VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

De
pijp van Magritte komt weer boven water
Bedenkingen bij een surrealistische imago-campagne
Johan Sanctorum
11/3/2008
Sinds
het aantreden van Verhofstadt, een goed acht jaar geleden, met in zijn zog het
reklamegenie Noël Slangen, werd het surrealisme als ‘Belgische stijl bij
uitstek’ aan het buitenland verkocht. Boodschap van de imagocampagne: we zijn de
k(l)oterij van Europa, niets werkt
bij ons, alles hangt aan elkaar
als los zand, maar dat is nu juist onze charme. ‘Creativiteit’ heet dat:
in België zou m.n. alles kunnen en niets moeten. Ook in de
overzichtstentoonstelling ‘Visionair België’ (Brussel, lente 2005) rond
het 175-jarig bestaan van dit land waren de gekke bolhoeden en de zwevende
pijpen niet van de lucht, als tekenen van de plezante gekte die dit land
kenmerkt.
De bolhoed van Magritte, die door Verhofstadt al werd bovengehaald naar
aanleiding van het Belgische E.U.-voorzitterschap (zie logo), moest de
hypothetische ‘doorsnee-Belg’ namelijk het gevoel geven dat wat zich rond hem
afspeelt, niet echt kosjer is en allerminst transparant, maar toch een hoog
vermakelijkheidsgehalte bezit. België is weliswaar een grap, maar dan toch een
goeie,- de vrolijke gekte van het surrealisme straalt nu eenmaal af op onze té
gekke instituties… en daar moeten we nog fier op zijn ook. Als je dat verkocht
krijgt, is er natuurlijk veel mogelijk. Het inspireerde me tot de naam van deze
ondertussen bekende en beruchte website.
Zopas werd het (eigenlijk door en door versleten) campagnebeeld nog maar eens bovengehaald om buitenlandse investeerders aan te trekken, maar vooral ook om de wereld ervan te overtuigen dat België kicking and alive is, ondanks alle geruchten rond een nakende secessie. Het surrealisme dus, als universeel alibi voor een kadukke machinerie in een land waar onontwarbare knopen worden bezworen met theatrale pseudo-magie. Het surrealisme ook, als Waals-Brusselse stijlfiguur. Daar hoort een verhaal bij.
Toen
we verleden zomer in Frankrijk rondreisden, haalde België nog eens de
buitenlandse pers met de gloednieuwe scheepslift van Strépy aan het Canal du
Centre, die voor maanden dicht moest omdat alle katrollen al versleten
waren. Berekeningsfoutje van de ingenieurs. Door slechte contracten mag de
Waalse overheid opdraaien voor de herstellingsfactuur van zo’n 6 miljoen
Euro…die via allerlei ‘Marshall-plannen’ toch wel weer door Vlaanderen zal
meebetaald worden. Soit, tot daaraan toe, laten we het maar als
ontwikkelingshulp beschouwen. Ik moest toen ook uitleggen aan onze Franse
vrienden hoe die mirakuleuze, door alle economische studies als ronduit
‘nutteloos’ en ‘absurd’ bestempelde constructie er gekomen was: omdat Zeebrugge
een nieuw havendok had ‘gekregen’ en er dus automatisch in het Zuiden ook ‘iets’
moest komen van dezelfde prijsklasse. De nooit in gebruik genomen metrolijn van
Charleroi-Châtelet hoort eveneens bij die koehandel. Gegniffel alom. Van die
‘wafelijzerpolitiek’ belandde ons gezelschap bij het bier, de chocola, de
frieten, Manneke Pis en het Atomium. Om dan terecht te komen bij de ultieme
verklaring van heel het hilarisch gebeuren dat België heet: onze
‘surrealistische’ aanleg. Het zou met name in onze genen zitten: de gekte, de
drang om wereldwonderen te creëren die elders de lachlust opwekken, de zin voor
het ongerijmde, de plantrekkerij, de ingewikkelde compromissen, de
bureaucratische logica.
Vanwaar
die mythe? Een en ander blijkt zijn wortels te hebben in de Brussels-francofone
saloncultuur van de jaren ’20, de zogenaamde ‘années folles’. Een gouden
tijd voor industriëlen, nieuwe rijken, speculanten en hogere ambtenaren, de
‘Beulemansen’ dus, die van de naoorlogse hausse hadden geprofiteerd en zich
vestigden in riante Art Nouveau-villa’s of luxueuze stadspaleizen zoals
de Résidence Palace. Deze immer feestende beau monde bekommerde zich
nergens om en zag ook niets aankomen: noch de nakende beurskrach van 1929, noch
het opkomende fascisme, en evenmin natuurlijk de barsten in de Belgische
socio-politieke constructie zelf, waarin de Vlamingen per definitie een
onderhorige status hadden.
Deze decadente bourgeoisie leefde in de werkelijkheidsontkenning en had net daarom behoefte aan een fantaisistische façadekunst, een maniërisme waar ze bij kon wegdromen of glimlachen. Daarvoor werden twee Waalse schilders van stal gehaald: René Magritte met zijn gekende beeldgrappen (‘Ceci n’est pas une pipe’) en Paul Delvaux met zijn edelkitsj vol doorheen ruïnes slaapwandelende naakten. Brussel verafgoodde hen. Voor ze het goed en wel beseften waren ze de decorateurs geworden van het neurotisch bolhoed-imperium, vandaag beter bekend als het ‘Belgique de papa’
Overal elders ter wereld is het surrealisme een kunstvorm, een spel van de verbeelding, een artistieke flirt met het onderbewuste. Alleen in België zijn de hilarische tonaliteit van het stripverhaal en de estethiek van het absurde tot staatsideologie geconsacreerd.
Onnodig
te zeggen dat de ‘politiek-incorrecte’ Vlaamse expressionisten uit diezelfde
jaren ’20 (Permeke, De Smet, Van den Berghe…), met hun in aardekleuren
gedrenkte, brute schildering van het platteland, in die Brusselse salons geen
voet aan de grond kregen. Het paste niet in de euforie. Vlaanderen was in die
tijd een verpauperd wingewest dat het moest stellen zonder transfers of
compensaties: de boeren leden honger, de Waalse mijnen waren bemand met Vlaamse
gastarbeiders die er als ‘boches’ en ‘sales flamands’ bespot en vernederd
werden. Ook dat hoort bij de années folles, en het is nooit weg geweest.
De actuele francofone afkeer van Leterme is niet alleen ideologisch: hij straalt
het ongladde, hoekige, nuchtere, van de aardappeleter uit. Het is een fysieke,
haast raciale afkeer van de Flandrien die geen boodschap heeft aan
theatrale rethoriek, en die écht eten op zijn bord wil, geen geschilderd
visioen.
Als Verhofstadt & C° vandaag die onbestaande pijp van Magritte nog eens boven water halen, om te bewijzen dat er wel degelijk zoiets bestaat als een ‘Belgische identiteit’, is dat dus een heel raar statement: het is een impliciete erkenning van België, als francofoon-burgerlijke enscenering, met een toets van vrolijke gekte en een traditie van ritselende saloncultuur. En discreet gepatroneerd door een monarchie die hooguit wat Nederfrans hakkelt.
Het zal wel toeval zijn dat hogervernoemde spook-metrolijn Charleroi-Châtelet ons uitgerekend naar de geboorteplaats van René Magritte voert. En dat die fameuze scheepslift van Strépy vlakbij La Louvière ligt,- een kweekplek van het ‘Belgische surrealisme’, op een boogscheut van de carnavalstad Binche. Het is alleszins géén toeval dat de Brusselse bourgeoisie van de jaren ’20 twee Waalse surrealisten in de galerij heeft verheven. Daar en toen is het idee ontstaan om het ongerijmde tot staatslogica te verheffen en de ondraaglijke lichtheid van België als een wereldwijd handelsmerk te deponeren. Het is de absoluut on-republikeinse logica van de irrationele natie, die niet functioneert via haar instellingen maar via haar netwerken, parallelle circuits die eigenlijk al sinds de 19de eeuw operationeel zijn: de kerk, de loges, het patronaat, de vakbonden, de massamedia, de economische lobby’s, de invloedrijke families, de serviceclubs, en recent ook de zgn. ‘denktanks’. Plus natuurlijk de échte besloten cenakels waar de échte beslissingen en petit comité genomen worden, iets wat we meestal met zo’n twintig jaar vertraging te weten komen,- zoals de Vier van Poupehan in de jaren ’80.
Overal elders ter wereld is het surrealisme een kunstvorm, een spel van de verbeelding, een flirt met het onderbewuste. Spanje koestert Dali, maar hoedt er zich wel voor om zich te vereenzelvigen met slappe horloges. Tsjechië is en blijft verbonden met zijn grootste schrijver Franz Kafka, maar de hallucinante bureaucratie die hij schilderde, is allesbehalve een door de natie te cultiveren positief icoon. Alleen in België zijn de hilarische tonaliteit van het stripverhaal en de estethiek van het absurde tot staatsideologie geconsacreerd. De opgestapelde bewijzen van onkunde en mismeestering worden flitsen van ‘creativiteit’, dankzij het universele onderschrift: ‘Ceci n’est pas une ….’ (verder naar believen in te vullen). De pijp van Magritte blijft het ludieke uithangbord van een gespleten operettenatie die tijd koopt door fata morgana’s te creëren.
Maar die tijd loopt af, de pijp gaat uit. Daar kan geen notionele interest aan verhelpen. ■