Overgenomen door:
De Standaard, 19 Oktober 2005
Forum, Januari 2006
De Scène, Februari 2006
Terug naar archief
Terug naar startpagina
Reageer via het Webforum


Een niet al te briljante minister valt graag terug op
degelijke ‘wetenschappelijke studies’. Op 20 oktober wordt,
in opdracht van Bert Anciaux, de publicatie van alweer zo’n studie voorgesteld,
over
‘cultuurparticipatie’, zeg maar: de manier hoe de modale Vlaming zijn vrije tijd
besteedt en welke rol ‘cultuur’ (dat gaat van het met-vork-en-mes-eten tot een
theatervoorstelling bijwonen) daarin speelt.
De auteur van de studie, het ‘Steunpunt Re-Creatief Vlaanderen’ is een consortium van de Vlaamse universiteiten, waarvan de overkoepelende stuurgroep is samengesteld door de Vlaamse Overheid. Dat is belangrijk voor een goede lectuur: studies hebben namelijk nogal de neiging om conclusies te schrijven op maat van de opdrachtgever.
‘Cultuur wordt meetbaar’ fleemde De Standaard, die de primeur kreeg en de studie vooraf mocht inkijken. En inderdaad, het document vertoont alle kenmerken van de typisch academische, pseudo-wetenschappelijke statistomanie, het lukraak kwantificeren, waardoor we bv. te weten komen dat vrouwen meer van dans houden en mannen liever naar het cirkus gaan: zoiets staat leuk in tabellen en diagrammen, maar mij zegt het bitter weinig, want mijn vrouw houdt niet van dans en mijn cirkusgeneugten dateren van de lagere-school-tijd.
‘De onderzoekers spreken van een nieuw ijkpunt om verder onderzoek op te baseren’, kwetterde de kwaliteitskrant vrolijk verder. Dat zal wel: de inkt van deze studie is nog nat en men tracht de volgende al te verkopen. IJkpunt, het woord alleen al. Ik ga me niet amuseren met de wetenschappelijke geldigheid van de studie te betwisten. Maar dat het resultaat van de “enquête bij 2.849 gezinnen” nogal voorspelbaar is, staat vast, alleen al door het begrip ‘gezin’ als eenheid te nemen. Mij is in elk geval niemand iets komen vragen, U wel?
‘Participatie’: solitair genieten is politiek incorrect
‘Cultuur’ is uiteraard een zeer breed begrip, dat hebben de
onderzoekers fraai opgemerkt. Alles is namelijk
cultuur:
dit artikel, het feit dat U het leest of overslaat, maar ook de manier hoe U met
de bladzijden van hogervermelde studie omgaat in het toilet; de manier hoe we
eten, slapen, vrijen, verkeren met de anderen of verkiezen om dat net niét te
doen. Uiteraard ook het creatief bezig zijn, breien, tuinieren, knutselen,
dokterbriefjes vervalsen. En tenslotte natuurlijk de
traditionele spektakelcultuur die tot de bovenbouw van de samenleving behoort:
de grote expressievormen, kunstbeleving, film, theater, musea. Onze
onderzoekers beseffen dat terdege, en snijden met het groot mes erdoor om…
alleen het vet van het beest over te houden: voor ‘Steunpunt Re-Creatief
Vlaanderen’ is cultuur namelijk vooral gezellig. Vandaar dé stoplap van de
studie, ‘participatie’,- een echt geitewollen-sokken-woord waarmee
bedoeld wordt dat het allemaal draait rond het klassiek-Vlaamse pot-en-pint-gebeuren.
Want, weten de slimme proffen, Vlamingen zijn sociale wezens en zoeken,
onder het mom van cultuur, eerder elkaars gezelschap dan de grote top-ervaring.
Anders gezegd: men gaat niet naar de bioscoop voor de film, maar vooral om
midden de mensen te zitten en een praatje te slaan met de popcorn-etende
buur. Althans zo staat het er met zoveel woorden: “Cultuurhuizen zijn sociale
plekken. Alleen het bezoek van musea is blijkbaar af en toe een solitaire
aangelegenheid. Ons onderzoek wijst uit dat cultuur een positieve context
creëert om sociale contacten te ontwikkelen” (Prof. Hans Waege).
De teneur van de 'studie' illustreert dan ook de politieke invalshoek waarvan heel het project vertrekt, namelijk de neiging van de overheid om cultuur te zien als de doedelzak die de kudde moet bijeenhouden, liefst ergens in het politieke centrum.
Afgezien van het wollige straathoekwerkerstaaltje waarin deze vaststelling is verpakt, ben ik zo vrij dat te betwijfelen, of minstens als zeer eenzijdig te beschouwen. Als ik thuis helemaal op mijn dooie eentje Dostojewski lees, doe ik dus niet aan cultuur, behalve wanneer ik mijn belezenheid etaleer op een receptie of –godbetert- groepslectuursessies en voorleesavonden organiseer. Als ik in een duistere Gentse operazaal geniet van Strauss’ Ariadne auf Naxos en, liefst niet gehinderd door overgeparfumeerd vrouwelijk medepubliek, mentaal lichtjaren weg ben, dan ben ik niet goed bezig bij gebrek aan ‘sociale dimensie’ van het gebeuren, tenzij ik natuurlijk tijdens de pauze een paar glazen achterovergiet en de barjuffrouw van dienst begin lastig te vallen. Als ik, zoals het me deze zomer overkwam, in de vrijwel lege Santa Maria del Populo te Rome even helemaal verdwijn in de mystiek van Caravaggio’s ‘Bekering van Paulus’, dan weer loert de intellectuele masturbatie om het hoekje en mankeert de ‘positieve context’. U begrijpt het probleem: eigenlijk wil onze minister, die zoals bekend meer affiniteit heeft met de liedjes van Stef Bos dan met Dostojewski of Caravaggio, de solitaire cultuurparasieten onder ons erop wijzen dat ze verkeerd bezig zijn en zich moeten gedragen.
Het citaat van de professor illustreert dan ook de politieke invalshoek waarvan heel het project vertrekt, namelijk de neiging van de overheid om cultuur te zien als de doedelzak die de kudde moet bijeenhouden, liefst ergens in het politieke centrum. Want blije mensen dragen onze actieve welvaartstaat op handen en gaan niet zeuren over corrupte politici of magistraten die dossiers van witteboordkriminelen laten verjaren. Het lijkt weinig meer dan een variante op de versleten these van Marc Elchardus, SPA-ideoloog en niet toevallig mede-auteur van de studie, dat het verenigingsleven goed zou zijn tegen de ‘verzuring’,- wat dit ook moge betekenen, behalve stemmen op de foute partij. Inderdaad, daar gaan we weer: het maatschappelijk middenveld als hoempapa-buffer tegen extreem-rechts, de barbecuesubsidies van Stevaert en de ‘applausbonnen’ van, jawel, Bert Anciaux, als ultiem geheim wapen tegen het Belang. Voor je ’t weet staat Sergio onder je raam te roepen dat we allen eendrachtig tegen de verzuring en in naam van de sociale cohesie een ruimtetuig op de markt moeten bouwen, ik mag er niet aan denken.
‘Ongelijkheid’ wegwerken of… de straat schoonvegen?
Door Anciaux’ obsessie voor de middelmaat en het centrum, worden anderzijds ook alle vormen van niet-recupereerbare subcultuur verdacht, waarmee de politiek evenmin blijf weet: de informele circuits, de tatoeages en graffiti, de scherpe en hoekige kantjes, de chaos van donker Vlaanderen, de vrijwillige marginaliteit van niet-gesubsidieerde creatievelingen, modeontwerpsters zoals Aleksandra Paszkowska die spugen op modes en trends, de subversieve neiging van mensen en groepen om een identiteit te creëren die schuurt met de mainstream. Op straat rondhangen bijvoorbeeld in plaats van in de sportclub of de Chiro; de leren-jekker-bende die de goegemeente ergert; de X-side van Beerschot. Strikt genomen is dat ook cultuur met zelfs een sterk groepsinstinct, maar al deze middelpuntvliedende, storende tendenzen worden door de korte-broeken-ideologie heel listig gerangschikt onder de ‘kansarmoede’, een tekort aan ‘educatie’ die zou samenhangen met een sociale achterstand waaraan moet gewerkt worden. Maar moeten de Gravediggers uit Mechelen echt gaan kantklossen om erbij te horen? Is het ‘wegwerken van ongelijkheid’ hier niet veeleer een alibi om de straat schoon te vegen?
Wat overblijft, is een kneuterige, mediocre, om niet zeggen Biedermeier-achtige definitie van ‘cultuur’die mij net iets teveel doet denken aan een fascistoide samenhorigheidscultus: het verhaal van de breikransjes, de bloemschikcursussen en de Lederhosen...
Het ‘onderzoek naar cultuurparticipatie’ blijkt een dode mus waarmee alleen Bert Anciaux en zijn entourage blij kan zijn: tot zijn opluchting willen Vlamingen vooral in groten getale bloemschikken op zondagmorgen en bier drinken na het toneel.
Zo wordt Anciaux’ smalle, z
oetsappige
cultuurvisie een pendant van het opgepepte optimisme dat het Verhofstadt-regime
ons tracht in te lepelen. Al het ‘grote’, ontzagwekkende en schitterende wordt
afgetopt –beklijvende, meestal zeer persoonlijke ervaringen die te maken hebben
met inzicht en verwondering, dat wat Nietzsche het ‘Apollinische’ noemde-.
Maar ook de onderbuik van de samenleving wordt geamputeerd, het
‘Dionysische’ moment, de duisternis, de straat, heksensabatten, de leren jekkers
en de clandestiene spuitbusartiesten. Wat overblijft, is een kneuterige,
mediocre, om niet zeggen Biedermeier-achtige definitie van ‘cultuur’die mij net
iets teveel doet denken aan een fascistoide samenhorigheidscultus: het verhaal
van de breikransjes, de bloemschikcursussen en de Lederhosen,-
bezigheidsterapie om te beletten dat mensen zich teveel in het hoofd halen,
scheeflopen, zomaar thuisblijven, of zich buiten het systeem en de instituties
gaan stellen.Gezelligheid als genoeglijk geroezemoes van de kudde; cultuur
als machtsinstrument en strategische tool om de massa te socialiseren en
in afgelijnde en aanspreekbare doelgroepen op te delen, die dan naderhand ook
politiek en electoraal kunnen gerecupereerd worden. Puur machiavellisme dus.
Neen, bedankt.
Het ongemakkelijke, zelfs ranzige gevoel dat dit resultaat van academische vlijt achterlaat, leidt als vanzelf naar de hamvraag: is het niet beter dat een cultuurpolitiek low profile blijft en zich niet teveel moeit met wat mensen drijft? Moeten sociologen, psychologen en politicologen zich zonodig inlaten met het beheersbaar en calculeerbaar maken van alles wat ons nog rest aan het niet-utilitaire, het niet door de overheid geregelde, het eigenzinnige, het chaotische,- en dat allemaal om de kampvuurvisie op cultuur, van een goed bedoelende maar qua eruditie en achtergrond ondermaatse minister, wetenschappelijk hard te maken?
De ijver waarmee 'wetenschappers' zich compleet on-kritisch lenen tot dit soort hand- en spandiensten aan het regime, steeds op zoek naar legitimatie via zgn. 'studies', is bedroevend én ergerlijk. Hoger geciteerde prof. Hans Waege blijkt bovendien intendant te zijn van deFilharmonie, een gesubsidieerd Vlaams symfonieorkest en als dusdanig een cliënt van Anciaux. Van onafhankelijkheid gesproken.
Zoals gezegd: cultuur is alles en niets, compleet onvatbaar en onmeetbaar. Als je denkt dat je ze vasthebt, is ze allang weer weg. Anders was ze ook allang uitgestorven. ■Terug naar boven
Interessante links: