VISIONAIR BELGIË - Kritisch-Filosofisch Webmagazine voor Vlaanderen en omstreken
Terug naar startpagina Alle artikels Deze tekst in PDF-formaat Reageer

Terreur
ad infinitum
Bereidt het regime zich voor op een nieuwe status van angst-manager?
Johan Sanctorum
1/2/2008
Op kerstavond van 2007 werd op heel het Belgisch
grondgebied een terreuralarm eerste klas van kracht. We kennen de
aanleiding: een vermeend ontsnappingscomplot rond ex-voetballer en
Al-Queda-sympathisant Nizar Trabelsi, verblijvend in de gevangenis van Nijvel.
24 u later stond heel het gezelschap al weer op vrije voeten, want men vond
nergens bezwarend materiaal. Het alarm bleef wél van kracht, tot ver na de
jaarwisseling. De politieke context en het tijdstip spreken uiteraard boekdelen:
de interimregering Verhofstadt was net uit de startblokken geschoten, en hoe kon
men dat beter onderstrepen dan met een grootscheeps gebaar van zorg, alertheid
en daadkracht.
Senator Jean-Marie Dedecker sprak dan ook van een groteske
‘kerstshow’. Dat was het inderdaad. Daarbij is ook de ongerustheidheid van
mensenrechtenactivisten als Raf Jespers terecht: het war on terror-concept,
dat nu ook onze contreien is binnengeslopen, zet de deur open voor een
permanente uitzonderingstoestand, waarin burgerrechten ondergeschikt zijn aan de
‘nationale veiligheid’, zoals dat heet.
Haast een maand na de afkondiging van het alarm, noopt dit alles echter tot
bijkomende bedenkingen rond opinie-management, massamanipulatie en geënsceneerde
angstpsychoses. Bijvoorbeeld over het feit, hoe draconische alarmprocedures ook
échte feiten kunnen uitlokken, die dan weer een argument vormen voor een
verstrenging van de procedures. Op 4 januari ging een psychiatrische patiënt
door het lint; zijn bommelding zorgde voor een chaos in het treinverkeer. De dag
daarop deed een flauwe plezante het nog eens over in het station van Ninove. Het
moeten voor Dewael en C° geschenkjes uit de hemel geweest zijn. Vals alarm is
ook alarm. Een terreurgerucht kan dus werken als een self-fullfilling
prophecy. Eerst komen de gestoorden en de grappenmakers, maar op het einde
zullen de echte bommenliefhebbers het ook wel eens proberen. En het is
opmerkelijk, hoe zelfs zgn. liberale politici meestappen in die logica: de
dreiging reproduceert zichzelf en roept grootscheepse preventie/interventie op.
Voorheen tamelijk schimmige departementen als het OCAD (“Coördinatieorgaan voor
dreigingsanalyse”) worden het zenuwcentrum van de staat als
veiligheidsinstituut. Angst (Latijn: terror) is het nieuwe
sleutelwoord van het postmoderne machtsdenken. Maar over welk soort ‘angst’ gaat
het? Tijd om de psychologische handboeken eens open te slaan.
Het verloren Gemenebest en de anti-establishment-cultuur
Antropologisch is er een wer
eld van verschil tussen een schrik-reactie en
angst-gevoelens.
Schrik is een gezonde attitude. Het is een oeroude vorm van gevaarperceptie, en leidt een vluchtreactie in. Daarbij komen fysiologische processen op gang, zoals de aanmaak van adrenaline, een natuurlijk pepmiddel dat de lichamelijke prestaties verhoogt. Gaan lopen is dikwijls verstandiger dan vechten; blijven staan is helemaal uit den boze. Het vergt een instinctief soort intelligentie om op het juiste moment het hazenpad te kiezen. In nazi-Duitsland konden de Joden in het begin nog weg, maar op een zeker moment niet meer: de helden en de naïevelingen hadden ongelijk. Al miljoenen jaren stuiven mussen uiteen bij de minste beweging,- wie ter plekke blijft, is een dode mus . Schrik is evolutionair: het is een cruciaal zelfhulpmiddel om te overleven, dat wordt doorgeërfd.
Angst is iets anders. Psychologen definiëren het als een diep, diffuus gevoel van onbehagen en vervreemding dat ons niet meer loslaat vanaf het verlaten van de moederschoot. Angst heeft geen voorwerp, tenzij de leegte, het niets, de duisternis, de dood. We dragen het mee vanaf het eerste uur en het laat ons niet meer los. In onze levenslange zoektocht naar die ‘prenatale’ ruimte waarin we terug onbekommerd kunnen zweven, passeren we langs allerlei terapeutische vluchtheuvels (de zwembad-baarmoeder van neuropsychiater Karel Ringoet is een van de bekendste). Maar sommige filosofen gingen verder, en formuleerden een gedurfde politieke utopie, waarbij de samenleving zelf zo’n niet-vervreemdende, terapeutische ruimte zou kunnen vormen. De staat als super-baarmoeder!
Uit het geschrift van de romantische filosoof J.J.
Rousseau, “Du Contrat Social ou Principes du droit Politique”
(1762), blijkt, hoe vooral mannen kunnen wegdromen in de utopie van een ideale
moeder-gemenebest: een zorgend maar niet-bevoogdend wezen, dat ons maximale
vrijheden gunt en de oerangst wegneemt. Delen van dit utopisch staatsdenken
vindt men terug in het romantisch nationalisme van de 19de eeuw: de
natie is geen regime, maar een ruimte die de vervreemding, eigen aan het leven
zelf, kan elimineren. Voor Rousseau gold de stadstaat Genève als model van zo’n
moederlijk organisme (niet te verwarren met het matriarchaat, waar de
vrouwen echt de lakens uitdelen: dat was voor Rousseau helemaal niet aan de
orde). Edoch, Rousseau’s vrees voor bederf en baarmoederkanker was enorm, en
terecht. Want een door mannen gecreëerde sociale utopie werkt natuurlijk niet,
omdat het abstracte maakbaarheids- en beheersingsdenken van meetaf aan meespeelt
in de realisatie van de republiek. Een logica van het mannetjesdier die, o
ironie, ook de psyche kenmerkte van Rousseau zelf,- wiens doordrammerig
idealisme de meest uiteenlopende, totalitaire regimes zou inspireren.
De natie-gemeenschap is een leugen, het ‘gemenebest’ een ontkleurde utopie. Voor
we het weten, betalen we belastingen, sorteren we ons vuil en houden we voor de
rest onze mond. De staat realiseert tenslotte het omgekeerde van haar
oorspronkelijke missie: ze neemt onze vrijheden af en vergroot de angst.
Ze produceert dus gaandeweg zelf een vorm van ‘terreur’: elke staatsvorm is ook
een schrikbewind, gebaseerd op ontzag, intimidatie, misleiding, manipulatie.
Het onbehagen rond de mislukte gemenebest-droom heeft vandaag geleid naar allerlei uitingen van burgerlijke weerzin en ‘verzuring’: een hardnekkige gisting van antipolitisme, bij ons beter bekend als het anti-establishment-gevoel. De staat realiseert tenslotte het omgekeerde van haar oorspronkelijke missie: ze neemt onze vrijheden af en vergroot de angst.

Deze pervertering heeft uiteraard te maken met persoonlijke machtswellust die van alle tijden is, inclusief heel het degoutante kluwen van carrièrisme, belangenvermenging, corruptie en nepotisme. Maar een nog grotere oorzaak van onze herboren angst is de naamloze bureaucratie van het staatsapparaat, de staat als machine, de nachtmerrie die weergaloos door Franz Kafka werd beschreven, en die bij anarchistische denkers als Michail Bakoenin (1814-1876) zou leiden tot een radicale afwijzing van elke staatsvorm, ook de zgn. ‘klassenloze’ versie van zijn tijdgenoot en opponent Karl Marx.
Het nieuwe onbehagen rond deze gerateerde utopie heeft tenslotte vandaag geleid naar allerlei uitingen van burgerlijke weerzin en ‘verzuring’: een hardnekkige gisting van antipolitisme, bij ons beter bekend als het anti-establishment-gevoel. Een argwaan tegen de moderne staat, die misschien wel biologisch-instinctieve wortels heeft: de pijn om een verstoorde prenatale wensdroom.
Institutionele paranoia: de law-and-order-mythe
Daarmee wil ik politieke onlust niet pathologiseren. Veeleer lijkt Ringoet’s prenatale diepzeeduikterapie, toegepast bij schizofrenen en autisten, een politieke dimensie te hebben. Hij toont ermee aan dat het institutioneel-maatschappelijk systeem, zeg maar: heel de bovenbouw, fundamenteel bankroet is. En dat echte terapie alleen mogelijk is door het creëren van tussenschotten en kleine binnenruimtes, coccons waarbinnen we zelf voor onze mentale en fysieke integriteit zorgen. We zijn allemaal ‘schizofreen’, in de mate dat we de onoverbrugbare kloof ervaren tussen politieke utopie en realiteit. Het systeem is ons eigenlijke voorwerp van angst. De georganiseerde maatschappij kan ons nooit geven, wat we in ons diepste binnenste ervan verlangen. We gaan dus vreemd en zoeken eigen wegen, buiten het netwerk om.
Voor de politieke klasse is die incivieke attitude
wereldwijd hét probleem van de dag.
Hoe pakt de overheid deze publieke afkeer strategisch aan? Door aan
angst-management te doen. Er worden met zorg nieuwe schrikbeelden gecreëerd,
die het onbehagen tegenover het systeem afleiden. Politiek is –al van ver vóór
september 2001- de kunst om macht te her-legitimeren via het bespelen van
fobieën. Het onveiligheidsgevoel is daarvan uiteraard dé kern, en het
uitlokkingslement is ook hier volop aanwezig: wellicht laat men allochtone
straatbendes enigszins begaan, omdat dit het onveiligheidsgevoel verhoogt,
waardoor de roep om een autoritair regime intenser wordt. Idem dito voor de
Oosteuropese home-jackers: eerst worden de grenzen wijd opengezet, om dan het
politie-apparaat grootscheeps te mobiliseren. Of het vervroegd vrijlaten van
zware criminelen, om ze dan met des te meer vertoon op te jagen als ze een
politie-agente hebben doodgeschoten. Telkens schuift Big Brother iets op, de
opsporing-verzocht-actie heeft altijd iets van een algehele mobilisatie en
een generale paranoia. Het is de welbekende law-and order-legende:
vrijheid inwisselen tegen zekerheid. Het objectief staatsgeweld of de chaos,- en
iedereen kiest voor het eerste, want de jungle was nu net de reden waarom we de
republiek hebben uitgevonden.
De institutionele paranoia is het antwoord op de schizofrenie van de burger. Er moeten dus ‘gevaren’ onderkend worden, interne en externe vijanden gedefinieerd. Onmerkbaar dringen de angstmanagers ons privé-leven binnen en dwingen nieuwe contractuele condities af tussen mens en systeem. Overal staan de bodyguards en het security-personeel, meestal gewapend en met honden, om onze ‘veiligheid’ te garanderen. Op 12 januari 2008 meldt de Brusselse politie trots dat het aantal kruimeldiefstallen door de massale aanwezigheid van blauw drastisch is afgenomen: de legitimatie van de draconische politie-acties verplaatst zich naar kleinere neveneffecten, die ons een gevoel van veiligheid en comfort moeten geven.
Een hele waaier van schrikbeelden en –beeldjes wordt
tevoorschijn getoverd door het politieke angstmanagement. In België hebben de
socialisten een hele reeks verkiezingen gewonnen, door de oudjes telkens weer
wijs te maken dat hun pensioen op de helling stond. Verderop worden alle
levensdomeinen aangesproken, waar mensen zich onzeker zouden kunnen voelen en
inmenging van bovenaf dulden. Verklikking wordt aangemoedigd: een vuurtje maken
met tuinafval is blijkbaar levensbedreigend voor de volksgezondheid, binnen een
kwartier staat een door de buren gealarmeerde politie voor Uw deur. Kanker
is een ander goed voorbeeld van zo’n moderne vogelverschrikker. Het rookverbod
in de horeca bewijst niet dat de overheid met onze gezondheid begaan is, maar
wel en vooral dat de schrik voor longkanker een uitstekend alibi is voor die
overheid om zich met onze gewoontes te bemoeien. Recent heeft de politieke macht
ook de ecologische doemscenario’s ontdekt, als een schrikbeeld dat tot
grootschalige, autoritaire oplossingen noopt. Het charismatische optreden van
Al Gore zal school maken: de global warming –op zich een realiteit-
wordt in de 21ste eeuw hét alibi voor de machtsgreep van een nieuwe
politieke elite, die met ecologische argumenten het publiek debat zal smoren (‘Het
is vijf voor twaalf’, enz.)
De institutionele paranoia is het antwoord op de schizofrenie van de burger. Er moeten dus ‘gevaren’ onderkend worden, interne en externe vijanden gedefinieerd. Onmerkbaar dringen de angstmanagers ons privé-leven binnen en dwingen nieuwe contractuele condities af tussen mens en systeem.
Nu zult U zeggen: ‘schrikbewind’,- is dat niet eerder een term die past bij regimes waar handen worden afgehakt of waar massa’s uit elkaar worden geranseld? Dat is juist. Maar een manifest terreurregime blijft enkel overeind omdat er, hoe gek het ook klinkt, een publiek draagvlak voor is (zoals in Iran), ofwel is het gedoemd om te vallen (zoals de DDR, en straks Noord-Korea). Staatsterrorist Robespierre stierf ook op het schavot. Tirannen zijn historisch uitermate kwetsbaar. Maar de fluwelen terreur van een door de democratie gedekt controle-apparaat, welke wapens zijn daartegen nog van tel? Een systeem dat zich helemaal als veiligheidsschild heruitvindt, een collectieve beschermengel, waar moeten we daar nog zijn voor klachten?
Binnen deze logica past ‘hét terrorisme’, als ultiem schrikbeeld, natuurlijk perfect. Het blijft de zenuwknoop, van waaruit alle secundaire angstprikkels vertrekken. Het gevaar is niet-localiseerbaar in de ruimte, onvoorspelbaar in de tijd, en alomtegenwoordig. Een onzichtbare vijand die overal kan opduiken, vraagt om een orde-apparaat dat even efficiënt en onvoorspelbaar reageert, als een deus ex machina. Indien Bin Laden niet bestond, dan had men hem moeten verzinnen,- hij kwam in elk geval precies op tijd, nl. in 1989 (oprichtingsjaar van Al Quaeda), toen de Berlijnse muur viel en the Empire of Evil ophield te bestaan. En Bin Laden zàl niet opgepakt of doodverklaard worden, om de simpele reden dat juist zijn spoorloosheid het planetaire onveiligheidsgevoel voedt.
Desondanks blijft de civiele afkeer van het staatsapparaat toenemen. Dat wat de politieke klasse ‘verzuring’ noemt, draait rond een pest-of-cholera-dilemma, diep woekerend in de onderstromen van de samenleving. Wat moeten we meer vrezen: zakkenrollers, of een politioneel apparaat dat iedereen op elk moment uit zijn bed kan lichten? Een onzekere oude dag, of een fiscus die ons levenslang opjaagt? Vuile lucht, of controleurs die een CO2-testsonde in Uw achterwerk steken? Rechteloosheid, of een corrupt rechtssysteem dat kromspreekt? Alcoholisme, of een gezondheidsinspectie die elk moment in ons glas kijkt? Onwetendheid, of de school die ons hersenspoelt? De ziekte, of de ziekenhuizen waar de dood hangt? De voorgestelde schrikbeelden, of het systeem dat beweert ons te beschermen?
De ‘nota Verhofstadt’: een heilsboodschap in bange tijden
Terug naar ons eigen politieke landschap. De anti-establishment-stroom uit zich in Vlaanderen vooral als anti-Belgisch en meteen ook anti-Europees,- de afkeer van een transnationale superstaat die tandpasta in vliegtuigbagage verbiedt (terreurdreiging!), maar niet verhindert dat Bulgaarse weeskinderen in kooibedden wegvegeteren.
Veel van die attitudes gaan over een gevoel van
institutionele terreur, een administratieve Moloch die in Brussel wordt
gesitueerd, en ons al sinds 1830 kwelt. Het flamingantisme bevat dus, ondanks
zijn ‘rechtse’ reputatie, een anarchistische onderstroom die men al terugvindt
in bv. de Antwerpse Meetingpartij van de jaren 1860. De reactie hierop moest er
onvermijdelijk een zijn van Belgisch nationalisme,-… dat via de
compromissenpolitiek een institutioneel doolhof voortbracht met zeven
parlementen en zes regeringen. Dus nog méér intransparantie, en nog méér
anti-establishment-gevoel als reactie,- een vicieuze cirkel: de publieke afkeer
van staatsterreur kan alleen met nog meer staat bestreden worden.
Feit is, dat heel het politiek-bureaucratische handhavingsdiscours bij ons in hoge mate een unitaristisch-Belgicistische aangelegenheid is. En dat het angstmanagement van dat regime er een schrikbeeld bij creëert: het is België of de chaos. Het separatisme is nefast, gevaarlijk, demonisch,- een soort politieke kanker, die koste wat kost moet bezworen worden. Er bestaat een psychologische samenhang tussen het bomalarm van 24 december en de neo-Belgicistische nota Verhofstadt van 6 januari. Geen enkele politieke commentator schijnt dat bemerkt te hebben: eerst komt het schrikbeeld, dan de heilsboodschap.
Deze gefaseerde campagnestrategie komt overigens zo uit het copybook van Noël Slangen: werk niet met éénmalige boodschappen of evenementen, maar bouw de druk op de publieke opinie op, via verschillende ‘trappen’, die elkaar versterken. Dat subliminale cascadeprocédé werd al van stal gehaald in de vorige VLD-kiescampagne, met drie goed getimede, zwaar gemediatiseerde events: achtereenvolgens de landdag in Brugge (december 2006), de publicatie van het vierde Burgermanifest (januari 2007), en de meeting rond Verhofstadt op de Heizel (februari 2007). Het mocht voor de partij weinig baten, maar de populariteit van de premier steeg er wel mee. Vandaag zal het niet anders zijn,- let op het analoge kalenderritme: het terreuralarm in december, de staatshervormingsnota in januari, en reken maar dat er in februari, net vóór de voorziene machtsoverdracht, nog een konijn uit de VLD-hoed getoverd wordt.
Achterliggend bouwt de interimpremier-ad-infinitum een gevaarlijke combinatie op van nieuw autoritarisme (‘de man die het land bijeenhoudt’) en institutionele complexiteit, die in de verste verte niet gedragen kan worden door gevoelens van burgerschap.
Niemand schijnt zich ondertussen zorgen te maken over het aureool van visionaire daadkracht (met het gekoesterde woord ‘voluntarisme’) dat rond Guy Verhofstadt blijft hangen. Deze idolatrie moet wellicht deels de electorale afgang van diens partij compenseren, en deels past ze in zijn persoonlijke fin-de-carrière-plannen (een Europese job?). Toch blijken er nogal wat parallellen met bv. het fenomeen Putin, diens zorgvuldig opgebouwde personencultus, de oproep tot nationale eenheid en trots, de wildgroei van een nieuwe bureaucratie (door sommige critici omschreven als weapon of mass destruction), het creëren van nieuwe vijandbeelden, en tenslotte de ‘Tsjetsjeense terreur’ als permanent alibi om ‘de veiligheid te handhaven’ en drastisch orde op zaken te stellen.
De opgezette Verhofstadt-cultus neemt Messianistische
proporties aan die met het authentieke liberalisme zelfs onverzoenbaar
zijn, niet in de politieke zin, en zeker niet in de filosofische betekenis van
dat woord.
Achterliggend bouwt de interimpremier-ad-infinitum een gevaarlijke combinatie op
van nieuw autoritarisme (‘de man die het land bijeenhoudt’) en
institutionele complexiteit, die in de verste verte niet gedragen kan worden
door gevoelens van burgerschap.
Hoe dat moet gerijmd worden met het bejubelde ideeëngoed van de filosoof Karl Popper, is me een raadsel. Toch maak ik me sterk dat het publiek draagvlak voor de (supra-)nationale voogdij definitief aan het verdampen is. Hoe leutig politici zich ook gedragen op TV-amusementsprogramma’s. Het staatsterrorisme is de onvermijdelijke keerzijde: een megalomane, defensieve kramp van het systeem, dat zich terugplooit op de kerntaken van dreigingsanalyse en angst-management. Terreur is dus niet het monopolie van Al Quaeda of de ETA,- dat zijn maar randverschijnselen. Het zit in de diepste vezel van elk raison d’état, elke machtsstructuur, en beweegt zich op een schaal tussen verbaal geweld en regelrechte repressie. De spontane evolutie van politiek project naar veiligheidstechnocratie, ook en vooral juist in de moderne democratieën, verplicht ons om zeer kritisch om te gaan met de institutionele verleiding rond zorg, veiligheid en bescherming.
Zelfzorg en het uitbouwen van kleine, organische gemeenschappen, in de marge van het systeem is wellicht de enige échte terapie. Emotioneel en cognitief volwaardige bewustzijnskernen die onze oerangst kunnen lenigen, zonder chantage of manipulatie, maar met veel creativiteit en gevoel voor nuance. Om dat herstelproces te benoemen, is er maar één woord dat enigszins in de buurt komt: cultuur.
Onder de waterlijn: cultuur als anti-architectuur
Dat brengt ons, voor de laatste keer, terug bij de
onderwaterterapie van Karel Ringoet. Zou het kunnen dat de valse bommelder uit
het St. Camillus-gesticht, in het begin van ons verhaal, vooral behoefte heeft,
zoals wij allen trouwens, aan een coccon waar de georganiseerde desinformatie
hem niet bereikt? Misschien waren zijn antennes wel te gevoelig, en is de
prenatale duikersklok het prototype van een anti-architectuur die we tegen het
systeem zouden kunnen uitbouwen. Of zoals Ringoet het zelf stelt:
‘Van een aantal schizofrenen weten we dat ze in feite geen tekort hebben, maar eerder een surplus aan werkelijkheidsbeleving’.
Het mediatiek ondersteunde
terreuralarm lijkt in dat opzicht een metafoor voor alle ruis die ons
overprikkelt, verwart, desinformeert. Het is dus zelf pure terreur, die uitlokt,
afleidt, misleidt. Daartegen hebben we slechts één verweer: de
communicatielijnen met de bovenbouw doorknippen. Men moet niet met de leugen
dialogeren, want dat leidt ons enkel dieper in het labyrinth. Wellicht is de
droom van J.J. Rousseau, omtrent een gemeenschappelijk-intieme ruimte, slechts
realiseerbaar op een kleinere schaal en een andere dimensie dan die van de
republiek, namelijk de muzische ruimte. Kwaliteitsmomenten en –plekken,
waar mensen met iets bezig zijn dat de waan van de dag overstijgt, zonder
daarbij zelf helemaal in een systematiek te vervallen, of iets dwangmatig aan de
buitenwereld op te leggen. Bocaccio beschrijft zo’n situatie in zijn
Decamerone, waar een handjevol mensen in een kelder schuilt voor de pest die
buiten woedt, en elkaar verhalen begint te vertellen. Die revalidatiegedachte is
wezenlijk voor elke vorm
van cultuur.

De ronde vorm van oude theaters en operazalen is niet alleen een akoestische kwestie: het zijn ook uterale symbolen, onderwaterbellen die de angst compleet neutraliseren, al gaat het er nog zo gruwelijk aan toe op de scène. Ik weet van operaliefhebbers dat ze alleen al voor dat geluksgevoel gaan. Pure ruimte van de herkenning. De grotten van Altamira vormden al zo’n binnenruimte van de zelfgenezing, afzijds van het grote gebeuren en de massa. Van Bach tot Cage vind ik die muzische subversiviteit overal terug. In kleine, zelfredzame enclaves zoals de Gentse ‘Rode Pomp’ overleeft ze. Wie zichzelf nog kan genezen, liefst in goed gezelschap, moét dat ook doen. Dat is niet eens een culturele imperatief, maar een biologische evidentie.
■
Karel Ringoet: “In de buik van het onbewuste” (Uitg. Stichting Mens en kultuur/Gent, 1997)