%@ Language=JavaScript %>
"De Standaard", 2
November 2004
Reageren Terug naar archief Terug naar startpagina

Leuven is een
monument rijker: een ‘totempaal’ van Jan Fabre, onder
de vorm van een
23m
hoge naald die een reuzeninsect doorprikt. Een ‘ode aan de wetenschap’, aldus de
artiest. Locatie: het Ladeuzeplein tegenover de bibliotheek van de
K.U.L., die het beeld ook bestelde. Ik las het in deze krant en ging in allerijl
een kijkje nemen. En inderdaad: de zoveelste kever van Fabre is netjes
afgeleverd. De vraag, of deze kunstenaar-van-één-thema, de man van de Gentse
hespenzuilen die naar eigen zeggen als kleine jongen al insecten op naalden
prikte, de geschiedenis zal halen, laat ik aan kunstcritici over. Fabre houdt
van dode wezens, die ook ge-dode wezens zijn. Mijn moeder zei al dat je
met eten niet moet morsen, en dat spinnen misschien ook wel lijden als je hun
poten uittrekt,- maar zij kende dan ook niets van moderne kunst.
Nu kan het zeker de bedoeling niet zijn om Leuven te verrijken met nog meer kotmadams of Fonskes. Evenmin hoeft elk artistiek ontwerp aan Gaia of Amnesty International ter goedkeuring voorgelegd worden. Waar het mij om gaat, is de betekenis van dit icoon, als stedelijk beeld-element, ook de emotionele betekenis, de herkenning die het zou kunnen oproepen, en de plaats die het inneemt in het Leuvens universum.
Het fallisch-sadistisch aureool is onloochenbaar, Fabre heeft er zelf geen moeite mee. Dit gaat niet over heling en samenhang, maar over lijden en desintegratie. Aan welk soort wetenschap zou de doorspiesde kever dan een ode kunnen zijn? Aan de ‘wetenschap’ van Dr. Mengele, kamparts in Auschwitz? Aan de vivisectie en de talloze martelsessies op dieren waar inspiratieloze derderangswetenschappers zich mee bezighouden? Of misschien aan het soort ‘wetenschappers’ dat het gifgas ontwikkelde waarmee Sadam de Endlösung van het Koerdisch probleem kon afhandelen? In dat geval moet deze ‘totem’ veeleer een gedenkteken zijn of een waarschuwing, maar dat is hij nu net niét: het is een Ode, een lofzang, net op deze plek van bezinning. Vreemd, ik denk niet dat de K.U.L. daarmee wil geassocieerd worden.

Of bedoelt Fabre, meer in figuurlijke zin, het 19de eeuwse positivistische denken, de manie om alles ‘vast te prikken’, te determineren, en levende processen te bevriezen tot gemummificeerde hypostases? Dan is dit icoon hopeloos achterhaald, want noch het antropocentrisme (de mens als maat van alle dingen), noch het positivisme (de illusie dat alles meetbaar, verklaarbaar en exact beschrijfbaar is), zijn nog geldige wetenschappelijke attitudes.
Blijft dus de makaber-sadistische resonantie van Fabre’s reuzenpiemel. En dat brengt me op het globale Leuvense cultuurhistorische landschap. Deze stad is namelijk duaal, mannelijk én vrouwelijk. Het maakt de discrete harmonie uit van de plek, die een mannelijk-analytische component bezit (de universiteit, het academisme, Vesalius, de begeerte om te ontleden, te weten, het vooruitgangsdenken,… ook de drang naar macht en status), en anderzijds een vrouwelijke antipode, door de Begijnen geïntroduceerd, en gericht op zorg, duurzaamheid, zin voor het geheel, solidariteit met al wat leeft,- een traditie die tot op heden voortleeft in deze stad van ziekenhuizen en zorgcentra.
De Leuvense begijnentraditie is op zijn beurt een fragment van een intrigerende rode draad die door onze beschaving loopt. Het gaat om een pacifistische subcultuur die sterk met de natuur verbonden is en daardoor ook meer emotioneel begaan is met wat leeft. De esoterische kennis die hieruit voortkwam vergde een inititiatie, een rijping, maar geen examens of diploma’s. Ze werkt niet met naalden of messen, maar met kruiden en balsems. Dit is niet de geest van de analyse en de verovering, maar van de empathie en het herstel. We vinden er sporen van in de vroegchristelijke sekte van de Essenen (die het dus niet gehaald hebben), de vroegmiddeleeuwse Katharen (door de inquisitie genadeloos afgeslacht: de bewoners van het laatste bolwerk Montségur werden levend gespiesd en geroosterd,- waaraan doet dit denken…), de heksen (hun lot is bekend), en ja, dus ook de Begijnen (sterke en onafhankelijke vrouwen, enorm gewantrouwd door de middeleeuwse clerus, helemaal niet de trutten zoals ze later werden geportretteerd).
De Leuvense middeleeuwse kernsite aan de Dijle bevat dus zowel de resten van een anatomisch theater (waar, bij wijze van spektakel, lijken werden opengesneden), als van het armengasthuis van de Begijnen,- en dat is een unieke configuratie. Men zou dan zelfs de brouwerijtraditie als synthese en ‘brug’ tussen de mannelijke wetenschap en de vrouwelijke kruidenkunst kunnen opvatten: bier brouwen is wetenschap én magie.
Leuven zou dus Leuven niet zijn, zonder die ‘vrouwelijke’ anima, die ik in Fabre’s totem echter niet terugvind. Als hij een ‘geheugen’ is, dan maar een half geheugen of een selectief geheugen. Typisch mannelijk, alleen zien wat men wil zien,- ik mis de vrouwelijke wederhelft.
Conclusie: de enige zinnige duiding voor het icoon van de dode kever, is dat dit een metafoor is voor de wetenschap-der-moeders die in onze cultuur altijd werd verdrongen. Dat dit ‘andere weten’ desondanks in Leuven een plaats vond naast de Universiteit, vormt een discrete maar duurzame hoeksteen van de stedelijke harmonie die tot op vandaag leeft. Deze stad mag zich verheugen in een opwaartse spiraal, trekt nieuwe bewoners aan, is een gezochte plek, net door die cohabitatie van animus en anima. Het toont aan, hoe omzichtig men moet omspringen met nieuwe monumentaliteit. Fabre heeft iets te zeer zichzelf gecopieerd, en is vervallen in een foute beeldspraak. Misschien was Panamarenko, die ik ooit, eveneens in de Antwerpse Seefhoek, opzocht tussen zijn vier levende papegaaien en naast zijn moeder, een betere keuze geweest. Of moeten we dit op zijn Belgisch oplossen, en ter compensatie op een ander stadsplein een ‘vrouwelijk’ monument oprichten?■Terug naar boven