de oorlog van allen tegen allen'), waarmee de meest brutale vorm van maatschappelijk egoisme wordt aangeduid, zoals ze door Thomas Hobbes werden beschreven. Het doorbreken van deze archaische patronen via overleg en opvoeding is niet evident, maar het is noodzakelijk om de wereld van morgen leefbaar te houden, en cultevenementen als het Autosalon dragen er alvast niet toe bij. Integendeel.

De auto wordt steeds meer het fetisj van een schuldverslavende economie waarin mensen boven hun stand gaan leven om er bij te blijven horen. Opgezweept door de reclame kopen ze op krediet en moeten daarom koste wat kost hun job behouden: dat levert brave, gewillige werknemers op, wat dan weer politieke stabiliteit creëert...

Blijft dan de vraag waarom Belgen auto’s blijven kopen als het toch maar is om een paar uur per dag te bumperen tussen twee peperdure tankbeurten. Opdat de buren hem zouden zien staan, natuurlijk. Het antwoord ligt voor de rest in de bedrieglijk-hedonistische beeldopbouw van de reclame (wijde horizonten, een breed asfaltlint door een maagdelijk landschap, sukses en erotiek…) maar ook, opnieuw, in het politiek-strategisch argument van de auto, als middel om mensen aan een vicieus systeem te binden, tot op het absurde af. Het autorijden heeft iets masochistisch gekregen,- het is zenuwslopend, traag en haast onbetaalbaar. De kost schrikt echter nauwelijks af, ze wordt als objectief en noodzakelijk ervaren, als een soort maatschappelijk zoenoffer. De auto wordt steeds meer het fetisj van een schuldverslavende economie waarin mensen boven hun stand gaan leven om er bij te blijven horen. Opgezweept door de reclame kopen ze op krediet (alle grote banken hebben een stand op het Salon) en moeten daarom koste wat kost hun job behouden. De analogie met dat andere cultevenement, het Bouwsalon en de dans rond de hypothekaire leningen, is overigens opvallend. Die grote financiële engagementen wegen op gezinsbudgetten, leveren supplementaire stress, burn-outs en depressies op (ook daarover bestaan sinds kort voor België ontluisterende statistieken…), en uiteraard brave, gewillige werknemers die hun mond houden, wat dan weer politieke stabiliteit en sociale rust creëert. Zo is de cirkel rond: de auto is middel en doeleinde tegelijk, hij kwelt ons en verleidt. Leve het Belgisch surrealisme.

 

Interessante links:

'De logistieke draaischijf van Europa, hoezo?'

 

 Reageer via het Webforum

Terug naar boven