VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken  - Verschenen in Forum - mei 2008

Terug naar startpagina             Alle artikels             Deze tekst in PDF-formaat         Reageer op het Forum       Reageer privé


 Godin, secretaresse, voetveeg, zeug

  Kleine archeologie van de Muze

 Johan Sanctorum

  15 april 2008

Toen ik onlangs, in mijn hoedanigheid van filosoof-onderzoeker, een mailtje stuurde naar de vermaarde schrijver Tom Lanoye, kreeg ik tot mijn verbazing een week later een bondig antwoord terug van een dame, een zekere Saskia, die me dringend vroeg géén berichten meer te sturen omdat de Meester de laatste tijd al te veel correspondentie kreeg. Tja, een letterkundige die zijn brievenbus verzegelt, dat is natuurlijk een vreemde zaak. Afgezien daarvan probeerde ik me reeds allerlei moois voor te stellen tussen Tom en Saskia, maar gezien de geaardheid van de dichter had ik het kunnen weten: ze bleek een assistente, gelieerd aan de vennootschap NV Lanoye, -het ding bestaat nog echt ook- die efficiënt alles opruimt wat de concentratie van de kunstenaar zou kunnen verstoren.

Nu, ook voor een schrijver telt een dag maar 24 uur, en het spreekt vanzelf dat zo’n gevierd auteur zich via een virtuele buitenwipster graag afschermt tegen pogingen tot stalking. Als artistieke entrepreneur is Tom overigens geen alleenstaand geval; ook een coryfee als Jan Fabre werkt op stevige boekhoudkundige fundamenten en laat zich straks misschien op de beurs noteren. In de postmoderne samenleving is cultuur allang geen stoorzender of een dissonant geluid meer, maar een deftige bedrijfstak zoals de informatica, de voedingssector, of de sexindustrie.

Doch die onbekende administrator achter het genie, Saskia, die blijft me intrigeren. Ze brengt me namelijk op het idee dat de romantische Muze, de goddelijke vrouw die van oudsher dichters, musici en schilders inspireert, eigenlijk maar de geïdealiseerde voorstelling is van de moderne secretaresse, een vrouwtje dat koffie brengt, brieven opent, en ongewenste bezoekers afwimpelt. Het idee dat de mannelijke kunstenaar moet gepamperd en gecoacht worden door een patrones, is wellicht zou oud als het artistiek universum zelf. In de Freudiaanse visie draait het natuurlijk om een moederfiguur, gecultiveerd door een tamelijk kinderachtige man, wiens viriliteit maar standhoudt als hij zich af en toe aan de boezem van mama mag vlijen. Le repos du chasseur heet het in de antropologie, Das Kind im Manne noemde Nietzsche het: het cultuurbedrijf is, zoals elke tak van het sociale leven, een gebeuren van dappere jagers en strijders die wenen bij de eerste geschaafde knie, en aansluitend moeten getroost worden. De presterende man is enorm afhankelijk van zijn vrouwelijke schaduw, ook in onze neopatriarchale cultuur. Maar terwijl de kleinburger thuis zijn soep laat opdienen en de grootindustrieel naar de hoeren loopt om zich te laten verwennen, is de kunstenaar, via een flinke portie bijgeloof, aangewezen op een mentale hostess die zijn dromen bezoekt en zijn artistieke potentie verzekert.

‘Potentie’ dus, we zijn bij de kern van de zaak. Dat kunst een mannelijk surrogaat is voor vrouwelijke vruchtbaarheid, is eveneens een inzicht dat we aan de psychoanalyse te danken hebben. En zoals de man zijn emotionele afhankelijkheid constant omzet in seksuele dominantie, zo wordt het beeld van de voedende, regerende Muze geschaduwd door het pornografische beeld van de hoer, slavin, lustobject. Het zijn twee kanten van één medaille. Vernedering hoort bij aanbidding; het feit dat de kunstenaar afhankelijk is van het wezen dat hij tegelijk wil domineren, leidt tot een soort verdubbeling van de vrouw als godin/duivelin, hoedster/demon, fee/heks, verpleegster/gifmengster, engel/beest, en noem maar op. Goethe noemde trouwens zijn Muze een wild paard dat moest getemd worden.

Cherchez la femme. Veelbetekenend is, dat de Keltische barden hun vrouwelijke inspiratiebron al voorstelden als iets hemels én kwaadaardig, naargelang het moment. Het was dus kwestie, de inspirerende godin aan de leiband te houden en op vier poten te krijgen. In Wales en Ierland kreeg deze Muze aldus de naam Cerridwen, waarin men het Spaanse woord cerda herkent, dat… zeug betekent. Het alter-ego van de Godin der Kunsten als varken, bevestigt ons vermoeden dat hier dubbelzinnige projecties in het spel zijn. Ze stelt de barende natuur voor, waar de kunstenaar zich wel aan spiegelt maar die hij nooit kan evenaren, en die dus ritueel moet vernederd, geconsumeerd, geslacht worden, of gerecycleerd als verkoopbaar kunstobject, mechanical pig. De middeleeuwse troubadours speelden hetzelfde spelletje met hun beschermdame: door haar op een voetstuk te zetten en in smachtende lyriek te bezingen, ontstond er een soort literair schimmenspel met een gedenatureerd wezen, de vrouw als schutsengel en heilige (verwant met de Maagd-Maria-cultus), maar ook als fatale attractie, een door het middeleeuwse Christendom als demonisch beschouwd, ‘gevaarlijk dier’ dat geëxorciseerd moest worden.

Hier hoort een heel bestuarium bij van prooidieren. Naast het varken zijn ook de vos, de haas en het hert klassieke ‘duivelsdieren’ waarvan de jacht een soort rituele bezwering moet voorstellen: de jager is het archetype van de mannelijke artistieke wil, die zelfs na de jacht nog een verlengstuk krijgt in de figuur van de kervende keukenchef. Op 1 november verscheen echter het hert aan St. Hubertus en werden de rollen weer omgekeerd: het opgejaagde beest werd opnieuw engel en patrones, waarvoor de jager knielde en het mes liet vallen. Let op de gelijkenis met het Lam Gods: offerdier wordt mystieke verschijning, de transformaties blijven omkeerbaar.

De vrouw als dubbelzinnige gezellin en gevaarlijk speelgoed, het is en blijft kantje-boordje. Bekende artiesten lopen zo met hun maîtresse rond: als iets tussen een talisman, een jachttrofee en een bijterig hondje. Op elk moment kan de aanbidding omslaan in vernedering en geweld, en vice-versa. Heel de geschiedenis van de heksenvervolging kan men beschouwen als een uitloper van dat muzisch-sadistisch complex, het kantelen van de status van vruchtbaarheidsgodin, in die van lustobject, werktuig van de duivel, en tenslotte slachtrijp dier.

Het atelier als slachthuis

Wat is dan eigenlijk ‘inspiratie’? Het kan niets anders zijn dan een mannelijke kniebuiging voor de superioriteit van de oermoeder, net voor ze gekeeld wordt in het atelier, en wordt getransformeerd tot ‘kunstwerk’. Artistieke creativiteit blijkt op die manier een permanente spanning te vertonen tussen het sublieme en het obscene, ingevolge de haat-liefde verhouding tussen de schilder en zijn (vrouwelijk) model, in casu de levende natuur. Zwevend tussen voluntarisme en afhankelijkheid van die Muze, blijft de kunstenaar een labiele kind-man. Geen enkele artiest geraakt hier uit. Soms wordt het sadisme tegenover de vrouw en de natuur heel expliciet en grotesk uitgebeeld, zoals in de doorspiesde kevers van Jan Fabre of, jawel, in de getatoeëerde varkens van Wim Delvoye, ook bekend van de strontmachine. Doordat deze laatste bovendien de voor het leven getekende dieren opnieuw in een luxe-omgeving plaatst (verwarmde hokken met zachte kussens) is de verwarring tussen vergoddelijking en vernedering compleet.

Een gelijkaardige macho-installatie, met symbolische offering van de muzische zeug, kon men meemaken in de voorbije Paul McCarthy-tentoonstelling te Gent. In deze ontstellende demonstratie van artistiek sadisme, die letterlijk en figuurlijk een gat sloeg in het SMAK, trok de kunstenaar alle registers open om, zoals de Keltische barden van weleer, het vrouwelijk element in onze cultuur, onder de vorm van een vastgebonden zwijn, te exorciseren. Creativiteit, machtsontplooiing en destructiviteit vallen hier samen en richten zich op één dierlijk object. Kotsend ben ik het SMAK-gebouw uitgelopen. De uitleg die men in de catalogus geeft, dat de kunstenaar hier juist geweld wil aanklagen, overtuigt mij niet: onder de discursieve, quasi-ethische dekmantel zit een onherleidbare sadistische grondtoon, het plezier aan de uitgebeelde obsceniteit, de pornografische desublimatie als keerzijde van het mannelijk minderwaardigheidscomplex. 

Men moet dit soort slachtrituelen voor ogen houden, als dichters en musici beginnen zweverig te doen over hun Muze, hun verbeelding, hun creativiteit: het gaat om de verpersoonlijking van hun eigen onmacht. Telkens valt op hoe de vrouw de mannelijke creativiteit domineert en juist daardoor wordt gedegradeerd tot hoer, slavin, object, beest, meesterlijk geobjectiveerd in het kunstwerk zelf. Het kunstwerk als getemd dier, het varken als kunstwerk.

Saskia dus, en haar treurig schaduwbestaan. Het was toevallig ook de naam van Rembrandt van Ryn’s eerste vrouw. Ze moet intelligent en kunstzinnig geweest zijn, de schilder vereerde haar als zijn grote Muze. Eieren aten ze evenwel niet, de meester gebruikte ze voor het aanmaken van verf. Na drie miskramen en de geboorte van Titus stierf die godin op 29-jarige leeftijd, zelfs voor die tijd piepjong, fysiek uitgeput. Daarna kruisten nog verschillende huishoudsters het levenspad van de kunstenaar,- telkens werden ze tot Muze gebombardeerd, en eindigden ze in zijn bedstede.

Het eeuwige verhaal van het mannelijk genie en zijn dienstige schutsengel is niet alleen seksistisch, het verdringt ook een tegencultuur die discreter, authentieker, minder heerszuchtig en meer levensbeamend is. Vrouwen zijn er de draagster van maar kunnen die cultuur niet in meesterwerken omzetten, precies omdat ze de Narcistisch-kinderachtige reflex mankeren waarmee McCarthy en consorten zo succesrijk omspringen.

Ik vraag me dus af of er een ‘vrouwelijke’ kunst zou kunnen bestaan die echt ‘anders’ is, en meer doet dan het imiteren van dat mannelijk voluntarisme. Misschien is die Saskia-van-Lanoye wel veel slimmer en begaafder dan haar baas, en is het eigenlijk jammer dat ze haar schrijftalent moet beperken tot het sturen van standaardmails van het genre ‘Geachte Heer - Tot onze spijt moeten wij U mededelen dat…’. Maar zoals gezegd: zonder dit practisch vernunft zou ‘Ten Oorlog’ nooit geschreven zijn, men moet nu eenmaal zijn plaats kennen. Er zijn dus geen grote vrouwelijke artiesten, om dezelfde reden dat er geen goeie vrouwelijke voetballers rondlopen, of dat vrouwen geen auto kunnen rijden, of nooit in de keuken van een driesterrenrestaurant te vinden zijn (tenzij als afwashulp): het zijn allemaal door en voor mannen uitgedachte bezigheden, met dito spelregels en strategieën. Wat rest is de rol van Muze, Big Mamma, gastvrouw, excuustruus, assistente, secretaresse. In wezen weerzinwekkende voorbeelden van pseudo-emancipatie, theatrale bloempotverschijningen en op hoge hakken lopende moederfiguren.  

Dat het publiek zich, afgezien van enig snobisme, tenslotte steeds meer afkeert van moderne en postmoderne Kunst, ligt aan het feit dat het kunstwerk altijd al een dood varken heeft gerepresenteerd, en dat nu, sinds McCarthy, ook écht toont. Daarmee heeft het zichzelf definitief ontmaskerd en mogen museale abattoirs als het SMAK rustig gesloten worden. Het gebouw kan dan heringericht worden om de daklozen van in de wijde omgeving te herbergen, ik zeg maar wat, en reken zelf uit hoeveel kinderen in Somalische vluchtelingenkampen van de hongerdood kunnen gered worden met het jaarbudget van deze instelling.

Misschien is dat wel de kunst van het derde millennium: evenementen, structuren, processen creëren die redden, hoop geven, doen leven. Barenboim en zijn West-Eastern Divan Workshop. Het is wel weer een man, maar toch.

 

 Reageer op het Forum            Contacteer de auteur

 

Terug naar boven